Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3294

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.175.044/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:2879
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overname procedure door bewindvoerder. Klachtplicht. Verjaring. Zaakwaarneming. Eisen die aan rekening en verantwoording mogen worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.175.044/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/557155 / HA ZA 14-36

arrest van de meervoudige familiekamer van 15 augustus 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. I. Rhodes te Amsterdam,

tegen

ZORG & WONEN B.V.,

vertegenwoordigd door [de bewindvoerder],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder [geïntimeerde],

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.F. de Jong te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de bewindvoerder genoemd.

Op 12 juli is in dit geding een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Bij voormeld tussenarrest heeft het hof verstaan dat Zorg & Wonen, vertegenwoordigd door [de bewindvoerder] , de formele procespartij is van [geïntimeerde] (hierna: [geïntimeerde] ) als materiële procespartij, verstaan dat de vordering tot voeging van Zorg & Wonen niet is ingesteld en de kosten van het geding in het incident gecompenseerd. In de hoofdzaak is de zaak verwezen naar de rol van 26 juli 2016 voor beraad partijen en zijn alle verdere beslissingen aangehouden.

Partijen hebben vervolgens de zaak ter zitting van 16 maart 2017 doen bepleiten,

[appellant] door mr. J. Schouten, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van

mr. I. Rhodes, en de bewindvoerder door haar advocaat, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De bewindvoerder heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van haar stellingen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 12 november 2014 onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.1

Het gaat, samengevat weergegeven, in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is de moeder van [appellant] . Zij heeft nog twee kinderen: [X] en [Y] .

3.1.2

In 2003 is de echtgenoot van [geïntimeerde] , tevens vader van de drie kinderen, overleden. [appellant] woonde toen nog in het ouderlijk huis en is daar blijven wonen na het overlijden van de vader. In 2003 is beginnende Alzheimer geconstateerd bij [geïntimeerde] . [appellant] heeft de zorg voor zijn moeder op zich genomen, waaronder begrepen het verzorgen van haar financiële administratie. In 2006 zijn de twee bankrekeningen van [geïntimeerde] omgezet naar een en/of rekening en is [appellant] mede-rekeninghouder geworden. Alle gelden die op die rekeningen stonden en die nadien via die rekeningen liepen, behoorden [geïntimeerde] toe.

3.1.3

Op 24 oktober 2011 is [geïntimeerde] opgenomen in een verzorgingshuis. Op 29 december 2011 is een bewind ingesteld over de goederen van [geïntimeerde] . Zorg & Wonen, vertegenwoordigd door [de bewindvoerder] , is tot bewindvoerder benoemd. Bij dezelfde beschikking is ten behoeve van [geïntimeerde] een mentorschap ingesteld.

[X] en [Y] zijn benoemd tot mentor.

Nadien is [geïntimeerde] geëmigreerd naar [land] en bij [X] en zijn partner gaan wonen.

3.1.4

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de wijze waarop [appellant] de financiële zaken van [geïntimeerde] heeft behartigd.

In dat kader heeft de advocaat van de bewindvoerder, tot wie de broer en de zus van [appellant] zich in hoedanigheid van mentor van [geïntimeerde] hadden gewend, op 6 maart 2012 een brief aan [appellant] gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Naar eigen zeggen (. . .) zou u vanaf december 2003 de financiële administratie voor uw moeder in handen hebben genomen. (. . .)

Naar achteraf aan het licht is gekomen, heeft u de afgelopen jaren op onrechtmatige wijze aanzienlijke geldbedragen van de bankrekening van uw moeder weggenomen. Vast staat dat het daarbij gaat om tenminste enkele tientallen duizenden euro. Thans wordt nog onderzoek gedaan naar de exacte omvang van voornoemde bedragen.

Gezien het voorstaande is het evident dat u in ieder geval onrechtmatig jegens uw moeder heeft gehandeld en dat uw moeder ten gevolge daarvan schade heeft geleden en lijdt. Namens cliënten en uw moeder stel ik u hierbij aansprakelijk voor deze schade, hetgeen inhoudt dat er aanspraak wordt gemaakt op betaling door u van voornoemde schade. (. . .)

Voorts heeft de bewindvoerder op 14 mei 2014 een brief gestuurd aan de advocaat van [appellant] met de volgende inhoud:

“Op uw verzoek kan ik bevestigen dat ik als bewindvoerder van [geïntimeerde] in stem met de procedure tegen de heer [appellant] met wie mevrouw voor de onderbewindstelling samenwoonde cq een gedeelde huishouding voerde. [geïntimeerde] is onder bewindgesteld op de datum van 29 december 2011.”

3.2.

In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank op de daartoe strekkende vorderingen voor recht verklaard dat [appellant] door gelden van de bankrekening van [geïntimeerde] te hebben opgenomen, onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en tevens voor recht verklaard dat [appellant] de schade die [geïntimeerde] heeft geleden ten gevolge van dit onrechtmatig handelen aan [geïntimeerde] dient te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft dertien grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De eerste twee grieven zien op de beslissing van de rechtbank om de bewindvoerder alsnog in de gelegenheid te stellen in rechte te verschijnen en als formele procespartij verder te procederen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar vorderingen. Bovendien is ten onrechte aangenomen dat [de bewindvoerder] bewindvoerder is van [geïntimeerde] in plaats van Zorg & Wonen. Ook grieft [appellant] tegen de overweging 2.1 van het bestreden vonnis van 29 april 2015 dat de bewindvoerder zich heeft gesteld en de procedure als formele procespartij heeft overgenomen. Ter onderbouwing stelt [appellant] dat [geïntimeerde] noch de bewindvoerder opdracht heeft gegeven om [appellant] te dagvaarden en dat de procedure is gestart in opdracht van de broer en zus van [appellant] in hun hoedanigheid van mentor. Er is geen reden om de bewindvoerder zich te laten stellen namens deze derden. Daarnaast kon de bewindvoerder zich niet meer als formele procespartij stellen omdat er geen sprake was van een verschoonbare onwetendheid of kennelijke vergissing van de zijde van de eisende partij, zodat het arrest waarnaar de rechtbank naar analogie verwijst niet van toepassing is. Verder heeft niet Zorg & Wonen, maar [de bewindvoerder] zich gesteld als bewindvoerder.

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat de procedure in overleg en met haar toestemming is gestart conform de toen geldende jurisprudentie. Uit de latere prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (naar het hof begrijpt: ECLI:NL:HR:2014:525) volgt dat de bewindvoerder de gelegenheid moest krijgen zich alsnog in de procedure te stellen op de voet van artikel 1:441 lid 1 BW. De rechtbank heeft op die manier beslist. Omdat Zorg & Wonen vereenzelvigd dient te worden met [de bewindvoerder] , is de procedure door de juiste procespartij overgenomen.

3.4.

Het hof overweegt als volgt. Nu de goederen die (zullen) toebehoren aan [geïntimeerde] met ingang van 29 december 2011 onder bewind zijn gesteld, is uitgangspunt dat een procedure ten behoeve van [geïntimeerde] dient te worden gevoerd door de bewindvoerder die de rechthebbende ( [geïntimeerde] ) tijdens het bewind bij de vervulling van haar taak in en buiten rechte vertegenwoordigt (artikel 1:441 lid 1 BW). Dit brengt echter niet mee dat [geïntimeerde] in haar vorderingen niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, nu is gebleken dat de procedure in eerste aanleg in overleg met en met medewerking en toestemming van de bewindvoerder is gestart. Terecht is de bewindvoerder dan ook door de rechtbank in de gelegenheid gesteld de procedure over te nemen. Dat de bewindvoerder wetenschap had van de aanvang van de procedure staat daaraan ook niet in de weg. In zijn arrest van 7 maart 2014 beantwoordt de Hoge Raad specifiek de aan hem voorgelegde vragen. Dit betekent niet dat de uit dit arrest te destilleren regel slechts voor de daarin geschetste situatie geldt. De belangen van [appellant] verzetten zich er ook niet tegen dat de bewindvoerder alsnog in staat is gesteld de procedure als formele procespartij over te nemen. De belangen bij niet-ontvankelijkverklaring die [appellant] heeft aangevoerd, zien op belangenverstrengeling en belangen van de rechthebbende zelf en zijn gemotiveerd betwist, zodat deze niet zijn komen vast te staan. Verder is gesteld noch gebleken dat [appellant] is beperkt in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. Voor zover [appellant] grieft tegen de omstandigheid dat [de bewindvoerder] in eerste aanleg is vermeld als bewindvoerder van [geïntimeerde] in plaats van Zorg & Wonen, verwijst het hof naar zijn arrest in incident van 12 juli 2016, waarin is overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat [de bewindvoerder] steeds namens Zorg & Wonen is opgetreden en dat de vermelding van [de bewindvoerder] als bewindvoerder op een vergissing berust. Dit geldt niet alleen voor het hoger beroep, maar ook voor de procedure in eerste aanleg.

De grieven 1 en 2 falen.

3.5.

Het hof zal, voordat het grief 3 behandelt, eerst ingaan op de grieven 4 en 5.

In grief 4 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroep op artikel 6:89 BW. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] nooit heeft geklaagd over de wijze waarop hij gebruik heeft gemaakt van de volmacht, terwijl zij inzicht had in de en/of rekening. De bewindvoerder heeft pas op 14 mei 2014 bevestigd dat zij instemde met de procedure tegen [appellant] , maar heeft zich niet rechtstreeks jegens [appellant] beklaagd over het feit dat hij het beheer niet op een juiste wijze zou hebben uitgevoerd. Tijdens het beheer en in de periode dat [geïntimeerde] handelingsbekwaam was en vanaf de instelling van het bewind is er veel tijd verstreken en was er meer dan genoeg tijd voor beklag over het eventuele gebrekkige beheer over de financiën van [geïntimeerde] door [appellant] .

De bewindvoerder is van mening dat zij tijdig heeft geklaagd. Zij voert aan dat zij vrijwel direct na haar benoeming op 29 december 2011 van start is gegaan. Omstreeks begin januari constateerde zij na controle van de banksaldi van [geïntimeerde] en na overleg met [X] en [Y] , dat er aanzienlijke onverklaarbare bedragen waren opgenomen van [geïntimeerde] rekeningen. Zij heeft toen begin 2012 heeft gepoogd om met [appellant] in te contact komen om duidelijkheid te krijgen over het financiële beheer in het verleden. [appellant] wilde echter op geen enkele wijze met de bewindvoerder communiceren. Vervolgens is [appellant] bij brief van 6 maart 2012 aansprakelijk gesteld voor de schade. Hierna heeft [appellant] hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de rechtbank inzake de onderbewindstelling en het mentorschap. Na beëindiging van de procedure in hoger beroep heeft de bewindvoerder alle bankafschriften opgevraagd en is op 18 december 2013 met instemming van de bewindvoerder de procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. [geïntimeerde] had niet de mogelijkheid zelf het beheer te voeren over dan wel inzage te hebben in de rekeningen, aangezien zij geen bemoeienis meer had met het beheer en bovendien aan Alzheimer leed.

3.6.

Naar het oordeel van het hof kan [geïntimeerde] niet worden tegengeworpen dat zij niet tijdig heeft geprotesteerd en daardoor haar recht is verloren te klagen over de wijze waarop [appellant] beheer heeft gevoerd over haar financiën. Bij [geïntimeerde] is in 2003 reeds geconstateerd dat sprake is van dementie (Alzheimer) en progressief geheugenverlies. In de daarop ziende overgelegde verklaring van de psychiater in 2003 (overgelegd bij Memorie van Antwoord) leest het hof dat [geïntimeerde] toen al geheugenproblemen en overzichtsproblemen had en dat uit onderzoek bleek dat ernstige stoornissen in het geheugen en executieve functies werden gezien, terwijl ook het abstractievermogen was verminderd. Van [geïntimeerde] kon dan ook redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij onderzoek verrichtte naar de wijze waarop [appellant] vanaf 2006 het beheer voerde over haar financiën. Tegen die achtergrond heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, [geïntimeerde] in 2006 “ook nog goed bij” was.

Wat betreft de vraag of de bewindvoerder binnen bekwame tijd heeft geklaagd, stelt het hof voorop dat hiervoor is vereist dat de schuldeiser het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek verricht en binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of bij een gedegen onderzoek had moeten ontdekken hiervan kennis geeft aan de schuldenaar. Op het moment dat de bewindvoerder vermoedde dat er aanzienlijke bedragen waren opgenomen die niet verklaarbaar waren is [appellant] aansprakelijk gesteld. [appellant] heeft niet gesteld dat in het onderhavige geval onderzoek achterwege had kunnen of moeten blijven dan wel dat de termijn die is gebruikt voor het doen van onderzoek te lang is geweest. Bovendien heeft [appellant] niet betwist dat de bewindvoerder de bankafschriften van de bankrekeningen van [geïntimeerde] heeft moeten opvragen. Een en ander betekent dat de klachttermijn pas is gaan lopen nadat de bewindvoerder van de bankafschriften had kennisgenomen. Het hof acht aannemelijk dat de bewindvoerder enige tijd nodig heeft gehad om deze bankafschriften te ontvangen en te bestuderen en dat het opvragen van de ontbrekende bankafschriften en zodoende ook het onderzoek niet eerder is begonnen dan nadat het hof op 7 augustus 2012 de beschikking waarbij Zorg & Wonen tot bewindvoerder was benoemd, had bekrachtigd. Vervolgens geldt dat de vraag of de bewindvoerder tijdig aan haar klachtplicht heeft voldaan, moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Voor de positieve beantwoording van deze vraag acht het hof van veel gewicht dat [appellant] op geen enkele wijze concreet heeft gesteld en onderbouwd dat, en op welke wijze en in welke mate, zijn belangen zijn geschaad door het verstrijken van de tijd tussen het tijdstip waarop de bewindvoerder bekend kon zijn met de inhoud van de bankafschriften en dat van haar formele bekendmaking van haar protest over de opnames bij [appellant] door de brief van 14 mei 2014. Bovendien is [appellant] bij de brief van 6 maart 2012 aansprakelijk is gesteld voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de opnames door [appellant] van de bankrekeningen van [geïntimeerde] . In deze brief wordt meegedeeld dat nader onderzoek wordt gedaan naar de exacte omvang van de, naar de mening van de broer en zus van [appellant] , ten onrechte opgenomen bedragen. Hoewel deze brief niet uit naam van de bewindvoerder is verstuurd, behoorde het op dat moment voor [appellant] duidelijk te zijn dat er vraagtekens werden gezet bij de wijze waarop hij het beheer over de bankrekeningen had uitgevoerd. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de bewindvoerder tijdig heeft geklaagd. Grief 4 faalt.

3.7.

In grief 5 stelt [appellant] – naar het hof begrijpt – dat met betrekking tot de opnames in de periode tot en met 19 december 2008 het recht om schadevergoeding te vorderen is verjaard. [geïntimeerde] had inzicht in de bankrekeningen en was op de hoogte van de opnames die door [appellant] werden verricht. Zij noch de bewindvoerder heeft de verjaring gestuit.

De bewindvoerder voert aan dat in het onderhavige geval een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Deze begint te lopen wanneer de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar haar mening is de verjaringstermijn niet eerder dan januari 2012 gaan lopen omdat zij toen voor het eerst aanwijzingen had dat [geïntimeerde] een vordering op [appellant] had. De verjaring is gestuit door de brief van 6 maart 2012 en de dagvaarding tegen [appellant] is op 18 december 2013 uitgebracht, zodat de verjaringstermijn niet is verstreken.

3.8.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Uit de stukken en hetgeen door partijen naar voren is gebracht, volgt dat de broer en zus van [appellant] , nadat zij tot mentor waren benoemd, een aantal bankafschriften hebben onderzocht. Aan de hand van die bankafschriften zijn zij tot de conclusie gekomen dat sprake was van onrechtmatige opnames. Zij hebben hierover overleg gehad met de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft omstreeks januari 2012 geconstateerd dat er aanzienlijke bedragen van de bankrekeningen van [geïntimeerde] waren opgenomen.

Gelet op het feit dat bij beschikking van 29 december 2011 de broer en zus van [appellant] tot mentor zijn benoemd en de bewindvoerder tot bewindvoerder is voor het hof voldoende aannemelijk dat zij niet eerder de bankafschriften hebben kunnen onderzoeken. Rekening houdend met een termijn voor onderzoek is de verjaringstermijn op zijn vroegst in januari 2012 gaan lopen.

Hieruit volgt dat de verjaringstermijn nog niet was verstreken op het moment van uitbrengen van de dagvaarding op 18 december 2013 en evenmin op het moment waarop de bewindvoerder de procedure formeel overnam bij brief van 17 november 2014. [appellant] heeft zijn stelling dat [geïntimeerde] al veel eerder bekend was met het bestedingspatroon van [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door de bewindvoerder en in het licht van hetgeen het hof heeft overwogen onvoldoende onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbijgaat. De grief faalt.

3.9.

Grief 3 ziet op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] aan [appellant] slechts ten aanzien van het beheer van haar financiën een volmacht heeft verleend. Ter onderbouwing van deze grief stelt [appellant] dat [geïntimeerde] hem een algemene volmacht heeft verleend. Hij voorzag ook in haar verzorging.

3.10.

Het hof begrijpt dat [appellant] met zijn derde grief wil betogen dat hij niet gehouden is tot het afleggen van rekening en verantwoording in het geval van een algemene volmacht.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274). Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende,

(iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (vgl. HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089).

In het onderhavige geval is [appellant] onder meer de financiën van zijn moeder gaan behartigen, gelet op haar afnemende geestelijke en fysieke gezondheid. Het behartigen van deze belangen is niet ongebruikelijk in een familierelatie, zoals deze tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestond. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] enige beperking heeft gesteld op het handelen van [appellant] . Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] al sinds 2003 aan het dementeren was, zodat het hof, in tegenstelling tot hetgeen [appellant] betoogt, niet aannemelijk acht dat zij nog kon overzien op welke wijze [appellant] het beheer voerde. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een rechtsverhouding die zodanige verwantschap vertoont met zaakwaarneming, dat op [appellant] de verplichting rust rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer.

Grief 3 faalt.

3.11.

Met de grieven 6 tot en met 12 komt [appellant] – samengevat – op tegen het oordeel van de rechtbank dat voorshands aannemelijk wordt geacht dat [appellant] tot een bedrag van € 45.000,= van de bankrekening van [geïntimeerde] heeft opgenomen terwijl dit niet dienstig was tot het doel van de verleende volmacht, alsmede tegen de beslissing dat, nu [appellant] van deze stelling geen tegenbewijs heeft geleverd, hij gehouden is tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant] .

[appellant] voert aan dat hem een bewijsplicht is opgelegd, dan wel van hem is verlangd dat hij rekening en verantwoording aflegt, terwijl hij hiertoe niet gehouden is. Bovendien heeft de rechtbank de wijze van verantwoording te ruim uitgelegd. [appellant] stelt dat van hem enkel mag worden verlangd dat hij ten aanzien van de ‘dubieuze uitgaven’ zo mogelijk een reden voor de betreffende uitgave geeft en dat hij ten aanzien van de kasopnames verklaart wat de reden is geweest, maar niet dat hij deze uitgaven documenteert met bonnetjes of aankoopbewijzen, tenzij hij deze nog voorhanden heeft. Volgens [appellant] werden de contante opnames besteed aan eten, kosten van familiebezoek of bezoek aan bezienswaardigheden, de bingo en twee keer per week de dagbehandeling en verder aan kleding en beddengoed. Hij stelt zich verder op het standpunt dat [geïntimeerde] , door nimmer om rekening of verantwoording te vragen, afstand heeft gedaan van het recht hierop – voor zover dit recht al bestond – zodat ook de bewindvoerder dit recht niet meer heeft.

3.12.

Gelet op hetgeen het hof onder 3.10. heeft overwogen, faalt grief 12 voor zover [appellant] daarin betoogt dat van hem niet verlangd kan worden dat hij rekening en verantwoording aflegt. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, heeft de rechtbank hem evenmin een bewijslast opgelegd. Hij is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat hij geld van de bankrekening van [geïntimeerde] heeft opgenomen, terwijl dit niet dienstig was tot het doel van de hem verleende volmacht. Grief 12 faalt derhalve.

3.13.

De inhoud van hetgeen als rekening en verantwoording mag worden verlangd, wordt telkens bepaald door de aard van de rechtsverhouding die verplicht tot het zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen, alsmede de omstandigheden van het gegeven geval (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548). In het onderhavige geval heeft [appellant] slechts in zeer algemene zin een verklaring gegeven voor de besteding van de kasopnames. Daarentegen heeft de bewindvoerder erop gewezen dat geen sprake was van kasopnames voordat [appellant] mede-rekeninghouder werd. Daarnaast heeft zij betwist dat [geïntimeerde] behoefte had aan boodschappen en kleding die stroken met de omvang van de kasopnames en heeft zij erop gewezen dat [geïntimeerde] aan bed was gekluisterd.

Onder deze omstandigheden mocht van [appellant] worden verlangd dat hij per opname in meer gedetailleerde zin zou aangeven waaraan hij het geld heeft besteed, ook al zou hij daarvan geen bonnetje meer hebben.

Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] het in de memorie van grieven daarover gestelde als volgt aangevuld. Hij heeft noodgedwongen kant-en-klaar eten moeten kopen en met [geïntimeerde] in restaurants moeten eten. Doordat de moeder incontinent werd, moest regelmatig nieuwe kleding en nieuw beddengoed worden gekocht. Ook heeft de broer van [appellant] meermalen geld van de moeder geleend tot een bedrag van € 7.500,-, werd jaarlijks € 100,- per kleinkind uitgegeven aan cadeautjes en werd voor de andere familieleden een cadeau gekocht, althans aan hen een geldbedrag geschonken. Hij was niet de enige die een bankpas had, [geïntimeerde] had er ook een. Hij betwist dat hij alle opnames heeft gedaan.

Naar het oordeel van het hof voldoet ook deze laatste opgave van [appellant] niet aan de daaraan te stellen, nu een meer gedetailleerde opgave, bijvoorbeeld van welke bedragen in welke periode aan welke kosten zijn uitgegeven, nog steeds ontbreekt.

[appellant] heeft ook in hoger beroep nagelaten voldoende concreet te onderbouwen waaraan de kasopnames zijn besteed. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen door [appellant] doordat hij gelden heeft opgenomen van de bankrekeningen van [geïntimeerde] welke niet dienstig waren tot het doel van de verleende machtiging, dat dit aan hem kan worden toegerekend en [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden, alsmede dat hij gehouden is deze schade te vergoeden.

Ook de grieven 6 tot en met 11 falen.

3.14.

Grief 13, waarin [appellant] aan de orde stelt dat hij ten onrechte als de in het ongelijk gestelde partij is veroordeeld in de proceskosten, stuit af gelet op de verwerping van zijn overige grieven.

3.15.

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 311,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.