Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:329

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
23-003506-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LOVS-oriëntatiepunten voor woningovervallen niet van toepassing op overvallen en berovingen elders dan in een woning of daarmee vergelijkbare plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003506-16

datum uitspraak: 8 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-703468-15 (hierna: zaak A) en 13-654038-16 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans gedetineerd in P.I. Lelystad te Lelystad,

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in zaak A:
1:
hij op of omstreeks 13 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een muts en/of twee baseballpetten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [winkel 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

2:
hij op of omstreeks 13 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee boxershorts en/of een sok, in elk geval enig kledingstuk, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [winkel 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

in zaak B:

1:
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 18 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een goudkleurig horloge (merk Esprit) en/of een mobiele telefoon (merk iPhone) en/of een paspoort en/of een bankpas en/of een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een pincode (behorend bij een weggenomen bankpas op naam van die [slachtoffer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder andere) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) (opzettelijk dreigend)

- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd en/ of lichaam heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer] met een touw om diens voeten en/of handen en/of nek heeft/hebben vastgebonden en/of

- aan het touw heeft/hebben getrokken dat om de nek van die [slachtoffer] was gebonden en/of

- tegen die (vastgebonden) [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat ze hem in het water zouden gooien, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft opgelopen;

2:
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer] met een touw om diens voeten en/of handen en/of nek heeft/hebben vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (gedurende enige uren) heeft/hebben vastgehouden op een boot in Amsterdam,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft opgelopen;

3:
hij op of omstreeks 19 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een geldautomaat weg te nemen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een bankpas (op naam van die [slachtoffer]) (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren,

zich meermalen, althans eenmaal, met zijn mededader(s) naar een geldautomaat aan de Nieuwendijk heeft begeven en/of (telkens) voornoemde bankpas in het pinapparaat heeft gestopt en/of vervolgens (telkens) de pincode van de bankpas heeft ingetoetst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof in zaak A en B tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsverweer ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en heeft het hof verzocht de verdachte in zoverre, en conform de beslissing van de rechtbank, van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde vrij te spreken.

In aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat de neus van het slachtoffer is gebroken, is het hof met de raadsvrouw van oordeel dat de overige verwondingen van het slachtoffer, hoe ernstig zij ook zijn, geen zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 282, tweede lid (in samenhang met art. 82) Wetboek van Strafrecht opleveren, zodat de verdachte in zoverre van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A:

1:
hij op 13 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een muts en twee baseballpetten, toebehorende aan winkelbedrijf [winkel 1], zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, die in kracht van gewijsde is gegaan;

2:
hij op 13 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee boxershorts toebehorende aan winkelbedrijf [winkel 2], zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, die in kracht van gewijsde is gegaan.
zaak B:

1:
hij in de periode van 18 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een goudkleurig horloge (merk Esprit) en een mobiele telefoon (merk iPhone) en een paspoort en een bankpas en een jas, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een pincode behorend bij een weggenomen bankpas op naam van die [slachtoffer], toebehorende aan voornoemde [slachtoffer],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders (opzettelijk dreigend)

- die [slachtoffer] in het gezicht en tegen het hoofd en lichaam hebben geslagen en/of geschopt en

- die [slachtoffer] met een touw om diens voeten en handen en nek hebben vastgebonden en

- aan het touw hebben getrokken dat om de nek van die [slachtoffer] was gebonden en

- tegen die vastgebonden [slachtoffer] hebben gezegd dat ze hem in het water zouden gooien;

2:
hij in de periode van 18 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hierin bestaande dat verdachte en zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] met een touw om diens voeten en handen en nek hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer] gedurende enige uren hebben vastgehouden op een boot;


3:
hij op 19 maart 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat weg te nemen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer], en daarbij het weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van die [slachtoffer] met (bijbehorende) pincode, zich meermalen, met een mededader naar een geldautomaat aan de Nieuwendijk heeft begeven en telkens voornoemde bankpas in het pinapparaat heeft gestopt en telkens een pincode heeft ingetoetst.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

diefstal, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 en zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als is opgelegd in eerste aanleg.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht, anders dan de rechtbank, geen aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van woningovervallen maar te kijken naar de straffen die voor soortgelijke feiten, niet zijnde woningovervallen, worden opgelegd. De raadsvrouw heeft hieraan toegevoegd dat geen sprake is geweest van een vooropgezet plan zodat ook op die grond reden is de straf te matigen. Zij heeft het hof verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heel ernstige feiten. Tezamen met zijn mededaders en met gebruik van grof geweld heeft de verdachte het slachtoffer op een boot bestolen, afgeperst en van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Het slachtoffer is tot bloedens toe geslagen en geschopt en werd urenlang op een boot vastgehouden. Hij is met een touw vastgebonden en er is gedreigd dat hij gebonden in het water zou worden gegooid. Ook hebben de verdachte en zijn mededaders aan het touw getrokken dat om de nek van het slachtoffer was gebonden. Het slachtoffer bevond zich in een hulpeloze positie en heeft doodsangsten uitgestaan; uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer ervan overtuigd was dat hij het niet zou overleven. De omstandigheid dat het slachtoffer, gehavend als hij was, zijn vrijheid heeft teruggekregen, is geenszins aan de verdachte of diens mededaders te danken maar aan een derde die het slachtoffer uit zijn benarde positie heeft bevrijd. Daarnaast heeft de verdachte zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan pogingen tot diefstal door middel van valse sleutels, door met de bankpas van het slachtoffer en zijn pincode, meermalen te proberen geld van zijn rekening af te halen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen – waarop de recidiveregeling van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is – waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2017 is hij eerder veelvuldig ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof zal, zoals door de raadsvrouw bepleit, bij de strafmaat geen aansluiting zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten voor een woningoverval. Het hof overweegt hiertoe dat in dit geval geen sprake is geweest van een overval in de woning van het slachtoffer of een daarmee vergelijkbare plaats. Voor overvallen en berovingen elders dan in een woning waarbij ander geweld dan licht geweld/bedreiging is gebruikt, is het LOVS-oriëntatiepunt een gevangenisstraf tussen drie en vier jaren. Dit in aanmerking genomen en gelet op het geheel aan bewezen verklaarde feiten, acht het hof alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.054,11 bestaande uit 304,11 aan materiële schade en € 1.750 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de executiekosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering – met uitzondering van € 28 daggeldvergoeding ziekenhuisverblijf – vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van hoofdelijke aansprakelijkheid zal toewijzen, en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Wat betreft voornoemde € 28 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsvrouw het hof verzocht de vordering af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de materiële en immateriële schade niet voldoende zijn onderbouwd.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij twee nachten in het ziekenhuis heeft doorgebracht, nu uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] blijkt dat de benadeelde op 19 maart 2016 de verbalisant heeft meegedeeld uit het ziekenhuis ontslagen te worden en naar de nachtopvang in Almere te gaan. Het hof zal derhalve de vordering, voor zover deze ziet op de daggeldvergoeding voor een tweede nacht in het ziekenhuis – € 28 – niet-ontvankelijk verklaren. Voor het overige is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Daarbij gaat het om materiële schade tot het gevorderde bedrag, met inachtneming van het vorenstaande. Voorts schat het hof de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid op na te melden bedrag. De verdachte is met zijn mededaders hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht – met inachtneming van de hoofdelijke aansprakelijkheid – opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 43a, 45, 47, 57, 63, 282, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in zaak B onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.026,11 (tweeduizend zesentwintig euro en elf cent) bestaande uit € 276,11 (tweehonderdzesenzeventig euro en elf cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander(en) daarvan in zoverre zal/zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-654038-16 onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.026,11 (tweeduizend zesentwintig euro en elf cent) bestaande uit € 276,11 (tweehonderdzesenzeventig euro en elf cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover zijn mededader(s) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. A.M. van Woensel en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van

mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

8 februari 2017.