Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
200.190.993/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:787, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Affectieve relatie. Is sprake van een geldleenovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.190.993/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 4381660 \ CV EXPL 15-5267

(locatie Zaanstad)

arrest van de meervoudige familie kamer van 8 augustus 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonend te [A] ,

appellante,

advocaat: mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonend te [B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.L. van Lenning te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 9 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), van 11 februari 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

De appeldagvaarding bevat de grieven. Bij de appeldagvaarding zijn producties gevoegd.

De man heeft een memorie van antwoord ingediend.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 april 2017 door hun advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De vrouw heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – :

1. zal verklaren voor recht dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat, waarbij de vrouw € 10.718,31 aan de man heeft geleend en op de man de verplichting rust dit bedrag aan de vrouw terug te betalen;

2. ( naar het hof begrijpt) de man zal veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 10.518,31, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2015 tot aan het moment van algehele voldoening;

3. ( naar het hof begrijpt) de man zal veroordelen aan de vrouw af te geven de 5-deurs garderobekast, althans de man zal veroordelen aan de vrouw de vervangende waarde van € 757,= te betalen, althans een door het hof te bepalen bedrag;

4. ( naar het hof begrijpt) de man zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad

€ 875,=, althans een door het hof te bepalen bedrag,

met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten niet in geschil zijn dienen deze ook het hof tot uitgangspunt. Waar deze feiten wel in geschil zijn, zal het hof daarop in het hiernavolgende ingaan voor zover voor de beoordeling van de grieven relevant.

3 Beoordeling

3.1.1

Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

Partijen hebben in 2012 een relatie gekregen die tot eind augustus 2013 heeft geduurd. In het voorjaar/de zomer 2013 hebben zij enige maanden samengewoond in de woning van de man aan de [a-straat] te [B] (hierna: de woning van de man). Voorafgaand aan de samenwoning is de woning van de man verbouwd en opnieuw ingericht. Op 8 mei 2013 heeft de vrouw € 10.000,= van haar vader geleend.

3.1.2

Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan hebben zij via Ping berichten aan elkaar gestuurd. Op 8 oktober 2013 heeft de vrouw aan de man geschreven:

“…Uiteraard is het onvermijdelijk tegen je te moeten zeggen, dat ik zsm de geleende 10.000,- euro terug wil, ik heb geld nodig en mijn pa heeft er al n paar keer om gevraagd inmiddels (…)

(…) de grote garderobekast wil je nog overkopen?

(…).”

De man heeft op dezelfde datum geantwoord:

“(…)

Mbt het geld dat jij van je vader hebt geleend en ik niet om heb gevraagd! Ga ik je terug betalen, dit in n tempo dat mij uitkomt, want ik heb het ook niet zoals je weet.

Op 15 oktober 2013 heeft de man geschreven:

“(…) De spullen die ik zou willen overnemen betreffen de kledingkast en het wasrek. Graag verneem ik daar de overname kosten van.”

Op 17 oktober 2013 reageert de vrouw als volgt:

“(…)

De grote 5 deurs kledingkast (inclusief wasrekje) overname kosten € 1000,-.

(…)

Verder ter volledigheid van de zakelijke afwikkelingen, zal er nog een terugbetalingsregeling getroffen moeten worden mbt de van mij aan jou geleende 10.000,- euro waarvan je eerder al aangaf deze terug te zullen betalen in een door jou te bepalen tempo, graag wil ik weten in hoeveel termijnen je dit concreet verwacht te zullen gaan doen.

(…)”

3.2.

In het onderhavige geding heeft de vrouw in eerste aanleg in conventie gevorderd – kort gezegd – een verklaring voor recht dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat, waarbij de vrouw aan de man € 10.718,31 heeft geleend, alsmede dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 10.518,31 (€ 10.718,31 onder aftrek van een betaling van de man van € 200,-), vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten. De vrouw heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij een affectieve relatie met de man heeft gehad. Voorafgaand aan en gedurende de samenwoning heeft de vrouw meerdere betalingen verricht ter zake van de verbouwing van de woning van de man. De man heeft toegezegd deze bedragen terug te betalen, zodat sprake is van een geldlening, aldus de vrouw. Daarnaast heeft zij de afgifte van een 5-deurs garderobekast gevorderd.

3.3.

De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht en de geldvordering afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vrouw onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij betalingen had verricht ten behoeve van de man en dat partijen een geldleningsovereenkomst waren aangegaan. De vordering ten aanzien van de afgifte van de garderobekast is toegewezen.

3.4.

De vrouw komt op tegen voormelde beslissing alsook de daaraan ten grondslag gelegde motivering, onder aanvoering van 11 grieven.

3.5.

In grief 1 voert de vrouw aan dat de kantonrechter ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan artikel 88 lid 3 Rv, nu aan het eind van de comparitie van partijen geen proces-verbaal is opgemaakt van het ter zitting verhandelde, terwijl de kantonrechter heeft nagelaten aan partijen te vragen of voorlezing en ondertekening door partijen achterwege kan blijven.

Deze grief faalt. Daargelaten dat de vrouw nalaat uiteen te zetten wat hiervan het gevolg is geweest/moet zijn voor de beoordeling van de onderhavige procedure, brengt de omstandigheid dat niet aan de formaliteiten van artikel 88 lid 3, Rv is voldaan, niet mee dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

3.6.

In de grieven 2 en 3 voert de vrouw aan dat de door de kantonrechter opgesomde feiten niet juist en/of onvolledig zijn. Deze grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Nog daargelaten dat een aantal van de door de vrouw opgesomde “feiten” door de man zijn betwist, leidt het hiernavolgende ertoe dat de vrouw daarnaast geen belang heeft bij deze grieven.

3.7.

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven zes tot en met negen te behandelen. In deze grieven komt de vrouw – samengevat – op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van betalingen door de vrouw ten behoeve van de man en van een overeenkomst van geldlening tussen partijen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De vrouw voert in hoger beroep aan dat de man in oktober 2013 schriftelijk heeft erkend dat het geld dat de vrouw heeft geleend van haar vader is gebruikt voor de verbouwing van de woning van de man en dat hij het geleende bedrag aan de vrouw zal terugbetalen. De tekst uit het Ping-bericht van 8 oktober 2013 van de man aan de vrouw “mbt het geld dat jij van je vader hebt geleend en ik niet om heb gevraagd! Ga ik je terug betalen, dit in n tempo dat mij uitkomt, want ik heb het ook niet zoals je weet.” kan – aldus de vrouw - niet anders geïnterpreteerd worden dan als een bevestiging dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan. De man heeft daarop eenmalig een bedrag van € 200,= terugbetaald. Anders dan de man stelt gaat het hier niet om een betaling voor de garderobekast, nu op het moment van betaling in mei 2014 nog niet duidelijk was of de man de kast zou overnemen, aldus de vrouw. Ook is niet juist dat de verbouwing zou zijn betaald met contant geld van de man. De vrouw betwist in dit verband dat de man – zoals hij in eerste aanleg heeft gesteld – indertijd over contant geld beschikte, laat staan dat hij een vaste plek in zijn woning had waar hij contant geld zou hebben liggen. Zij acht het ook onaannemelijk dat er contant geld in de woning zou zijn, omdat partijen tijdens de verbouwing nauwelijks in de woning aanwezig waren en men in het algemeen, gelet op de aanwezigheid van werklieden, geen waardevolle spullen of geld onbeheerd achterlaat. Nu de kantonrechter wel aangetoond acht dat de vrouw een bedrag van € 162,50 heeft betaald voor de huur van een container, had de man in ieder geval moeten worden veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag.

3.8.

De man heeft in hoger beroep wederom betwist dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan. De man stelt zich op het standpunt dat de verbouwing voor zijn rekening is gekomen. Uit het onder 3.7. geciteerde bericht kan niet worden afgeleid dat geld van de vader van de vrouw is gebruikt voor de verbouwing van de woning van de man. Er wordt niet naar enig geldbedrag verwezen en er wordt ook geen melding gemaakt van een geldleningsovereenkomst. Voorts is niet duidelijk hoe hoog het geleende bedrag zou zijn en wat de voorwaarden zijn geweest waaronder dit zou zijn uitgeleend. De betaling van € 200,= had betrekking op de garderobekast. De verbouwingswerkzaamheden zijn betaald met contant geld dat de man in een lade in de kast boven in huis achterliet. Dit geld heeft hij gekregen door fooien die hij als portier en adviseur in de beveiliging ontving. De vrouw heeft niet bewezen dat de betaling voor de huur van de container ten goede is gekomen aan de man. De betaling is de man onbekend en hij heeft ook nooit goedkeuring gegeven dat de vrouw dit bedrag voor hem zou betalen

3.9.

Het hof stelt vast op grond van de stukken en hetgeen partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard dat partijen beiden stellen dat de verbouwing van de woning van de man contant is betaald alsmede dat deze contante betalingen feitelijk zijn verricht door de vrouw. Partijen verschillen echter van mening over de vraag van wie het geld, waarmee de verbouwingen zijn betaald, afkomstig is geweest. De vrouw stelt dat de betalingen zijn verricht uit haar vermogen en ten behoeve van de man waren en dat partijen in verband hiermee een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan. Het geld had de vrouw geleend van haar vader. De vrouw heeft in dit verband verwezen naar de Ping-berichten van 8 oktober 2013. Hierin heeft zij gevraagd om terugbetaling van “de geleende 10.000,- euro”. In reactie hierop heeft de man geantwoord “mbt het geld dat jij van je vader hebt geleend en ik niet om heb gevraagd! Ga ik je terug betalen, dit in n tempo dat mij uitkomt, want ik heb het ook niet zoals je weet.”. Het hof is van oordeel dat deze Ping-berichten de stelling van de vrouw dat sprake is van een geldlening ondersteunen, nu de man daarin verklaart dat hij het geld zal terugbetalen (cursivering door het hof). De stellingen van de vrouw worden ook onderschreven door haar Ping-bericht van 17 oktober 2013, waarin zij schrijft dat er een terugbetalingsregeling getroffen moet worden “mbt de van mij aan jou geleende 10.000,- euro waarvan je eerder al aangaf deze terug te zullen betalen”, mede gelet op het feit dat gesteld noch gebleken is dat de man toen in reactie hierop heeft ontkend dat sprake is van een geldlening of van een toezegging door de man tot terugbetaling van € 10.000,=. Naar het oordeel van het hof heeft de man tegenover deze gemotiveerde stellingen van de vrouw onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer dat de verbouwing is betaald met contant geld van de man dat in de woning lag. Ter zake van voormelde Ping-berichten stelt de man slechts dat de zin “Ga ik je terug betalen” betrekking heeft op de betaling voor de garderobekast. Het hof volgt de man niet in deze stelling, aangezien de man op

8 oktober 2013 nog niet had aangegeven dat hij de garderobekast wilde overnemen. Immers, dit heeft de man pas een week later in zijn Ping-bericht van 15 oktober 2013 laten weten waarna de vrouw op 17 oktober 2013 heeft bericht welk bedrag zij van de man wenste te ontvangen voor de overname van de garderobekast.

Ook de stelling ter zitting in hoger beroep dat hij door zijn werk in de horeca ongeveer € 1.100,= à € 1.500,= per weekend contant aan fooien ontving, acht het hof onvoldoende. Onduidelijk blijft waarom immers waarom de man in oktober 2013 heeft toegezegd de vrouw terug te betalen, indien hij zelf de kosten van de verbouwing voor zijn rekening had genomen. Daarbij komt dat de vrouw de stelling over de contante fooien gemotiveerd heeft betwist. Het had op de weg van de man gelegen zijn werkzaamheden en de contante inkomsten nader te specificeren, temeer nu hij zelf in zijn memorie van antwoord heeft aangevoerd dat hij na zijn schouderoperatie eind 2012 heeft gewerkt als adviseur en inkomsten kreeg uit zijn bedrijf [de B.V.] , waaruit het hof niet kan opmaken dat dit werkzaamheden in de horeca zijn. Daar komt bij dat de man niet afdoende is ingegaan op de stelling van de vrouw dat het onwaarschijnlijk is dat een dermate groot bedrag aan contant geld in de woning wordt achtergelaten terwijl er verbouwd wordt.

Het bewijsaanbod van de man passeert het hof als te vaag en onvoldoende gespecificeerd.

3.10.

De conclusie is dat de grieven 6 tot en met 9 slagen.

Wat betreft de omvang van de geldlening is het hof van oordeel dat deze tot een bedrag van € 10.000,= is bewezen, gelet op de inhoud van de Ping-berichten van 8 en 17 oktober 2013. De gevorderde verklaring voor recht zal tot dit bedrag worden toegewezen. Gelet op het feit de vrouw heeft erkend dat de man reeds een bedrag van € 200,= heeft betaald, is de vordering tot betaling toewijsbaar is tot een bedrag van

€ 9.800,=. De gevorderde wettelijke rente zal als niet betwist eveneens worden toegewezen, zij het dat het hof deze met ingang van 1 februari 2015 zal toewijzen, de datum die door de vrouw in haar sommatiebrief van 5 januari 2015 is genoemd.

3.11.

Het vorengaande leidt ertoe de vrouw geen belang meer heeft bij haar overige grieven – 4, 5, 10 en 11. Deze hebben geen zelfstandige betekenis meer en dienen derhalve te falen.

3.12.

Het hof zal de vordering van de vrouw tot afgifte van de garderobekast afwijzen, nu deze vordering reeds door de kantonrechter is toegewezen en de vrouw tegen dit oordeel geen grieven heeft gericht. Ook de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 875,= zal worden afgewezen, reeds omdat de vrouw in het hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de afwijzing van het desbetreffende deel van haar vordering in het vonnis van

11 februari 2016.

3.13.

De slotsom is dat de grieven in het hoger beroep ten dele slagen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen wat betreft de beslissing over de gevorderde verklaring voor recht en het door de man aan de vrouw te betalen bedrag.

3.14.

Nu partijen ex-partners zijn, zal het hof de kosten in hoger beroep compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot betaling van een geldbedrag zijn afgewezen

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat waarbij de vrouw € 10.000,= aan de man heeft geleend en dat op de man de verplichting rust om dit bedrag aan de vrouw terug te betalen;

veroordeelt de man om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 9.800,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2015 tot aan het moment van algehele voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, J. Jonkers en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.