Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3259

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
23-000569-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Verwerping noodweer. Geen onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, enkele vrees daartoe is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-000569-16

Datum uitspraak: 13 januari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 14-258305-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
30 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2012 te Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde] ),

- ( meermalen) (met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen het gezicht, althans de hals, althans het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) op/tegen het lichaam heeft geduwd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft bepleit dat hij uit noodweer heeft gehandeld.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en of deze verdediging noodzakelijk is geweest, waarbij naast aan de eis van subsidiariteit, ook aan het proportionaliteitsvereiste moet zijn voldaan.

Het hof constateert dat de feitelijke toedracht van het incident onduidelijk is. Geen van de getuigen heeft de aanvang van de schermutseling waargenomen. De aangever heeft verklaard dat hij ineens door de verdachte werd aangevallen en dat hij voelde dat hij op zijn gezicht en hals werd geslagen.

De verdachte heeft op 23 november 2012 bij de politie verklaard dat de aangever dreigend op hem af kwam lopen. Op het laatste moment zag de verdachte dat de aangever een glas bier in zijn handen had. De verdachte vertrouwde het niet en heeft de aangever een klap gegeven, omdat hij niet geslagen wilde worden met het bierglas.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de aangever op hem af kwam lopen met een bierglas in zijn hand, een negatieve blik had en een uitwijkende beweging met diens hand maakte. Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de aangever en diens vrienden hem eerder die avond hadden geprovoceerd en hij ook is geduwd door een van aangevers vrienden.

Bij de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de door de verdachte gestelde feiten en omstandigheden. Hierbij wordt uitgegaan van de verklaring bij de politie en niet van de verklaring ter terechtzitting. Het hof acht de net na het incident bij de politie afgelegde verklaring betrouwbaarder dan een verklaring die vier jaar na het incident is afgelegd.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gestelde aanranding deze objectieve toets niet doorstaat. Dat de verdachte het handelen van de aangever niet vertrouwde is niet van doorslaggevend belang. Diens gedrag, namelijk het richting de verdachte lopen met een glas bier in zijn handen, was in redelijkheid niet dermate bedreigend dat dit aangemerkt kan worden als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In dit oordeel heeft het hof de door de verdachte gestelde provocaties en duwen betrokken. Nu de verdediging niet gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, wordt het beroep op noodweer verworpen.

Getuige [getuige] heeft gezien dat de lip van de aangever gescheurd was en flink bloedde nadat verdachte bij hem wegliep. In het geschrift van 7 oktober 2012, opgesteld door AIOS [naam] , staat dat de bovenlip van de aangever verwond is en dat de reden van de komst van de aangever een mishandeling is. Gelet op het voorgaande acht het hof een causaal verband bewezen tussen het handelen van de verdachte en het bij de aangever geconstateerde letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks 6 oktober 2012 te Alkmaar opzettelijk mishandelend [benadeelde] meermalen tegen het gezicht en de hals heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte uit (putatief) noodweer heeft gehandeld en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Voor putatief noodweer is vereist dat feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. Reeds gelet op hetgeen hierboven is overwogen onder ‘bewijsoverweging’ zijn die feiten of omstandigheden niet aannemelijk geworden. Het beroep op putatief noodweer wordt daarom verworpen.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 300,00.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer verschillende keren in zijn gezicht en tegen de hals geslagen en hem geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 december 2016 is hij eerder voor mishandeling onherroepelijk veroordeeld. Vanwege het tijdsverloop zal het hof een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een straf van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 359,90 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 315,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 315,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft - vanwege de bepleite ontslag van alle rechtsvervolging - verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft hij verzocht de vergoeding te matigen vanwege de eigen schuld van de benadeelde partij.

Op de vordering van de benadeelde partij zijn de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken van toepassing. De benadeelde partij heeft de door de politierechter toegewezen immateriële schade van € 300,00 in eerste aanleg niet gevorderd, Reeds daarom kan deze niet worden toegewezen en zal de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden doordat hij een taxi heeft genomen naar het ziekenhuis. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15,00 (vijftien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 15,00 (vijftien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2017.

mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.