Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3227

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
200.198.043/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:4289, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag ouders op grond van gewijzigde omstandigheden (1:253n lid 1 jo 1:251a lid 1 BW). Psychische problematiek bij vrouw. Adequaat overleg gedurende langere tijd onvoldoende mogelijk, waardoor het regelen van zaken die van belang zijn voor de minderjarige te lang duurt en te moeizaam verloopt. Niet aannemelijk is dat in die situatie binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Reëel risico dat de minderjarige bij voortduring van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken doordat de vrouw niet of moeizaam zal meewerken.

Beslissing op het verzoek inzake de omgangsregeling (1:377a BW) aangehouden in afwachting van onderzoek door de raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.198.043/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/235964/FARK 15-7403

Beschikking van de meervoudige kamer van 8 augustus 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M. Neervoort te Den Helder,

en

[de vrouw] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

niet verschenen.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, locatie Haarlem, hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 25 mei 2016 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 23 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 mei 2016.

2.2.

De vrouw heeft bij fax/journaalbericht van 10 oktober 2016 medegedeeld dat zij geen verweer zal voeren en niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door S. Abrari.

3 De feiten

3.1.

Partijen hebben tot februari 2011 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), [in] 2010.

De man heeft [de minderjarige] erkend. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2.

[de minderjarige] heeft sinds november 2013 zijn hoofdverblijfplaats bij de man. Er heeft sindsdien onregelmatig omgang tussen de vrouw en [de minderjarige] plaatsgevonden.

3.3.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de raad van 27 mei 2015 inzake de mogelijkheden voor een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw en een rapport van de raad van 28 juli 2015 inzake de noodzaak voor het treffen van een beschermingsmaatregel.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans in hoger beroep van belang, het verzoek van de man om eenhoofdig gezag afgewezen en op verzoek van de vrouw een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, waarbij de vrouw éénmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot 17.00 uur omgang met [de minderjarige] zal hebben.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, dat het hof hem alsnog met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] zal belasten en het verzoek van de vrouw om een zorg- en contactregeling te bepalen alsnog zal afwijzen, dan wel dat het hof de raad zal verzoeken om onderzoek te doen alvorens een beslissing over de zorg/contactregeling te nemen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ingevolge artikel 1:253n, lid 1 in verbinding met artikel 1:251a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag van niet met elkaar gehuwde ouders onder meer beëindigen indien sprake is van gewijzigde omstandigheden en er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2.

De man voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat het volgende aan. De kinderrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. De man heeft onderbouwd dat hij niet inhoudelijk met de vrouw over [de minderjarige] kan communiceren. De vrouw is weinig betrokken in het leven van [de minderjarige] en heeft geen enkel inzicht in wat in het belang van [de minderjarige] is indien er beslissingen moeten worden genomen. De vrouw weet dat [de minderjarige] ziek is en zij weet ook van zijn oogoperatie maar heeft daar niet naar gevraagd. De man krijgt geen respons van de vrouw als hij haar toestemming of hulp nodig heeft om iets voor [de minderjarige] te regelen. De vrouw verdwijnt regelmatig uit beeld. De man kan er niet van op aan dat als er iets ernstigs met [de minderjarige] is, hij met de vrouw kan overleggen over wat voor [de minderjarige] het beste zou zijn. Daarom moet het gezag van de vrouw over [de minderjarige] worden beëindigd.

Verder heeft de kinderrechter ten onrechte een zorg- en contactregeling bepaald van een dag per veertien dagen waarbij de vrouw [de minderjarige] bij de man bezoekt. De omgang zoals deze plaatsvond, kan niet meer worden voortgezet. Het bezoekmoment levert elke twee weken ergernis, boosheid en frustratie op, omdat de vrouw niet met de man communiceert en er geen interactie is tussen de vrouw en [de minderjarige] . De vrouw is niet in staat om passend te reageren op [de minderjarige] . De man heeft de omgang in 2016 stopgezet, omdat de vrouw de gemaakte afspraken weer niet na kwam. In de zomervakantie 2016 heeft de vrouw een terugval gehad. In augustus 2016 is de vrouw in een GGZ-kliniek opgenomen. Zij is in december 2016 uit de kliniek ontslagen. Nu belt de vrouw driemaal per week met [de minderjarige] , maar dit is een oppervlakkig gesprek. De vrouw heeft niet het vermogen om in te gaan op wat [de minderjarige] vertelt. Zij stelt geen specifieke vragen, bijvoorbeeld over hoe het op school gaat met lezen en rekenen. Er vallen grote stiltes tijdens het gesprek en het is altijd de vrouw die het gesprek beëindigt. De vrouw belooft [de minderjarige] tijdens het gesprek dat ze naar [A] komt om hem te zien, maar vervolgens doet ze dat niet. Dat is niet goed voor [de minderjarige] . De man wenst dat het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van omgangsregeling alsnog wordt afgewezen, althans dat er een raadsonderzoek plaatsvindt. De man zal de vrouw op de hoogte houden over [de minderjarige] , ook als zij geen gezag meer heeft. Hij wil ook het contact tussen [de minderjarige] en de vrouw blijven faciliteren, alleen weet hij nu niet wat daarbij in het belang is van [de minderjarige] , aldus de man.

5.3.

De vrouw heeft het volgende - samengevat - tot haar verweer aangevoerd. Zij heeft in het belang van [de minderjarige] gehandeld door de zorg over [de minderjarige] aan de man toe te vertrouwen in een periode dat zij psychisch niet stabiel was. Zij is altijd voor de man bereikbaar geweest, zeker als het ging om [de minderjarige] . Dat het contact met haar soms lastig was, bijvoorbeeld toen zij was opgenomen, is geen reden om haar het gezag te ontnemen. De vrouw wil betrokken blijven bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Zij betwist dat zij niet meewerkt aan de verzoeken van de man. Van een situatie dat [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken is geen sprake. De vrouw heeft een voorstel gedaan voor een zorg- en contactregeling, maar de man heeft geweigerd mee te werken aan hervatting van het contact tussen de vrouw en [de minderjarige] . De vrouw wil er alles aan doen om een goede moeder voor [de minderjarige] te zijn. Zij zal zich aan elke afspraak met betrekking tot het contact met [de minderjarige] houden, aldus de vrouw.

5.4.

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd om het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te beëindigen en de man te belasten met het (eenhoofdig) gezag. Volgens de raad bestaat er een reëel risico dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen zijn ouders. Weliswaar komt het contact tussen de man en de vrouw tot heden steeds tot stand, maar dat verloopt zeer moeizaam en het kost veel tijd. Er moet allereerst worden gekeken naar het belang van [de minderjarige] . Het is volgens de raad de vraag of het weinige en moeizame contact in de toekomst nog wel voldoende zal zijn als er praktische zaken geregeld moeten worden. [de minderjarige] heeft hoofdverblijfplaats bij de man en de man is hoofdverzorgende. Hij moet in staat worden gesteld om zelf alle zaken voor [de minderjarige] te regelen, aldus de raad.

De raad heeft verder geadviseerd om onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de omgangsregeling voor de moeder en naar wat passend is voor [de minderjarige] .

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

Gezag

5.6.

De wens van de vrouw om betrokken te blijven bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] komt het hof zeer begrijpelijk voor. Zij is de moeder van [de minderjarige] en het hof wil wel aannemen dat het haar intentie is zoveel als haar situatie en psychische problematiek dat toelaten contact met [de minderjarige] en over [de minderjarige] te onderhouden. Anderzijds moet onder ogen worden gezien dat regelen van zaken die voor [de minderjarige] van belang zijn soms te lang duurt en te moeizaam verloopt. De vrouw heeft weliswaar betwist dat zij niet meewerkt aan verzoeken van de man, maar die betwisting is in het licht van de door de man geschetste voorbeelden onvoldoende. Zo is voldoende aannemelijk dat het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] eerst na tussenkomst van de advocaten van partijen kon worden geregeld en ook het opsturen van het pasje van de ziektekostenverzekering van [de minderjarige] heeft te lang geduurd. [de minderjarige] is in februari 2016 ziek geweest en heeft sindsdien koortsaanvallen. Hij heeft een zeldzame afwijking in zijn bloedcellen en wordt gemonitord voor een juiste afstemming van zijn behandeling. Bij de bezoeken aan het ziekenhuis is de zorgpas van [de minderjarige] telkens nodig. De vrouw heeft ondanks herhaalde verzoeken van de man de zorgpas gedurende lange tijd niet aan hem afgegeven. De man heeft de vrouw ook verzocht om toestemming om [de minderjarige] naar zijn eigen zorgpolis over te schrijven, maar dat is evenmin gelukt. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de vrouw de zorgpas eerst na indiening van het inleidend verzoekschrift aan hem heeft gegeven. Adequaat overleg met de vrouw over operatieve verwijdering bij [de minderjarige] van een abces aan zijn ooglid bleek evenmin voldoende mogelijk. De man heeft ook niet met de vrouw adequaat kunnen overleggen over de wisseling van de basisschool van [de minderjarige] , omdat zij niet reageerde. De man heeft vervolgens veel moeite moeten doen om de vrouw ervan te overtuigen mee te gaan naar de nieuwe school om de benodigde formulieren te ondertekenen.

Weliswaar blijkt dat de man er in een aantal gevallen in slaagt om de vrouw haar medewerking te laten verlenen of om zonder de vrouw de noodzakelijke dingen voor [de minderjarige] te regelen, maar voldoende aannemelijk is dat dit hem onevenredig veel tijd en moeite kost.

Het hof acht niet aannemelijk dat in die situatie binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. [de minderjarige] is een kwetsbaar kind en er zullen de komende jaren nog belangrijke beslissingen moeten worden genomen (zoals schoolkeuze en medische behandelingen). Er bestaat dan ook een reëel risico dat [de minderjarige] bij voortduring van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken doordat de vrouw niet of moeizaam zal meewerken. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag uitsluitend aan de man toekomt.

Omgang

5.7.

Nu geen sprake meer is van gezamenlijke gezagsuitoefening, is niet het bepaalde van artikel 1:253a lid2 onder a BW, doch het bepaalde van artikel 1:377a BW van toepassing. Het hof acht zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling. Het hof is van oordeel dat de behandeling van dit verzoek moet worden aangehouden tot de in het dictum vermelde datum teneinde nader te worden geïnformeerd door de raad. De raad wordt dan ook verzocht een onderzoek in te stellen naar en rapport uit te brengen over de vragen:

  • -

    Welke mogelijkheden zijn er voor een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw?

  • -

    Zijn er factoren die de omgang belemmeren?
    Zo ja, welke?
    Zijn deze factoren op te heffen, en zo ja, hoe en op welke termijn?

  • -

    Hoe dient de omgang in het belang van [de minderjarige] vorm gegeven te worden?

Slotsom

5.8.

Het voorgaande brengt leidt tot de slotsom dat het verzoek van de man tot beëindiging van het gezamenlijke gezag zal worden toegewezen en dat de behandeling inzake de verzochte omgangsregeling zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.

6 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het verzoek van de man tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] , is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen over [de minderjarige] , geboren [in] 2010 in de gemeente [A] ;

bepaalt dat de man wordt belast met het eenhoofdig gezag over voornoemde minderjarige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en, alvorens verder te beslissen:

verzoekt aan de raad, regio Noord-Holland, locatie Haarlem, om een onderzoek te verrichten aan de hand van de volgende vragen:

  • -

    Welke mogelijkheden zijn er voor een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw?

  • -

    Zijn er factoren die de omgang belemmeren?
    Zo ja, welke?
    Zijn deze factoren op te heffen, en zo ja, hoe en op welke termijn?

  • -

    Hoe dient de omgang in het belang van [de minderjarige] vorm gegeven te worden?

bepaalt dat de behandeling van het verzoek inzake de omgangsregeling daartoe pro forma wordt aangehouden tot 5 november 2017 en verzoekt de raad omtrent de resultaten van het onderzoek twee weken vóór deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen;

beveelt de oproeping van partijen en de raad tegen een nadien nader te bepalen datum;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. A.N. van de Beek en mr. A.R. van Wieren, bijgestaan door N. Bakker als griffier en is op 8 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.