Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
200.194.052/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1904.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.194.052/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/559602/HA ZA 14-187

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 augustus 2017

inzake

1.) GARDA INTERNATIONAL LIMITED,

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,

appellante,

advocaat: mr. R.J. van Galen te Amsterdam,

en

2.) BANK JULIUS BÄR & Co. Ltd.,

gevestigd te Genève, Zwitserland,

appellante,

tegen:

LEHMAN BROTHERS TREASURY CO. B.V. in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Garda, Bär en LBT genoemd en Garda en Bär tezamen Garda c.s.

Garda c.s. zijn bij dagvaarding van 23 mei 2016 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2015 en 24 februari 2016, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Bär als eiseres en Garda als gevoegde partij aan de zijde van Bär en Lehman als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- conclusie van eis in hoger beroep tevens houdende vordering tot tussenkomst;

- memorie van antwoord in het incident tot tussenkomst tevens bezwaar tegen vermeerdering van eis.

Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.

Garda c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - zal beslissen inzake het incident tot interventie, althans op de vordering tot tussenkomst en de hoofdzaak overeenkomstig hun conclusie van eis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Lehman heeft geconcludeerd dat Garda niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep, dat Garda’s vordering tot tussenkomst wordt afgewezen, dat het oordeel van de rechtbank inzake de vermeerdering van eis van Bär wordt bekrachtigd, en dat de vermeerdering van eis van Bär in hoger beroep buiten beschouwing wordt gelaten, met beslissing over de proceskosten, met rente.

2 Beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van

27 januari 2015 mondeling uitspraak gedaan in het incident tot tussenkomst, inhoudende dat zij de vordering van Garda te mogen tussenkomen afwijst. Deze uitspraak heeft ten aanzien van Garda te gelden als een eindvonnis (HR 24 juni 1992, NJ 1993/548). Garda heeft in hoger beroep gevorderd dat zij alsnog wordt toegelaten als tussenkomende partij. Nu Garda echter eerst bij dagvaarding van 23 mei 2016 hoger beroep heeft ingesteld van dit eindvonnis en dus niet binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis (art. 339 lid 1 Rv), is zij niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

2.2.

De beslissing van de rechtbank dat de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar is, heeft gezag van gewijsde, en daarop heeft LBT een beroep gedaan (memorie van antwoord in het incident onder 3.5). Het is juist dat het gezag van gewijsde van de beslissing dat de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar is, aan toewijzing van de incidentele vordering tot tussenkomst in hoger beroep in de weg staat.

2.3.

Garda zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep in het incident tot tussenkomst en in het incident tot tussenkomst in hoger beroep worden veroordeeld.

2.4.

LBT maakt voorts bezwaar tegen het hoger beroep voor zover daarbij is geappelleerd tegen de afwijzing van de vermeerdering van eis en tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep. De beslissing hieromtrent zal moeten worden genomen in de hoofdzaak.

2.5.

Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het hoger beroep tegen het vonnis in het incident tot tussenkomst van 27 januari 2015:

verklaart Garda niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt Garda in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bär begroot op nihil en aan de zijde van LBT op € 2.290 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit arrest;

in het incident tot tussenkomst in hoger beroep:

wijst de vordering van Garda af,

veroordeelt Garda in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Bär begroot op nihil en aan de zijde van LBT begroot op € 2.290 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit arrest;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 september 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van LBT;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M. Jurgens en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.