Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3204

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
200.192.904/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afzegging voorgenomen huwelijk. Annulering overeenkomst inzake zaalhuur en verlening horecadiensten in verband met trouwfeest. Overeenkomst aangegaan onder opschortende voorwaarde? Verplichting aspirant-bruidegom tot schadevergoeding wegens niet-nakoming. Inkomstenderving. Omvang schadevergoeding. Schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.192.904/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 4386451 CV EXPL 15-21927

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 augustus 2017

inzake

M & M PLAZA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. H.G. Tienstra te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Koria te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna M & M Plaza en [geïntimeerde] genoemd.

M & M Plaza is bij dagvaarding van 30 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 4 april 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Het hof heeft vervolgens bij arrest van 21 juni 2016 een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Van de desbetreffende zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat tot de gedingstukken behoort.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

In samenhang met laatstgenoemde memorie heeft [geïntimeerde] voorts een cd-rom met daarop beeldopnamen bij de griffie van het hof gedeponeerd. Hiervan is een akte van depot opgemaakt met nummer [nummer] .

M & M Plaza heeft de grondslag van haar vordering gewijzigd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vordering zal toewijzen tot het in de inleidende dagvaarding in eerste aanleg genoemde bedrag, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten en met toekenning van de wettelijke rente daarover.

Partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.6, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen.

Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

M & M Plaza heeft een bedrijfsruimte die is gelegen op het adres [adres] . In deze ruimte bevinden zich verschillende zalen die M & M Plaza tegen betaling ter beschikking stelt aan derden voor het houden van feesten. Zij verzorgt desgewenst ook de aankleding van de betrokken zaal, levert horecadiensten zoals drank, spijzen en bediening, en voorziet ter plaatse in beveiliging door daartoe ingeschakelde personen.

3.2.

Op 15 april 2015 zijn partijen een schriftelijke overeenkomst aangegaan waarbij M & M Plaza zich heeft verbonden één van bovenbedoelde zalen, in de overeenkomst aangeduid als ‘zaal 2’, op 8 augustus 2015 ter beschikking te stellen aan [geïntimeerde] . De overeenkomst voorziet verder in de aankleding van de zaal en in de levering van horecadiensten en beveiliging door M & M Plaza, zoals hierboven vermeld. De overeenkomst is aangegaan in verband met een feest bij gelegenheid van het destijds voorgenomen huwelijk van [geïntimeerde] . Zij vermeldt als overeengekomen totaalprijs een bedrag van € 5.250,- en als aantal gasten honderd personen.

3.3.

Op de overeenkomst tussen partijen zijn de algemene voorwaarden van M & M Plaza van toepassing. Deze voorwaarden bevatten in artikel 9.2.1 een beding op grond waarvan, voor zover van belang, de wederpartij van M & M Plaza die een eerder gesloten overeenkomst annuleert, verplicht is een vergoeding te betalen gelijk aan 50% van de in de algemene voorwaarden nader omschreven reserveringswaarde, met als minimum de hieronder te noemen waarborgsom, in geval van annulering meer dan drie, maar minder dan zes maanden vóór de datum waarvoor zij een zaal heeft besproken.

3.4.

De genoemde algemene voorwaarden bevatten verder in artikel 10.1 een beding dat voorziet in de betaling van een waarborgsom door de wederpartij van M & M Plaza ‘ter hoogte van maximaal de reserveringswaarde minus eventuele reeds verrichte tussentijdse betalingen, met een minimum van € 2.500,00.’ Deze som wordt, volgens artikel 10.2 van de algemene voorwaarden, door M & M Plaza beschouwd als ‘een verplichte voorwaarde voor de acceptatie van een reservering en/of boeking, alsmede voorwaardelijk voor het aangaan van een overeenkomst voor de levering van producten en/of (horeca)diensten door [M & M Plaza].’ [geïntimeerde] heeft geen waarborgsom of ander bedrag aan M & M Plaza betaald.

3.5.

Op 20 april 2015 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst tussen partijen geannuleerd. Hij heeft hiertoe bij e-mail van die datum aan M & M Plaza geschreven: ‘Tot mijn spijt moet ik de trouwerij van 8 augustus wat we hebben besproken op woensdag 16 april cancelen, want de vrouw heeft het op het laatste moment aangegeven dat ze niet met me wilde trouwen en dat ik niet de juiste persoon voor haar was door omstandigheden. Ik had graag de trouwerij bij jou willen houden, want de locatie was voor mij mooi, maar helaas voor mij. Ik hoop dat je hier begrip voor heb[t].’

3.6.

De hierboven weergegeven feiten staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vast. Onder verwijzing naar die feiten stelt M & M Plaza, naar de kern genomen, dat [geïntimeerde] door de annulering van de overeenkomst tussen partijen zonder enige betaling zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en vordert zij de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van een hoofdsom van € 2.625,-, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 500,- en met de wettelijke rente. De gevorderde hoofdsom is gelijk aan 50% van de overeengekomen, onder 3.2 genoemde, prijs. Bij het bestreden vonnis is de vordering afgewezen. Tegen deze beslissing en de daartoe leidende overwegingen komt M & M Plaza op met twee grieven.

3.7.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het onder 3.3 beschreven annuleringsbeding in artikel 9.2.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, zodat dat beding buiten toepassing moet worden gelaten en niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. M & M Plaza had haar vordering in eerste aanleg gegrond op het genoemde annuleringsbeding en zij had de gevorderde hoofdsom berekend in overeenstemming met het daarin bepaalde. In hoger beroep heeft zij deze grondslag prijsgegeven en vordert zij uitsluitend vergoeding van de daadwerkelijk door haar geleden schade als gevolg van de niet-nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerde] , met dien verstande dat M & M Plaza haar vordering in hoofdsom heeft beperkt tot € 2.625,-. Het beloop van de vordering is aldus gelijk gebleven, maar de grondslag ervan is thans een andere dan in eerste aanleg. Nu het annuleringsbeding niet langer aan de vordering ten grondslag ligt, kan dat beding, wat daarvan verder ook zij, ook in hoger beroep niet tot toewijzing van de vordering leiden. De grief faalt dus.

3.8.

Grief 2 betoogt dat de daadwerkelijk door M & M Plaza geleden schade gelijk is aan € 3.381,42 en dat [geïntimeerde] tot vergoeding van deze schade is gehouden, tot het hierboven genoemde bedrag waartoe M & M Plaza haar vordering heeft beperkt. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg tot verweer aangevoerd dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat hij een waarborgsom zou betalen, zoals bepaald in de onder 3.4 aangehaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [geïntimeerde] stelt dat die opschortende voorwaarde niet is vervuld, aangezien hij geen waarborgsom heeft betaald, en dat de overeenkomst dus niet in werking is getreden. Dit verweer miskent dat het M & M Plaza vrijstond naar believen afstand te doen van haar recht op grond van artikel 10.1 van de algemene voorwaarden om betaling van een waarborgsom – die volgens dat artikel ‘uitsluitend tot zekerheid’ voor M & M Plaza diende – te verlangen, naar [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst ook redelijkerwijs had moeten begrijpen en waarmee hij moet worden geacht stilzwijgend te hebben ingestemd, temeer nu uit niets blijkt dat hij op betaling van een dergelijke som heeft gestaan. M & M Plaza heeft in de inleidende dagvaarding onweersproken gesteld dat zij ervan heeft afgezien aan [geïntimeerde] een waarborgsom te vragen. Hierin ligt besloten dat M & M Plaza afstand heeft gedaan van het desbetreffende recht, zodat de overeenkomst niet is aangegaan onder de opschortende voorwaarde van betaling van een waarborgsom door [geïntimeerde] en de werking van de overeenkomst daarvan dus niet afhankelijk is. Het verweer snijdt alleen al hierom geen hout.

3.9.

Afgezien van het bovenstaande is tussen partijen niet in geschil dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat deze niet-nakoming hem verplicht de schade die M & M Plaza daardoor lijdt, te vergoeden. Wel in geschil is de omvang van de schade van M & M Plaza als gevolg van de niet-nakoming door [geïntimeerde] . M & M Plaza heeft de door haar gestelde schade deels onderbouwd met een beroep op aan haar gerichte facturen gedateerd 8 augustus 2015 van derden voor de kosten van bediening en beveiliging bij het onder 3.2 genoemde, geannuleerde, feest en met een beroep op haar betaling van die facturen. Daaruit volgt echter niet dat M & M Plaza reeds vóór de onder 3.5 aangehaalde e-mail van 20 april 2015 van [geïntimeerde] , dus binnen vijf dagen na de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen, opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de gefactureerde diensten en, als zij dit al zou hebben gedaan, evenmin dat M & M Plaza de betrokken overeenkomsten van opdracht niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:408, eerste lid, BW had kunnen opzeggen, zonder verschuldigdheid van de gefactureerde bedragen. M & M Plaza heeft geen feiten gesteld die, bij bewezenverklaring, een andere gevolgtrekking kunnen wettigen, zodat de gestelde schade ter zake van de kosten van bediening en beveiliging niet afdoende is onderbouwd en deze de vordering dus niet kan dragen.

3.10.

M & M Plaza heeft de door haar gestelde schade verder onderbouwd met een beroep op het bedrag dat zij gewoonlijk aan anderen in rekening brengt voor het ter beschikking stellen van de zaal die [geïntimeerde] had besproken. In haar schadeberekening gaat zij daarbij uit van een bedrag van € 1.700,-, welk bedrag zij aan inkomsten stelt te hebben gederfd. Bij de begroting van dat bedrag beroept M & M Plaza zich op twee overeenkomsten met anderen dan [geïntimeerde] , waarin respectievelijk prijzen van € 1.700,- en € 1.800,- zijn overeengekomen voor het gebruik van dezelfde zaal, de aankleding daarvan en de levering van bepaalde dranken. Niet voldoende betwist is dat de desbetreffende zaal op de tussen partijen afgesproken datum niet aan een ander dan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit laatste niet is gebeurd en dat M & M Plaza in zoverre als gevolg van de niet-nakoming door [geïntimeerde] schade heeft geleden in de vorm van gederfde inkomsten. Nu partijen geen afzonderlijke prijs zijn overeengekomen voor de beschikbaarstelling van de betrokken zaal aan [geïntimeerde] , maar uitsluitend een totaalprijs voor het gebruik van de zaal, de aankleding daarvan en de levering van horecadiensten en beveiliging, kan de schade van M & M Plaza door die inkomstenderving niet nauwkeuring worden vastgesteld en moet zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:97 BW worden geschat. Hierbij is van belang dat de twee overeenkomsten met anderen dan [geïntimeerde] waarop M & M Plaza zich beroept, beide uitgaan van het gebruik van de zaal, de aankleding daarvan en de levering van dranken ten behoeve van driehonderd personen, terwijl de overeenkomst tussen partijen betrekking heeft op (niet meer dan) honderd personen, zoals [geïntimeerde] ook heeft opgemerkt, dus een derde van dat aantal. Dit geringere aantal brengt mee dat de gederfde inkomsten van M & M Plaza, evenredig aan het betrokken aantal personen, redelijkerwijs kunnen worden geschat op een derde van het door haar gestelde bedrag van € 1.700,-, dus op € 566,67.

3.11.

Uit het bovenstaande volgt dat de vordering op de in hoger beroep gewijzigde grondslag toewijsbaar is tot een hoofdsom van € 566,67. Het bepaalde in artikel 6:248, tweede lid, BW, waarop [geïntimeerde] zich in eerste aanleg nog heeft beroepen, staat hieraan niet in de weg. De grief slaagt aldus in zoverre en faalt voor het overige. M & M Plaza heeft geen gronden aangevoerd tegen de afwijzing bij het bestreden vonnis van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 500,- en zij heeft die kosten evenmin in haar hierboven bedoelde schadeberekening begrepen. Op dit punt is de vordering reeds daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar, aangenomen al dat M & M Plaza de vordering ter zake van de incassokosten heeft willen handhaven. Partijen hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. De bewijsaanbiedingen over en weer worden daarom, als niet ter zake dienend en het bewijsaanbod van M & M Plaza in de memorie van grieven overigens ook als te vaag, gepasseerd.

3.12.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het bestreden vonnis gedeeltelijk zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd en dat de vordering van M & M Plaza alsnog zal worden toegewezen tot de hierboven genoemde hoofdsom. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, te weten 10 augustus 2015. Bij deze uitkomst zijn partijen in het hoger beroep ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, zodat de kosten van het geding in hoger beroep tussen hen zullen worden verrekend zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt. Nu M & M Plaza de grondslag waarop haar vordering thans deels toewijsbaar is geoordeeld pas voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, terwijl zij de in eerste aanleg aangevoerde, bij het bestreden vonnis verworpen, grondslag heeft prijsgegeven, is de veroordeling van M & M Plaza in de kosten van het geding in eerste aanleg bij het bestreden vonnis te wijten aan haar eigen proceshouding en blijft zij ten aanzien van het geding in eerste aanleg bovendien de in het ongelijk gestelde partij. De veroordeling van M & M Plaza in de kosten van het geding in eerste aanleg, de toegekende nakosten hieronder mede begrepen, wordt daarom in stand gelaten.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep – uitsluitend – voor zover de vordering van M & M Plaza daarbij is afgewezen zoals onder I van het dictum vermeld en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan M & M Plaza te betalen een geldsom van € 566,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze som vanaf 10 augustus 2015 tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af – behoudens hetgeen onder II, III en IV van het dictum van het vonnis waarvan beroep is vermeld – het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor al het overige;

verrekent de kosten van het geding in hoger beroep zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, W.H.F.M. Cortenraad en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.