Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3199

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
200.204.056/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep; echtscheidingsbeschikking was niet (tijdig) ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hoger beroep tegen de uitgesproken nevenvoorzieningen niet meer mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.204.056/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/608335 / FA RK 16-3382

Beschikking van de meervoudige kamer van 11 juli 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. de Jong te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. El Assrouti te Amsterdam.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de kinderbescherming,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 24 november 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 augustus 2016.

2.2

De vrouw heeft op 4 januari 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Benjamin.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw (hierna tezamen ook: de ouders) zijn [in] 2004 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren:

- [kind a] , [in] 2005 te Amsterdam;

- [kind b] , [in] 2007 te Amsterdam;

- [kind c] , [in] 2010 te Amsterdam;

- [kind d] , [in] 2012 te Amsterdam.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aldus bepaald dat de kinderen in onderling overleg wekelijks twee dagen bij de man verblijven;

- bepaald dat de man € 250,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie), met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- bepaald dat de man € 500,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie), met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen aldus dat de man één dag per week de zorg voor de kinderen op zich neemt;

- de partneralimentatie op nul te stellen;

- de kinderalimentatie vast te stellen op € 174,- per maand voor de vier kinderen in totaal;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep.

4.3

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel de verzoeken van de man af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1

Het hof stelt allereerst vast dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 10 augustus 2016. De man is in eerste aanleg niet verschenen en de beschikking is op 24 augustus 2016 aan hem betekend. Het beroepschrift van de man is op 24 november 2016 bij het hof binnengekomen, derhalve binnen de termijn van drie maanden na betekening.

5.2

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de man, zoals door de vrouw is betoogd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, vanwege het feit dat de (echtscheidings)beschikking niet (tijdig) is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk van partijen niet is ontbonden en hoger beroep tegen de daarbij uitgesproken nevenvoorzieningen niet meer mogelijk is.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:163, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de echtscheiding tot stand komt door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van het derde lid van dit artikel verliest de beschikking haar kracht, indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Beslissingen op in de echtscheidingsprocedure verzochte nevenvoorzieningen in de zin van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verliezen daarmee eveneens hun kracht.

5.4

Het hoger beroep van de man richt zich, gelet op het petitum in het appelschrift, uitdrukkelijk niet tegen de uitgesproken echtscheiding. Dit petitum luidt immers:

“REDENEN WAAROM:

Appellant aan uw gerechtshof eerbiedig verzoekt om de beschikking waarvan beroep te vernietigen, voorzover de beschikking betrekking heeft op:

  • -

    de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en deze vast te stellen aldus dat de man 1 dag per week de zorg voor de kinderen op zich neemt;

  • -

    de partneralimentatie en deze op nul te stellen; en

  • -

    de kinderalimentatie en deze op EUR 174 te stellen voor de vier kinderen in totaal.

Geen beroep wordt ingesteld tegen de beschikking voorzover die betrekking heeft op de echtscheiding, hoofdverblijfplaats kinderen en toewijzing huurwoning.

Met het verzoek geïntimeerde in de kosten in verband met dit appel te veroordelen.”

5.5

De beschikking van 10 augustus 2016 is op 24 november 2016, de dag waarop de beroepstermijn is verstreken, zoals hiervoor onder 5.1. uiteengezet, in kracht van gewijsde gegaan. De termijn van zes maanden (van artikel 1:163 lid 3 BW) voor het doen van het verzoek tot inschrijving van de beschikking, liep derhalve tot en met 24 mei 2017. Partijen hebben het hof ter zitting – desgevraagd – laten weten dat de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dat daartoe evenmin vóór 25 mei 2017 een verzoek is gedaan. Dit betekent dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht heeft verloren. Nu de echtscheiding geen onderdeel is geworden van de strijd in hoger beroep en van de zijde van de man in zijn verzoekschrift in hoger beroep ook nadrukkelijk is verzocht de bestreden beschikking uitsluitend te vernietigen voor zover deze bepaalde nevenvoorzieningen betreft, bieden wet noch jurisprudentie een ander aanknopingspunt voor de ingang van de voornoemde termijn van zes maanden.

5.6

Het voorgaande brengt met zich mee dat de echtscheidingsbeschikking van 10 augustus 2016, inclusief de daarin gegeven beslissingen over de nevenvoorzieningen, haar kracht heeft verloren en hoger beroep tegen die beschikking niet meer mogelijk is; er is immers geen sprake (meer) van een echtscheiding van partijen of een procedure daartoe, zodat de rechtsgrond voor- en/of het belang bij een behandeling in hoger beroep van de nevenvoorzieningen, zoals verzocht door de man, ontbreken.

5.7

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verzoek mondeling aangevuld/vermeerderd in die zin, dat zijn hoger beroep zich thans tevens richt tegen de in de beschikking van 10 augustus 2016 uitgesproken echtscheiding. Nu echter, zoals hierboven bij 5.6 is overwogen, van een echtscheiding geen sprake is, dient de man reeds om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard in dit verzoek.

5.8

De man zal derhalve niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn verzoeken in hoger beroep.

5.9

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier en is op 11 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.