Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3173

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
200.215.007/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Dwangsommen verbeurd door krakers voormalige ADM-terrein? Vaststelling inhoud bevel. Overtreding niet uit e-mailbericht af te leiden. Onvoldoende actieve houding belanghebbende bij bevel. Opheffing beslagen en terugbetaling geïncasseerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.215.007/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/623495 / KG ZA 17-139

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 augustus 2017

(bij vervroeging)

inzake

1 [X] ,

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4],

5. [appellant sub 5],

6. [appellant sub 6],

7. [appellant sub 7],

8. [appellant sub 8],

9. [appellante sub 9],

10. [appellante sub 10],

11. [appellante sub 11],

12. [appellante sub 12],

13. [appellant sub 13],

14. [appellant sub 14],

15. [appellant sub 15],

16. [appellant sub 16],

17. [appellant sub 17],

18. [appellant sub 18],

19. [appellant sub 19],

20. [appellant sub 20],

21. [appellant sub 21],

22. [appellante sub 22],

23. [appellant sub 23],

24. [appellante sub 24],

25. [appellant sub 25],

26. [appellante sub 26],

27. [appellante sub 27],

28. [appellante sub 28],

29. [appellant sub 29],

30. [appellant sub 30],

31. [appellante sub 31],

32. [appellant sub 32],

33. [appellant sub 33],

34. [appellant sub 34],

35. [appellant sub 35],

36. [appellant sub 36],

37. [appellant sub 37],

38. [appellant sub 38],

39. [appellant sub 39],

40. [appellant sub 40],

41. [appellante sub 41],

42. [appellant sub 42],

43. [appellante sub 43],

44. [appellant sub 44],

45. [appellant sub 45],

46. [appellant sub 46],

47. [appellante sub 47],

48. [appellante sub 48],

49. [appellante sub 49],

50. [appellant sub 50],

51. [appellante sub 51],

52. [appellante sub 52],

53. [appellant sub 53],

54. [appellant sub 54],

55. [appellante sub 55],

56. [appellante sub 56],

57. [appellant sub 57],

58. [appellant sub 58],

59. [appellant sub 59],

60. [appellant sub 60],

61. [appellant sub 61],

62. [appellante sub 62],

63. [appellant sub 63],

64. [appellant sub 64],

65. [appellante sub 65],

66. [appellant sub 66],

67. [appellant sub 67],

68. [appellant sub 68],

69. [appellante sub 69],

70. [appellante sub 70],

71. [appellante sub 71],

72. [appellante sub 72],

73. [appellant sub 73],

74. [appellante sub 74],

75. [appellant sub 75],

76. [appellant sub 76],

77. [appellante sub 77],

78. [appellant sub 78],

79. [appellante sub 79],

80. [appellant sub 80],

81. [appellant sub 81],

allen wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

1 CHIDDA VASTGOED B.V.,

2. AMSTELIMMO B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam.

Appellanten worden hierna gezamenlijk als [X] c.s. of de bewoners en afzonderlijk bij hun achternaam aangeduid. Geïntimeerden worden afzonderlijk Chidda en Amstelimmo en gezamenlijk Chidda c.s. genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[X] c.s. zijn bij dagvaarding van 24 april 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2017, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [X] c.s. als eisers en geïntimeerden als gedaagden. De dagvaarding bevat de grieven. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht.

[X] c.s. hebben op de dienende dag geconcludeerd overeenkomstig de eis als vervat in voornoemde dagvaarding en de producties in het geding gebracht.

Chidda c.s. hebben daarna een memorie van antwoord ingediend.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 juli 2017 doen bepleiten, [X] c.s. door hun voornoemde advocaat alsmede door mr. M.J. Koning, advocaat te Amsterdam, en Chidda c.s. door hun voornoemde advocaat, alle aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. hebben geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, Chidda c.s. zal verbieden het (nader te noemen) vonnis in kort geding van 13 juli 2015 te executeren voor zover het gaat om de periode tussen 16 oktober 2015 en 22 december 2015, Chidda c.s. zal bevelen de door dezen krachtens dat vonnis gelegde beslagen onmiddellijk op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en Chidda c.s. zal veroordelen tot terugbetaling aan [X] c.s. van alles wat zij door middel van executie van dat vonnis bij [X] c.s. hebben geïnd althans tot zodanige restitutie met uitzondering van een bedrag van € 2.000,= dat betrekking heeft op de dagen 29 en 30 oktober alsmede 2 en 3 november 2015, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

Chidda c.s. hebben geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

2 De feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten, behoudens voor zover het betreft één zin uit de onder 2.4 genoemde feiten, tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan, behoudens die ene zin, uitgaan en op die ene zin, indien daartoe aanleiding bestaat, in het hierna volgende terugkomen.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [X] c.s. zijn woonachtig althans verblijven op het zogenoemde ADM-terrein in het westelijk havengebied van Amsterdam (verder: het terrein). Het terrein is in 1965 aangelegd en was aanvankelijk eigendom van de gemeente Amsterdam. Sinds het midden van de tachtiger jaren van de vorige eeuw is er een woon-/werkgemeenschap op het terrein ontstaan. Op het terrein, dat afgesloten is met een hek, staan een voormalig kantoorpand dat wordt bewoond, een grote loods en twee bedrijfswoningen. Mensen wonen er verder in zelfbouwhuizen, woonwagens en woonboten.

(ii) In 1997 is het terrein gekocht door Chidda c.s. Chidda c.s. hebben bij dagvaarding in kort geding van 18 juni 2015 – kort gezegd – de ontruiming van het terrein door [X] c.s. gevorderd alsmede de oplegging van een gebod aan [X] c.s. om aan Chidda c.s. toegang tot het terrein te verlenen voor bezichtigingen. Chidda c.s. hebben in die procedure gesteld dat zij een huurder hadden voor een deel van het terrein.

(iii) Bij vonnis van 13 juli 2015 (verder ook: het vonnis van 13 juli 2015) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de ontruimingsvordering afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. De gevorderde veroordeling om medewerking te verlenen aan bezichtigingen van het terrein door Chidda c.s. is wel toegewezen. In dat vonnis wordt daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…) als uitgangspunt [heeft, hof] te gelden dat een eigenaar het recht heeft zijn eigendom te bezichtigen. Chidda c.s. heeft hierbij naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook een gerechtvaardigd en spoedeisend belang, aangezien zij doende is het ADM-terrein te verhuren en bezichtigingen noodzakelijk zijn om de plannen met betrekking tot de verhuur (…) nader te concretiseren en geïnteresseerde huurders in staat te stellen zich een beeld te vormen van de andere kavels van het ADM-terrein . De gebruikers [ [X] c.s. , hof] hebben dit in zoverre ook niet betwist. Zij verzetten zich echter tegen vrije en onbelemmerde toegang van Chidda c.s. tot het ADM-terrein . De voorzieningenrechter is van oordeel dat Chidda c.s. toegang tot het terrein dien te krijgen om de plannen te kunnen uitwerken, maar dat vrije en onbelemmerde toegang van Chidda c.s. tot het ADM-terrein op de door haar gevorderde uren teveel ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers, die op het terrein wonen en werken. (…)

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

(…)

6.1.

veroordeelt gedaagden [ [X] c.s. , hof] hoofdelijk, nadat zij daartoe minimaal 24 uur van tevoren van Chidda c.s. per e-mail (aan [appellant sub 54] of aan een in onderling overleg af te spreken andere gebruiker) een aankondiging hebben ontvangen met daarin het tijdstip en de namen van de bezoekers, Chidda c.s. en de haren op de door haar aangegeven dag en tijdstip toegang te verlenen tot het registergoed (…)

6.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk aan Chidda c.s. een dwangsom te betalen van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan het bepaalde onder 6.1, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt (…)

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad (…)”

(iv) Sinds het vonnis van 13 juli 2015 zijn Chidda c.s. meerdere keren op het terrein geweest. Tussen partijen is discussie ontstaan over de interpretatie van dit vonnis, met name over de vraag voor welke doeleinden aan Chidda c.s. toegang moest worden verleend. Van het vonnis van 13 juli 2015 is hoger beroep ingesteld, waarop het bij arrest van dit hof van 21 juni 2016 is bekrachtigd. Bij arrest van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad der Nederlanden het door de bewoners tegen voormeld arrest van het hof ingestelde cassatieberoep verworpen (ECLI:NL:HR:2017:760).

( v) Bij e-mailbericht van 18 september 2015 heeft [Y] namens Chidda c.s. aan [appellant sub 54] aangekondigd dat Bureau Verhagen Milieu Advies het asbestonderzoek in de loods wil voortzetten op vrijdag 25 september om 9.00 uur en dat zij de asbestinventarisatie in het voormalige kantoorgebouw wil verrichten op 5 en 6 oktober 2016. Verder is aangekondigd dat het bodemonderzoek ‘binnen het hek’ zal worden uitgevoerd op 25, 28 en 29 september 2016. In dit e-mailbericht staat vermeld hoe lang de onderzoeken zullen duren en welke personen daarbij aanwezig zullen zijn.

(vi) Bij e-mailbericht van zondag 20 september 2015 hebben [appellant sub 54] en twee andere bewoners geantwoord dat de bewoners naast intern overleg ook overleg met hun juristen voeren en dat zij ervan uitgaan dat zij Chidda c.s. uiterlijk de dinsdag erna zouden kunnen berichten.

(vii) Bij e-mailbericht van dinsdag 22 september 2015 hebben [appellant sub 54] en twee andere bewoners [Y] bericht dat de communicatie over de plannen op dat moment via de advocaten verliep.

(viii) Bij e-mailbericht van 29 september 2015 heeft [Y] [appellant sub 54] namens Chidda c.s. geïnformeerd dat een zekere De Vries tijdens zijn voorgenomen bezoek op 30 september 2015 graag het voormalige ADM-kantoor wil bezichtigen.

(ix) Bij e-mailbericht van 29 september 2015 hebben [appellant sub 54] en twee andere bewoners [Y] geantwoord dat het voormalige kantoor kan worden bezichtigd vanaf de buitenzijde.

( x) Bij e-mailbericht van 13 oktober 2015 heeft [Y] namens Chidda c.s. aangekondigd dat de door hen ingeschakelde bedrijven met een (aanvullend) asbestonderzoek in de loods en een bodemonderzoek willen starten op 29 oktober om 9.00 uur. In dit e-mailbericht staat dat het bodemonderzoek de gehele dag zal duren en zal worden voortgezet op 30 oktober en 2 en 3 november (alle dagen van 9.00 uur tot 17.00 uur) en dat de asbestinventarisatie van het kantoorgebouw twee hele dagen in beslag zal nemen, te weten 30 oktober en 2 november, beide dagen vanaf 9.00 uur. De personen die op genoemde dagen aanwezig zullen zijn, zijn genoemd in dit e-mailbericht.

(xi) Bij deurwaardersexploot van 16 oktober 2015 is de grosse van het vonnis van 13 juli 2015 aan [X] c.s. betekend, samen met de hiervoor genoemde e-mailberichten. Bij dit exploot is [X] c.s. bevel gedaan om aan de inhoud van de grosse te voldoen door binnen drie dagen na dagtekening aan Chidda c.s. en de haren toegang tot het terrein te verlenen en deze toegang te gedogen, met aanzegging dat bij niet tijdige voldoening aan dat bevel zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van de grosse door toegang tot de onroerende zaak door een deurwaarder via dwang te effectueren op kosten van [X] c.s. Ook is aangezegd dat bij niet tijdige voldoening aan het bevel dwangsommen van € 500,= per dag worden verbeurd tot een maximum van € 50.000,=.

(xii) Op 23 oktober 2015 heeft [Y] aan [appellant sub 54] een e-mailbericht gestuurd waarin hij naast de in zijn e-mailbericht van 13 oktober 2015 al genoemde onderzoeken ook een bomenonderzoek aankondigde, te verrichten door L. Dresme. Hierop hebben [appellant sub 54] en een aantal andere bewoners op 25 oktober 2015 het volgende e-mailbericht (verder: het e-mailbericht van 25 oktober 2015) aan [Y] gestuurd:

“Voor wat betreft het door u aangekondigde:

Zoals eerder per mail verzocht door onze advocaten, waarop wij nog geen reactie hebben mogen ontvangen, verzoeken wij u de uitkomst van de [door de bewoners aanhangig te maken, hof] gerechtelijke procedure af te wachten waar het gaat om het uitvoeren van werkzaamheden op het terrein. Dit zal duidelijkheid verschaffen over de kaders waarbinnen beide partijen zich mogen, danwel zullen moeten bewegen.

Voor het overige geldt, net als voorheen, dat als u of iemand anders in redelijkheid kan uitleggen waarom de door u aangekondigde werkzaamheden volgens u nu met zo veel haast uitgevoerd dienen te worden, wij altijd bereid zijn tot overleg, en willen daar in redelijkheid conclusies aan verbinden. (…)”

(xiii) Bij dagvaarding van 4 november 2015 zijn [X] c.s. een procedure in kort geding gestart, waarin zij – kort gezegd – hebben gevorderd Chidda c.s. te verbieden het vonnis van 13 juli 2015 conform de ruimere interpretatie van Chidda c.s. ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 30 november 2015 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [X] c.s. afgewezen. Zij heeft in dat vonnis onder meer overwogen:

“In het kortgedingvonnis van 13 juli 2015 (…) is vooropgesteld dat de gebruikers zonder recht of titel op het terrein verblijven en dat Chidda c.s. als eigenaar van het terrein een gerechtvaardigd belang heeft bij toegang tot het terrein. Voorts is in het kader van een belangenafweging de gevorderde ontruiming afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat aannemelijk is dat bij nadere concretisering van de plannen zal blijken dat werkzaamheden zullen moeten worden verricht waarvoor een vergunning nodig is, alsmede dat moet worden onderzocht of een ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, zodat er nogal wat haken en ogen zitten aan de ontwikkeling van het terrein. In dat kader is de ontruiming voorbarig geacht. Voorts is ten aanzien van de vordering van Chidda c.s. om haar toegang te verlenen tot het terrein overwogen dat Chidda c.s. toegang tot het terrein dient te krijgen om de plannen te kunnen uitwerken. Dat hieronder niet slechts het enkele bezichtigen valt, maar alles wat voor Chidda c.s. nodig is om haar in staat te stellen om die plannen (gericht op het voorbereiden van het terrein voor verkoop of verhuur) te maken, waaronder ook het doen van onderzoek ten behoeve van onder meer vergunningsaanvragen valt, is in het licht van de hiervoor weergegeven overwegingen evident. Een andere uitleg zou onbegrijpelijk zijn, immers hoe zou Chidda c.s. ooit verder kunnen komen met het terrein als zij niet meer zou mogen dan ‘rondkijken’. Dat de voorzieningenrechter aan de vordering van Chidda c.s. om haar vrije en onbelemmerde toegang te verlenen voorwaarden heeft gesteld, maakt dit niet anders, nu die voorwaarden zien op het voorafgaand aan een bezoek aankondigen van tijdstippen en personen. (…)”

(xiv) Van het vonnis van 30 november 2015 zijn [X] c.s. in hoger beroep gekomen, waarop het bij arrest van dit hof van 22 december 2015 is bekrachtigd. De Hoge Raad der Nederlanden heeft het hiertegen gerichte cassatieberoep bij arrest van (eveneens) 21 april 2017 verworpen (ECLI:NL:HR:2017:736).

(xv) In december 2016 hebben Chidda c.s. krachtens het vonnis van 13 juli 2015 executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van een aantal van de bewoners, ter verzekering van verhaal om betaling te verkrijgen van onder andere een bedrag van € 28.000,= aan verbeurde dwangsommen, dat inmiddels, inclusief kosten, is opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 36.000,=. In totaal is daarvan tot nu toe ongeveer € 6.000,= geïncasseerd.

3.2.

[X] c.s. hebben in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, Chidda c.s. te verbieden het vonnis van 13 juli 2015 – onder meer door het innen van dwangsommen – te executeren, Chidda c.s. te gebieden de beslagen onmiddellijk op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, Chidda c.s. te gebieden de onder de beslagen geïncasseerde bedragen te restitueren en Chidda c.s. te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. Zij hebben daartoe gesteld, kort gezegd, dat nimmer aan Chidda c.s. de toegang is ontzegd wanneer dezen zich ten minste 24 uur tevoren hadden gemeld om toegang te verkrijgen, dat Chidda c.s. hadden aangekondigd op 29 oktober 2015 toegang tot het terrein te willen voor een aantal werkzaamheden, maar op die datum niet zijn verschenen, en dat zij, [X] c.s. , derhalve geen dwangsommen kunnen hebben verbeurd. Chidda c.s. hebben tegen deze vordering verweer gevoerd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover thans relevant, als volgt overwogen. Volgens Chidda c.s. hebben [X] c.s. reeds dwangsommen verbeurd doordat zij na de betekening van het vonnis van 13 juli 2015 niet uit zichzelf de toegang zoals bedoeld in dat vonnis hebben toegezegd en gegeven. Daarin worden zij niet gevolgd. Na de betekening zijn alleen dwangsommen verbeurd indien en voor zover [X] c.s. toen aan Chidda c.s. na voorafgaande aankondiging die toegang niet hebben verschaft dan wel hebben nagelaten om na vooraankondiging zich zo te gedragen dat Chidda c.s. erop mochten vertrouwen dat die toegang zou worden verleend. Uit de inhoud van de (hiervoor onder 3.1 sub (xii) bedoelde) e-mailberichten van 23 en 25 oktober 2015 blijkt dat [X] c.s. toen hebben nagelaten om aan Chidda c.s. het vertrouwen te geven dat op de aangekondigde data de aangekondigde bezoekers toegang tot het terrein zouden verkrijgen om de aangekondigde onderzoeken te verrichten. Het e-mailbericht van 25 oktober 2015 kan niet anders worden begrepen dan dat het verrichten van die onderzoeken op 29 oktober 2015 verhinderd zou gaan worden. Daarom zijn voorshands dwangsommen verbeurd vanaf 29 oktober 2015 tot 14 december 2015, aldus (nog steeds) de voorzieningenrechter. Op grond van een en ander heeft de voorzieningenrechter de vordering van [X] c.s. afgewezen en [X] c.s. veroordeeld in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.4.

Het hof ziet aanleiding om allereerst de tweede grief te behandelen. Deze is met name gericht tegen de zojuist (onder 3.3) weergegeven overwegingen uit het vonnis waarvan beroep. De grief betreft de vraag of [X] c.s. krachtens het vonnis van 13 juli 2015 dwangsommen hebben verbeurd over de periode van 29 oktober 2015 tot 14 december 2015 op grond van hun gedragingen in verband met het (al dan niet) verlenen van toegang tot het terrein aan Chidda c.s. op 29 oktober 2015, waarbij in het bijzonder valt te denken aan het e-mailbericht van 25 oktober 2015.

3.5.

Het antwoord daarop spitst zich vooral toe op de vraag hoe het dictum onder 6.1 van het vonnis van 13 juli 2015 moet worden uitgelegd. In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een rechterlijk bevel niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter immers niet tot taak de eerder door de rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat een in het dictum uitgesproken veroordeling steeds moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt.

3.6.

Hiervan uitgaande stelt het hof voorop dat het bedoelde dictum onder 6.1 aldus is geformuleerd dat hierin slechts van een verplichting voor [X] c.s. wordt gesproken om “toegang te verlenen” tot het terrein indien zij minimaal 24 uur van tevoren van Chidda c.s. per e-mail een aankondiging hebben ontvangen (met daarin het tijdstip en de namen van de bezoekers), en dat daarin op geen enkele wijze een verplichting voor [X] c.s. is geformuleerd om na die aankondiging zich zo te gedragen dat Chidda c.s. erop mogen vertrouwen dat hun die toegang zal worden verleend. Hieraan moet de nodige waarde worden toegekend, omdat het verlenen van (feitelijke) toegang enerzijds en het (juridisch) wekken van vertrouwen anderzijds begrippen zijn met een verschillende inhoud en deze begrippen dus een verschillende betekenis hebben. Daar komt nog bij dat in het petitum van de inleidende dagvaarding die tot het vonnis van 13 juli 2015 heeft geleid ook niet mede is gevorderd [X] c.s. te veroordelen om na een aankondiging van Chidda c.s. zich zo te gedragen dat Chidda c.s. erop mogen vertrouwen dat hun die toegang zal worden verleend. Uit een en ander leidt het hof af dat het doel van Chidda c.s. uitsluitend is geweest [X] c.s. te dwingen tot het verlenen van toegang tot het terrein, wat voldoende was om nader onderzoek te doen op het terrein en om geïnteresseerde huurders in staat te stellen zich een beeld te vormen van de nog niet verhuurde kavels. Voorts kunnen aan de inhoud van de aan het dictum voorafgaande rechtsoverwegingen geen aanwijzingen worden ontleend die de conclusie (kunnen) rechtvaardigen dat de voorzieningenrechter met de woorden “toegang te verlenen” in het dictum van haar vonnis onder 6.1 mede het wekken van vertrouwen heeft bedoeld, en kan dit evenmin uit de strekking van die rechtsoverwegingen worden afgeleid, wat in verband met het bereiken van het met de veroordeling beoogde doel ook niet nodig was. Uit het voorgaande volgt dat de in het vonnis van 13 juli 2015 (onder 6.1) vervatte veroordeling uitsluitend betrekking heeft, kort gezegd, op een verplichting tot het verlenen van toegang en niet (tevens) op een verplichting vertrouwen te wekken.

3.7.

Het hof concludeert uit het voorgaande dat [X] c.s. eerst dwangsommen konden verbeuren indien Chidda c.s. na een aankondiging door hen als in het vonnis van 13 juli 2015 bedoeld op de aangekondigde datum door de bewoners geen toegang werd verleend. Bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof is komen vast te staan dat na de aankondiging van Chidda c.s. bij hun e-mailbericht van 23 oktober 2015 op 29 oktober 2015 van de kant van Chidda c.s. niemand zich bij het terrein heeft vervoegd om daar te worden toegelaten. Chidda c.s. hebben – bij diezelfde gelegenheid – evenwel gesteld dat het e-mailbericht van 25 oktober 2015 de grondslag vormt voor hun stelling dat [X] c.s. dwangsommen hebben verbeurd, omdat uit de inhoud daarvan ten minste moest dan wel kon worden afgeleid dat de bewoners op 29 oktober 2015 Chidda c.s. geen toegang zouden verlenen. Het hof volgt Chidda c.s. niet in dit betoog, omdat een dergelijk standpunt van [X] c.s. niet met voldoende zekerheid uit de inhoud van dat e-mailbericht valt af te leiden. Daarin wordt immers, kort gezegd, slechts een verzoek gedaan door de bewoners om de uitkomst van de gerechtelijke procedure (bedoeld wordt kennelijk de onder 3.1 sub (xiii) bedoelde kort geding procedure) af te wachten waar het gaat om het uitvoeren van werkzaamheden op het terrein en wordt voorts gesteld dat als kan worden uitgelegd dat die werkzaamheden veel haast hebben, de bewoners bereid zijn tot overleg en tot het daaraan in redelijkheid verbinden van conclusies. Hieraan kan geen afbreuk worden gedaan door de stelling van Chidda c.s. dat zij bij eerdere aangekondigde bezoeken door de bewoners enkele keren niet zijn toegelaten tot het terrein en zij hierdoor schade hebben geleden omdat de bedrijven die toen toegang wilden krijgen wel de door hen bij die gelegenheid gemaakte kosten in rekening hebben gebracht. Vast staat immers dat bij die eerdere gelegenheden het vonnis van 13 juli 2015 nog niet was betekend, zodat, gelet op het bepaalde in artikel 611a lid 3 Rv, toen geen dwangsommen konden worden verbeurd, terwijl dit nu – na de betekening van dit vonnis op 16 oktober 2015 – wel het geval was. Chidda c.s. hebben na het e-mailbericht van 25 oktober 2015 niettemin op geen enkele wijze nog contact gezocht met de bewoners, wat in deze omstandigheden op hun weg had gelegen omdat zij op die wijze zichzelf duidelijkheid hadden kunnen verschaffen omtrent de vraag of zij op 29 oktober 2015 al dan niet zouden worden toegelaten. Nu uit het e-mailbericht van 25 oktober 2015 niet zonder meer kan worden afgeleid dat Chidda c.s. op 29 oktober 2015 niet zouden worden toegelaten tot het terrein, Chidda c.s. vervolgens niet de gelegenheid hebben benut om bij de bewoners afdoende duidelijkheid daaromtrent te verkrijgen en Chidda c.s. zich ten slotte op 29 oktober 2015 niet bij het terrein hebben vervoegd om daar te worden toegelaten, is de conclusie dat [X] c.s. geen dwangsommen hebben verbeurd.

3.8.

De conclusie is dat grief 2 terecht is voorgesteld. Door het welslagen van deze grief behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

3.9.

De slotsom luidt dat het appel slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [X] c.s. zal alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat het gevorderde verbod tot executie van het vonnis van 13 juli 2015 zal worden beperkt tot die gedragingen waarop het onderhavige geschil betrekking heeft en dat het hof – waartoe het bevoegd is en waartoe de vordering van [X] c.s. , zoals het hof die begrijpt, mede strekt – de beslagen, die alle op grond van die gedragingen zijn gelegd, zelf zal opheffen. Chidda c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en, opnieuw recht doende:

a. verbiedt Chidda c.s. het vonnis van 13 juli 2015 jegens [X] c.s. ten uitvoer te leggen voor zover het betreft de gedragingen van [X] c.s. in verband met het (al dan niet) verlenen van toegang tot het terrein aan Chidda c.s. op 29 oktober 2015;

b. heft alle beslagen op die Chidda c.s. uit hoofde van het vonnis van 13 juli 2015 ten laste van een of meer van de bewoners hebben gelegd tot verhaal van dwangsommen die volgens Chidda c.s. op grond van dat vonnis door [X] c.s. zijn verbeurd;

c. veroordeelt Chidda c.s. tot terugbetaling aan [X] c.s. van alles wat [X] c.s. aan Chidda c.s. hebben betaald uit hoofde van het verhaal dat Chidda c.s. hebben uitgeoefend krachtens het vonnis van 13 juli 2015;

d. veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [X] c.s. gevallen, op € 287,= voor verschotten en op € 816,= voor salaris advocaat;

e. veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [X] c.s. gevallen, op € 813,31 voor verschotten, op € 3.474,= voor salaris advocaat en op € 131,= voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in geval betekening van dit arrest plaatsvindt;

f. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

g. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, R.J.M. Smit en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.