Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
23-000602-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigeren ademanalyse en rijden zonder geldig rijbewijs. Verdachte is zeven maal eerder veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs, daarom hogere straf dan in LOVS is vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000602-17

Datum uitspraak: 28 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 96-210252-16 en 20-000495-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij, op of omstreeks 16 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2:
hij, op of omstreeks 16 oktober 2016 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, het [locatie], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal vanwege proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging feit 1 en 2

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Politieambtenaar [verbalisant] heeft in strijd met de verbaliseringsplicht gehandeld door niet alle relevante feiten en omstandigheden te verbaliseren. De verdachte heeft ontkend als bestuurder te hebben gereden en stelt dat [verbalisant] zich heeft vergist. Volgens de verdachte was zijn vriend [getuige] (fonetisch) de bestuurder van de auto.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Politieambtenaar [verbalisant] heeft in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal geverbaliseerd dat zij de verdachte als bestuurder van een personenauto heeft zien rijden. Het rijgedrag van de verdachte viel haar op omdat de verdachte hard en asociaal reed. Het uiterlijk van de bestuurder kwam overeen met het uiterlijk op het ID-bewijs van de verdachte en de foto van de verdachte in het politiesysteem. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als bestuurder heeft gereden.

Voorwaardelijke verzoeken

Voor zover het hof mocht overwegen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde zou hebben begaan, heeft de raadsman verzocht politieambtenaar [verbalisant] en getuige [getuige] door het hof te laten horen. De raadsman wenst [verbalisant] te bevragen over de schending van de verbaliseringsplicht en over de identiteit van de bestuurder. De raadsman wenst getuige [getuige] te bevragen over de identiteit van de bestuurder.

Op beide verzoeken acht het hof het noodzaakscriterium van toepassing.

Politieambtenaar [verbalisant] heeft op 12 juli 2017 – naar aanleiding van vragen van de verdediging – een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. De raadsman heeft de noodzaak tot het horen van de verbalisante naar aanleiding van het aanvullend proces-verbaal onvoldoende onderbouwd. Bovendien acht het hof zich – op basis van het dossier en het aanvullend proces-verbaal – voldoende voorgelicht. Het hof acht het horen van verbalisante [verbalisant] niet noodzakelijk en wijst het – voorwaardelijk gedane – verzoek tot het horen van deze getuige verbalisant [verbalisant] af.

De verdachte heeft ten overstaan van de hem verhorende politieambtenaar niet betwist de bestuurder te zijn geweest. De verdediging heeft in eerste aanleg niet verzocht om getuige [getuige] te horen, integendeel, de herkenning door verbalisant [verbalisant] van de verdachte als zijnde de bestuurder is ter terechtzitting niet betwist. Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging niet verzocht om het horen van getuige [getuige]. Ter terechtzitting heeft de verdediging – zonder enige onderbouwing en zonder verstrekking van NAW-gegevens, anders dan de mededeling dat de getuige [getuige] (fonetisch) zou heten – gesteld dat deze getuige kan verklaren over de identiteit van de bestuurder, maar dat de getuige niet ter zitting in hoger beroep aanwezig kon zijn om dit verklaren. Gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan – de verdediging had het verzoek eerder kunnen en redelijkerwijs ook moeten doen – op de onvoldoende onderbouwing en het feit dat het hof zich voldoende ingelicht acht, acht het hof het horen van de getuige [getuige] niet noodzakelijk, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 16 oktober 2016 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.

2:
hij op 16 oktober 2016 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de weg, het [locatie], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen 2 en 3 zoals vermeld in het proces-verbaal terechtzitting van 10 februari 2017 van het vonnis waarvan beroep.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016224652-7 van 12 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik kan u het volgende verklaren over die bewuste ochtend op 16 oktober 2016. Het rijgedrag van meneer [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) viel mij op. Hij reed hard en asociaal. Ik kwam tot het natrekken van het kenteken van het betrokken voertuig met [verdachte] als bestuurder.

6. Uiterlijk/omschrijving van de bestuurder?

Ik ben [verdachte] tweemaal gepasseerd en daarnaast de bestuurder was meneer [verdachte], uiterlijk komt overeen met ID-bewijs en foto in de door ons gebruikte politiesystemen.

3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen (auto)rijbewijs heeft, en ook niet heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en heeft de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opgelegd voor de duur van negen maanden

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 2 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft verzocht in plaats van een geldboete een taakstraf op te leggen. Voorts heeft de raadsman verzocht de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op te leggen, omdat de verdachte bezig is met het volgen van rijlessen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het weigeren van het meewerken aan een ademanalyse en aan het rijden zonder rijbewijs.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 juni 2017 is hij meermalen wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Feit 1

De verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek en zo verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate hij door zijn alcoholgebruik de veiligheid in het verkeer in gevaar heeft gebracht. De verplichting mee te werken aan een dergelijk onderzoek is gesteld ter bevordering van de verkeersveiligheid. Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die haar weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden. Om de verdachte de gelegenheid te geven zijn rijlessen te volgen, zal het hof de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen. Vanwege de ernst van het feit ziet het hof – anders dan de politierechter – geen aanleiding de geldboete deels voorwaardelijk op te leggen.

Feit 2

De verdachte heeft een auto bestuurd zonder dat hij in het bezit was van een geldig rijbewijs. Door aldus te handelen heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en de rijbewijsplicht ondermijnd. Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die haar weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een hechtenis voor de duur van twee weken. De verdachte is zeven maal eerder voor het onderhavige delict onherroepelijk veroordeeld, deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden het feit opnieuw te plegen. Het hof zal daarom een hogere straf opleggen dan in de Oriëntatiepunten is vermeld, namelijk een hechtenis voor de duur van drie weken.

Het hof acht, alles afwegende, straffen van na te melden hoogte en duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 16 december 2015 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week. De politierechter heeft deze vordering geheel toegewezen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de vordering gevorderd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor het geloofwaardig functioneren van het wettelijke systeem van algemene en bijzondere voorwaarden is het van essentieel belang dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is. Het hof zal daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gelasten.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 3 (drie) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 16 december 2015, parketnummer 20-000495-15, te weten van:

hechtenis voor de duur van 1 (één) week.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Ruige, mr. R.D. van Heffen en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juli 2017.

mr. T. de Bont is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.