Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3153

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
200.197.442/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.197.442/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/236882 / FA RK 15-7858

Beschikking van de meervoudige kamer van 1 augustus 2017 inzake

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.R. Roethof te Arnhem,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.dl.C.C.C. van Rooij te Amsterdam.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem

verder te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem; hierna: de rechtbank) van 18 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 18 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking van 18 mei 2016.

2.2.

De man heeft op 31 oktober 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer M. Tiessen.

2.4.

Mr. G.F.H. Velthuizen, die bij beschikking van de rechtbank van 2 maart 2016 is benoemd tot bijzondere curator voor de hierna te noemen minderjarigen (verder te noemen: de bijzondere curator), is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

3 De feiten

3.1.

Uit de inmiddels beëindigde relatie van partijen zijn – voor zover hier van belang – geboren:

- [A] (verder te noemen: [kind a] ), [in] 2010, te [geboorteplaats] ;

- [B] (verder te noemen: [kind b] ), [in] 2013, te [geboorteplaats] (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

3.2.

De man is de verwekker van de kinderen.

3.3.

De bijzondere curator heeft in zijn rapport van 21 maart 2016 geadviseerd het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen te verlenen, toe te wijzen. De bijzondere curator heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat door een erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen of de belangen van de kinderen zullen worden geschaad. Voorts acht de bijzondere curator het in het kennelijke belang van de kinderen dat, nu vaststaat dat de man hun biologische vader is, zulks in rechte wordt vastgelegd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de bijzondere curator zijn advies gehandhaafd.

3.4.

De kinderen stonden in de periode van 20 januari 2014 tot 11 februari 2015 onder toezicht en waren in de periode van 20 januari 2014 tot 20 april 2014 uit huis geplaatst bij een pleegouder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende verzoek van de man, aan hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen verleend. Voorts heeft de rechtbank de raad gelast onderzoek te verrichten ten aanzien van het gezag en de omgang/een zorgregeling en de zaak daartoe pro forma aangehouden.

4.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen te verlenen af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

4.3.

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken. Hij verzoekt thans uitsluitend het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daarbij aan hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen is verleend.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Nu de man zijn incidenteel hoger beroep niet heeft gehandhaafd, heeft dit tot gevolg dat de door hem in incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven niet zullen worden onderzocht en het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidenteel hoger beroep.

5.2.

De moeder betoogt – kort gezegd – dat de spanningen die de erkenning van de kinderen door de man bij haar veroorzaakt, van zodanig ernstige aard zijn dat deze van invloed zijn op de kinderen en de relatie tussen haar en de kinderen in gevaar brengen. Hierdoor worden de kinderen bedreigd in hun ontwikkeling. Zij verwijst in dit verband naar een brief van 13 juli 2016 van de Opvoedpoli, waar zijzelf en [kind a] in behandeling zijn (geweest) bij drs. E.L. Chavannes, klinisch psycholoog/psychotherapeut. Uit de inhoud van die brief kan volgens de moeder worden geconcludeerd dat de bij haar door de erkenning teweeggebrachte stress een negatieve invloed zal hebben op de ontwikkeling en de verdere behandeling van [kind a] . Ter zitting in hoger beroep heeft zij gesteld dat haar weerstand tegen de erkenning is gebaseerd op gebeurtenissen in het verleden die in het heden hun weerslag op haar en de kinderen hebben.

5.3.

De man betoogt dat de weerstand van de moeder tegen de erkenning uitsluitend emotionele weerstand is, hetgeen onvoldoende grondslag vormt om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Hij stelt voorts dat hij naar aanleiding van het huiselijk geweldsincident in 2009 vrijwillig in behandeling is geweest bij De Waag, welke behandeling naar tevredenheid is afgesloten. Sindsdien is geen sprake meer geweest van huiselijk geweld of agressie van hem jegens de moeder. Hij betwist dat de psychische instabiliteit en de posttraumatische stressstoornis (PTSS) van de moeder uitsluitend aan hun relatie en voormeld incident te wijten zijn. De mogelijke extra stress die de erkenning bij de moeder zal teweegbrengen, staat niet in verhouding tot het belang van de kinderen om hun vader te kennen en het belang van hem en de kinderen dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Bovendien heeft de moeder professionele hulpverlening (gehad) en is zij thans psychisch stabieler dan voorheen, zodat niet aannemelijk is dat de moeder de kinderen na een erkenning geen stabiel opvoedingsklimaat meer zou kunnen bieden. Een erkenning heeft volgens de man dan ook geen negatieve gevolgen voor de kinderen en er bestaan geen reële risico’s dat de kinderen in hun ontwikkeling worden belemmerd. De man betwist de inhoud van de brief van de Opvoedpoli en is van mening dat deze brief een eenzijdig beeld geeft, aangezien de Opvoedpoli geen gesprekken met hem heeft gevoerd. Hij betwist voorts dat de erkenning gevoelens van stress en bedreiging zal oproepen bij [kind a] . Ter zitting in hoger beroep heeft hij toegelicht dat de moeder [kind a] en [kind b] niet hoeft in te lichten omtrent de erkenning. De moeder wil hem uit het leven van de kinderen bannen, hetgeen schadelijk is voor hun ontwikkeling, aldus de man.

5.4.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend om de kinderen te erkennen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderen het recht hebben te weten van wie zij afstammen en dat de ontwikkeling van de kinderen of de verhouding tussen de moeder en de kinderen niet in het gedrang zullen komen als gevolg van de erkenning. De moeder heeft voldoende draagkracht om met de door de erkenning veroorzaakte stress om te gaan. De angstgevoelens van de moeder hebben met name betrekking op mogelijke omgang tussen de man en de kinderen, aldus de raad.

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:204 lid 3, aanhef en onder a, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is.

5.6.

Bij de toepassing van deze bepaling dienen de belangen van de betrokkenen te worden afgewogen, waarbij als uitgangspunt geldt dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij en zijn aanspraak op erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind.

Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen, indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind. Van schade aan het belang van het kind is slechts sprake, indien er ten gevolge van de erkenning reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer mogelijk kunnen zijn, wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren, dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft.

5.7.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof niet aannemelijk geworden dat erkenning van de kinderen door de man zodanig ontregelend zou zijn voor de verhouding van de moeder met de kinderen, dat de moeder in een zodanig onevenwichtige psychische toestand zou komen te verkeren dat zij daardoor niet in staat zou zijn de kinderen een stabiel opvoedingsklimaat te bieden.

Weliswaar is bij de moeder sprake van emotionele weerstand tegen de erkenning en heeft zij een negatief beeld van de man door gebeurtenissen uit het verleden, maar de moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die weerstand belangrijke negatieve gevolgen voor de kinderen zal hebben. In dit verband acht het hof, evenals de bijzondere curator, van belang dat de moeder hulpverlening in de vorm van traumabehandeling, onder meer gericht op het verwerken van het gezamenlijke verleden van partijen, heeft (gehad). De moeder heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man zijn behandeling bij De Waag, naar aanleiding van het huiselijk geweldsincident in 2009, positief heeft afgerond en dat sindsdien geen sprake meer is geweest van huiselijk geweld of agressie van de man jegens haar. Voorts heeft de bijzondere curator in voormeld rapport te kennen gegeven dat hij de indruk heeft dat de moeder, ondanks haar bezwaren, in een evenwichtige gemoedstoestand verkeert. Ook de raad acht de moeder voldoende in staat om mogelijke, door de erkenning teweeggebrachte spanningen en stress te dragen. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de raad al hetgeen uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken, waaronder de door de moeder in het geding gebrachte brief van de Opvoedpoli, bij zijn advies ter zitting in hoger beroep heeft betrokken.

Hoewel het hof begrijpelijk acht dat een erkenning van de kinderen door de man mogelijk zal leiden tot spanningen bij de moeder, is onvoldoende aannemelijk geworden dat de kinderen daarvan een schadelijke weerslag zullen ondervinden en dat een reëel risico bestaat dat zij ten gevolge van de erkenning door de man worden belemmerd in hun evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De door de moeder in het geding gebrachte brief van de Opvoedpoli acht het hof in dit verband onvoldoende, nu uit deze brief niet blijkt dat de problemen die [kind a] heeft, zijn veroorzaakt door de mogelijke erkenning door de man. Het enkele feit dat de kinderen enige weerslag zouden kunnen ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op hun gezinsleven met de moeder, betekent niet dat hun in artikel 1:204 lid 3 BW bedoelde belangen in het gedrang komen. Voor zover de vrouw vreest dat erkenning van de kinderen door de man zal leiden tot de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen en gezamenlijk gezag van partijen, laat dit het voorgaande onverlet, nu de vraag of de man recht heeft op omgang met de kinderen en mede met het gezag dient te worden belast, binnen hun eigen toetsingskader op grond van artikel 1:377a BW respectievelijk artikel 1:253c BW dienen te worden beoordeeld.

5.8.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen of de belangen van de kinderen schaadt. Voorts weegt het belang van de kinderen en de man bij erkenning van hun relatie in rechte als een familierechtelijke betrekking zwaarder dan het belang van de moeder bij niet-erkenning.

5.9.

Het hof acht zich, gelet op alle stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, voldoende voorgelicht en ziet derhalve geen aanleiding om een aanvullend raadsonderzoek dan wel een (ouderschaps)onderzoek door een door het hof te benoemen psycholoog te gelasten, zoals door de moeder (subsidiair) ter zitting in hoger beroep is verzocht.

5.10.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de bestreden beschikking, voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen is verleend, dient te worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de man niet‑ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen is verleend;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

bepaalt dat de griffier op de voet van artikel 1:20e lid 1 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking – en indien daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Almere.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. R.G. Kemmers en mr. J.M.C. Louwinger‑Rijk, bijgestaan door mr. J.H.M. Kessels als griffier en is op 1 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.