Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
200.178.631/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfgrenskwestie. Vragen aan deskundige of gevelplaten over de erfgrens hangen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:369.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.178.631/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/574919/ HA ZA 14-1044

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 augustus 2017

inzake

1 [appellante sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

3. [appellant sub 3],

allen wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. E. Doornbos te Amsterdam,

tegen

1 CAI CHEN VASTGOED B.V.,

2. CAI CHEN B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

De appellanten worden hierna wederom [appellante sub 1] , [appellante sub 2] en [appellant sub 3] genoemd. Gezamenlijk worden zij aangeduid als [appellanten] De geïntimeerden worden Cai Chen Vastgoed en Cai Chen B.V. genoemd. Gezamenlijk worden zij aangeduid als Cai Chen.

Het hof heeft in deze zaak op 7 februari 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.

Partijen hebben zich ieder bij akte uitgelaten over het te gelasten deskundigenbericht, het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof overwogen behoefte te hebben aan nadere inlichtingen van een deskundige teneinde te kunnen vaststellen of, en zo ja, in hoeverre, de aangebrachte beplating over de erfgrens reikt, dan wel zich uitsluitend boven het perceel van [appellanten] bevindt. Ook is partijen gevraagd zich uit te laten over welke deskundige dit onderzoek zou dienen te doen (een deskundige van het Kadaster, dan wel een andere deskundige) en de aan de deskundige te stellen vragen. [appellanten] hebben hun voorkeur uitgesproken voor de deskundige N. Heinen van ingenieursbureau Passe-Partout, Cai Chen voor de deskundige A.W. Sprengers van het Kadaster. Het hof heeft inmiddels contact met het Kadaster opgenomen en vernomen dat onderzoek omtrent hellingshoeken uitgevoerd moet worden door een bouwkundig bureau/ingenieursbureau. Het Kadaster is echter zelf naar het oordeel van het hof wel bij uitstek toegerust om de grensreconstructie uit te voeren. Het bezwaar van [appellanten] dat het Kadaster tot nu toe niet in staat is geweest een en ander te bewerkstelligen en het zuiverder is een nieuwe partij in te schakelen, deelt het hof in dat verband niet. Het hof acht het derhalve wenselijk dat het onderzoek naar de erfgrens wordt uitgevoerd door een deskundige van het Kadaster en het onderzoek naar de hellingshoek door een deskundige van ingenieursbureau Passe-Partout, tegen welk bureau Cai Chen op zichzelf geen bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft ingenieursbureau Passe-Partout, in het bijzonder N. Heinen, bereid gevonden het bouwkundig onderzoek te doen en het Kadaster, in het bijzonder A. Sprengers, om de grensreconstructie uit te voeren.

2.2

Beide partijen hebben vragen geformuleerd die het hof tot uitgangspunt voor zijn vraagstelling zal nemen. Het neemt daarbij in aanmerking dat slechts van belang is hoe de achterzijde van het pand van [appellanten] zich verhoudt tot de kadastrale erfgrens tussen de percelen van partijen. Aan de deskundigen zullen de volgende vragen worden gesteld:

1. Kunt u de kadastrale erfgrens tussen de percelen van [appellanten] en Cai Chen deugdelijk vaststellen?

2. Is het pand van [appellanten] niet loodrecht op de bodem geplaatst, en helt dit naar voren, richting de aan de voorkant van het pand gelegen gracht?

3. Helt de achterzijde van het pand, hoe hoger deze komt verder af van de kadastrale erfgrens?

4. Indien een dergelijke helling aanwezig is, wat is dan aan de achterzijde de hellingshoek en de daarbij behorende afstand in centimeters vanaf de kadastrale grens, zo mogelijk per verdieping?

5. Meer specifiek: ligt de achtergevel van het pand van [appellanten] vanaf de eerste verdieping achter de erfgrens en zo ja hoeveel centimeter?

6. Bevinden de afdekplaten zoals deze thans nog op het pand zijn aangebracht zich boven het perceel van [appellanten] , dan wel Cai Chen?

7. Doet het feit dat een meting vanaf de begane grond niet mogelijk was of is af aan het oordeel in de rapporten van het Kadaster van 12 juni 2014 (archiefnummer [nummer] ) en 12 juni 2015 (archiefnummer [nummer] ). Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?

8 . Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

Daarbij ligt voor de hand dat A. Sprengers met name de vragen 1, 7 en 8 beantwoordt en N. Heinen de vragen 2 tot en met 8.

2.3

De betaling van het voorschot komt ten laste van [appellanten]

2.4

Nadat de deskundigen hun rapport bij het hof hebben ingediend zal het hof partijen – eerst [appellanten] en daarna Cai Chen – in de gelegenheid stellen bij memorie op de deskundigenrapporten te reageren.

2.5

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

3 Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de vragen als genoemd in rechtsoverweging 2.2;

benoemt tot deskundigen om dit onderzoek te verrichten:

1. N. Heinen

Ingenieursbureau Passe-Partout

Hanzeweg 15 te Gouda

2. A. Sprengers

Landmeetkundig Specialist Grensreconstructie

Kadaster Noordwest, afdeling GEO/LM;

bepaalt dat de deskundigen in samenspraak met elkaar hun onderzoek dienen te verrichten en het onderzoek op elkaar dienen af te stemmen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen vóór 22 augustus 2017 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundigen op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijdstip;

bepaalt dat de deskundigen een voorschot toekomt van

1. voor N. Heinen

2 € 450,- voor A. Sprengers;

bepaalt dat [appellanten] als voorschot op de kosten van de deskundigen voornoemd bedrag dienen te voldoen; [appellanten] zullen daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota ontvangen met betaalinstructies;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met het onderzoek behoeven te beginnen;

bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk, ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van het hof vóór 7 november 2017;

bepaalt dat de deskundigen tegelijk met dit bericht hun declaratie ter griffie zullen indienen onder vermelding van zaaknummer 200.178.631/01;

verwijst de zaak naar de rol van 7 november 2017 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, J.C.W. Rang en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017.