Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3116

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
23-004528-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal creditcards en pincodes uit de door hem als postbode te bezorgen post en diefstal geldbedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004528-16

datum uitspraak: 31 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-702858-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 01 juni 2015 tot en met 17 september 2015 te Amstelveen en/of Badhoevedorp en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meerdere UTN-brieven en/of creditcards en/of pincodes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of International Card Services en/of PostNL, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als postbode, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2:
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 01 juni 2015 tot en met 17 september 2015 te Almere en/of Amstelveen en/of Amsterdam en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland,(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen:

- een of meerdere geldbedragen (van in totaal 1220 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of International Card Services, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of

- een of meerdere geldbedragen (van in totaal 1823,71 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of International Card Services, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of

- een of meerdere geldbedragen (van in totaal 500 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of International Card Services, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

waarbij hij, verdachte, dat/die weg te nemen geldbedrag(en) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, althans (telkens) een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2015 tot en met 17 september 2015 te Amstelveen en Badhoevedorp telkens opzettelijk een of meerdere UTN-brieven en creditcards die toebehoorde(n) aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en/of International Card Services en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als postbode onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2:
hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2015 tot en met 17 september 2015 te Almere en Amstelveen en Amsterdam en Hoofddorp, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen:

- geldbedragen van in totaal 1220 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of International Card Services, en

- geldbedragen van in totaal 1823,71 euro, toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of International Card Services, en

- een geldbedrag van 500 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of International Card Services,

waarbij hij, verdachte, die weg te nemen geldbedragen telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en 240 uren taakstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en 180 uren taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis en dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende enkele maanden verschillende keren brieven met daarin creditcards en de bijbehorende pincodes uit de door hem als postbode te bezorgen post ontvreemd en hiermee vervolgens grote geldbedragen opgenomen en deze uitgegeven. Niet alleen heeft hij hiermee de verzender en de ontvangers schade en ongemak berokkend en hun vertrouwen in het postverkeer op deze wijze geschaad, ook heeft hij zijn positie als postbezorger misbruikt en het vertrouwen dat zijn werkgever behoort te kunnen stellen in personen die bij hem in dienst zijn ernstig beschaamd. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 blijkt dat de verdachte in het verleden is veroordeeld. Dat wordt echter niet ten nadele van de verdachte meegewogen nu dit hetzij andersoortige feiten betreft, hetzij feiten van geruime tijd geleden.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder gezien het door de verdachte beschaamde vertrouwen, geen ruimte een lagere straf op te leggen dan de politierechter. Het hof weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij ter terechtzitting in hoger beroep spijt heeft betuigd, heeft aangeboden de ontstane schade te vergoeden en aannemelijk heeft gemaakt zijn leven met een eigen bedrijf op een positieve manier te willen herpakken, maar dat doet aan het voorgaande niet af. Gezien de ernst van de feiten zou zelfs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voorstelbaar zijn geweest, maar deze zal niet worden opgelegd, gelet op de geschetste persoonlijke omstandigheden en omdat het hof het – mede uit oogpunt van het voorkomen van recidive – wenselijk acht dat de verdachte zijn woning en werk behoudt.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij International Card Services

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.543,71. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte heeft zich bereid verklaard de schade te vergoeden, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 311 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij International Card Services

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij International Card Services ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.543,70 (drieduizend vijfhonderddrieënveertig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd International Card Services, ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.543,70 (drieduizend vijfhonderddrieënveertig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.J.A. Duker en mr. F.W. van Lottum, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 juli 2017.

Mrs. M.J.A. Duker en F.W. van Lottum zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.