Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
R000712-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Hof wijst verzoek tot vermindering betalingsverplichting met verbeurdverklaarde bedragen in twee andere (onherroepelijke) strafzaken, waarvan verzoeker stelt dat het zijn geld betreft, af. In ene zaak had hof reeds beslist dat het geld aan die andere veroordeelde toebehoorde en maakt het daarenboven deel uit van de opgelegde straf in die zaak. In de andere zaak had het hof beslist dat niet kon worden vastgesteld aan wie het geld toebehoorde; het door verzoeker louter -zonder nadere onderbouwing- stellen dat het hem toebehoort is ontoereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

rekestnummer: 000712-17

parketnummer: 23-002064-12

Beschikking gegeven op het verzoekschrift van 8 mei 2017, op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering:

[Verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] ,

thans gedetineerd te P.I. Midden-Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn,

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, [raadsman] : [adres 1] .

Procesgang

Aan de verzoeker is bij arrest van dit hof van 4 november 2014 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 261.763,13 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad heeft dit bedrag bij arrest van 5 april 2016 verlaagd naar een bedrag van € 256.763,13.

Namens verzoeker is bij een op 8 mei 2017 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verzocht dit bedrag van € 256.763,13 kwijt te schelden dan wel te matigen.

Het verzoekschrift is door het hof in raadkamer op 18 juli 2017 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker, zijn raadsman, [raadsman] , advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal.

Beoordeling van het verzoekschrift

De raadsman heeft in zijn verzoekschrift verzocht de opgelegde betalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 135.200,00. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de zaak Megaliet onder andere in de woning aan de [adres 2] de moeder van de verzoeker ( [naam 1] ) en zijn zussen ( [naam 2] en [naam 3] ) zijn aangehouden. Bij [naam 1] is een bedrag van € 51.050,00 in beslag genomen, bij [naam 2] een bedrag van € 29.450,00 en bij [naam 3] een bedrag van € 21.000,00. Daarnaast is in een woning in de slaapkamer van de zussen een bedrag van € 30.100,00 aangetroffen en € 3.600,00 in de slaapkamer van de broer van de verzoeker. Inmiddels zijn de arresten tegen de familieleden van de verzoeker, waarin deze geldbedragen verbeurd zijn verklaard, onherroepelijk. De betreffende geldbedragen zijn afkomstig van de door de verzoeker gepleegde misdrijven in de zaak Megaliet en dienen in mindering te worden gebracht van de betalingsverplichting, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 9 december 2009, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van het verzoek, te weten een mindering op de betalingsverplichting van een bedrag van € 80.500,00. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van twee verbeurdverklaringen: in de strafzaak van [naam 1] (23-000035-12) een bedrag van € 51.050,00 en in de strafzaak van [naam 2] (23-005327-11) een bedrag van € 29.450,00. De advocaat-generaal heeft desgevraagd aangegeven dat hij ervan uit gaat dat deze bedragen toebehoren aan de verzoeker. Daarnaast heeft hij met betrekking tot de strafzaak van [naam 3] aangegeven dat hij geen verbeurdverklaring is tegengekomen.

De raadsman heeft vervolgens in raadkamer zijn verzoek teruggebracht tot het verminderen van de opgelegde betalingsverplichting met een bedrag van in totaal € 80.500,00, zijnde de verbeurdverklaarde bedragen in respectievelijk de strafzaak tegen [naam 1] (€ 51.050,00) en [naam 3] (€ 29.450,00). Met betrekking tot het verbeurdverklaarde bedrag van € 21.000,00 in de strafzaak tegen [naam 3] heeft de raadsman naar voren gebracht dat hij een nieuw verzoekschrift zal indienen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het arrest van 27 mei 2013 (23-000035-12) blijkt dat het hof heeft overwogen dat met betrekking tot het onder [naam 1] in beslag genomen bedrag van € 51.050,00 op grond van de verklaringen in het dossier niet kan worden vastgesteld aan wie dit bedrag toebehoort. Omdat de raadsman thans onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om vast te kunnen stellen dat dit bedrag daadwerkelijk aan de verzoeker toebehoort, zal het hof dit bedrag niet in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Daarnaast is uit het arrest van 27 mei 2013 (23-005327-11) gebleken dat het hof heeft overwogen dat het onder [naam 3] in beslag genomen bedrag van € 29.450,00 aan [naam 3] toebehoort. Om die reden zal het hof dit bedrag eveneens niet in mindering brengen op de betalingsverplichting. Bovendien zou het in mindering brengen van het in de strafzaak tegen [naam 3] verbeurdverklaarde bedrag op de betalingsverplichting van veroordeelde tot het ongewenste gevolg hebben dat daardoor de in de strafzaak tegen [naam 3] opgelegde straf wordt gewijzigd.

Beslissing

Het hof:

Wijst het verzoek van de veroordeelde tot vermindering dan wel kwijtschelding van de aan hem opgelegde betalingsverplichting af.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 augustus 2017.