Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3089

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
200.210.748/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executie kort geding.

De grosse van de notariële akte levert vooralsnog een geldige executoriale titel op voor de uit die akte voortvloeiende vordering partneralimentatie.

Schorsing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team III

zaaknummer : 200.210.748/01 SKG

zaaknummer rechtbank : C/13/621176 / KG ZA 16-1542 AB/MN

arrest van de meervoudige familiekamer van 25 juli 2017

inzake

[de man] ,

wonend te [woonplaats] ,

APPELLANT,

advocaat: mr. M.K. de Menthon Bake te Den Haag,

tegen:

[de vrouw] ,

wonend te [woonplaats] ,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 27 februari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2017, in kort geding gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, met producties.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – het door hem in eerste aanleg gevorderde zal toewijzen, met veroordeling van de vrouw aan de man terug te betalen al hetgeen hij onder executoriaal beslag aan de vrouw heeft voldaan.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 juni 2017 doen bepleiten, ieder door zijn advocaat en aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De vrouw heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende ) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben twee kinderen, [kind a] , geboren [in] 2011, en [kind b] , geboren [in] 2014.

2.2.

Op 26 april 2013 hebben partijen bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin – voor zover van belang – het volgende is bepaald:

2. Gezamenlijk ouderlijk gezag

2.1. (. . .)

Partijen zullen zo spoedig mogelijk na ondertekening van deze overeenkomst bevorderen dat [de man] mede wordt belast met het ouderlijk gezag over [kind a] . (. . .) Ten aanzien van de eventuele andere kinderen die uit de relatie van partijen zullen worden geboren, zal [de vrouw] zo spoedig mogelijk na de bevalling bevorderen dat [de man] mede wordt belast met het ouderlijk gezag over dat kind.

(. . .)

8. Partneralimentatie

(. . .)

8.3.

De behoefte van [de vrouw] aan een onderhoudsbijdrage stellen partijen vast op honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto per jaar minus de redelijkerwijs door [de vrouw] , al dan niet via een bedrijf, te genieten eigen inkomsten. Partijen stellen vast dat [de vrouw] in redelijkheid eigen inkomsten kan genieten van minimaal:

  • -

    tweeduizend vijfhonderd euro (€ 2.500,00) bruto per maand, althans dertigduizend euro (€ 30.000,00) bruto per jaar, in het eerste jaar na beëindiging van de samenwoning;

  • -

    drieduizend euro (€ 3.000,00) bruto per maand, althans zesendertigduizend euro (€ 36.000,00) bruto per jaar, in het tweede jaar na beëindiging van de samenwoning;

  • -

    drieduizend vijfhonderd euro (€ 3.500,00) bruto per maand, althans tweeënveertigduizend euro (€ 42.000,00) bruto per jaar, in het derde jaar na beëindiging van de samenwoning;

  • -

    vierduizend euro (€ 4.000,00) bruto per maand, althans achtenveertigduizend euro (€ 48.000,00) per jaar, in het vierde en de daarop volgende jaren na beëindiging van de samenwoning.

In de, eventueel, resterende aanvullende behoefte van [de vrouw] zal [de man] voorzien door de werkelijke inkomsten van [de vrouw] aan te vullen tot genoemde honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto. De aanvulling zal maximaal bedragen het verschil tussen de genoemde honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto, en de hierboven vermelde redelijkerwijs te genieten eigen inkomsten van [de vrouw] , ongeacht of de genoemde verdiencapaciteit van [de vrouw] daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd naar analogie van het bepaalde in artikel 1:402a BW, voor het eerst met ingang van één januari tweeduizend veertien.

8.4.

(. . .)

[de vrouw] zal [de man] op zijn eerste verzoek de hoogte van haar eigen inkomsten aantonen door het overleggen van de bewijsstukken, zoals salarisstroken, de jaaropgave en/of kopieën van het relevante gedeelte van de belastingaangifte waarin de inkomsten en vermogen over het betreffende jaar vermeld zijn.

(. . .)

10. Honden

10.1.

Partijen hebben twee honden, [hond 1] en [hond 2] . Ingeval de samenwoning eindigt (. . .)

zullen de honden bij [de vrouw] verblijven en is [de man] gehouden met een bedrag van honderd euro (€ 100,00) netto per hond per maand bij te dragen in de kosten van levensverzorging van [hond 1] en [hond 2] .

(. . .)”

2.3.

Na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst is de man mede belast met het ouderlijk gezag over [kind a] . Bij e-mailbericht van 18 juni 2015 heeft de man aan de vrouw meegedeeld dat hij de samenlevingsovereenkomst ontbindt, omdat de vrouw het formulier ‘Verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over een minderjarige’ ten behoeve van [kind b] niet ondertekend aan hem heeft gegeven.

2.4.

Nog in juni 2015 hebben partijen hun relatie beëindigd. Op 5 juli 2015 heeft de vrouw met de twee kinderen de gezamenlijk door partijen bewoonde woning verlaten.

In de week daarna hebben partijen afspraken gemaakt over de alimentatie. Deze afspraken hielden in dat de man tot en met juni 2016 een verhoogd bedrag aan kinderalimentatie van € 3.100,- per maand zou betalen, en daarna de in de samenlevingsovereenkomst overeengekomen kinderalimentatie van (geïndexeerd) € 687,50 per kind per maand.

Op 17 augustus 2015 is in het gezagsregister geregistreerd dat de man sinds 6 augustus 2015 mede is belast met het ouderlijk gezag over [kind b] .

2.5.

Bij e-mailbericht van 14 juli 2016 heeft de vrouw de man verzocht de in de samenlevingsovereenkomst neergelegde afspraken over de kinder- en partneralimentatie per 1 augustus 2016 na te komen.

De man heeft tot december 2016 het in juli 2015 overeengekomen bedrag aan verhoogde kinderalimentatie voldaan. Sindsdien voldoet de man de in de samenlevingsovereenkomst overeengekomen kinderalimentatie van thans (geïndexeerd) € 717,- per kind per maand.

Op 23 december 2016 heeft de vrouw de grosse van de notariële akte van 26 april 2013 (de samenlevingsovereenkomst) laten betekenen aan de man. De man is aangezegd binnen twee dagen een bedrag van € 19.581,18 te betalen aan achterstallige alimentatie (over de periode van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2017) en aan nog te vervallen partner- en kinderalimentatie en een onderhoudsbijdrage voor de honden vanaf 1 januari 2017. De vrouw heeft op basis van de notariële akte executoriaal beslag laten leggen op het vermogen van de man.

Onder executoriaal beslag heeft de vrouw voor de periode van 1 augustus 2016 tot en met maart 2017 in totaal € 39.518,30 geïnd.

Inmiddels is het beslag beperkt tot vorderingen van de man op de belastingdienst en het salaris van de man als DGA van [de B.V.]

3 Beoordeling

3.1.

De man heeft de vrouw op 6 januari 2017 gedagvaard en gevorderd de vrouw te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom de genomen executiemaatregelen jegens hem te staken en gestaakt te houden en ongedaan te maken, alsmede de jegens hem gelegde executoriale beslagen op te heffen.

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd. Tegen deze beslissing komt de man met zijn grieven op.

3.2.

De grieven 1, 2 en 4 zijn gericht tegen de volgende overwegingen van de voorzieningenrechter.

Gelet op de omstandigheden van het geval is niet aannemelijk dat de bodemrechter van oordeel zal zijn dat de (geringe) tekortkoming van de vrouw – hierin bestaande dat zij niet zo spoedig mogelijk na de bevalling ervoor heeft gezorgd dat de man mede werd belast met het ouderlijk gezag over [kind b] – de ontbinding van de gehele samenlevingsovereenkomst rechtvaardigt (grief 1).

De grosse van de notariële akte levert voorshands een geldige executoriale titel op voor de uit die akte voortvloeiende vorderingen van de vrouw op de man (grieven 2 en 4).

Niet is gebleken dat de vrouw niet een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om de samenlevingsovereenkomst te executeren (grief 4).

Grief 3 heeft betrekking op de honden. Volgens de man verblijven de honden niet langer bij de vrouw en is de vrouw niet gerechtigd tot de overeengekomen € 100,- per hond per maand.

3.3.

Ter zitting heeft de man gepersisteerd bij zijn standpunt dat de samenlevingsovereenkomst is ontbonden en de vrouw geen aanspraak kan maken op voldoening van de alimentatie. Hij heeft evenwel te kennen gegeven zich te realiseren dat dit geschilpunt het bestek van dit executie kort geding te buiten gaat en om die reden dit standpunt niet nader toegelicht. Nu de advocaat van de man voorts ter zitting heeft aangegeven dat de vraag naar de executoriale kracht van de overeenkomst tussen partijen de enige vraag is waar het hof zich over moet buigen, leidt het hof uit deze beperking van het debat tussen partijen af dat de man in dit kort geding nog slechts een oordeel wenst over de executoriale kracht van de grosse van de authentieke akte waarin de samenlevingsovereenkomst is vervat en over de vraag of de tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid oplevert, en dat bespreking van grief 1 achterwege kan blijven.

3.4.

De door de vrouw gestarte executie heeft betrekking op de periode vanaf 1 augustus 2016, derhalve vanaf het tweede jaar na de beëindiging van de samenleving. In de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat de man partneralimentatie betaalt ter grootte van de behoefte van de vrouw van € 100.000,- per jaar, verminderd met de daadwerkelijke inkomsten van de vrouw in dat jaar, maar in elk geval met € 36.000,- tijdens het tweede jaar na het einde van de samenleving, met € 42.000,- tijdens het derde jaar en met € 48.000,- tijdens het vierde jaar en de daarop volgende jaren, welke bedragen met ingang van 1 januari 2014 worden geïndexeerd, waarbij is verwezen naar artikel 1: 402a Burgerlijk Wetboek. Voorts is in de samenlevingsovereenkomst bepaald dat de vrouw haar inkomsten over het desbetreffende jaar met bewijsstukken aan de man moet aantonen.

Daarmee is in de akte aangegeven langs welke voor de man bindende wijze de grootte van de achterstallige en toekomstige partneralimentatie kan worden vastgesteld. De vorderingen van de vrouw zijn dan ook in beginsel voldoende bepaalbaar.

3.5.

Partijen twisten over de vraag of de partneralimentatie gedurende het jaar, dat loopt van 1 augustus tot 1 augustus, in maandelijkse termijnen dient te worden voldaan dan wel dat het gehele bedrag aan het einde van dat jaar aan de vrouw moet worden betaald. Gelet op het karakter van de door de man aan de vrouw te betalen uitkeringen, te weten een voorziening in haar levensonderhoud, alsmede het in de overeenkomst genoemde door de vrouw in redelijkheid te verwerven inkomen per maand, ligt het in de rede de samenlevingsovereenkomst vooralsnog aldus uit te leggen dat de man maandelijks een bedrag aan de vrouw betaalt tot het voor het desbetreffende jaar overeengekomen maximum, waarbij na het verstrijken van dat jaar op 1 augustus de vrouw de hoogte van haar eigen inkomen aantoont en zo nodig verrekening van door de man te veel betaalde alimentatie plaatsvindt. Partijen zijn immers overeengekomen dat de bewijsstukken die de vrouw daartoe dient te overleggen niet alleen salarisstroken betreffen, maar ook andere stukken, waaronder jaaropgaven en relevante delen van belastingaangiften. Beide laatstgenoemde stukken zijn niet maandelijks maar na het einde van een kalenderjaar beschikbaar, terwijl aan de hand van de belastingaangifte niet alleen het inkomen van de vrouw uit dienstbetrekking, maar ook de hoogte van (inkomen uit) vermogen van de vrouw en eventuele andere bronnen kunnen worden vastgesteld. Daarnaast ligt het op de weg van de vrouw opgave te doen van de huurinkomsten die zij geniet vanwege de twee appartementen die zij bezit, afgezet tegen de ten behoeve van die appartementen over de betreffende periode gemaakte kosten.
Tegen die achtergrond ligt het voor de hand de samenlevingsovereenkomst vooralsnog voorts zo uit te leggen dat de vrouw de in artikel 8.4 genoemde bewijsstukken uiterlijk een maand na het verstrijken van het desbetreffende jaar, derhalve telkens vóór 1 september, aan de man verstrekt. Vooralsnog dient te worden geoordeeld dat de (grootte van de) vorderingen tot betaling van achterstallige en toekomstige partneralimentatie voldoende bepaalbaar is aan de hand van die bewijsstukken, en dat de grosse van de notariële akte een geldige executoriale titel oplevert voor de uit die akte voortvloeiende vorderingen van de vrouw op de man.

3.6.

Teneinde daadwerkelijk de hoogte van de vorderingen vast te kunnen stellen is de man afhankelijk van de door de vrouw te verstrekken gegevens en bewijsstukken. Uit de door de vrouw in dit geding verstrekte gegevens valt op te maken dat zij in de periode van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2017 geen inkomen uit dienstbetrekking heeft ontvangen, en in oktober 2016 slechts € 953,- bruto uit mediationwerkzaamheden. Voorts valt daaruit op te maken dat zij vanaf 9 januari 2017 tot 7 juli 2017 in dienst is geweest bij [bedrijf] en daar een inkomen ontving van € 36.000,- bruto per jaar. De vrouw heeft in hoger beroep een overzicht inkomsten/uitgaven met betrekking tot de door haar verhuurde panden in het geding gebracht. Volgens dit overzicht bedragen de huurinkomsten € 54.768,- per jaar, de periodieke uitgaven € 45.122,-, en de totale kosten inclusief eenmalige calamiteiten € 74.122,-. Met dit, door de man gemotiveerd betwiste en op een aantal posten niet onderbouwde, overzicht heeft de vrouw vooralsnog niet aangetoond dat zij slechts geringe inkomsten uit verhuur heeft, dan wel – ervan uitgaande dat zij de opgevoerde eenmalige kosten daadwerkelijk heeft/zal hebben in het jaar 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2017 – verlies lijdt. Een aangifte IB 2016, die over de periode tot 1 januari 2017 uitsluitsel kan geven over haar inkomen uit dienstbetrekking en uit andere bronnen, ontbreekt. In het licht van de gemaakte afspraken – inhoudende dat de man aanzienlijke bedragen aan de vrouw voldoet, maar het exacte bedrag per jaar telkens aan de hand van door de vrouw aan te leveren gegevens en bewijsstukken wordt vastgesteld – had het op de weg van de vrouw gelegen ervoor te zorgen dat zij de aangifte IB 2016 in dit geding kon inbrengen, alsmede een afdoende overzicht van netto inkomsten uit de verhuur van de appartementen, hetgeen betekent een verifieerbaar overzicht van huurinkomsten, afgezet tegen een verifieerbaar overzicht van de daar tegenover staande kosten.

3.7.

Het tweede jaar na de beëindiging van de samenleving is evenwel nog niet geëindigd. De vrouw zal binnen één maand na afloop van dat jaar, derhalve vóór 1 september 2017, de in artikel 8.4 van de samenlevingsovereenkomst genoemde bewijsstukken, waaronder de aangifte IB 2016, aan de man moeten verstrekken. Daarbij zal hebben te gelden dat zij de man duidelijk en ondubbelzinnig inzicht dient te verschaffen in de door haar vervulde dienstbetrekkingen sinds 1 augustus 2016 en haar inkomsten uit dien hoofde en uit eventuele andere bronnen. Zij zal daarnaast een overzicht van netto huurinkomsten dienen te verschaffen als onder 3.6. beschreven en dan niet kunnen volstaan met de gegevens en stukken die zij thans in het geding heeft gebracht. Tegen die achtergrond en, gelet op het karakter van de door de man de betalen uitkeringen, te weten een voorziening in het levensonderhoud van de vrouw, en het feit dat de man niet vrijwillig de uitkering voldoet, kan thans nog niet worden geoordeeld dat de vrouw, mede gelet op het belang van de man om volledig geïnformeerd te zijn over het door de vrouw verworven inkomen, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag en een noodtoestand zijn ook in hoger beroep gesteld noch gebleken.

3.8.

De grieven 2 en 4 falen. Grief 3 moet dit lot delen. De vrouw heeft vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, hoewel de honden thans niet bij haar verblijven, kosten voor twee honden maakt die het bedrag van € 100,- per hond per maand overtreffen. De door de man aangevoerde omstandigheid dat het niet langer dezelfde twee honden betreft, omdat de in de samenlevingsovereenkomst genoemde hond [hond 1] is overleden en een van de honden “nieuw” is, kan, gelet op het daarmee gemoeide, in verhouding tot de partneralimentatie geringe bedrag van € 1.200,- per jaar, vooralsnog niet leiden tot een ander oordeel met betrekking tot de vraag of de vrouw misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en het in hoger beroep gevorderde zal worden afgewezen. Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zal het hof bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep gevorderde af;

bepaalt dat de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, H.A. van den Berg en C.M.J. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.