Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3056

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
200.189.570/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomst. Geschil ontstaan over de duur en de periode van terbeschikkingstelling van een monstercollectie kleding door principaal aan agent. Na uitleg van de over en weer door agent en principaal gezonden brieven wordt vastgesteld dat niet de principaal maar de agent de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. De omstandigheden wettigden zo’n opzegging niet, zodat de agent tegenover de principaal schadeplichtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.189.570/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 4242576 \ CV EXPL 15-5837

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juli 2017

inzake

1 de maatschapVAN [X] AGENCIES,

mede h.o.d.n. BNL-Fashion,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [appellant sub 2]

en

3. [appellante sub 3],

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. L.J. Gravendeel te Hilversum,

tegen

[Y] B.V.,

mede h.o.d.n. Kyra & Co,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.F. Holtrop te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna BNL en Kyra genoemd.

BNL is bij dagvaarding van 5 april 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 3 februari 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen BNL als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en Kyra als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

Op 26 april 2016 heeft het hof een tussenarrest gewezen waarbij een comparitie van partijen is gelast. Op 30 juni 2016 heeft de comparitie na aanbrengen plaatsgevonden, die niet tot een schikking heeft geleid. Partijen hebben bij deze comparitie nadere producties in het geding gebracht; BNL de producties 24 tot en met 27 en Kyra de producties H1 tot en met H3.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties tevens houdende een wijziging van eis;

- memorie van antwoord.

Op verzoek van BNL heeft op 8 juni 2017 opnieuw een comparitie plaatsgevonden.

BNL heeft daarbij de producties 30 tot en met 32 in het geding gebracht. Mr. Holtrop voornoemd heeft verklaard overeenkomstig aan het hof verstrekte aantekeningen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

BNL heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - samengevat en na wijziging van eis - primair zal bepalen dat Kyra de agentuurover-eenkomst per brief van 12 mei 2015 heeft beëindigd en dat Kyra om die reden schadeplichtig is, onder veroordeling van Kyra tot betaling van € 57.707,49 aan klantenvergoeding en € 57.707,49 aan schadevergoeding, althans subsidiair zal bepalen dat de brief van 13 mei 2015 een vanwege een dringende reden geoorloofde opzegging aan de zijde van BNL inhoudt en dat BNL om die reden een klantenvergoeding toekomt en Kyra schadeplichtig is, onder veroordeling van Kyra tot betaling van voornoemde bedragen, althans meer subsidiair zal bepalen dat de brief van 5 augustus 2016 een opzegging is in de zin van artikel 7:439 lid 2 BW, onder veroordeling van Kyra tot betaling van voornoemde bedragen, althans voor zover nodig de agentuurovereenkomst zal ontbinden en de schade zal bepalen ex artikel 7:440 lid 2 BW, althans zal bepalen dat Kyra schadeplichtig is op grond van artikel 6:74 juncto 6:87 BW, onder veroordeling van Kyra tot betaling van vervangende schadevergoeding van € 57.707,49, althans dat Kyra onrechtmatig heeft gehandeld onder veroordeling van Kyra tot betaling van laatstgemeld bedrag, met beslissing over de proceskosten met beslagkosten, nakosten en rente.

Kyra heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder a. tot en met g. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die - als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist - zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Partijen hebben op 21 april 2008 een agentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd

gesloten. In deze overeenkomst is neergelegd dat BNL als agent kleding van Kyra zal

afnemen voor inkopende winkeliers in België en Luxemburg.

2.2.

Kyra ontwerpt ieder halfjaar een nieuwe collectie, de lente/zomer collectie en de

herfst/winter collectie. Van iedere nieuwe collectie wordt een monstercollectie gemaakt. Deze monstercollectie wordt ter beschikking gesteld door Kyra aan haar agenten. De inkopende winkeliers baseren hun inkoop van kleding op de monstercollectie.

2.3.

Kyra heeft de monstercollectie voor het seizoen voorjaar/zomer 2015 in de zomer van 2014 voor een kortere periode dan voorheen gebruikelijk aan BNL ter beschikking gesteld in verband met het delen van die monstercollectie met de agent van Kyra in Ierland.

2.4.

Op 29 april 2015 heeft Kyra telefonisch met BNL gesproken, onder meer over het voornemen van Kyra om de monstercollectie voor het seizoen voorjaar/zomer 2016 ter beschikking te stellen voor de periode van 6 tot en met 29 juli 2015 en vervolgens voor de duur van ongeveer veertien dagen in de periode eind augustus / begin september 2015. Partijen hebben daarover op 30 april 2015 een bespreking gehad. Per brief van 5 mei 2015 heeft BNL een door haar gemaakt gespreksverslag aan Kyra verzonden. Daarnaast heeft BNL in die brief onder meer vermeld:

14. Wij verzoeken jullie dringend aan te geven dat jullie conform onze genoemde agentuur relatie de collectie tijdig beschikbaar zullen stellen en dat niet later doen dan uiterlijk 14 juli 2015 met vervolgens een verkoop periode tot 4 september 2015.

(…)

16. Mochten jullie niettemin jullie voornemen onverminderd willen uitvoeren en niet de gevraagde onvoorwaardelijke bevestiging geven, dan is jullie handelswijze in strijd met onze overeenkomst en de wet.

2.5.

Bij brief van 12 mei 2015 heeft Kyra op de brief van BNL gereageerd. Hierin staat onder meer het volgende:

(…) Vanaf 2012 is de omzet sterk teruggevallen. Ten opzichte van het jaar 2012 is de omzet inmiddels gehalveerd. Daar maak ik mij zorgen over en ik heb deze zorg al diverse malen met jullie gedeeld. (…)

Wij maken zeer hoge kosten en wij hebben jullie toen ook gezegd dat wij daarom de collectie willen delen met onze agent in Ierland. Dit is een afweging en een analyse die wij als goed principaal mogen maken en in dit geval wel moeten maken gezien de zeer teleurstellende omzet in België.

(…) Vervolgens hebben wij toegezegd om nog één keer een collectie Winter 2015 voor de gehele verkoopperiode beschikbaar te stellen, echter onder de voorwaarde dat er een omzet van € 250.000,= gerealiseerd diende te worden. (…) Helaas heeft jullie enthousiasme er niet toe geleid dat de omzet werd gehaald, neen, integendeel, de omzet F/W 2015 bedraagt € 74.000,=, hetgeen bijna een halvering is van de omzet uit 2014. (…)

Gezien het feit dat er nog maar 14 klanten over zijn in België, denken wij dat het heel goed mogelijk is om de collectie in een kortere periode te tonen aan de klanten. (…)

Wij vinden het dan ook zeer opmerkelijk dat jullie aangeven dat wanneer wij niet een collectie ter beschikking stellen in de periode van 14 juli tot en met 4 september 2015 (voor 14 klanten!) wij in strijd met de overeenkomst en de wet handelen. Ik weet niet wie deze brief heeft opgesteld, maar de overeenkomst, laat staan de wet, zegt niets over de periode waarin wij de collectie ter beschikking moeten stellen. Vergeet ook niet dat wij niet eens een kostenvergoeding vragen voor het gebruik van de collectie.

(…)

Wij verwachten dan ook dat de agent zich loyaal opstelt en de overeenkomst tussen partijen netjes zal uitvoeren zonder enige voorwaarde van zijn zijde. Tegelijkertijd verwachten wij een plan van aanpak van de agent, hoe het tij te keren en wat hij gaat doen om de omzet te laten groeien. Wanneer wij geen plan van aanpak en onvoorwaardelijke commitment van jullie krijgen, dan gaan wij er van uit dat jullie niet meer met ons willen samenwerken. Dit zou zeer spijtig zijn en ook niet nodig.

Mag ik jullie verzoeken om binnen 5 werkdagen te reageren en ook wij behouden ons alle rechten voor.

2.6.

BNL heeft via haar advocaat per brief van 13 mei 2015 op de brief van Kyra gereageerd. In deze brief staat onder meer vermeld:

15. (…) Het steekt cliënten dat u aangeeft dat ‘u als principaal’ als enige bepaalt hoe en wanneer de Collectie wordt aangeboden, dit alsof u geheel onbekend bent met de uiterst tijdkritische maar vooral ook gebruikelijke verkoopperiode. (…)

(…)

17. Gezien het bovenstaande kunt u van cliënten geen plan van aanpak verwachten dat zelfs bij inlevering ervan bij u voor hen geen enkel uitzicht biedt op een tijdige en volledige terbeschikkingstelling van de Monstercollectie. (…)

(…)

19. Uw handelwijze is aldus in strijd met de agentuur overeenkomst en de wet, in het bijzonder de art. 7:430 BW. Uw gedraging kwalificeert zich als een dringende redenen zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en redelijkerwijs van cliënten niet gevergd kan worden de overeenkomst, met u, zelfs nog tijdelijk, in stand te laten. U wordt daarmee schadeplichtig; reden waarom ik u daartoe aansprakelijk stel alsmede voor de klantenvergoeding. (…)

2.7.

Kyra heeft per brief van 22 mei 2015 op de brief van BNL doen antwoorden. In die brief staat onder meer vermeld:

Kennelijk bent u van mening dat deze brief [van 12 mei 2015, toevoeging hof] moet worden uitgelegd als een opzegging per direct door mijn cliënte, gelet op de feitelijke gedragingen van mijn cliënte. Kennelijk bedoelt u daarmee het voornemen van mijn cliënte om de collectie minder lang ter beschikking te stellen. Cliënte deelt deze mening geheel niet. Zij heeft de overeenkomst niet opgezegd, doch aan uw cliënten gevraagd zich te committeren aan haar voornemen en een plan van aanpak op te stellen.

(…)

Mijn cliënte wil de collectie eerst aan uw cliënte ter beschikking stellen en pas daarna gaat dezelfde collectie naar Ierland.

(…)

Cliënte betreurt het dat uw cliënten het zover hebben laten komen en de relatie op grond van een dringende reden hebben opgezegd.

Op deze brief is van de zijde van BNL niet gereageerd.

2.8.

De namens BNL, voor een vordering ter hoogte van € 161.788,95, op 8 juni 2015 ten laste van Kyra gelegde conservatoire derdenbeslagen zijn weer opgeheven op 17 juni 2015, nadat partijen zijn overeengekomen dat door Kyra een bedrag van € 75.000,00 werd gestort op een derdenrekening tot zekerheid van de betaling van de vordering van BNL totdat er een onherroepelijke uitspraak is dan wel een schikking is getroffen tussen partijen.

2.9.

Per brief van 5 augustus 2016 heeft BNL de agentuurovereenkomst (voor zover deze nog zou bestaan) opgezegd vanwege een dringende reden, bestaand uit het niet voor de gehele gangbare periode beschikbaar stellen van de monstercollectie, onder vordering van een klantenvergoeding en een schadevergoeding.

3 Beoordeling

3.1.

BNL heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd te bepalen dat Kyra de agentuurovereenkomst onregelmatig en verwijtbaar heeft doen beëindigen en dat als gevolg daarvan voor BNL dringende reden bestaan van zodanige aard dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kon worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten, dat Kyra op grond hiervan schadeplichtig is en een schadevergoeding van € 57.707,49 is verschuldigd en voorts een klantvergoeding van € 57.707,49 dient te voldoen. Daartoe heeft BNL, samengevat, aangevoerd dat door de opstelling van Kyra, te weten het slechts beperkt beschikbaar stellen van de monstercollectie, zij BNL als agent onvoldoende in staat stelde om de reguliere werkzaamheden te verrichten en dat als gevolg daarvan voor BNL dringende redenen bestaan zodanig dat van BNL niet gevergd kan worden de overeenkomst in stand te laten.

Kyra heeft in reconventie, samengevat, een schadeloosstelling van € 9.288,79 gevorderd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat BNL schadeplichtig is op grond van artikel 7:439 lid 3 BW omdat zij de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.

3.2.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat de brief van Kyra van 12 mei 2015 geen opzegging van de agentuurovereenkomst inhoudt doch de brief van BNL van 13 mei 2015 wel, zonder inachtneming van de overeengekomen opzeggingstermijn. Ter zake van die opzegging heeft de kantonrechter overwogen dat er zijns inziens ten tijde van de brief van 13 mei 2015 geen dringende redenen aanwezig waren op grond waarvan niet van BNL gevergd kon worden de overeenkomst in stand te laten. De kantonrechter heeft daarop de vordering van BNL afgewezen en die van Kyra toegewezen, onder veroordeling van BNL in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt BNL met acht grieven op.

3.4.

De grieven 3 tot en met 5 zien in de kern op de uitleg door de kantonrechter van de brieven van 12 en 13 mei 2015. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.1.

BNL voert aan dat de kantonrechter heeft miskend dat Kyra door het samenstel van het slechts nog in een beperkte periode beschikbaar stellen van de monstercollectie en het in de brief van 12 mei 2015 eisen van ‘onvoorwaardelijke commitment’ en een plan van aanpak, feitelijk de agentuurovereenkomst heeft opgezegd. Haar brief van 13 mei 2015 is slechts een vastlegging van die constatering, aldus BNL. Kyra bestrijdt deze uitleg en voert onder meer aan dat zij in de brief van 12 mei 2015 uiteen heeft gezet dat zij het spijtig en onnodig zou vinden als de samenwerking zou eindigen. Volgens Kyra kan de brief van BNL van 13 mei 2015 niet anders opgevat worden dan een opzegging door BNL van de overeenkomst.

3.4.2.

Nu partijen verdeeld zijn over de vraag hoe de brieven van 12 en 13 mei 2015 moeten worden opgevat, zal het hof deze brieven uitleggen aan de hand van de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW, waarbij het aankomt op de zin die de ontvanger van de brief redelijkerwijs aan de brief mocht hechten en op wat hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de brief gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt (zie HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315)

3.4.3.

Uit de betreffende brief van Kyra leidt het hof af - anders dan BNL stelt - dat Kyra slechts een wijziging/beperking voorstond van de periode waarin zij de monstercollectie voor het nieuwe seizoen ter beschikking zou stellen en dat zij daarnaast een plan van haar agent BNL wilde ontvangen over hoe het (commerciële) tij gekeerd zou kunnen worden en hoe de omzet weer zou kunnen groeien. In die brief wordt weliswaar geschreven dat als een plan van aanpak uitblijft en er geen onvoorwaardelijke commitment door BNL wordt uitgesproken, Kyra er vanuit gaat dat BNL niet meer met haar - Kyra - wil samenwerken, maar dat wordt door Kyra betiteld als ‘zeer spijtig en niet nodig’. Kyra besluit deze brief met het verzoek aan BNL om te reageren. Deze van BNL verwachte, op een voortzetting van de agentuurovereenkomst gerichte reactie past bij het voornemen van Kyra om ook in de zomerperiode van 2015 een monstercollectie aan BNL ter beschikking te stellen, zij het dat deze moest worden gedeeld met een andere agent. Daarnaast blijkt uit hetgeen Kyra onbestreden over haar brief d.d. 22 mei 2015 heeft gesteld, dat Kyra in die brief nog eens expliciet uiteen heeft gezet dat haar brief van 12 mei 2015 geen opzegging van de agentuurovereenkomst inhield doch een vraag zich te committeren aan haar voornemen om de monstercollectie minder lang ter beschikking te stellen en een plan van aanpak op te stellen. Gelet op de bewoordingen van de brief van Kyra van 12 mei 2015, de strekking ervan en de door Kyra voor BNL kenbare voorgenomen terbeschikkingstelling van de monstercollectie in de zomerperiode van 2015, kon BNL daaraan redelijkerwijs niet de betekenis hechten dat Kyra daarmee de agentuurovereenkomst heeft opgezegd.

3.4.4.

Uit de brief van BNL van 13 mei 2015 leidt het hof af - anders dan BNL aanvoert - dat BNL de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigde. In die brief is immers zonder enig voorbehoud vermeld: Uw gedraging kwalificeert zich als een dringende redenen zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en redelijkerwijs van cliënten niet gevergd kan worden de overeenkomst, met u, zelfs nog tijdelijk, in stand te laten. Kyra wordt in die brief vervolgens aansprakelijk gesteld en BNL heeft daarbij aanspraak gemaakt op een schadevergoeding en een klantenvergoeding. Kyra heeft daarop bij brief van 22 mei 2015 expliciet gesteld het te betreuren dat BNL de agentuurrelatie ‘op grond van een dringende reden heeft opgezegd’. Daaruit blijkt afdoende dat Kyra BNL’s brief van 13 mei 2015 beschouwde als een opzegging met onmiddellijke ingang. Het staat vast dat BNL niet op deze reactie van Kyra heeft gereageerd en vervolgens tot beslaglegging ten laste van en een procedure jegens Kyra is overgegaan. Gegeven voormelde uitlegmaatstaf kan een en ander bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat BNL met haar brief van 13 mei 2015 de agentuurovereenkomst per direct, zonder inachtneming van een opzegtermijn heeft beëindigd. Alle vorderingen en aanspraken in die brief passen naar ’s hofs oordeel slechts bij een directe beëindiging. Kyra heeft deze betekenis dan ook redelijkerwijs aan de brief van 13 mei 2015 mogen toekennen.

3.4.5.

Gelet op het voorgaande falen de grieven 3 tot en met 5.

3.5.

Met de grieven 6 en 7 klaagt BNL over de overwegingen van de kantonrechter leidend tot de conclusie dat ten tijde van de opzegging door BNL van de agentuurovereenkomst daarvoor geen dringende reden bestond. In dat verband is BNL met haar grief 1 opgekomen tegen de - haars inziens te beperkte - overwegingen van de kantonrechter die erop neerkomen dat de omzet in België daalde en het terughalen van de monstercollectie in de zomer van 2014 tijdens de gebruikelijke periode door Kyra een meer dan incidenteel karakter had en met haar grief 2 tegen de overweging van de kantonrechter dat Kyra duidelijk heeft aangegeven dat het niet langer bedrijfseconomisch verantwoord was om een monstercollectie enkel voor België te maken. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.5.1.

De partij die de agentuurovereenkomst onregelmatig, zonder inachtneming van de opzegtermijn opzegt, is gehouden tot vergoeding van de schade van de wederpartij (artikel 7:439 lid 1 BW). In dit geval bedraagt de overeengekomen opzegtermijn, gezien artikel 2 lid 1 van de agentuurovereenkomst van 21 april 2008, drie maanden. Schadeplicht ontbreekt slechts dan indien er is opgezegd wegens een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden, van dien aard dat van de partij die de overeenkomst opzegt redelijkerwijs niet kan worden gevergd de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten (artikel 7:439 lid 1 en 2 BW). De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een dringende reden en dat aan de vereisten voor een beroep op de dringende reden is voldaan, rust op de partij die op grond daarvan de overeenkomst heeft opgezegd - in dit geval dus op BNL.

3.5.2.

Of een dringende reden bestaat, hangt af van de aard van de daarvoor opgegeven reden en van de afweging van de concrete omstandigheden in het geval. Vervolgens dient onderzocht te worden of, in het licht van die omstandigheden, van de opzeggende partij niet gevergd kan worden de agentuurrelatie nog langer in stand te houden. Bij de beoordeling of sprake was van zodanige omstandigheden dienen met name en onder meer de navolgende, destijds aan beide partijen bekende feiten en omstandigheden te worden betrokken:

a. In de agentuurovereenkomst is geen regeling opgenomen over het ter beschikking stellen van een monstercollectie, laat staan dat dit zou moeten plaatsvinden gedurende een vast omschreven periode, meer in het bijzonder de door BNL bepleite periode. Aan de door Kyra bestreden stelling van BNL dat de gebruikelijke handelwijze van Kyra om de monstercollectie steeds voor de door BNL gewenste verkoopperiode ter beschikking te stellen, tussen partijen bindende kracht heeft gekregen, staat in de weg het bepaalde in artikel 12 van de agentuurovereenkomst dat inhoudt dat wijzigingen en aanvullingen op die overeenkomst slechts geldig zijn indien zij schriftelijk zijn overeengekomen. Van zo’n schriftelijke aanvulling op de overeenkomst is, zo is onomstreden, geen sprake. Anders dan BNL stelt, volgt uit artikel 7:430 lid 2 BW niet dat Kyra als principaal gehouden is een monstercollectie voor de door BNL gewenste duur/verkoopperiode aan te bieden. Die bepaling schrijft immers slechts voor dat de principaal gehouden is documentatiemateriaal ter beschikking te stellen, waaronder monsters zijn te begrijpen, doch regelt niet wanneer en hoe lang. Tot een vaste periode waarbinnen Kyra gehouden zou zijn een monstercollectie aan BNL ter beschikking te stellen, kan dan ook niet op basis van de overeenkomst of de wet worden geconcludeerd.

b. Onomstreden is dat de door BNL voor Kyra op de Belgische markt behaalde omzet sinds 2012 dalende was en in 2014 meer dan gehalveerd was ten opzichte van de in verband met de twee collecties van 2011 behaalde omzet. In het licht hiervan mocht Kyra de nodige flexibiliteit van haar agent BNL verwachten en de bereidheid andere wegen te bewandelen dan de tot dan toe gebruikelijke, die kennelijk niet (meer) tot voldoende resultaat leidden. Het hof is van oordeel dat dit ook het geval is indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling dat de teruglopende omzet het gevolg was van het wegvallen van de modebeurzen in België en een stijlwijziging in de collectie van Kyra. Tussen partijen is onomstreden dat de omzet van Kyra op de Nederlandse markt vanaf 2012 ten opzichte van 2015 bijna is verdubbeld en dat Kyra zich in 2014 met succes heeft weten te introduceren op de Duitse markt.

c. Onomstreden is voorts dat Kyra vanaf medio 2014 de bij haar levende zorgen over de afname in omzet onder de aandacht van BNL heeft gebracht en dat zij daarover (in ieder geval) op 9 mei 2014 en 29 september 2014 met elkaar hebben gesproken. Voorts staat vast dat Kyra’s salesmanager, mw. [A] , BNL op 9 december 2014 heeft vergezeld naar afspraken met potentiële afnemers teneinde BNL te ondersteunen in het vergroten van de omzet. Niet in debat tussen partijen is dat Kyra de monstercollectie voor het seizoen voorjaar/zomer 2015 in augustus 2014 eerder dan gebruikelijk bij BNL heeft teruggehaald, ten behoeve van haar nieuw aangestelde agent voor de Ierse markt.

d. De monstercollectie voor het najaar/winter 2015 is door Kyra wel weer voor de gehele door BNL gewenste verkoopperiode van eind januari 2015 tot en met begin maart 2015 ter beschikking gesteld. Onbetwist is dat de omzet in die periode desondanks is teruggevallen tot € 74.000,00, daar waar BNL een jaar eerder voor het najaar/winter 2014 nog een omzet had behaald van € 133.000,00 en dat het aantal klanten / afnemende winkeliers inmiddels was afgenomen van 23 tot 14.

e. Gelet op de al jarenlang afnemende omzet op de Belgische markt, de evenzo al langere tijd bij beide partijen levende zorgen daarover, het al een keer gedeeld hebben van een monstercollectie en het gegeven dat het vervaardigen en ter beschikking stellen van een monstercollectie een niet onaanzienlijke investering van Kyra vroeg -of het nu gaat om een bedrag van circa € 9.500,00 volgens BNL of circa € 19.000,00 volgens Kyra - in welke investering BNL niet behoefde bij te dragen, mocht BNL na de teleurstellende verkoopperiode voor het najaar/winter 2015 naar het oordeel van het hof niet zonder meer verwachten dat Kyra een monstercollectie voor de volledige door BNL gewenste verkoopperiode voor het seizoen voorjaar/zomer 2016 ter beschikking zou stellen. BNL had er in redelijkheid op bedacht moeten zijn dat Kyra tegen die geschetste achtergrond een kortere periode van terbeschikkingstelling bij haar aan de orde zou stellen, met name vanwege het afnemen van het klantenbestand tot 14 afnemende winkeliers. BNL heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Kyra bij de comparitie in hoger beroep, onvoldoende concreet gemaakt dat de aanschaf van een monstercollectie voor Kyra een vrijwel budgetneutrale investering is (vanwege de mogelijkheid van verkoop aan particulieren na afloop van de verkoopperiodes).

f. In dit geval heeft Kyra - in ieder geval - op 29 april 2015 haar voornemen om de monstercollectie voor BNL te laten delen met haar Ierse agent kenbaar gemaakt, dus ongeveer 2½ maand voor de start van de door BNL gewenste verkoopperiode. BNL zou daarbij de volledige monstercollectie ter beschikking krijgen van 6 juli tot 30 juli 2015 en vervolgens voor de duur van ongeveer twee weken in de periode van eind augustus 2015 tot medio september 2015, met, zo heeft Kyra onbestreden aangevoerd, de mogelijkheid van een uitloop, onder aanbieding aan BNL om in de tussenliggende periode Kyra’s showroom in Haarlem en de daarin aanwezige collectie te kunnen gebruiken voor klanten.

g. De bezwaren van BNL tegen het aldus moeten delen van de monstercollectie en tegen een gebruik van Kyra’s showroom houden in essentie verband met de door BNL toegepaste verkoopmethode, te weten het gedurende een vaste periode in haar showroom in Antwerpen gelijktijdig presenteren van de monstercollectie van Kyra én die van vier andere kledingmerken waarvoor BNL de Belgisch agent is. BNL heeft onvoldoende gesteld, en dit is het hof evenmin gebleken, dat een kortere periode van ter beschikking stellen in combinatie met het kunnen bezichtigen van Kyra’s collectie in Haarlem, bezien naar de stand van zaken op 13 mei 2015 bij de 14 nog resterende klanten op zodanig serieuze bezwaren zou stuiten dat het aldus moeten delen van de monstercollectie de facto op beëindiging van de agentuurovereenkomst neerkwam. Onbetwist is dat in elk geval nadien een aantal Belgische klanten in Haarlem de monstercollectie heeft bezichtigd.

h. Uit de brieven van 12 en 22 mei 2015 blijkt dat Kyra weliswaar een voor BNL onwelgevallige beslissing voorstond, doch ook dat zij daarover het overleg met BNL zocht, mede om tot maatregelen en stappen te komen die de omzet in de toekomst weer zouden doen stijgen. Het door Kyra gevraagde commitment en het door haar gevraagde plan van aanpak moeten naar het oordeel van het hof in dat verband worden gelezen. Die handreiking van Kyra voor overleg over hoe te handelen bij de start van de verkoop in juli 2015 heeft BNL, naar moet worden vastgesteld, niet aanvaard en zij is verder overleg uit de weg gegaan.

3.5.3.

Alles overziende was er op 13 mei 2015 sprake van een situatie waarin Kyra ondanks jarenlang afnemende omzetten in België en een aldaar tot 14 afnemers gekrompen klantenbestand, bereid was om voor een substantiële duur in de relevante verkoopperiode een monstercollectie aan BNL ter beschikking te stellen en BNL daarnaast de Haarlemse showroom te laten gebruiken in de tijd dat de monstercollectie niet tot haar beschikking stond. Dit voornemen (waarover Kyra bovendien nog nader overleg met BNL zocht) was naar het oordeel van het hof in de hiervoor gegeven omstandigheden niet onredelijk, terwijl de bezwaren daartegen van BNL meer waren ingegeven door haar eigen werkwijze en daarmee samenhangende belangen dan door de belangen van haar Belgische klanten.

3.5.4.

Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat op 13 mei 2015 geen sprake was van een complex van omstandigheden van zodanige aard dat van BNL redelijkerwijs niet gevergd kon worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, nog langer in stand te laten.

3.5.5.

De slotsom is dat de grieven 1, 2, 6 en 7 eveneens falen.

3.6.

Het falen van voormelde grieven brengt mee dat ook grief 8, dat zich richt tegen de in reconventie ten laste van BNL toegewezen schadeloosstelling ad € 9.288,79, vergeefs is opgeworpen. Het beëindigen van de agentuurovereenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder dat sprake is van een dringende reden daartoe, heeft BNL op grond van artikel 7:439 lid 1 BW immers tegenover Kyra schadeplichtig gemaakt.

3.7.

BNL heeft weliswaar bewijs aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beoordeling van het geschil zouden kunnen leiden. Dat bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

3.8.

Nu de grieven falen, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. BNL zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt BNL in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Kyra begroot op € 1.957,00 aan verschotten en € 4.893,00 voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, C. Uriot en W.F. Boele en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.