Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3049

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
200.186.105/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 21 maart 2017. Vordering van Bank is vanwege borgtocht ten laste van de onverdeelde gemeenschap voldaan en daardoor krachtens subrogatie in de gemeenschap gevallen. Op het aandeel van de deelgenoot waarop beslag is gelegd, komt de schuld van die deelgenoot in mindering. Alsnog toewijzing vordering Ontvanger tot het (geringe) restant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.105/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/583529/HA ZA 15-283

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juli 2017

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

appellant,

advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.C. Bollekamp te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom de Ontvanger en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 21 maart 2017 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) uitgesproken. Partijen hebben beide een akte na tussenarrest genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof samengevat overwogen (r.o. 3.4) dat de schuld aan FGH uit hoofde van de borgtocht [geïntimeerde] niet aanging en dat deze schuld voor een bedrag van € 173.723,92 ten laste van zijn onverdeelde aandeel is voldaan. Het hof heeft voorts overwogen dat dit bedrag ten gunste van [geïntimeerde] op het aandeel van Aerop in mindering moet worden gebracht, zodat Aerop (en derhalve de Ontvanger) nog slechts aanspraak kan maken op een bedrag van € 272,24.

2.2

[geïntimeerde] heeft in zijn akte na tussenarrest vermeld dat hij zich kan vinden in de redenering van het hof.

2.3

De Ontvanger deelt de zienswijze van het hof in het tussenarrest niet. De Ontvanger heeft samengevat betoogd dat indien het pand niet onderhands maar executoriaal zou zijn verkocht de krachtens subrogatie op [geïntimeerde] en Aerop overgegane vordering van FGH op Aerop bij de verdeling van de netto-opbrengst pas zou zijn voldaan indien er na voldoening van de vordering van de Ontvanger een surplus zou resteren en dat de Ontvanger bij een onderhandse verkoop, zoals hier aan de orde, niet met een lager bedrag genoegen behoeft te nemen.

2.4

Het hof volgt de Ontvanger niet. In dit geval was het tot de gemeenschap behorende pand voor de vordering van FGH op Aerop uit hoofde van de borgtocht verbonden en is de vordering van FGH daarom ten laste van de onverdeelde gemeenschap voldaan. Daardoor is de vordering van FGH op Aerop krachtens subrogatie (artikel 6:150 aanhef en onder b BW) in de gemeenschap gevallen. De Ontvanger heeft aanspraak op het bedrag dat na verdeling van de gemeenschap aan Aerop toekomt. Het beslag dat de Ontvanger heeft gelegd rust immers op het aandeel van Aerop en aldus komt de Ontvanger niet meer toe dan aan Aerop bij de verdeling van de gemeenschap toe zou komen. Bij verdeling van de gemeenschap strekt de schuld van Aerop aan de gemeenschap in mindering op haar aandeel (art. 3:184 BW). Het aandeel van Aerop bedraagt de helft van het surplus ad € 347.992,32, derhalve

€ 173.996,16. Daarop komt het bedrag van haar schuld ad € 173.723,92 in mindering, zodat voor Aerop en a fortiori de Ontvanger € 272,24 resteert. De grieven zijn in zoverre wel terecht voorgesteld. De door de Ontvanger gevorderde verklaring voor recht is ten aanzien van dit bedrag alsnog toewijsbaar. Het hof zal voor de duidelijkheid voorts bepalen dat het resterende depotbedrag toekwam aan [geïntimeerde] .

2.5

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De Ontvanger zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. De kosten van de procedure in eerste aanleg blijven voor rekening van de Ontvanger.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend met betrekking tot de punten 5.1 en 5.4 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat van het bedrag dat door mr. A. Helmig, notaris te Haarlem in depot werd gehouden een bedrag van € 272,24 toekwam aan de Ontvanger en dat het resterende depotbedrag toekwam aan [geïntimeerde] ;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.631,- aan verschotten en € 2.632,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, W.A.H. Melissen en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.