Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3047

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
200.178.727/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 30 augustus 2016. De appellant is de beoogde confrontatie ter comparitie met mevrouw [A] uit de weg gegaan. Gevolgtrekking die het hof geraden acht, dat dit bijdraagt aan het bewijsoordeel dat de appellant de woning zelf heeft gehuurd. Geen identiteitsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.178.727/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3667399 CV 14-34589

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juli 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. mr. J.R. Holterman te Alkmaar,

tegen

STICHTING ACHMEA DUTCH RESIDENTIAL FUND,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Schapendonk te Rosmalen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellant] en Achmea genoemd.

Op 30 augustus 2016 is in deze zaak een tussenarrest gewezen waarin aan Achmea bewijs is opgedragen en een comparitie van partijen en enquête is bepaald.

Op 29 november 2016 hebben voornoemde comparitie en enquête plaatsgevonden, waarbij Achmea een getuige heeft doen horen. Voorafgaand aan de zitting heeft [appellant] een productie overgelegd en heeft Achmea drie producties overgelegd. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij de stukken is gevoegd.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte uitlatingen na comparitie en enquête van [appellant] , met producties;

- antwoordakte na enquête en comparitie van Achmea, met een productie.

Vervolgens is arrest bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenarrest is in rov. 3.7, voor zover van belang, het volgende overwogen: “De vraag is thans of [appellant] , zoals hij stelt, slachtoffer is geworden van identiteitsfraude of dat hij wel degelijk met Achmea een huurovereenkomst heeft gesloten. Op Achmea rust de bewijslast van haar stelling dat zij de huurovereenkomst met [appellant] is aangegaan. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding een comparitie van partijen te gelasten om [appellant] in de gelegenheid te stellen te reageren op de stellingen van Achmea in haar memorie van antwoord en de daarbij overgelegde producties, meer in het bijzonder op de door Achmea gestelde bespreking van 8 december 2015 (welke datum is gelegen vóór het nemen van de memorie van grieven, waarin over die bijeenkomst niets is vermeld) en de gestelde relatie tussen [appellant] en [X] , [Y] en [Z] . Bij gelegenheid van de comparitie zal Achmea tevens in de gelegenheid worden gesteld het gevraagde bewijs te leveren, waartoe in ieder geval aangewezen lijkt het onder ede doen horen van [mevrouw A] en eventueel andere bij het sluiten van de huurovereenkomst betrokken medewerkers van Achmea. Hoewel [appellant] daartoe niet kan worden gedwongen, wordt hem wel dringend verzocht de comparitie van partijen bij te wonen nu daarin de vraag centraal zal staan of hij wordt herkend als degene die de huurovereenkomst met Achmea heeft gesloten. Bij een eventuele afwezigheid van [appellant] zal het hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die het geraden acht.”

2.2.

Achmea heeft [mevrouw A] (hierna weer: [mevrouw A] ) als getuige doen horen. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

“De heer [appellant] heeft gebeld en aan de hand daarvan hebben wij een bezichtiging ingepland. Ik ben met hem alleen naar de huurwoning geweest die hij uiteindelijk heeft gehuurd. (…) Pas bij de huurwoning heb ik de heer [appellant] voor de eerste keer ontmoet. Dat was in dit geval dus de woning die [appellant] uiteindelijk is gaan huren. U vraagt mij naar het adres van die woning. Ik kan daar nu even niet op komen, het is een huis op [plaats] . U leest het adres voor wat in de huurovereenkomst wordt vermeld, [straat] in [plaats] . Dat is inderdaad het adres van de woning waar ik de heer [appellant] trof. Als de stukken akkoord zijn wordt er een afspraak gemaakt om de huurovereenkomst te tekenen. Soms vindt er nog een tweede bezichtiging plaats, bijvoorbeeld met familie. In het geval met de heer [appellant] heeft er ook een tweede bezichtiging plaatsgevonden. [appellant] kwam toen samen met een aannemer, althans zo deed deze zich voor. Deze persoon was een donkere meneer en die kwam mee om de woning te bekijken en dingen op te meten en om te beoordelen of er eventueel aanpassingen nodig waren. Het viel mij toen op dat de man geen meetlint of iets dergelijks bij zich had. Vooraf had [appellant] telefonisch gezegd dat er iemand mee zou komen om zaken op te meten. Het viel me daarom op dat de man die met [appellant] meekwam geen meetlint bij zich had. De stukken waren al door ons ingezameld en er is daarna een afspraak gemaakt bij ons op kantoor om de huurovereenkomst te tekenen. Ik heb de heer [appellant] dus in totaal drie keer gezien. Het was steeds dezelfde persoon zoals deze op het legitimatiedocument stond. Ik weet niet of de legitimatie een ID-kaart was of een paspoort. Ik ga er van uit dat de kopieën van de legitimatie zich nog in het dossier van Actys Wonen bevinden. Ik hoor mr. Hamers zeggen dat hij een kopie van het legitimatiebewijs van de heer [appellant] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst bij zich heeft. Ik hoor hem zeggen dat dat stuk nog niet eerder is overgelegd. De raadsheer-commissaris staat toe dat mr. Hamers dit stuk aan mij toont. Mr. Holterman verklaart zich daarmee akkoord. Mr. Hamers verklaart dat dit stuk door Achmea is verkregen van Actys Wonen en dat dit een onderdeel is van het dossier van Actys Wonen. Ik herken de pasfoto van deze ID-kaart als zijnde de persoon die ik dus drie keer ben tegengekomen rondom het sluiten van de huurovereenkomst, te weten de heer [appellant] . Ik hoor mr. Holterman verklaren dat zij haar cliënt herkent op deze kopie van het legitimatiebewijs. U houdt mij nog productie 10 bij memorie van grieven voor. Ik bevestig dat de pasfoto in deze productie om dezelfde persoon gaat. U vraagt mij naar de bespreking die heeft plaatsgevonden op het kantoor van mr. Holterman in december vorig jaar. Ook toen heb ik de heer [appellant] herkend als zijnde de persoon met wie de huurovereenkomst is gesloten. Ik heb daarvan een schriftelijke verklaring opgesteld, die, naar u mij meedeelt, is overgelegd als productie 6 tweede blad bij memorie van antwoord, gedateerd op 25 januari 2016. Ik herken deze verklaring als mijn verklaring. In deze schriftelijke verklaring spreek ik over een aantal huurwoningen die ik heb getoond, maar ik weet zeker dat ik één woning aan [appellant] heb laten zien. Ik heb ook de schriftelijke verklaring die is overgelegd als productie 6 eerste blad bij memorie van antwoord opgesteld en ondertekend. Deze verklaring is juist. U vraagt mij hoe het komt dat ik mij de heer [appellant] kan herinneren, want ik kom in mijn werk natuurlijk vele mensen tegen die woningen komen huren. Sommige mensen blijven hangen. De heer [appellant] deed mij denken aan mijn vader. Mijn vader heet ook [B] en ook de heer [appellant] is een grote man. Dat zal de reden zijn dat ik mij hem nog kan herinneren. Het zijn kleine dingen die blijven hangen, zoals ook de zogenaamde aannemer die met [appellant] meekwam bij de tweede bezichtiging van de woning. (..)

U houdt mij productie 14 van Achmea voor, het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 31 augustus 2016 in de zaak Vesteda. Ik heb de verklaring afgelegd zoals is vastgelegd in dat proces-verbaal. Ik heb toen ook een pasfoto op een ID-kaart herkend als van de heer [appellant] . Ik moest toen even naar de rechter om die foto te bekijken. De heer [appellant] was er toen zelf overigens niet, zoals dat nu ook niet het geval is. Over de bespreking van 8 december 2015 op het kantoor van mr. Holterman kan ik het volgende verklaren. Toen waren aanwezig mr. Holterman met een collega en de heer [appellant] , alsmede de heer [C] van Actys Wonen en de heer [D] van Achmea. Die bespreking was bedoeld voor de herkenning van de heer [appellant] . Ik heb de heer [appellant] als zodanig herkend.”

2.3.

[appellant] is niet verschenen ter gelegenheid van de comparitie van partijen en enquête. In het proces-verbaal staat daarover het volgende vermeld:

“Mr. Holterman verklaart dat haar cliënt het psychisch niet aankon te verschijnen. Hij

heeft haar meegedeeld te kampen met depressies als gevolg van de verschillende civiele procedures die tegen hem spelen. Hij heeft verklaard het gevoel te hebben terecht te staan. Ter onderbouwing van zijn toestand verwijst mr. Holterman naar een verklaring van een arbo-arts van ArboNed van 29 augustus 2016, overgelegd als onderdeel van productie 14 van de zijde van Achmea.” In voornoemde verklaring van [E] , bedrijfsarts bij ArboNed, die door [appellant] is ingediend in een (andere) procedure tussen Vesteda en [appellant] staat, voor zover van belang: “Er is langere tijd sprake van stressgerelateerde klachten als gevolg van de juridische strijd met de woningbouwvereniging Vesteda. Ik begrijp dat a.s. woensdag er een hoorzitting. Ik acht op dit moment de heer [appellant] , om medische redenen, niet in staat aanwezig te zijn bij a.s. hoorzitting.”

Bij zijn akte uitlatingen na comparitie van partijen en enquête heeft [appellant] een verslag overgelegd van [F] , bedrijfsmaatschappelijk werker bij ArboNed, d.d. 15 december 2016 over een gesprek dat op 13 december 2016 heeft plaatsgevonden. Dat verslag vermeldt voor zover van belang: “betrokkene ervaart spanningen door niet werkgerelateerde problematiek. Hij heeft daarover met zijn leidinggevende gesproken maar die geeft aan dat hij betaald wordt om te werken. Betrokkene heeft dan spijt dat hij er over begonnen is omdat hij geen begrip krijgt. Hij heeft een laag energienivo.”

2.4.

Voor zover de hiervoor genoemde verklaringen van een bedrijfsarts en bedrijfsmaatschappelijk werker authentiek zijn, hetgeen Achmea betwist, constateert het hof dat het verslag van de bedrijfsarts d.d. 29 augustus 2016 dateert van drie maanden voor de datum van de comparitie van 29 november 2016 en het verslag van de bedrijfsmaatschappelijk werker d.d. 15 december 2016 van twee weken daarna. Uit de inhoud van beide verslagen volgt niet dat [appellant] niet - zelfs niet voor korte tijd - in staat zou zijn de comparitie van 29 november 2016 bij te wonen. [appellant] heeft de met de comparitie beoogde confrontatie tussen hem en [mevrouw A] door zijn afwezigheid onmogelijk gemaakt, terwijl die confrontatie niet lang had hoeven duren en de meest voor hand liggende en eenvoudige manier was geweest om de kern van het geschil tussen partijen op te helderen. In het tussenarrest is reeds overwogen dat het hof uit de eventuele afwezigheid van [appellant] de gevolgtrekkingen zal maken die het geraden acht. Het op deze wijze uit de weg gaan van de confrontatie met [mevrouw A] draagt bij aan het oordeel van het hof dat [appellant] het door Achmea geleverde bewijs dat [appellant] wel degelijk zelf de woning heeft gehuurd, niet heeft kunnen ontkrachten.

2.5.

Dat bewijs is gelegen in het navolgende. Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst zijn onder meer het identiteitsbewijs van [appellant] en een verhuurdersverklaring overgelegd, waarvan de echtheid niet in geschil is. [mevrouw A] , die als verhuurmakelaar bij het sluiten van de huurovereenkomst betrokken was, heeft consistent (zowel schriftelijk als onder ede tijdens de enquête) verklaard dat zij [appellant] aan de hand van de foto op zijn identiteitsbewijs herkent als de persoon met wie Achmea de huurovereenkomst heeft gesloten en die zij vier keer heeft ontmoet (tweemaal in de woning tijdens een bezichtiging, eenmaal op 11 juli 2014 op het kantoor van Actys voor het ondertekenen van de huurovereenkomst en eenmaal op 8 december 2015 op het kantoor van mr. Holterman). Het hof ziet, anders dan [appellant] , geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [mevrouw A] . De enkele omstandigheid dat [mevrouw A] tijdens een getuigenverhoor in de procedure tussen [appellant] en Vesteda heeft verklaard dat zij “een aantal woningen” met [appellant] heeft bezichtigd, en zij daar tijdens het getuigenverhoor van 29 november 2016 op is teruggekomen en heeft verklaard dat zij alleen de betreffende huurwoning met [appellant] (tweemaal) heeft bezichtigd, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring niet af. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat [mevrouw A] zich, ruim drie jaar na dato, niet meer kon herinneren of [appellant] zich had geïdentificeerd met een identiteitsbewijs of met een paspoort. [mevrouw A] heeft immers steeds verklaard dat zij [appellant] heeft herkend aan zijn legitimatiebewijs. Daarnaast geldt nog het volgende. In het tussenarrest heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van Achmea en de schriftelijke verklaring van [mevrouw A] dat Achmea, naar aanleiding van het beroep van [appellant] op identiteitsfraude, heeft aangedrongen op een confrontatie tussen [appellant] en [mevrouw A] en dat die confrontatie tijdens een bespreking op het kantoor van de advocaat van [appellant] , mr. Holterman, op 8 december 2015 heeft plaatsgevonden waarbij [mevrouw A] [appellant] heeft herkend als degene die de huurovereenkomst met Achmea heeft gesloten. [appellant] althans zijn advocaat is tijdens de comparitie en enquête niet op deze stelling ingegaan en in de akte uitlatingen na comparitie en enquête evenmin. Bij gebreke van een verweer, zal het hof uitgaan van de juistheid van deze stelling van Achmea, die steun vindt in de verklaringen van [mevrouw A] . Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] degene is die de huurovereenkomst met Achmea heeft gesloten. De door Achmea gestelde relatie tussen [appellant] en [X] , [Y] en [Z] behoeft gezien het vorenstaande geen verdere bespreking, evenmin als het beroep van [appellant] op identiteitsfraude.

2.6.

Het hof volgt [appellant] mede om die reden ook niet in zijn stelling dat de vervalste werkgeversverklaring [mevrouw A] aanleiding had moeten geven aan de zaak te twijfelen en dat de fouten die door het niet opmerken van die vervalsing zijn gemaakt (het sluiten van de huurovereenkomst) voor rekening van Achmea moeten blijven. Voor zover [appellant] een beroep doet op eigen schuld of een schending van de schadebeperkingsplicht van Achmea, rust op hem de stelplicht en zo nodig de bewijslast ten aanzien daarvan. [appellant] heeft in dit verband echter niet voldoende gesteld en bovendien gaat het niet aan dat [appellant] Achmea dergelijke verwijten maakt omtrent een document waarvan de vervalsing/valsheid kennelijk aan hem zelf bekend was en dat hij vervolgens niettemin zelf aan Achmea ter hand heeft gesteld. Uit al het voorgaande volgt dat de grieven 1 en 4 falen.

2.7.

[appellant] heeft voorts gegriefd (in de grieven 2, 5 en deels 7) tegen de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten ad € 809,60 en heeft in dat verband gesteld dat het oordeel van de rechtbank juist geweest zou zijn als hij de huurder zou zijn geweest, maar - zo begrijpt het hof - omdat hij dat niet was, de ontvangst van de aan het adres van het gehuurde bezorgde aanmaningen betwist (zie rov. 3.5 van het tussenarrest). Achmea heeft hier tegenover gesteld dat aangenomen moet worden dat [appellant] de aanmaningen heeft ontvangen omdat deze naar het adres van het gehuurde zijn gestuurd waarop [appellant] op grond van de huurovereenkomst domicilie had en deze niet onbestelbaar retour zijn gekomen (zie rov. 3.6 van het tussenarrest).

2.8.

Het hof stelt voorop dat artikel 3:37 lid 3 BW voorschrijft dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Indien de geadresseerde betwist de verklaring te hebben ontvangen, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

2.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is [appellant] degene met wie in persoon de huurovereenkomst voor de woning op het bewuste adres is gesloten en ook volgens de stellingen van [appellant] zelf zou dan het oordeel van de rechtbank terecht zijn. Achmea mocht inderdaad redelijkerwijs ervan uitgaan dat [appellant] op dat adres woonde en dat correspondentie, zoals de aanmaningen, hem daar zou bereiken. Het had ook op de weg van [appellant] gelegen (die er op zijn beurt van moest uitgaan dat Achmea haar correspondentie naar dat adres zou verzenden) zijn post daar regelmatig op te halen, dan wel Achmea ervan in kennis te stellen dat hij op een ander adres woonde. Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] dit heeft gedaan. De grief faalt.

2.10.

Ten slotte bestrijdt [appellant] in grief 6 de verhuurderskosten ad € 211,75. Volgens [appellant] is niet duidelijk wat deze kosten inhouden en waar deze op gebaseerd zijn.

2.11.

Achmea heeft in haar inleidende dagvaarding gesteld dat de verhuurderskosten conform artikel 10.7 van de huurovereenkomst in rekening zijn gebracht. Dit artikel luidt als volgt:

10.7 Administratiekosten

Huurder en verhuurder komen hierbij overeen, dat de verhuurkosten welke voor laatstgenoemde voortvloeien uit het tot stand brengen van deze huurovereenkomst tot een bedrag van € 175,00 exclusief BTW voor rekening van de huurder komen”.

In haar memorie van antwoord stelt Achmea dat de verhuurderskosten betrekking hebben op het zoeken van een nieuwe huurder, bezichtigingen van de woning, het opstellen van de huurovereenkomst en dergelijke.

2.12.

Ook de toelichting op deze grief is gebaseerd op het door het hof reeds verworpen uitgangspunt van [appellant] dat hij geen huurovereenkomst met Achmea heeft gesloten. De kosten zijn derhalve tussen hem en Achmea contractueel overeengekomen en voldoende door Achmea onderbouwd. De hoogte van de kosten heeft [appellant] overigens op zichzelf ook niet bestreden. De grief kan evenmin slagen.

2.13.

Bij bespreking van grief 3, waarin [appellant] betoogt dat in eerste aanleg ten onrechte door een voor hem onbekende derde persoon verweer is gevoerd, heeft [appellant] geen voldoende belang nu hij in hoger beroep alsnog zelf verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van Achmea.

2.14.

Gezien deze uitkomst, is [appellant] terecht als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Grief 7 faalt voor zover deze ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg is aangevoerd.

2.15.

[appellant] heeft in zijn akte uitlatingen aangeboden alsnog tijdens een besloten zitting een getuigenverklaring af te leggen en heeft aldus heropening van het getuigenverhoor verzocht. Het hof neemt tot uitgangspunt dat een partij in het algemeen de bevoegdheid toekomt heropening van het getuigenverhoor te verzoeken, zij het dat deze bevoegdheid, mede gelet op het belang van een voortvarende procesvoering, haar begrenzing vindt in de eisen van een goede procesorde (HR 13 september 1996, NJ 1996, 731, ECLI:NL:HR:1996:ZC2134).

2.16.

Het bewijsaanbod/verzoek tot heropening van het getuigenverhoor is gedaan op de voorwaarde dat het verhoor in een besloten zitting zal plaatsvinden (naar het hof begrijpt: buiten aanwezigheid van [mevrouw A] ). Dat aanbod/verzoek druist in tegen het doel van de reeds gehouden comparitie en enquête, namelijk (onder meer) een confrontatie tussen [appellant] en [mevrouw A] te laten plaatsvinden. [appellant] heeft geen voldoende onderbouwing gegeven voor de noodzaak van de door hem verzochte besloten zitting. De enkele omstandigheden dat de onderhavige procedure spanningsklachten bij [appellant] teweeg brengt en dat hij een laag energieniveau heeft, zijn daarvoor niet voldoende. De door [appellant] overgelegde verslagen van een bedrijfsarts en bedrijfsmaatschappelijk werker evenmin, gelet op hetgeen hiervoor in rov. 2.4 is overwogen. Daar komt nog bij dat Achmea bij het door [appellant] verzochte besloten partijgetuigenverhoor, ernstig in haar bewijspositie zal worden geschaad. Het op voornoemde wijze proberen de confrontatie met [mevrouw A] uit de weg te gaan acht het hof in strijd met de eisen van de goede procesorde. Het voorwaardelijke bewijsaanbod/verzoek zal derhalve worden afgewezen. Het voor het overige door [appellant] gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

2.17.

De slotsom is dat dat grief 3 geen bespreking behoeft en dat de grieven voor het overige falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

2.18.

[appellant] zal, als de meest in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.235,- voor salaris;

verklaart deze (kosten)veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, J.C.W. Rang en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.