Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3041

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
23-002106-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

23-jarige Syriëganger, die twee keer heeft geprobeerd uit te reizen, in hoger beroep veroordeeld ter zake van het voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven en poging tot deelneming aan een terroristische organisatie (IS). Het beroep op schending van het specialiteitsbeginsel in het kader van de overlevering door Bulgarije wordt verworpen. Het rapport "Bestemming Syrië" wordt niet voor het bewijs gebezigd. Het hof acht bewezen dat de verdachte wilde gaan deelnemen aan de gewapende strijd van IS in Syrië. Het hof legt een hogere straf op dan de rechtbank, maar met een aanzienlijk voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden, waaronder contactverboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002106-16

Datum uitspraak: 27 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-870099-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Blijkens de ‘akte intrekking rechtsmiddel’ van 1 juni 2017 heeft de verdachte – na aanvang van de behandeling van het hoger beroep – het namens hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 26 mei 2016 willen intrekken. Ter terechtzitting van 13 juli 2017 heeft de verdachte dit bevestigd. Het hof heeft vervolgens besloten de zaak inhoudelijk te behandelen en pas bij eindarrest een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in het namens hem ingestelde hoger beroep. De advocaat-generaal heeft zich bij requisitoir verzet tegen toepassing van het bepaalde in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De raadsman heeft ter terechtzitting uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd tegen de in de tenlastegelegde verwoorde beschuldigingen aan het adres van de verdachte. Hij heeft niet verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in diens hoger beroep. Tegen die achtergrond ziet het hof geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv. De verdachte is derhalve ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 en 13 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 lid 2 Sv naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a Sv is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1:
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 23 december 2014 te IJmuiden en/of elders in Nederland en/of in Duitsland en/of in Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht (te weten het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch misdrijf en/of moord en/of doodslag) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of (een) ander(en) heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en/of

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging althans alleen,

zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS), althans (een) aan IS en/of Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

zich (via chat- en/of whats app-berichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe zich aan te sluiten bij Islamic State (IS) althans (een) aan IS gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

zich (via chat- en/of whats app-berichten) laten informeren over de situatie in het strijdgebied en/of over strijder(s) en/of

een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de gewapende jihad en/of martelaarschap en/of de gewapende strijd wordt gedeeld en/of

deelgenomen aan Arabische lessen en/of

een of meerdere documenten en/of afbeeldingen en/of videobestanden en/of gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistische gedachtegoed en/of het martelaarschap en/of

zich (onder andere in de chat- en/of whats app-berichten) geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije en/of Bulgarije) naar Syrië en/of zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende jihad (onder meer door te spreken over het martelaarschap) en/of

een (of meer) ticket(s) en/of visa en/of reisbescheiden aangeschaft of voorhanden gehad en/of

(via Duitsland) de reis naar Turkije en/of (vervolgens) naar de grens van Turkije-Syrië gemaakt

en/of (via een illegale oversteekplaats) getracht de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië ten behoeve van de gewapende (Jihad)strijd;


2:
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 december 2014 tot en met 05 oktober 2015 te IJmuiden en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of in Turkije, in tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht (te weten het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch misdrijf en/of moord en/of doodslag) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of (een) ander(en) heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en/of

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen

zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS), althans (een) aan IS en/of Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

zich (via chat- en/of whats app-berichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe zich aan te sluiten bij Islamic State (IS) althans (een) aan IS gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

zich (via chat- en/of whats app-berichten) laten informeren over de situatie in het strijdgebied en/of over strijder(s) en/of

een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de gewapende jihad en/of martelaarschap en/of de gewapende strijd wordt gedeeld en/of

deelgenomen aan Arabische lessen en/of

een of meerdere documenten en/of afbeeldingen en/of videobestanden en/of gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistische gedachtegoed en/of het martelaarschap en/of

zich (onder andere in de chat- en/of whats app-berichten) geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije en/of Bulgarije) naar Syrië en/of zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende jihad (onder meer door te spreken over het martelaarschap) en/of

een whats app-groep aangemaakt onder de naam [naam 1] en/of

een (of meer) ticket(s) en/of visa en/of reisbescheiden aangeschaft of voorhanden gehad en/of

via Bulgarije en/of Turkije heeft getracht (de grens van) Syrië te bereiken ten behoeve van de gewapende (Jihad)strijd;

3 primair:
hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 05 oktober 2015 te IJmuiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, met het voornemen om deel te nemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten: Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS), althans aan IS en/of Al Qaida gelieerde organisaties, althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 en artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of voorbereiding van moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- de samenspanning tot het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- voorbereiding van moord te begaan met terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, door geldelijke en/of andere stoffelijke steun te verlenen aan die organisatie, alsmede door het werven van gelden en/of personen ten behoeve van die organisatie,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

- ( telkens) contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

- één (of meerdere) rei(s) (zen) ondernomen naar het grensgebied van Turkije/Syrië en/of Bulgarije teneinde op illegale wijze de grens naar Syrië over te steken en/of Syrië te bereiken ten behoeve van de gewapende (Jihad)strijd en/of

- één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of het paradijs en/of jihadistische strijdliederen en/of preken en/of de strijd in Syrië, waaronder:

- een whatsapp bericht waarbij aan Allah wordt gevraagd om het martelaarschap en een overwinning op de ongelovigen en/of

- een (door verdachte aangemaakte) whats app-groep onder de naam [naam 1] en/of

- een audio-bestand in de Arabisch taal inhoudende de eed van trouw (bay'ah) (aan Islamic State)en/of de kalief en/of

- één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken;

3 subsidiair:
hij op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 05 oktober 2015 te IJmuiden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, ter voorbereiding van (een) misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld,

te weten het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten: Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS), althans aan IS en/of Al Qaida gelieerde organisaties, althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, door het verlenen van geldelijke en/of andere stoffelijke steun alsmede het werven van gelden of een (of meer) perso(o)n(en) ten behoeve van deze organisatie,

voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

- contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

- één (of meerdere) rei(s) (zen) ondernomen naar het grensgebied van Turkije/Syrië en/of Bulgarije teneinde op illegale wijze de grens naar Syrië over te steken en/of Syrië te bereiken ten behoeve van de gewapende (Jihad)strijd en/of

- één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of het paradijs en/of jihadistische strijdliederen en/of preken en/of de strijd in Syrië, waaronder:

- een whats app bericht waarbij aan Allah wordt gevraagd om het martelaarschap en een overwinning op de ongelovigen en/of

- een (door verdachte aangemaakte) whats app-groep onder de naam [naam 1] en/of

- een audio-bestand in de Arabisch taal inhoudende de eed van trouw (bay'ah) (aan Islamic State) en/of de kalief en/of

- ( contante) geldbedragen voorhanden gehad en/of

- één of meerdere tickets en/of reisbescheiden voorhanden gehad en/of

- één of meerdere tassen inhoudende (met name) warme en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of

- één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.

Blijkens de wijze waarop in het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde de landen Bulgarije, Turkije en Syrië zijn opgenomen in de beschrijving van de feitelijke gedragingen die de verdachte (al dan niet in vereniging) begaan zou hebben, heeft de steller van de tenlastelegging de verdachte het verwijt willen maken dat hij zich niet alleen in Nederland daaraan heeft schuldig gemaakt, maar ook in Bulgarije en/of Turkije en/of Syrië. In overeenstemming daarmee zal het hof “in Nederland” in de aanhef van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde telkens lezen als “in Nederland en/of Bulgarije en/of Turkije en/of Syrië”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging en het beslag tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot wijziging/nadere omschrijving van de tenlastelegging heeft toegelaten, voor zover bestaande in de toevoeging van het onder 3 tenlastegelegde. In het verlengde daarvan heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Beide onderdelen van zijn betoog heeft de raadsman gestoeld op de schending van het specialiteitsbeginsel waarvan naar zijn mening sprake is. De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 3 tenlastegelegde feit een volstrekt ander feit is dan het feit waarvoor overlevering is verzocht. Het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) vermeldt niet deelneming aan een criminele organisatie, al dan niet met terroristisch oogmerk, terwijl de feitsomschrijving in het EAB niet in de buurt komt van het onder 3 tenlastegelegde. Bovendien verschillen de beschermde rechtsbelangen en de strafbedreigingen. De omstandigheid dat op het EAB “terrorisme” is aangekruist, wil niet zeggen dat daardoor elke kwalificatie die afwijkt van het EAB is toegestaan, aldus de raadsman.

De feitelijke gang van zaken

De Nederlandse autoriteiten hebben de Bulgaarse autoriteiten op grond van een EAB van 3 oktober 2015 de overlevering van de verdachte verzocht. De verdachte is op 5 oktober 2015 in Bulgarije aangehouden. In het EAB is als lijstfeit “terrorisme” aangekruist, zijn de artikelen 96 lid 2 jo 289 jo 289a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemd en is de volgende omschrijving van de feiten opgenomen:

“ [verdachte] wordt ervan verdacht op dit moment te trachten naar Syrië te reizen om zich daar aan te sluiten bij de gewapende strijd. Zijn intentie blijkt uit:

- [verdachte] is in december 2014 aangehouden door de Turkse politie toen hij probeerde de grens naar Syrië over te steken;

- Hij heeft waarschijnlijk Arabische les gevolgd met een jongen die inmiddels naar Syrië is gereisd en daar is omgekomen. Deze jongen zou voor vertrek aangegeven hebben naar Syrië te willen, zijn familie en moslims in de lokale moskee hebben bestempeld als heidenen en bommen hebben gemaakt in zijn slaapkamer van zeepproducten, aanstekers en bedrading;

- Hij heeft een facebookpagina gehad waarop een foto stond met een persoon in zwarte jihadkledij met een IS vlag;

- Hij is in december 2014 samen gereisd met een jongen die volgens zijn vader interesse heeft in de radicale kant van de Islam, Arabisch leert en sympathiseert met de Islamitische Staat;

- Uit zijn inbeslaggenomen telefoon is gebleken dat hij sympathiseert met Islamitische Staat. Op deze telefoon zijn IS gerelateerde afbeeldingen en video’s aangetroffen;

- Uit de telefoon blijkt dat hij contacten heeft met meerdere radicale personen van wie is vastgesteld dat zij zijn uitgereisd naar Syrië;

-Uit deze telefoon is ook gebleken dat hij hulp zocht bij het oversteken van de grens met Syrië door contact te leggen met een strijder in Syrië”.

De Nederlandse vertaling van de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Haskovo (Bulgarije) van 16 oktober 2015, waarbij de overlevering van de verdachte aan Nederland is toegestaan, houdt onder meer in:

“De procedure is ingesteld naar aanleiding van een Europees aanhoudingsbevel van 3 oktober 2015 (…) strekkende tot aanhouding van [verdachte] (…) De opgeëiste persoon [verdachte] verklaart dat hij wenst te worden overgeleverd aan de justitiële autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder afstand te doen van het specialiteitsbeginsel (…). Het aanhoudingsbevel heeft betrekking op een delict dat uitdrukkelijk wordt genoemd in art. 36 lid 3 punt 2 van de Bulgaarse Overleveringswet, te weten “terrorisme” waardoor de rechtbank niet gehouden is om te beoordelen of er sprake is van dubbele strafbaarheid van het delict (…). Staat de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 3-10-2015 toe (…) en levert over [verdachte] (…) ten behoeve van een gerechtelijk vooronderzoek tegen voornoemde persoon wegens strafbare feiten ex art. 96 lid 2 juncto art. 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht (…) – voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk en samenspanning met hetzelfde oogmerk.”

De voorlopige tenlastelegging als bedoeld in artikel 261 lid 3 Sv ziet, kort gezegd, op het medeplegen van voorbereiding of bevordering van moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk in de periode van 1 december 2014 tot en met 5 oktober 2015 in Nederland, Duitsland, Turkije en Bulgarije. Daarbij zijn de artikelen 96 lid 2 Sr juncto artikel 289a Sr vermeld. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 april 2016 is door de rechtbank de door de officier van justitie op de voet van artikel 314a Sv gevorderde nadere omschrijving van de voorlopige tenlastelegging toegestaan. Daarbij is aan de verdachte onder 3 tenlastegelegd, kort samengevat, primair medeplegen van poging tot deelneming aan een terroristische organisatie en subsidiair medeplegen van voorbereiding van deelneming aan een terroristische organisatie. Als strafbepalingen zijn daarbij vermeld de artikelen 46, 47, 140 en 140a Sr.

De juridische context

De Overleveringswet strekt tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ). De Overleveringswet kent geen specifieke nadere invulling van het specialiteitsbeginsel wat betreft aan de Nederlandse autoriteiten overgeleverde personen. Artikel 48 van deze wet moet evenwel, gelet op de tekst van die bepaling, beschouwd in samenhang met de bijbehorende memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2002/2003, 29042, nr. 3, p. 31), aldus worden verstaan dat aan Nederland overgeleverde personen rechten kunnen ontlenen aan de invulling die in voormeld kaderbesluit is gegeven aan het specialiteitsbeginsel. Artikel 27 lid 2 van dit kaderbesluit houdt in, voor zover hier van belang, dat een overgeleverd persoon niet wordt vervolgd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. Deze regel wordt buiten toepassing verklaard in lid 3 van deze bepaling in onder meer het geval de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd heeft verlaten, of in het geval hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd.

De maatstaf voor de beoordeling van een beroep op het specialiteitsbeginsel kan worden ontleend aan de beslissing het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 december 2008, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann & Pustovarov), die onder meer inhoudt:

“53. Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft betoogd, is het overleveringsverzoek gebaseerd op de informatie die de stand van het onderzoek op het tijdstip van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel weergeeft. Het is dus mogelijk dat in de loop van de procedure de vastgestelde feiten niet in alle opzichten meer overeenkomen met die welke oorspronkelijk waren omschreven. De verzamelde gegevens kunnen leiden tot een precisering en zelfs een wijziging van de bestanddelen van het strafbare feit die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd.

54. De in artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit gebruikte termen „vervolgd”, „berecht” of „van zijn vrijheid beroofd” wijzen erop dat het begrip „enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de verschillende stadia van de procedure en rekening houdend met iedere procedurele handeling die de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit kan wijzigen.

55. Om – met betrekking tot het vereiste van toestemming – uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een „ander feit” dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling.

56. Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan wat het specialiteitsbeginsel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.

57. Om uit te maken of al dan niet sprake is van „enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit”.

Bij de beoordeling van het verweer slaat het hof voorts acht op de betekenis van het begrip “terrorisme”, zoals dat als lijstfeit is opgenomen in Bijlage 1, onder 2, bij de Overleveringswet. Ook deze bijlage strekt tot implementatie van voormeld kaderbesluit 2002/584/JBZ. De verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg van de Overleveringswet brengt mee dat voor de betekenis van het begrip terrorisme aansluiting dient te worden gezocht bij het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie inzake terrorismebestrijding van 13 juni 2002 (2002/475/JBZ), (zoals gewijzigd bij het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding (2008/919/JBZ)). Dit kaderbesluit behelst in de eerste vier artikelen een beschrijving van terroristische misdrijven, waaronder, in artikel 2 lid 2, aanhef en onder b, het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep.

Islamitische Staat wordt – en werd in 2014 en 2015 – in het verband van de (regelgeving van de) Europese Unie als terroristische organisatie beschouwd.

Het oordeel van het hof

In het licht van het vorenstaande is – voor zover de verdachte daarop nog een beroep zou kunnen doen, nu hij op 16 oktober 2016, na ommekomst van het door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke strafdeel, in vrijheid is gesteld en niet binnen 45 dagen Nederland heeft verlaten dan wel na Nederland verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd – naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van het specialiteitsbeginsel. De feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd betreffen zijn pogingen in december 2014 en oktober 2015 uit te reizen naar Syrië teneinde zich daar als sympathisant van de terroristische organisatie Islamitische Staat aan te sluiten bij de gewapende strijd. Daarmee zijn de bestanddelen van het strafbare feit waarop het onder 3 tenlastegelegde is toegesneden, te weten de poging althans voorbereiding tot deelneming aan een terroristische organisatie, die waarvoor de verdachte door Bulgarije is overgeleverd. Naar het oordeel van het hof bestaat voldoende overeenstemming tussen de gegevens in het EAB en de gegevens in de op 26 april 2016 door de rechtbank toegestane nadere omschrijving van de tenlastelegging. De aard van het strafbare feit, namelijk terrorisme in de betekenis die daaraan in het kader van het overleveringsverkeer moet worden toegekend, is daardoor niet gewijzigd.

Het verweer wordt daarom in beide onderdelen verworpen.

Bewijsoverwegingen

In deze zaak speelt de organisatie Islamitische Staat een centrale rol. In het hierna uitvoeriger te bespreken rapport “Bestemming Syrië”, waarvan de openbaar gemaakte versie zich in het dossier bevindt, wordt opgemerkt dat Islamitische Staat door de jaren heen verschillende samenstellingen en namen heeft gekend. De oorsprong van de organisatie ligt bij de in 1999 door Abu Musab al-Zarqawi opgerichte beweging Jama’at al-Tawhid wal-Jihad (Groep van het Monotheïsme en de Jihad). Daaropvolgend werd de organisatie door continue organisatorische veranderingen bekend onder de namen Al Qaeda in Irak (AQI), Islamitische Staat in Irak (ISI), Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS) en uiteindelijk Islamitische Staat (IS).1

In het navolgende zullen (alleen) de afkortingen/begrippen IS, ISIS en Islamitische Staat worden gehanteerd.

Rapport Bestemming Syrië

Het rapport “Bestemming Syrië. Een exploratieve studie naar de leefsituatie van Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië” van 3 januari 2016 is geschreven door [schrijver 1] . [schrijver 2] , [schrijver 3] en [schrijver 4] . Doel van het onderzoek was “een beeld te krijgen van de leefsituatie van Nederlanders in gebieden in Syrië die in 2014 niet meer gecontroleerd werden door het al-Assad regime”. Het onderzoek, toegespitst op het jaar 2014, werd uitgevoerd in opdracht van de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een daar aanhangig gemaakte strafzaak. Het rapport is openbaar gemaakt, nadat verwijzingen naar die specifieke strafzaak daaruit waren verwijderd.

Het rapport behelst een beschrijving van de achtergrond van het ontstaan van de burgeroorlog in Syrië en het uitroepen van het ‘kalifaat’ door Islamitische Staat (IS) in Irak en Syrië in de zomer van 2014. Daarnaast is onderzoek gedaan naar hetgeen bekend was omtrent de leef- en werkomstandigheden van in het bijzonder Europese “uitreizigers” die zich bij IS of Jabhath al-Nusra (nadien Jabhat Fath al Sham en thans Ha’yat Tahrir al-Sham geheten) hadden aangesloten (voor zover het “uitreizigers” naar Syrië betreft, worden zij ook wel aangeduid als Syriëgangers). In het rapport is nader ingegaan op de vraag hoe het leven van een “gemiddelde uitreiziger” in Syrië er uitzag en of het uitreizen naar Syrië “in de praktijk” gelijk stond aan een bestaan als strijder.

In het rapport is onder meer beschreven dat Europese uitreizigers na aankomst in het IS-gebied in Syrië voor enkele weken werden ondergebracht in een aanmeldcentrum/safehouse, waar zij onder andere werden ondervraagd over hun achtergrond en hun motieven naar Syrië uit te reizen. Daarna werden de mannelijke uitreizigers naar trainingskampen gebracht waar zij een wapen kregen en onder meer werden onderwezen in het hanteren van kalasjnikovs, handgranaten, zwaarden en scherpschuttersgeweren. Na afloop van de trainingen werden de mannen ondergebracht in een bataljon. In het rapport wordt vervolgens – met inbegrip van citaten van door de onderzoekers geïnterviewde respondenten – opgemerkt (p. 52):

“De perceptie van uitreizigers met betrekking tot hun inzet in Syrië lijkt anno 2014 sterk aan te sluiten bij bovengenoemde uiteenzetting. Mannen vertrekken volgens veel respondenten – ongeacht hun gezinssituatie – naar ISIS wetende dat het kalifaat met geweld verdedigd dient te worden. Niemand heeft de illusie daar een leven te leiden zonder binnen aanzienlijke tijd ingezet te kunnen worden voor de strijd, of anderszins namens IS geweld te moeten gebruiken. Zij zullen daar trainingen voor volgen en dit is vooraf bij hen bekend. Ze weten heel goed waar zij voor kiezen, en dat is deelname aan de gewelddadige jihad.

Volgens onze bronnen blijkt dat de meerderheid van buitenlandse mannen naar Syrië afreist om als strijder een bijdrage te leveren aan de gewapende jihad. Het argument om naar ISIS gebied af te reizen met het oogmerk om humanitaire hulp te verlenen lijkt anno 2014 dan ook erg onwaarschijnlijk”.

Door de verdediging is de bruikbaarheid voor het bewijs van het rapport “Bestemming Syrië” betwist op de volgende gronden.2

Naar de onderzoekers zelf hebben opgemerkt in hun rapport is hun onderzoek exploratief en beschrijvend van karakter en is aan de hand van een beperkt aantal beschikbare publicaties en een beperkt aantal interviews geprobeerd een beeld te schetsen van het dagelijkse leven in Syrië in 2014. Het is geen uitputtend onderzoek maar behelst slechts een eerste schets van de situatie ter plekke. Volgens het rapport bestaat bij de afgenomen interviews “het risico dat een reconstructie van de situatie in 2014 foutieve elementen bevat”. Ook hebben de onderzoekers erop gewezen dat hun conclusies kunnen verschillen al naar gelang het tijdstip en de plaats in het IS-gebied.

Op de toegepaste onderzoeksmethode valt voorts het nodige af te dingen, vooral voor wat betreft het gebruik van de interviews met (slechts) 26 niet met naam en toenaam genoemde respondenten, van wie de achtergrond c.q. de bron van wetenschap niet of nauwelijks bekend is, zodat over de betrouwbaarheid van die bronnen en van de verklaringen van de respondenten geen oordeel kan worden gegeven. Dit klemt temeer nu tot die respondenten een medewerker van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en een medewerker van het ministerie van Veiligheid van Justitie behoren. Bij de in Nederlandse strafzaken relevant geachte onderdelen van het rapport is laatstgenoemde medewerker nagenoeg de uitsluitende bron. En bij een belangwekkende conclusie in het

rapport – “Aansluiten bij ISIS lijkt een voorwaarde voor uitreizigers om zich binnen de door ISIS gecontroleerde gebieden te begeven” – ontbreekt zelfs elke bronvermelding. Overigens verbaast dit niet nu aan de respondenten hierover geen vraag is voorgelegd.

De raadsman heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat het rapport, als zijnde onrechtmatig en onbetrouwbaar, van het bewijs moet worden uitgesloten.

Het hof stelt in zijn beoordeling van de bewijsrechtelijke betekenis die in de onderhavige strafzaak aan het rapport kan worden toegekend voorop, dat het in de eerste plaats de auteurs zelf zijn die de betekenis van de onderzoeksbevindingen in hun rapport hebben gerelativeerd. In hun methodologische verantwoording hebben zij opgemerkt dat, zoals ook door de raadsman gesignaleerd, het onderzoek is gebaseerd op “een beperkt aantal beschikbare publicaties en (…) een beperkt aantal interviews met experts” (p. 26). In de toelichting (rapport, p. 9-10) is voorts ter relativering van de onderzoeksbevindingen gesteld:

“Ten eerste betreft dit een exploratieve studie. Dat wil zeggen dat het een eerste grondige verkenning is van een onderzoeksvraag waarover nog slechts beperkt is gepubliceerd. Hoewel er, in de ogen van de onderzoekers, een goed onderbouwd algemeen beeld naar voren komt van het leven in Syrië en de activiteiten van uitreizigers, zal er over sommige zaken minder gezegd kunnen worden. Soms bleek er te weinig informatie beschikbaar of zou meer tijd nodig zijn geweest om bepaalde aspecten van het dagelijks leven van Nederlandse Syriëgangers boven tafel te krijgen. Gelet op de beperkte loopperiode van deze studie (van oktober t/m december 2015) was dit niet mogelijk (…).

Ten tweede is het van belang om stil te staan bij het dynamische karakter van het conflict. Sinds 2011 is de positie van nationalistische of seculiere rebellen die in opstand kwamen tegen corruptie en mensenrechtenschendingen door het al-Assad regime sterk verzwakt (…). De focus van dit onderzoek ligt op het kalenderjaar 2014 (…). De oprichting van het kalifaat heeft grote gevolgen gehad voor het leven in deze gebieden (…).

Ten derde (…) kunnen de leefomstandigheden in 2014 per gebied in Syrië behoorlijk van elkaar verschillen (zowel voor als achter de frontlinie) (…).

Ten slotte is het van belang te benadrukken dat deze studie een algemeen beeld schetst van het dagelijkse leven van uitreizigers in Syrië anno 2014. Dit betekent dat er specifieke gevallen kunnen zijn op wie de bevindingen niet van toepassing zijn”.

Twee van de auteurs van het rapport “Bestemming Syrië” – [schrijver 2] en [schrijver 4] – zijn ter terechtzitting in hoger beroep als deskundigen gehoord. Zij hebben voornoemde, in het rapport opgenomen, relativeringen in zoverre weer genuanceerd dat sommige citaten wel van één bron/respondent afkomstig zijn, maar dat het algemeen geschetste beeld van de situatie in Syrië gebaseerd is op onderling samenhangende onderzoeksresultaten – en dus een veel bredere grondslag heeft dan door de raadsman is gesuggereerd –, alsmede dat die onderzoeksresultaten steun vonden in een later door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) uitgebracht rapport.

Naar het oordeel van het hof nemen genoemde relativeringen niet weg dat het rapport een waardevol inzicht geeft in de situatie in Syrië, en in het bijzonder die van Syriëgangers, anno 2014. Het voorgaande betekent echter niet dat op grond van het rapport “Bestemming Syrië” kan worden aangenomen dat het in de onderhavige zaak de bedoeling van de verdachte is (of moet zijn) geweest naar Syrië uit te reizen om zich bij de gewapende strijd van IS aan te sluiten.

De verdachte heeft verklaard dat hij in het gebied van het ‘kalifaat’ van IS wilde gaan wonen. Het feit dat hij daarbij de bedoeling heeft gehad zich bij de gewapende strijd aan te sluiten zal uit ander bewijsmateriaal moeten blijken om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Bij de beoordeling daarvan is van belang enerzijds hetgeen omtrent IS in het algemeen bekend was (ten tijde van het uitreizen van de verdachte) en anderzijds wat omtrent de gedragingen van de verdachte kan worden vastgesteld.

Het rapport “Bestemming Syrië” zal derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt.

Islamitische Staat als terroristische organisatie

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte zich bij een andere organisatie dan IS heeft willen aansluiten. Daarom is het niet nodig hier de blik op andere in de tenlastelegging vermelde organisaties te richten.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat IS in de jaren 2014 en 2015 de gewapende jihad voorstond en zich in die strijd schuldig maakte aan, kort gezegd, het met terroristisch oogmerk teweegbrengen van ontploffingen en het met dat oogmerk plegen van moord en doodslag, zoals is tenlastegelegd onder 1 en 2. Ook staat naar het oordeel van het hof vast dat IS in die jaren kon worden aangemerkt als organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten, kort gezegd het plegen van moord en doodslag met terroristisch oogmerk, zoals in de tenlastelegging onder 3 nader uitgesplitst in diverse deelnemingsvormen aan die misdrijven.3

Het hof stelt hierbij voorop dat IS zowel in het verband van de (regelgeving van de) Europese Unie, als in het verband van de (regelgeving van de) Verenigde Naties in de jaren 2014 en 2015 werd, en nog steeds wordt, aangemerkt als een terroristische organisatie.4

Verder behelst het dossier een proces-verbaal van 26 juni 2015, met bijlagen, met een uitgebreide uiteenzetting over onder meer de ontstaansgeschiedenis en de doelstelling van IS, de binnen IS bestaande hiërarchie en taakverdeling en het door IS in het kader van de gewapende jihad toegepaste geweld. Aan dit proces-verbaal kan mede worden ontleend dat IS een jihadi-salafistische terroristische organisatie is. Het jihadi-salafisme is een revolutionaire beweging die oproept tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van bestaande (seculiere) regimes. Jihad voeren tegen ongelovigen en afvalligen wordt binnen deze beweging gezien als een plicht die rust op elke moslim. IS heeft zich ten doel gesteld door gewapende strijd in Syrië en Irak een ‘kalifaat’ te vestigen: een hiërarchische staat, met aan het hoofd een ‘kalief’, die is gebouwd op een zeer strikte soennitische religieuze leer en de sharia. Bij het streven naar dat doel worden de rechten van religieuze en culturele minderheden zoals christenen, yazidi, sjiieten, alawieten en niet fundamentalistische soennieten op gewelddadige wijze geschonden.5 IS heeft een centraal geleide organisatiestructuur, waarvan een krijgsmacht en een religieuze politie deel uit maken. IS maakt intensief gebruik van internet om via websites, Facebookpagina’s en Twitteraccounts zijn ideologie te verspreiden en te berichten over de gewapende jihad. Aan IS gelieerde mediaorganisaties geven het online-tijdschrift [tijdschrift] uit waarin verslag wordt gedaan van onder meer de militaire activiteiten van IS, waarin Westerse moslims worden opgeroepen te komen deelnemen aan de gewapende strijd van IS6 en waarin – onder meer – een religieuze legitimatie wordt gegeven voor het houden van yazidische vrouwen en kinderen als slaven door strijders van IS. In een serie video’s roepen buitenlandse IS-strijders hun broeders in de landen van herkomst op zich te vestigen in het ‘kalifaat’. In andere videoseries worden foto’s van zogenoemde martelaren getoond, begeleid door strijdliederen, beelden van verminkte lichamen van gedode tegenstanders, executies van kinderen (ontvoerde jongens van 15 jaar) en onthoofdingen van gijzelaars.7

Het oogmerk van IS in de door IS voorgestane gewapende jihad terroristische misdrijven te plegen is in voormeld proces-verbaal – en in onder meer de daarbij gevoegde bijlage 1 –8 mede geïllustreerd met een opsomming van een aantal in 2013 en 2014 door deelnemers aan IS gepleegde zelfmoordaanslagen met bommen (door IS martelaarsoperaties genoemd),9 gericht op onder meer schoolkinderen, marktbezoekers en sjiitische moskeebezoekers, openbare executies, stenigingen, kruisigingen, onthoofdingen en andere moorden.10 Deze misdrijven zijn terroristische misdrijven, omdat zij erop gericht zijn de bevolking van Syrië en Irak ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele politieke, constitutionele, economische en sociale structuren van die landen te vernietigen. Ook komt in dit verband betekenis toe aan de oproep van de woordvoerder van IS, Abu [naam 19], in een videoboodschap van 21 september 2014, waarvan de Engelse vertaling is gepubliceerd in het tijdschrift [tijdschrift], om ongelovige burgers en militairen, ook in Europa, te vermoorden.11 Deze woordvoerder van IS heeft, nadat het ‘kalifaat’ op 29 juni 2014 was uitgeroepen, alle moslims opgeroepen daarheen te komen en de eed van trouw (bay’ah) af te leggen aan de door IS aangestelde ‘kalief’ Abu Bakr al-Baghdadi, aan wie strijders en stamhoofden in door IS veroverde gebieden eerder onder meer moesten beloven ‘gehoorzaamheid en onderschikking, onder alle omstandigheden, in lief en leed, voor het laten gelden van Allahs woord en het plegen van Jihad tegen de vijanden van Allah’.12

Het is deze Al-Adnani door wie de verdachte zich volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep heeft laten inspireren om naar Syrië, naar IS te gaan.

Feitelijke toedracht

De verdachte heeft tweemaal een poging gedaan uit te reizen naar het gebied van (het ‘kalifaat’ van) IS, de eerste keer in december 2014, de tweede keer in oktober 2015.13

Bij gelegenheid van zijn eerste reis is de verdachte, samen met [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1]) op 11 december 2014 op het vliegveld te Düsseldorf (onderweg naar Istanbul) gecontroleerd; het paspoort van de verdachte was geldig vanaf 26 september 2014.14 Op 16 december 2014 zijn de verdachte en [medeverdachte 1] gecontroleerd aan de grens van Hongarije met Servië.15 Op

21 december 2014 probeerden de verdachte en [medeverdachte 1] vanuit Turkije illegaal de grens met Syrië over te steken en werden zij aangehouden.16 De verdachte gaf bij zijn aanhouding een valse naam ([naam 2]) op.17

Op 17 april 2015 is de verdachte in Nederland gearriveerd; hij is toen aangehouden en in verzekering gesteld. Op 21 april 2015 is hij weer heengezonden. Het onderzoek naar de inhoud van zijn mobiele telefoon en zijn tablet heeft pas daarna plaatsgevonden.

Overigens was de familie van de verdachte niet bekend met zijn uitreisplannen. Zijn ouders dachten eind 2014 dat hij bij een vriend in Den Haag verbleef.18 De verdachte heeft bij gelegenheid van de controle op het vliegveld in Düsseldorf in december 2014 gezegd dat hij een oogoperatie in Istanbul zou ondergaan.19 Zijn familie bleek daarvan niet op de hoogte te zijn, terwijl het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de verdachte doende is geweest een oogoperatie in Istanbul (of elders in Turkije) te realiseren.

Op zijn tweede reis is de verdachte, samen met [medeverdachte 2] (verder te noemen: [medeverdachte 2]) op

2 oktober 2015 op het vliegveld in Sofia te Bulgarije gecontroleerd, nadat zij vanuit Wenen daarheen waren gevlogen.20 Op 5 oktober 2015 zijn zij samen met [naam] (verder te noemen: [naam]), bij een controle aan de grens Bulgarije-Turkije aangehouden.21 Naar aanleiding van het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel is de verdachte op 22 oktober 2015 aan Nederland overgeleverd en hier gedetineerd.

Bij een doorzoeking op 21 januari 2015 van het pand aan de [adres 2], waar de verdachte destijds woonachting was, bleek hij in het bezit te zijn van een boek getiteld “De Methode ter verandering van HIZB UT TAHRIR”22 (die laatste termen duiden op de zogeheten Partij van de Bevrijding die de islamitische staat nastreeft23), van kranten (Spits en Metro) met teksten over aanslagen24 en een artikel over de islam die niet zou samengaan met democratie en waarin als bron wordt genoemd “De Ware Religie”, dat de ook naam was van een Nederlandstalige, radicaal-islamitische website van [website], een voorstander van de jihad.25

Op de op 18 april 2015 onder de verdachte inbeslaggenomen tablet en mobiele telefoon zijn vele foto’s, filmpjes en audiobestanden aangetroffen die verband houden met de gewapende strijd in Syrië.26 Daartoe behoren, ook naar de eigen waarneming van het hof daarvan27, onder andere afbeeldingen van mannen met wapens, gevangenen, de IS-vlag, alsmede gedode en (ernstig) gewonde personen. Op videobestanden zijn onthoofdingen en toespraken in het kader van de IS-strijd te zien.28 Op een op de telefoon van de verdachte aangetroffen geluidsbestand is iemand te horen die (in het Arabisch) de eed van trouw (‘bay’ah’) aflegt door te zeggen: “Ik sluit me aan / stem op / zweer trouw aan de leider /prins van de gelovigen (…) in goede en slechte tijden, gevraagd en ongevraagd, onder alle omstandigheden, bij gemak en ongemak”.29

Tot de op de gegevensdragers aangetroffen geschriften behoren een aflevering van het tijdschrift [tijdschrift], een document getiteld “Defence of the Muslim Lands” van Abdullah Azzam (volgens wie deelneming aan de gewelddadige jihad een individuele verplichting voor moslims is) en een document getiteld “The ruling on jihad and its divisions” over de verplichte jihad tegen ‘ongelovigen’ waarin moslims worden opgeroepen zich aan te sluiten bij de jihadstrijders.30

Op de onder de verdachte in oktober 2015 inbeslaggenomen telefoon, die hij had gebruikt bij zijn tweede reis naar Syrië, bevonden zich onder andere een hierna nog te noemen chatgesprek met [naam 3]. en jihad-gerelateerde afbeeldingen.31 Overigens was op die tweede telefoon veel minder informatie te vinden dan op de telefoon die de verdachte gebruikte bij zijn eerste uitreis. Dit kan worden verklaard door het feit dat hij bij gelegenheid van die tweede reis – meer dan bij de eerste reis – gebruik maakte van op die telefoon geïnstalleerde applicaties om berichten versleuteld te versturen, zoals [applicatie 1] en [applicatie 2].32 Ook was deze telefoon voorzien van de app [applicatie 3], waarmee gebruik kon worden gemaakt van [applicatie 4]33, naar algemeen bekend een communicatienetwerk dat het achterhalen van de herkomst en bestemming van berichten voorkomt. In chatgesprekken verwijst de verdachte ook naar die beveiligde communicatiediensten/netwerken.34

De verdachte heeft in 2014 Arabische les gevolgd in een moskee in [plaats].35 In de periode waarop de tenlastegelegde feiten zien, heeft de verdachte via diverse communicatiemiddelen en sociale media contacten onderhouden met anderen en berichten doen uitgaan. Hij gebruikte daarbij onder meer de namen “[naam 4]” en “[naam 5]”.36 De profielfoto van het account van de verdachte op Facebook was van een in het zwart geklede strijder met de IS-vlag.37 De WhatsApp-naam van de verdachte was “Lone Wolf”, de aanduiding van een (individueel opererende) pleger van terroristische aanslagen.38 De verdachte heeft verder in zelfgekozen namen (onder andere van (e-mail)accounts) verwezen naar zijn Somalische achtergrond39; ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard zich vanwege de nationaliteit van zijn ouders voornamelijk Somalisch te voelen, ook al is hij in Kenia geboren.

Via WhapsApp heeft de verdachte contacten/gesprekken gehad met onder anderen:

- [naam 6] (ook wel [naam 6] genoemd), met wie de verdachte had willen trouwen40 (in een chatgesprek met haar valt het woord “jihadbruiden”41). Een chatgesprek met haar in de periode van 9 september 2014 tot en met 26 november 2014 bevat vele tientallen audiobestanden, meestal in het Arabisch, waaronder verschillende preken over jihadstrijders en IS en diverse jihadistische strijdliederen.42 Op 7 oktober 2014 stuurde hij haar twee pagina’s van het boek “The End of the World” van Muhammad al-Areefi, een pro-jihadistische, Saoudi-Arabische prediker.43 Op 8 oktober 2014 vroeg hij in (aan [naam 6] verzonden) berichten aan Allah om het martelaarschap en om overwinning op de ongelovige mensen.44 Op 1 november 2014 stuurde hij haar een Youtube-link van een jihadistisch filmpje over Israël45 en op 24 november 2014 een tekst over het betreden van het paradijs.46

- [naam 7], met wie de verdachte op 25 december 2014 het volgende chatgesprek had47:

Verdachte: Mijn naam is (af)slachter.

[naam 7]: Hoe heb je deze naam bedacht?

Verdachte: Ik hou van bloed… ik heb Abu Mus’ab Al Zarqawi gezien…., zijn

naam is Dhahak Al-Dhabah (lachende slachter). Ik wil Dhabah

((af)slachter) in mijn naam. Als God het wil word ik de Somalische slachter.

- [medeverdachte 2] en [naam 13] in een WhatsApp-groep. Zij spraken onder meer over [naam 14] en [naam15] (die waren uitgereisd naar Syrië en zich daar bij de gewapende strijd van IS had aangesloten), over het paradijs, het martelaarschap en een salafistisch-jihadistische vrouw als bruidskandidaat.48

- [naam 3]. Op 17 september 2015 appte de verdachte aan deze persoon: “accepteer ff dan gooi ik je in ansaar khilafah groep”.49 ‘[naam 1]’ staat voor de “[naam 1]” die op internet worden gekoppeld aan terroristische, jihadistische organisaties. De verdachte heeft [naam 3]. daadwerkelijk toegevoegd aan die Facebook Messenger-groep.50

De verdachte heeft voorts gebruik gemaakt van twee Twitteraccounts. Hij heeft het volgende getwitterd:51

  • -

    Revenge is a promise (28 augustus 2014);

  • -

    Democratie is een barbaars en achterlijk regeersysteem (6 december 2016);

  • -

    Beste om/aivd/politie, jullie gaan allemaal dood (6 december 2014);

  • -

    Weet dat elke cent die jullie uitgeven in de strijd tegen de Islam en de Moslims centen van spijt zullen zijn (6 december 2014);

  • -

    Er is geen rechtvaardigheid zonder sharia (6 december 2014);

  • -

    Jullie zijn kuffaar (ongelovigen) en kuffaar gaan naar de hel (6 december 2014);

  • -

    Alle jihad-gerelateerde artikelen, tijdschriften, lezingen, filmpjes en films die ik heb doorgespit: research purposes … ik wens nl, naast voetbalexpert, de titel terrorisme-expert in mijn CV te kunnen zetten (6 december 2014).

Op 29 december 2014, toen de verdachte vast zat in Turkije, heeft de verdachte via Twitter contact gehad met de in Nederland wegens terrorisme veroordeelde [naam 8].52

In december 2014 (toen de verdachte en [medeverdachte 1] zich in Turkije bevonden) had de verdachte contact met ene [naam 9]. Dit bleek [naam 9] te zijn die de strijdersnaam [naam 10] gebruikte.53 [naam 9] treedt op in een YouTube-filmpje genaamd “Oh Oh Aleppo” waarin te zien is dat hij, met een bivakmuts en een automatisch vuurwapen, deelneemt aan de gewapende jihad in Syrië.54 De verdachte was bekend met de inhoud van dit filmpje.55 Volgens een zus van [naam 9] is deze op 22 januari 2015 overleden bij de strijd om Kobani.56 Het telefoonnummer van [naam 9] stond in de mobiele telefoon van de verdachte opgeslagen onder de naam “Soldaat van het Kalifaat”.57

De WhatsApp-gesprekken die de verdachte op 20 en 21 december 2014 (door middel van tekstberichten en audiobestanden) met [naam 9] voerde, houden – zakelijk weergegeven – het volgende in58:

20 december 2014

Verdachte: Ik moet je dringend spreken op welk nummer kan ik je bellen.

[naam 9]: Ik kan niet gebeld worden geen verbinding hier ben je in de buurt; ben je

samen met [naam 11]?

Verdachte: Ik ben met een andere broeder, ik ben in Turkse stad boven de grens. Maar we

weten niet wat we moeten doen om verder te komen.

[naam 9]: Ok is goed geen paniek, jullie komen binnen .. ik ga nu ff iemand contacteren

voor jullie … zijn jullie vorige week vertrokken met die andere 2 broeders?

Verdachte: Jaaa.

[naam 9]: Ik moet van jullie weten wie jullie zijn abu shaker en?

Verdachte: [medeverdachte 2].

[naam 9]: Jullie zijn in gazi antep?

Verdachte: Jaa

[naam 9]: Zoals jullie weten gaan we even een security check doen. Of jullie eventjes een foto van jullie twee kunt opsturen terwijl jullie het paspoort vasthouden.

Ik ga jullie nummer geven van broeder die bij de grensovergang werkt die ervoor zorgt dat jullie binnen worden gebracht. Blijf met hem in contact. …

[naam 9]: Probeer wat sneller te reageren

[naam 9]: Lukt het om foto’s te sturen van jullie psprt

Verdachte: Sorry broeder we maakten foto

[opmerking van de verbalisant in wiens proces-verbaal dit WhatsApp-gesprek is opgenomen: de gevraagde foto’s met paspoorten zijn vermoedelijk de volgende foto’s in de telefoon van [verdachte] : op de eerste foto is een persoon te zien die zich legitimeert met zijn paspoort. Op het paspoort is de naam [medeverdachte 1] te lezen. Op de tweede foto is een persoon te zien die zich legitimeert met een paspoort. De persoon op die foto wordt herkend als [verdachte] ]

[naam 9]: Ik herkende jou.

Die broeder die jou nu aan het whatsappen is, is degene die jullie binnen gaat helpen

Verdachte: We moeten naar een andere stad .. 2 uur reizen met de bus.

[naam 9]: Wat die broeder jullie adviseert moet je doen. Gedraag je gewoon als toeristen maar ga niet in het openbaar uit de Koran lezen. En als je binnen bent en ze vragen jou of je hier iemand kent, dan kun je mijn naam doorgeven, want wij kennen elkaar van Den Haag. Zeg dat je [naam 10] kent en als ze zeggen in welke katiba (bataljon) zit hij dan, dan moet je zeggen dat hij in Membidzj/Menbidzj (= Manbij in Syrië, sinds januari 2013 door IS gecontroleerd gebied59) bij katibat al-aqsa zit (bestaande uit zogeheten “Foreign Fighters in Iraq and Syria”60; het bataljon heeft de eed van trouw gezworen aan IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi61).

Verdachte: Turkije heeft ons niet binnengelaten maar weggestuurd, we gaan proberen de bus te vinden naar Urfa.

[naam 9]: Als jullie illegaal in Turkije zijn, dan paspoort in schoen verstoppen, en zeggen dat jullie Syriërs zijn.

Verdachte: We kwamen vorige week naar Turkije, maar we hebben een permanente entry ban dus mochten we niet verder, vervolgens zijn we via een andere route naar binnen gekomen.

[naam 9]: Dus jullie zijn illegaal

Verdachte: Ja we zijn illegaal

[naam 9]: Verstop je paspoort en praat Arabisch, of doe alsof…. zit niet naast elkaar (in bus) als één wordt gepakt gaat ander verder met reizen.

21 december 2014

Verdachte: We zijn net de cel in gegaan, in Urfa, weten niet hoe lang het gaat duren en wat next is

[naam 9]: Gooi jullie paspoorten ergens weg, in wc of iets.

Verdachte: Paspoorten zijn al weg, en ze hebben van [medeverdachte 2] al door dat ie niet syrisch is. En bij mij ook half. Maar we hebben nu niks meer te maken met het leger.

[naam 9]: Maar sowieso ontken alles, je hebt niets met strijdgroepen te maken of dit of dat, zeg gewoon je bent een vluchteling, [naam 12] heeft je huis gebombardeerd en daarom heb je geen Syrisch paspoort. Je blijft gewoon volhouden: ik ben Syrisch, Syrisch, Syrisch. Jullie hebben niks met Nederland te maken, praat ook niet Nederlands met elkaar, praat gewoon beetje Arabisch en gebroken Engels.

Verdachte: Die andere broeder heeft al toegegeven dat ie Nederlands is. Omdat ze echt bewijs hadden. Van mij hebben ze vermoeden dat ik Nederlands ben, maar ik heb een andere naam gegeven en blijf ontkennen. Verder hebben ze niks.

[naam 9]: Mocht het zo zijn dat ze jullie terugsturen naar Nederland, de AIVD of de politie gaat met jou praten. Het eerste wat je tegen hen zegt: ik praat niet met jullie. Als je gaat praten, ga je een heleboel problemen krijgen.

Als je terug moet naar Nederland, en als ze je vrijlaten, doen dan gewoon eventjes een paar maanden effe rustig. Gewoon net doen alsof je niet meer praktiserend bent en ga dan naar Bulgarije. Daar loop je bij de grens naar de Turkse of Bulgaarse politie en zeg je: ik ben Syriër en wil terug naar mijn land. Dan houden ze je paar dagen vast en laten je dan vrij. Je weet we hebben allemaal gevangenschap meegemaakt maar toch zitten wij nu in het land van Jihad. Mochten ze toch bewijs hebben dat jullie naar Syrië gingen, dan zeg jij: ok, ik zeg de waarheid, ik wou naar Syrië om de bevolking te helpen met een hulporganisatie, ik wou me aansluiten bij een hulporganisatie en ik wou totaal niet gaan vechten. Ik ben juist bang om te vechten en ik kan niet vechten en ik durf niet te vechten; ik kan totaal niet tegen bloed en dit en dat. Ik wou gewoon helpen met een hulporganisatie.

Op 20 december 2014 had de verdachte voorts een WhatsApp-gesprek met ene [naam 9] – niet zijnde [naam 9] – die als Whatsapp-status heeft “Hey there! I am using kalaschnikov”, in welk gesprek de verdachte en deze Soufian elkaar over en weer broeder noemden en de verdachte werd geadviseerd over zijn verdere reis vanuit Turkije.62

Tussen 10 mei 2015 – enkele weken na de vrijlating van de verdachte op 21 april 2015 – en 3 oktober 2015 had de verdachte via zijn telefoon 83 keer contact met [naam 16], een vrouw die vanuit het IS-strijdgebied in Syrië was teruggekeerd naar Nederland.63

Na de tweede reis naar Syrië in oktober 2015 bleek de verdachte een treinkaartje van Breda naar Düsseldorf, geldig van 2 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015, in zijn bezit te hebben, welk kaartje hij op 1 oktober 2015 in Breda had gekocht.64 De aanname dat hij daarmee op 2 oktober 2015 naar Düsseldorf is gereisd, sluit aan bij de ‘reisbewegingen’ van zijn telefoon.65

Op 2 en 3 oktober 2015 had de verdachte via de communicatiedienst Telegram contact gehad met [naam 17] die eerder was vertrokken naar het strijdgebied in Syrië/Irak en wiens Twitternaam Khattab Turkmani was; de verdachte verwees daarbij naar [applicatie 2].66 Via Telegram had de verdachte eveneens een chatgesprek met iemand die zich “FA” noemde, aan wie de verdachte liet weten in welk hotel hij in Sofia verbleef, en daar aan toevoegde dat ze met zijn drieën waren (het hof begrijpt: de verdachte samen met [medeverdachte 2] en [naam]).67

Onder [medeverdachte 1] zijn bij zijn terugkeer in Nederland in april 2015 handgeschreven notities in beslag genomen met onder meer de volgende teksten: “de Islamitische Staat is opgericht, ik dank jullie zeer mijn broeders”, “Islamitische Staat blijft bestaan”, “ik wil bloed, bloed, bloed en steken, steken, steken, mobilisatie, mobilisatie, mobilisatie, alle, alle soldaat soldaat”.68 Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn diverse audiobestanden van jihadistische liederen/leuzen aangetroffen69, alsmede foto’s van gewapende strijders en een foto van een onthoofding.70

Volgens zijn vader was [medeverdachte 1] geradicaliseerd en had hij via Facebook contact met iemand die bij de politie bekend stond als ronselaar.71 Ook had hij zich verdiept in de Arabische taal72 en was hij voor invoering van de sharia en de doodstraf.73 [medeverdachte 1] was aanwezig bij een pro-IS-demonstratie in Den Haag in oktober 2013.74 [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard als moslim te willen gaan wonen in het gebied van IS, het gebied waar “sharia is”.75 Zijn bestemming was Raqqa, de ‘hoofdstad’ van IS.76 Tussen februari 2014 en december 2014 hebben de verdachte en [medeverdachte 1] 75 keer telefonisch contact gehad. Op een telefoon van de verdachte is een foto gevonden waarop [medeverdachte 1] met zijn paspoort is te zien; ook is er een foto van de verdachte met zijn paspoort.77 Volgens de verdachte zijn de foto’s naar [naam 9] gestuurd omdat [naam 9] daar om had gevraagd.78 Op 29 december 2014 had [medeverdachte 1] WhatsApp-contact met ‘Yemeniyah’ tegen wie hij zei: “Islamitische Staat is ontstaan door het bloed van de martelaars”.79 Ook stuurde hij ‘Yemeniyah’ een audiobestand waarop is te horen dat iemand de leider van IS, Al Baghdadi, prijst en moslims oproept de jihad uit te voeren.80

[medeverdachte 2], met wie de verdachte tussen 12 september 2014 en 25 november 2014 meer dan 80 keer telefonisch contact had81, is op 26 juni 2015 door zijn moeder tegengehouden toen hij wilde uitreizen naar Syrië.82 In 2014 had hij chatgesprekken met ‘atmononline911’ waarin [medeverdachte 2] zei dat hij kon vertrekken uit Nederland als hij 18 jaar zou zijn en dat het “kapot lekker” was als een Amerikaan zou worden onthoofd.83

[medeverdachte 2] had in juli en augustus 2015 via Telegram contact met [naam 14] Dahri (verder te noemen: Dahri) over diens ervaringen in het strijdgebied en over andere personen die naar Syrië en/of Irak waren afgereisd, onder wie [naam15] (hof: [naam15]).84 Op verzoek van Dahri heeft [medeverdachte 2] zich bereid verklaard jihadstrijders financieel te steunen.85 In augustus 2015 had [medeverdachte 2] via WhatsApp ook contact met de verdachte over het volgen van lezingen van “zarqawi en andere leiders van Jihaad”.86

In een WhatsApp-gesprek tussen [medeverdachte 2] en de verdachte op 28 augustus 2015 sprak laatstgenoemde de wens uit met [medeverdachte 2] een eulogie (hof: lofrede) te schrijven over [naam15] (het hof begrijpt dat daarmee werd gedoeld op [naam15] Said, die op 11 december 2014 met (onder anderen) Dahri was afgereisd naar Syrië en aldaar (naar alle waarschijnlijkheid in juli 2015) als “martelaar” om het leven was gekomen).87 De verdachte zei verder in dat gesprek (met [medeverdachte 2]) te willen wachten met de eulogie totdat [naam15] “in sha Allah shahadah krijgt (martelaarschap, als god het wil), zoals Zarqawi (het hof begrijpt: [naam 9]).88

In het eerder genoemde Whats-App-groepsgesprek (tussen de verdachte, [naam 13] en [medeverdachte 2]) merkte [medeverdachte 2] op dat hij op zijn CV wil hebben vermeld dat hij 50 ongelovigen heeft onthoofd en twee afvalligen heeft verbrand.89

Op 2 oktober 2015 is [medeverdachte 2] door zijn ouders als vermist opgegeven.90

Op 3 oktober 2015 had [medeverdachte 2] via Telegram contact met [naam 17] (net als de verdachte, zie hierboven), waarbij hij deze mededeelt: “Shaker (het hof begrijpt: de verdachte) zegt stuur alle stappen naar hem via [applicatie 2]”.91

Bij de terugkomst van de verdachte en [medeverdachte 2] in Nederland op 22 oktober 2015 zijn zij samen in een cel op Schiphol geplaatst en zijn hun gesprekken afgeluisterd. [medeverdachte 2] merkte toen op dat hij “die blaadjes weg (had) moeten doen”. Op de vraag van de verdachte welke (blaadjes) hij bedoelde, antwoordde [medeverdachte 2]: tekeningen van vlaggen. Dat leek de verdachte niet belangrijk, want “ze weten niet of het van jou is”.92

[medeverdachte 2] was op 22 oktober 2015 in het bezit van een treinkaartje voor twee personen van Utrecht CS naar Düsseldorf, geldig van 2 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 en aangeschaft op 2 oktober 2015 om 08.01 uur, op welk tijdstip [naam] zich in de OV-shop van Utrecht Centraal bevond.93 Voorts was [medeverdachte 2] in het bezit van op de achterkant van een foto in het Arabisch geschreven tekst “Oh God, toon me uw autoriteit (…) en stuur me naar het slagveld, laat mij niet doodgaan in dit bed, maar stuur me naar het land van de gevechten en de helden”.94

Met de eerdergenoemde ‘atmononline911’ had [medeverdachte 2] op 22/23 oktober 2015, derhalve na zijn terugkomst in Nederland, een chatgesprek, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 2] wilde vechten en dat hij liever wilde “sterven als een held dan thuisblijven als een pussy”.95

Op de telefoon van [medeverdachte 2] waren, naast [applicatie 2], ook [applicatie 1] en een [applicatie 4]-browser geïnstalleerd.96

Beoordeling van het handelen van de verdachte

Bij de beoordeling van hetgeen omtrent de feitelijk toedracht van de twee reizen van de verdachte naar Syrië bekend is geworden, stelt het hof voorop dat de verdachte heeft erkend tweemaal naar Syrië te zijn afgereisd teneinde zich in het door IS gecontroleerde gebied te vestigen. Voorts heeft de verdachte niet betwist dat hij de gebruiker was van de onder hem inbeslaggenomen tablet en telefoons noch (in hoger beroep) dat hij de afzender is van de aan hem toegeschreven berichten die hij via communicatie-apps en sociale media heeft verzonden/gedeeld.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte – die zich tot dan toe voornamelijk op zijn zwijgrecht had beroepen – verklaard dat hij zich in het ‘kalifaat’ als praktiserend moslim wilde vestigen, dat hij daar de Koran wilde bestuderen, zijn studie afmaken, les geven of nog iets anders, want “het lag allemaal nog open”. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard zich een aantal door hem verzonden berichten niet meer te kunnen herinneren. Voor het overige heeft hij ontkend dat zijn berichten enige gewelddadige strekking hadden en dat deze als speels bedoelde “stoerdoenerij” moeten worden opgevat. Tevens heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij in het IS-gebied in vrede wilde leven en niet wilde deelnemen aan de gewapende strijd.

Het hof ziet dat anders. Uit de hiervoor beschreven feitelijke toedracht van de twee door de verdachte ondernomen reizen naar Syrië blijkt zonneklaar dat hij voornemens was te gaan deelnemen aan de gewapende strijd van IS. Het hof wijst daarbij op hetgeen omtrent de feitelijke toedracht is komen vast te staan, in het bijzonder de op gegevensdragers van de verdachte aangetroffen afbeeldingen/videobestanden van onthoofdingen, preken over jihadstrijders, jihadistische strijdliederen, IS-propaganda voor de gewapende strijd, gedode en (ernstig) gewonde personen, de profielfoto van de verdachte op Facebook (een in het zwart geklede strijder met de IS-vlag), zijn uitlatingen over het (bereiken van het) ‘martelaarschap’, het ‘paradijs’ en de ‘overwinning op ongelovigen’, het bereiken van de status ‘Somalische slachter’, zijn zelfgekozen WhatsApp-naam “Lone Wolf” en de inhoud van zijn contacten met – en over – Nederlandse uitreizigers die zich bij de gewapende strijd hadden aangesloten. De verdachte volgde bovendien naar eigen zeggen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het nieuws over IS nauwgezet via de gebruikelijke kanalen, zoals de NOS, maar ook via (te “downloaden”) andere bronnen op internet; in de tenlastegelegde periode (en nadien) werd voortdurend bericht over de gruwelijke wandaden van IS. Ter illustratie van dat feit van algemene bekendheid zij hier verwezen naar de inhoud van het hiervoor aangehaalde kennisdocument van [naam 18] van 29 januari 2015. Daarbij is ook van betekenis dat de verdachte de op zijn gegevensdragers aangetroffen grote hoeveelheid film- en fotobestanden met een gewelddadige inhoud in verband heeft gebracht met de wijze waarop hij via voormelde alternatieve kanalen het nieuws over het ‘kalifaat’ en IS volgde.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van het nietsontziende, terroristische karakter van de strijdhandelingen waaraan IS zich in het kader van het behoud en de uitbreiding van het ‘kalifaat’ bezondigde – daaronder begrepen moord, doodslag en het teweegbrengen van ontploffingen met terroristisch oogmerk – en dat het zijn bedoeling was zich aan te sluiten bij IS en aan de door die organisatie gepleegde terroristische misdrijven deel te nemen. Het hof wijst daarbij nog op het feit dat de verdachte zich door [naam 19] heeft laten inspireren om naar het IS-gebied in Syrië te gaan en dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 april 2016, gevraagd naar de aard van de afbeeldingen op zijn telefoon, heeft geantwoord dat hij “met vreedzame afbeeldingen niks kan”. De via WhatsApp door [naam 9] in december 2014 gegeven adviezen, nadat de eerste uitreis was mislukt, hebben de verdachte kennelijk geholpen bij de vormgeving van zijn plan voor de tweede uitreis.

De stelling van de verdachte dat – ook volgens IS – het zogenaamde martelaarschap al bereikt kan worden als de gelovige – ook als die niet bereid is deel te nemen aan de gewapende jihad – daar maar oprecht om vraagt, acht het hof op zichzelf zeer onaannemelijk, mede gelet op hetgeen hiervoor over IS is overwogen en op de verklaring van deskundige [schrijver 2] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende dat in boeken over jihad ‘martelaarschap’ niet zo ruim wordt uitgelegd en dat men in het kader van de gewapende strijd op het slagveld moet sterven om ‘martelaar’ te kunnen worden. Overigens is deze stelling van de verdachte van belang ontbloot, omdat naar het oordeel van het hof vast is komen te staan dat de verdachte het ‘martelaarschap’ beoogde te bereiken door juist wel deel te nemen aan de gewapende jihad. Ook de stelling van de verdachte dat de eerdergenoemde eed van trouw aan Abu Bakr al-Baghdadi door IS-aanhangers onder voorwaarden kan worden afgelegd, waardoor het mogelijk is te onderhandelen over de inhoud van de af te leggen eed, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig.

Uit het voorgaande vloeit voort dat, naar het oordeel van het hof, de handelingen van de verdachte waren gericht op het voorbereiden en bevorderen van met terroristisch oogmerk te plegen misdrijven, zodat het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.

Voorts moeten de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als een begin van uitvoering, gericht op voltooiing van het misdrijf van artikel 140a Sr (deelneming aan een terroristische organisatie), zodat ook het onder 3 primair tenlastegelegde (poging tot voormeld misdrijf) kan worden bewezenverklaard.

Medeplegen

Algemeen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking die hierin tot uiting komt dat de – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachten aan het delict van voldoende gewicht zijn. Daarbij is van belang de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachten, hun aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De reis naar Syrië in december 2014

Het lijkt, gelet op hetgeen daarover in het dossier is gerelateerd door de politie, aannemelijk dat de verdachte zijn eerste reis naar Syrië in december 2014 samen met [medeverdachte 1], [naam 14] en [naam15] heeft ondernomen. Aangezien echter over de reis van de twee laatstgenoemde personen die, anders dan de verdachte en [medeverdachte 1], Syrië wel hebben kunnen inreizen, verder weinig bekend is, evenmin als over de samenwerking tussen hen enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 1] anderzijds, zullen [naam 14] en [naam15] bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen verder buiten beschouwing worden gelaten.

Ten aanzien van (de samenwerking met) [medeverdachte 1] heeft het volgende te gelden.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat [medeverdachte 1], net als de verdachte, naar Syrië wilde om daar voor IS als soldaat te vechten. Hij heeft in de periode voorafgaand aan de uitreis naar Syrië vele malen telefonisch contact gehad met de verdachte. Gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 1] samen zijn gecontroleerd in Düsseldorf, samen in Turkije terecht zijn gekomen en daar samen de grens met Syrië wilden oversteken, gaat het hof ervan uit dat zij ook samen Nederland zijn uitgereisd. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor een andere conclusie op dit punt en de verdachte heeft evenmin zodanig aanknopingspunt aan de hand gedaan. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben voorts samen gehoor gegeven aan het verzoek van IS-strijder [naam 9] hem foto’s van zichzelf met hun paspoort te sturen, kennelijk als ‘security-check’ en ten behoeve van de persoon (de ‘broeder’) die de verdachte en [medeverdachte 1] verder zou helpen bij hun gezamenlijk ondernomen poging vanuit Turkije Syrië te bereiken.

Op grond hiervan komt het hof tot de conclusie dat de verdachte en [medeverdachte 1] bij hun reis naar Syrië hebben gehandeld volgens hun vooropgezette plan het IS-gebied in Syrië binnen te komen en daar als (mede)strijder een bijdrage te leveren aan de instandhouding en uitbreiding van het ‘kalifaat’.

Ook [naam 9] heeft in de uitvoering van dat plan een belangrijk aandeel gehad. Hij heeft min of meer nauwkeurige instructies gegeven aan de verdachte – en via de verdachte – aan [medeverdachte 1] over de manier waarop zij Syrië konden binnenkomen, toen zij Turkije hadden bereikt en niet meer wisten hoe zij verder moesten. Ook heeft [naam 9] de eerdergenoemde ‘broeder’ ingeschakeld die de verdere reis van de verdachte en [medeverdachte 1] zou begeleiden.

Daarmee is sprake van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en [naam 9]. Daaraan kan niet afdoen dat [naam 9] zich reeds in het door IS gecontroleerde gebied in Syrië bevond in de tenlastegelegde periode.

De reis naar Syrië in oktober 2015

Bij de reis naar Syrië in 2015 is de verdachte op 5 oktober 2015 samen met [medeverdachte 2] op het vliegveld in Sofia te Bulgarije gecontroleerd en zijn zij getweeën op 5 oktober 2015, samen met [naam], bij een controle aan de grens Bulgarije-Turkije aangehouden. Aangezien echter over het optreden en de reis van [naam] verder weinig bekend is, evenmin als over haar samenwerking met de verdachte (en [medeverdachte 2]), zal [naam] bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen verder buiten beschouwing worden gelaten.

Ten aanzien van (de samenwerking met) [medeverdachte 2] heeft het volgende te gelden.

De intenties van [medeverdachte 2] naar Syrië af te reizen om daar als vechter deel te nemen aan (en eventueel om te komen in) de gewapende strijd van IS blijken zonneklaar uit onder meer de hiervoor weergegeven inhoud van zijn contacten met ‘atmononline911’, [naam 14], [naam 13] en de verdachte.

De verdachte en [medeverdachte 2] zijn samen gecontroleerd in Sofia, na hun aankomst daar met een vlucht vanuit Wenen, hebben in Sofia samen in een hotel verbleven en wilden in Bulgarije samen de grens met Turkije oversteken. Ook uit hun contacten met Achmed op 3 oktober 2015 blijkt dat zij gezamenlijk optrokken.

Bij de terugkomst van de verdachte en [medeverdachte 2] in Nederland op 22 oktober 2015 hebben de verdachte en [medeverdachte 2] gesproken over “blaadjes” (met daarop tekeningen van vlaggen) die [medeverdachte 2] beter had kunnen weggooien, kennelijk omdat zij als belastend zouden kunnen worden gezien.

Op grond hiervan komt het hof tot de conclusie dat de verdachte en [medeverdachte 2] bij hun reis naar Syrië hebben gehandeld volgens hun vooropgezette plan het IS-gebied in Syrië binnen te komen en daar als (mede)strijder een aandeel te leveren aan de instandhouding en uitbreiding van het ‘kalifaat’. Daarmee is sprake van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2]. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals aannemelijk is geworden, de verdachte en [medeverdachte 2] afzonderlijk van elkaar naar Düsseldorf zijn gereisd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 17 maart 2014 tot en met 23 december 2014 in Nederland en in Duitsland en in Turkije, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om ter voorbereiding en ter bevordering van de misdrijven omschreven in artikel 157 en 289 en 288 van het Wetboek van Strafrecht (te weten het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft en moord en doodslag) te begaan met een terroristisch oogmerk,

- zich gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf en

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid heeft gebracht,

immers hebben verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging,

- zich (via chat- en WhatsApp-berichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en hoe zich aan te sluiten bij IS en

- deelgenomen aan Arabische lessen en

- documenten en afbeeldingen en videobestanden en gegevens-/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistische gedachtegoed en

- zich (onder andere in chat- en/of WhatsApp-berichten) geuit over hun wens zich te begeven naar Syrië en zich aan te sluiten bij de gewapende jihad (onder meer door te spreken over het martelaarschap) en

- via Duitsland de reis naar Turkije en naar de grens van Turkije-Syrië gemaakt en

- via een illegale oversteek getracht de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië ten behoeve van de gewapende jihad;


2:
hij in of omstreeks de periode van 24 december 2014 tot en met 5 oktober 2015 in Nederland en Duitsland en Bulgarije en Turkije, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om ter voorbereiding en ter bevordering van de misdrijven omschreven in artikel 157 en 289 en 288 van het Wetboek van Strafrecht (te weten het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft en moord en doodslag) te begaan met een terroristisch oogmerk,

- zich gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf en

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid heeft gebracht,

immers hebben verdachte en zijn mededader tezamen en in vereniging,

- zich (via chat- en/of WhatsApp-berichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en

- zich (via chat- en/of WhatsApp-berichten) laten informeren over de situatie in het strijdgebied en over strijders en

- een ticket aangeschaft en

- via Bulgarije en Turkije getracht de grens van Syrië te bereiken ten behoeve van de gewapende jihad;

3 primair:
hij op in de periode van 17 maart 2014 tot en met 5 oktober 2015 in Nederland en Bulgarije en Turkije en Syrië, tezamen en in vereniging met anderen, met het voornemen om deel te nemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten IS, te weten:

- moord en doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk en voorbereiding van moord en doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk en

- de samenspanning tot het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf en het verrichten van handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen, en

- voorbereiding van moord te begaan met terroristisch oogmerk en

- de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid,

immers hebben verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging ten behoeve van de gewapende jihadstrijd, in welke strijd moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

- contact gezocht met personen (in Syrië) en informatie/instructies verkregen over de gang van zaken in Syrië en informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar Syrië en de (te benaderen) (contact)personen in Syrië, en

- reizen ondernomen naar het grensgebied van Turkije/Syrië teneinde de grens naar Syrië over te steken en Syrië te bereiken ten behoeve van de gewapende jihad en

- gegevens- en informatiedragers met daarop documenten voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en jihadistische strijdliederen en preken en de strijd in Syrië, waaronder:

  • -

    een WhatsApp bericht waarbij aan Allah wordt gevraagd om het martelaarschap en een overwinning op de ongelovigen en

  • -

    een groep onder de naam [naam 1] en

  • -

    een audio-bestand in de Arabisch taal inhoudende de eed van trouw (bay'ah) aan de kalief en

- ontmoetingen en contact met elkaar en anderen gehad om voornoemde reizen naar Syrië te bespreken.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

medeplegen van met het oogmerk de in artikel 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, en het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf voor te bereiden en te bevorderen, zich gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die misdrijven verschaffen, voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die misdrijven en plannen voor de uitvoering van die misdrijven in gereedheid brengen.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en beslissing omtrent voorlopige hechtenis

De in eerste aanleg genomen beslissingen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest. Daarbij zijn geen bijzondere voorwaarden gesteld. Voorts heeft de rechtbank een tablet, een simkaart en twee telefoontoestellen verbeurd verklaard. Daarnaast is de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag van € 1.750.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij dienen, kort gezegd, als bijzondere voorwaarden te worden gesteld dat de verdachte (a) zich houdt aan een plicht zich te melden bij Reclassering Nederland, (b) zich houdt aan de aanwijzingen die die instelling hem geeft, ook indien die aanwijzingen inhouden het voeren van gesprekken met een theologisch deskundige, (c) een contactverbod met [medeverdachte 1], [naam], [medeverdachte 2] en [naam 16] voornoemd en met [naam 20] naleeft en (d) zich onthoudt van contact met personen die op de ‘Sanctielijst Terrorisme’ staan. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en dat het hof bij eindarrest de gevangenneming van de verdachte beveelt. Tot slot heeft hij geëist dat met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen dezelfde beslissingen als de rechtbank worden genomen, met dien verstande dat in plaats van € 1.750 een bedrag van € 1.650 wordt geretourneerd aan de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (naar het hof begrijpt) verzocht de verdachte – bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde – geen straf op te leggen die zou meebrengen dat de verdachte opnieuw van zijn vrijheid wordt beroofd. Hij heeft in dat verband gewezen op uitspraken waaruit in zijn optiek naar voren komt dat de door de rechtbank opgelegde straf niet laag is te noemen en heeft aangevoerd dat de verdachte sinds zijn invrijheidstelling weer het nodige heeft opgebouwd. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor een bevel tot gevangenneming van de verdachte geen noodzaak bestaat. De raadsman heeft zich niet expliciet uitgelaten over het lot van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Oordeel van het hof

Hoofdstraf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf (en overigens ook de hierna te noemen bijkomende straffen) bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Zoals hiervoor is uiteengezet, is IS een jihadi-salafistische terroristische organisatie die oproept tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van bestaande (seculiere) regimes en tot gewapende strijd tegen ongelovigen en afvalligen. Bij zijn streven door gewapende strijd in Syrië en Irak het zelf uitgeroepen ‘kalifaat’ in stand te houden, werden en worden de rechten van religieuze en culturele minderheden op gruwelijke wijze geschonden. IS pleegt zelfmoordaanslagen met bommen door zogenaamde martelaars, gericht op onder meer schoolkinderen, marktbezoekers en sjiitische moskeebezoekers. Mensen – ook kinderen – worden door IS standrechtelijk al dan niet in het openbaar geëxecuteerd, mede door middel van steniging, kruisiging en onthoofding. Het gaat hierbij om terroristische misdrijven van de ernstigste soort, die erop gericht zijn de staatsstructuren in Syrië en Irak te vernietigen en de bevolking in die landen, maar ook die in andere (vaak Westerse) landen zeer ernstige vrees aan te jagen. Daarom kan IS als niets anders dan een terroristische organisatie worden gezien.

De verdachte heeft in 2014 getracht, na de nodige voorbereidingen te hebben getroffen, samen met een ander naar Syrië af te reizen om zich daar aan te sluiten bij IS en deel te nemen aan de gewapende strijd. De verdachte, die van Somalische komaf is, had daarbij – in zijn eigen woorden – de hoop ‘de Somalische slachter’ en een martelaar te kunnen worden. Ingrijpen van de Turkse autoriteiten heeft hem op 21 december 2014 belet de grens tussen Turkije en Syrië over te steken en aldus is op dat moment voorkomen dat hij zijn bereidheid tot de gewelddadige jihad in gruwelijkheden zou omzetten.

Na zijn mislukte uitreispoging heeft de verdachte in de tweede helft van 2015 opnieuw geprobeerd met hetzelfde jihadistische doel in Syrië te geraken. Daartoe is hij, opnieuw na het treffen van de nodige voorbereidingen, samen met twee andere personen via Wenen naar Bulgarije gereisd, alwaar hij op 5 oktober 2015 bij een grenscontrole bij de Bulgaars-Turkse grens op verzoek van de Nederlandse autoriteiten is aangehouden. De verdachte moet tijdens deze tweede uitreispoging eens temeer van het strafwaardige van zijn handelen doordrongen zijn geweest, maar heeft zich hierdoor niet laten weerhouden.

Gelet op de stuitende aard van de misdrijven waaraan IS zich structureel bezondigt en heeft bezondigd, dient het afreizen naar Syrië met het doel om die misdrijven te begaan op krachtige wijze worden tegengegaan. Daarom dienen in zaken als die van de verdachte de strafdoelen van vergelding en afschrikking bij de keuze van de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf naar het oordeel van het hof een bepalende rol te spelen, ook indien de uitreiziger – zoals hier – er niet in is geslaagd de plaats van bestemming te bereiken en geen feitelijke bijdrage aan gewapende strijd van IS heeft kunnen leveren.

In dit licht is het hof van oordeel dat in deze zaak in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren op zijn plaats is. Dat betekent dat het hof het standpunt van de advocaat-generaal onderschrijft dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden te laag is.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 16 oktober 2016 opgeheven, omdat hij op die datum het door de rechtbank onvoorwaardelijk opgelegde strafdeel had ondergaan. De verdachte wordt sindsdien vanuit de gemeente van zijn woonplaats begeleid en houdt zich, naar aannemelijk is geworden, goed aan de in dat verband gemaakte afspraken. Hij wordt inmiddels weer gesteund door zijn familieleden, die zich in krachtige bewoordingen van afkeuring over het uitreizen van de verdachte hebben uitgelaten. Hij heeft eigen woonruimte gekregen en heeft concrete plannen binnen afzienbare termijn te trouwen. De verdachte is druk bezig een betaalde baan te vinden. Hij ervaart daarbij echter dat zijn achtergrond als (gewezen) uitreiziger hem de nodige parten speelt. Hij start het komend schooljaar met een HBO-opleiding. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij mede vanwege de vluchtelingenstroom en ontmoetingen met Syrische vluchtelingen tot het inzicht is gekomen dat het in 2014 uitgeroepen ‘kalifaat’ niet het door hem gedroomde land is waar alle moslims zonder problemen kunnen leven. Tot slot heeft hij toegelicht dat er geen reden is te vrezen dat hij nog een poging zal doen om naar Syrië uit te reizen.

Het heeft er aldus de schijn van dat de verdachte zich erbij heeft neergelegd dat hij als soenniet woont in een land waar – in zijn beleving – ‘ongelovigen’ de overhand hebben en dat hij ervoor heeft gekozen binnen de grenzen van de hier geldende normen een bestaan op te bouwen en binnen die grenzen zijn best doet – in zijn bewoordingen – ‘een goede moslim’ te zijn.

De ernst van de bewezen feiten rechtvaardigt zonder meer dat de verdachte een onvoorwaardelijke detentie ondergaat die langer is dan de tijd die hij tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof ziet zich tegelijkertijd geconfronteerd met de realiteit dat hernieuwde vrijheidsbeneming de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke situatie van de verdachte in de kiem zou smoren. Dit acht het hof in deze zaak niet in het belang van de Nederlandse en internationale samenleving. Daarom zal een belangrijk deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden gegoten. De positieve ontwikkelingen zijn echter pril en vormen nog geen ontoereikende geruststelling dat het recidivegevaar, dat de – tot twee maal toe uitgereisde – verdachte kennelijk in zich borg, voorgoed is afgewend. Daarbij is in aanmerking genomen dat hij op de terechtzitting in hoger beroep tot uitdrukking heeft gebracht nog altijd te verlangen naar een land waarin de sharia geldt. Met het forse voorwaardelijke strafdeel wordt dus tevens beoogd ervoor te zorgen dat de verdachte zich verre houdt van het plegen van strafbare feiten, terroristische misdrijven in het bijzonder. De proeftijd zal op 3 jaren worden vastgesteld. Daarbij dient de verdachte zich goed te realiseren dat in het geval de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel ooit zal worden gelast, het op basis van de huidige regelgeving geenszins uitgesloten is dat hij ook het strafrestant zal moeten ondergaan op een zogeheten Terroristen Afdeling. Zoals algemeen bekend is en de verdachte tijdens zijn eerdere verblijf aldaar ondervonden heeft, hebben de detentieomstandigheden daar als zwaar te gelden.

Ter verdere beteugeling van het gevaar op het herhaling acht het hof het met de advocaat-generaal bovendien noodzakelijk dat daarbij bijzondere voorwaarden worden gesteld die ertoe strekken dat de verdachte gesprekken voert met Reclassering Nederland en met een theologisch deskundige en dat hij zich onthoudt van contact met een viertal personen die blijkens het dossier op enigerlei wijze bij (de voorbereiding van) zijn twee uitreispogingen betrokken (lijken te) zijn geweest, te weten de voornoemde [medeverdachte 1], [naam], [medeverdachte 2] en [naam 16]. Ook wordt hem gedurende de proeftijd verboden contact te hebben met alle personen op wie bij Ministerieel Besluit de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is of wordt verklaard.97 Jegens [naam 20] is zo’n Ministerieel Besluit uitgevaardigd.98 Het heeft daarom geen meerwaarde de verdachte, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, daarnaast nog met zoveel te woorden te verbieden contact met die persoon te hebben.

Bijkomende straffen

Gebleken is dat op 18 april 2015 onder de verdachte in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggeven de volgende voorwerpen:

a. a) een tablet van het merk Samsung, type S5 (goednummer HASSI93.01);

b) een gsm van het merk Samsung (goednummer HASSI93.02).

Blijkens de stukken van het procesdossier zijn de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten met behulp van deze voorwerpen – die aan de verdachte toebehoren – begaan of voorbereid. Het hof zal als bijkomende straf de verbeurdverklaring van deze voorwerpen uitspreken.

Gebleken is verder dat op 22 oktober 2015 onder de verdachte in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggeven de volgende voorwerpen:

c) een gsm van het merk Samsung, type S6 (goednummer HASSI93-01.FOUL.001);

d) een simkaart (goednummer HASSI93-01.FOUL.008);

e) 33 biljetten van € 50 (goednummer HASSI93-01.FOUL.009).

Blijkens de stukken van het procesdossier zijn de onder 2 en 3 bewezen geachte feiten met behulp van de onder c) en d) genoemde voorwerpen – die aan de verdachte toebehoren – begaan of voorbereid. Het onder e) genoemde geld heeft de verdachte kennelijk onder zich gehad toen dat hij door de Bulgaarse autoriteiten werd aangehouden, terwijl hij de Bulgaars-Turkse grens trachtte over te steken. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit geld bestemd was zijn verdere reis naar Syrië te kunnen bekostigen of in Syrië als IS-strijder in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Daarom wordt geoordeeld dat dit geld, dat aan de verdachte toebehoort, tot het begaan van de onder 2 en 3 bewezen geachte feiten was bestemd. Het hof zal als bijkomende straf de verbeurdverklaring van de onder c), d) en e) genoemde voorwerpen uitspreken.

Het hof heeft bij een en ander de draagkracht van de verdachte in aanmerking genomen.

Dadelijke uitvoerbaarheid en gevangenneming

Het hof zal, anders dan gevorderd, niet bevelen dat de te stellen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er in ernstige mate rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf als bedoeld in artikel 14e Sr zal begaan. Evenmin zal de vordering tot gevangenneming worden toegewezen, omdat daarvoor gezien de op te leggen straf geen aanleiding bestaat; de duur van het onvoorwaardelijke strafdeel is immers niet groter dan de duur van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47, 57, 96, 140a, 157, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich binnen één week na het onherroepelijk worden van het arrest meldt bij Reclassering Nederland, zo vaak en zo lang die instelling dat nodig acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die door of namens zijn toezichthouder worden gegeven;

- gesprekken voert met een door de reclassering aan te wijzen theologisch deskundige, zolang en zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- zich onthoudt van alle vormen van (middellijk of onmiddellijk) contact met [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2]), [naam] (geboren op [geboortedatum 3]), [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 4]) en [naam 16] (geboren op [geboortedatum 5]);

- zich onthoudt van alle vormen van contact met de personen op wie bij Ministerieel Besluit de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is of zal worden verklaard.

Geeft Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een tablet van het merk Samsung, type S5 (goednummer HASSI93.01);

- een gsm van het merk Samsung (goednummer HASSI93.02);

- een gsm van het merk Samsung, type S6 (goednummer HASSI93-01.FOUL.001);

- een simkaart (goednummer HASSI93-01.FOUL.008);

- 33 biljetten van € 50 (goednummer HASSI93-01.FOUL.009).

Wijst af de vordering tot bevel gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juli 2017.

[...]

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]

7 [...]

8 [...]

9 [...]

10 [...]

11 [...]

12 [...]

13 [...]

14 [...]

15 [...]

16 [...]

17 [...]

18 [...]

19 [...]

20 [...]

21 [...]

22 [...]

23 [...]

24 [...]

25 [...]

26 [...]

27 [...]

28 [...]

29 [...]

30 [...]

31 [...]

32 [...]

33 [...]

34 [...]

35 [...]

36 [...]

37 [...]

38 [...]

39 [...]

40 [...]

41 [...]

42 [...]

43 [...]

44 [...]

45 [...]

46 [...]

47 [...]

48 [...]

49 [...]

50 [...]

51 [...]

52 [...]

53 [...]

54 [...]

55 [...]

56 [...]

57 [...]

58 [...]

59 [...]

60 [...]

61 [...]

62 [...]

63 [...]

64 [...]

65 [...]

66 [...]

67 [...]

68 [...]

69 [...]

70 [...]

71 [...]

72 [...]

73 [...]

74 [...]

75 [...]

76 [...]

77 [...]

78 [...]

79 [...]

80 [...]

81 [...]

82 [...]

83 [...]

84 [...]

85 [...]

86 [...]

87 [...]

88 [...]

89 [...]

90 [...]

91 [...]

92 [...]

93 [...]

94 [...]

95 [...]

96 [...]

97 [...]

98 [...]