Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3039

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
200.209.350/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORSHE:2017:7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klager verwijt de notaris onzorgvuldig handelen op een achttal klachtonderdelen die betrekking hebben op de wijze van communiceren door de notaris, op de manier waarop de notaris het verzoek om informatie met betrekking tot het testament van erflaatster heeft behandeld en op de door de notaris ingediende declaratie.

De kamer heeft het derde klachtonderdeel gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel; klacht voor het overige ongegrond.

Het hof verklaart ook klachtonderdeel twee gegrond zonder oplegging van een maatregel; bevestigt voor het overige.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt BES 49, geldigheid: 2015-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0166

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.209.350/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2016/24

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 1 augustus 2017

inzake

[naam],

wonend te [plaats],

appellant,

tegen

mr. [naam]

notaris te [plaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 13 februari 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort

's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 16 januari 2017 (ECLI:NL:TNORSHE:2017:7). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) voor wat betreft klachtonderdeel 3 gegrond verklaard, zonder oplegging van een maatregel, en de klacht voor het overige (klachtonderdelen 1, 2, 4 t/m 8) ongegrond verklaard.

1.2.

Op 10 maart 2017 is van de kant van klager een correctie op het beroepschrift binnengekomen.

1.3.

De notaris heeft op 3 mei 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 mei 2017. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klager heeft tegen de vaststelling van de feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

3.2.

Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 16 september 2015 is mevrouw [naam] (hierna: erflaatster) overleden. Ten tijde van haar overlijden was erflaatster ongehuwd en had zij geen kinderen. Klager is een neef van erflaatster. De vader van klager, broer van erflaatster, is vooroverleden. Erflaatster heeft bij testament van 1 december 2010, verleden voor de notaris, over haar nalatenschap beschikt.

3.2.2.

Klager heeft de notaris bij brief van 1 december 2015 verzocht hem informatie te verstrekken. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“Op 16 september jl. overleed mijn tante, [naam]. Uit het Centraal Testamentenregister blijkt dat er op 1 december 2010 een testamentaire akte door u is gepasseerd. Ik heb het vermoeden daarin vermeld te staan en zou u willen verzoeken dit aan mij te bevestigen middels het toesturen van de desbetreffende passage uit de akte.

Daarnaast zou ik graag willen weten wie de erfgenamen zijn en of er een executeur is aangewezen.

Gelet op de verslechterde lichamelijke en geestelijke gezondheid van mijn tante op het tijdstip van passeren heb ik, maar ook andere familieleden, enige zorg over de totstandkoming van genoemde akte. Mogelijk dat u die zorg kunt wegnemen. Ik zou u daarom willen vragen of u bereid bent om, met volledig respect mijnerzijds voor uw geheimhoudingsplicht, in een gesprek de gevolgde procedure toe te lichten. Als u deze dienst wilt leveren, dan ga ik ervan uit dat deze declarabel is.”

3.2.3.

Medio december 2015 heeft klager telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de notaris omdat een reactie op zijn brief uitbleef. Een medewerkster van het kantoor heeft klager meegedeeld dat hij zou worden teruggebeld door kandidaat-notaris mevrouw mr. [naam] (hierna: de kandidaat-notaris). Omdat klager niet werd teruggebeld, heeft hij zijn brief van 1 december 2015 een paar dagen later (nogmaals) per e-mail verstuurd. Vervolgens heeft de kandidaat-notaris telefonisch contact opgenomen met klager en een gesprek gepland op 23 december 2015.

3.2.4.

Op 23 december 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de notaris. Aanwezig waren de notaris, klager en de heer [naam], een oom van klager en tevens een broer van erflaatster (hierna: oom). De notaris heeft tijdens dit gesprek meegedeeld dat klager alleen recht heeft op het gedeelte van het testament waarin staat dat klager een legaat krijgt en dat de notaris geen informatie over de erfstellingen mag verstrekken. Voor informatie over de executeur heeft de notaris naar de boedelnotaris verwezen.

3.2.5.

Bij brief van 2 februari 2016 heeft de notaris klager een uittreksel van het testament toegezonden. Deze brief houdt in:

“Op 23 december 2015 spraken wij over het overlijden van uw tante, mevrouw [naam].

Meer in het bijzonder gaf u te kennen inzage in haar testament te willen krijgen. Ik heb u uitgelegd dat u daar als legataris geen recht op heeft. Op een uittreksel van het testament heeft u wel recht. U treft dit uittreksel in bijlage bij deze brief aan.

Daarnaast wenste u van mij te weten hoe het met de verstandelijke vermogens van tante was gesteld ten tijde van het opmaken van haar testament in december 2010. Ik heb u tijdens ons gesprek verteld dat ik hierover in de voorbereiding op de bespreking met uw tante geen twijfels had. Cliënte was weliswaar verhuisd naar [zorginstelling] maar zij woonde niet op een gesloten afdeling. Verder had zij zelf de afspraak voor het bespreken en passeren van het testament gemaakt.

Tijdens het gesprek is mij niks opgevallen waaruit ik zou kunnen afleiden dat tante non compos mentis zou zijn. Ook anderszins, bijvoorbeeld kijkend naar de beweegredenen om het testament te maken of kijkend naar de inhoud van het testament was er voor mij geen enkele reden om te denken dat tante niet willens en wetens haar testament heeft opgemaakt.

In de weken nadien heb ik tante nog gesproken bij gelegenheid van het passeren van de akte van levering van haar woning. Ook daarbij geen reden voor twijfel.

De koopovereenkomst was overigens in diezelfde tijd getekend en wel in oktober 2010. Kortom in deze maanden (oktober, november, december) hebben zowel de makelaar als ik, onafhankelijk van elkaar geconcludeerd dat tante wilsbekwaam was. Daaraan zou ik kunnen toevoegen dat men klaarblijkelijk ook bij [zorginstelling] destijds geen reden zag haar bijvoorbeeld op te nemen op de gesloten afdeling. In welk geval er uiteraard wel reden zou zijn om te twijfelen aan de verstandelijke vermogens van tante.

Tot slot valt voor mij ook uit latere besprekingen met tante (in 2014) te herleiden dat zij destijds in december 2010 geheel volgens haar eigen wil heeft gehandeld.”

Het uittreksel van het testament bevat - voor zover hier relevant - informatie over het legaat aan klager (een geldbedrag van € 10.000,--) en gegevens over de persoon van de executeur. Het uittreksel bevat geen informatie over de erfstellingen. Tevens heeft de notaris bij voormelde brief een declaratie bijgesloten van € 778,94.

3.2.6.

Klager heeft de notaris geantwoord bij brief van 18 februari 2016. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“(…) Op de eerste plaats moet ik vaststellen dat het geleverde uittreksel niet de door mij nadrukkelijk gevraagde erfstellingen bevat. (…)

Op de tweede plaats wordt in uw brief een (triviale) vraag beantwoord die ik nooit gesteld heb. De vraag naar de wilsbekwaamheid heeft u immers al op 1 december 2010 in positieve zin beantwoord. Waar het mij om gaat, en ik meen dat zowel in mijn eerdere brief als in het gesprek duidelijk naar voren gebracht te hebben, is de vraag hoe de weg naar dat positieve antwoord is verlopen. (…)

Wat ik in uw brief gemist heb, is een motivering voor het niet leveren van de erfstellingen. (…) Vanwege deze omissie handhaaf ik mijn claim op de erfstellingen en onderbouw dat met gepubliceerde jurisprudentie (…).

Op grond van het bovenstaande trek ik de conclusie dat u mij onjuist geïnformeerd heeft in het gesprek op 23 december 2015 en uw ministerieplicht onvoldoende heeft waargemaakt. Daarom verzoek ik u nogmaals om een volwaardig testamentair uittreksel conform mijn rechtspositie ex artikel 49 Wna. Mocht u daartoe niet bereid zijn dan verzoek ik om een motivering ex artikel 21 Wna waarom ministerie wordt geweigerd.

Voor de goede orde en om bij voorbaat iedere indruk weg te nemen als zou ik ergens akkoord mee zijn, stuur ik de zending van 2 februari jl. met daarin uw brief, uittreksel en declaratie hierbij retour.

Uw reactie zie ik graag binnen enkele weken tegemoet op onderstaand postbusadres. (…)”

3.2.7.

Op 4 maart 2016 heeft de notaris een betalingsherinnering aan klager gezonden.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt de notaris onzorgvuldig handelen. De klacht van klager bestaat uit een achttal klachtonderdelen die in de kern betrekking hebben op de wijze van communiceren door de notaris, op de manier waarop de notaris het verzoek van klager om informatie met betrekking tot het testament van erflaatster heeft behandeld en op de door de notaris voor zijn werkzaamheden ingediende declaratie. De acht klachtonderdelen zullen hierna worden besproken.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Formeel

Verzoek verstrekken stukken en bepalen redelijke prijs

6.1.

Klager heeft ter zitting in eerste aanleg verzocht om te bepalen dat de notaris binnen twee weken het door klager gewenste uittreksel van het testament van erflaatster aan klager diende te verschaffen alsmede om een redelijke prijs vast te stellen voor de door de notaris met betrekking tot de totstandkoming van het testament te verstrekken informatie. Klager zal in deze verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze het bestek van een tuchtprocedure te buiten gaan.

Klachtonderdeel 1 onder b

6.2.

Dit klachtonderdeel, inhoudende dat effectieve interactie met het kantoor van de notaris problematisch wordt omdat op de website van het kantoor geen algemene voorwaarden staan, is ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling bij de kamer. Daarom ligt dit onderdeel van de klacht niet meer ter beoordeling voor aan het hof.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel 1 onder a en c: de notaris presenteert zijn kantoor niet juist en volledig, waardoor effectieve interactie problematisch wordt. Zo staan op de website van het kantoor geen tarieven vermeld (klachtonderdeel 1 onder a) en ontbreekt een klachtenregeling (klachtonderdeel 1 onder c).

6.3.

Volgens klager is het niet vermelden van tarieven in strijd met artikel 10 lid 1 en 19 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 en is het ontbreken van een klachtenregeling in strijd met artikel 2 van de Verordening klachten- en geschillenregeling.

6.4.

De notaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet verplicht is om zijn tarieven op zijn website te publiceren. Via zijn website kan voor alle mogelijke werkzaamheden een offerte worden aangevraagd. Er is volgens de notaris een kantoorklachtregeling, te weten de brochure van de KNB “spelregels voor notaris en consument”, die wordt verstrekt wanneer om de klachtenregeling wordt gevraagd.

6.5.

Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat een notaris niet verplicht is om zijn tarieven op zijn website te vermelden. Voorts is gebleken dat het kantoor van de notaris over een klachtenregeling beschikt. Dit klachtonderdeel is ongegrond, zoals ook de kamer heeft beslist.

Klachtonderdeel 2: De notaris gaat in zijn dienstverlening minder voortvarend te werk dan hij naar de buitenwereld communiceert.

6.6.

Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager aangevoerd dat hij al geruime tijd wacht op de levering van een wettelijk voorgeschreven dienst, terwijl op de website van het notariskantoor staat - kort weergegeven - dat diensten snel worden verleend. De notaris heeft bovendien niet gereageerd op klagers brief van 18 februari 2016 (gedeeltelijk geciteerd onder 3.2.6.).

6.7.

De notaris persisteert in hoger beroep bij zijn verweer dat het hem spijt dat hij geen professionele indruk op klager heeft achtergelaten.

6.8.

Het hof overweegt als volgt. Klager heeft de notaris bij brief van 1 december 2015 verzocht om hem informatie te verstrekken, op 23 december 2015 heeft een gesprek met de notaris plaatsgevonden en de notaris heeft klager bij brief van 2 februari 2016 een uittreksel van het testament en nadere informatie over de totstandkoming van het testament verstrekt, bij welke stukken een declaratie is meegezonden. Dit tijdsverloop is niet van dien aard dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

Klager heeft de brief van 2 februari 2016 met bijlagen op 18 februari 2016 aan de notaris retour gezonden met het verzoek om binnen enkele weken gemotiveerd op zijn brief te reageren. Vervolgens heeft de notaris klager een aanmaning gezonden. Gesteld noch gebleken is dat de notaris inhoudelijk op de brief van klager heeft gereageerd.

Het hof acht het feit dat de notaris niet op de brief van klager heeft gereageerd tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het past een behoorlijk notaris niet dat hij brieven van zijn cliënten onbeantwoord laat. Dat klager de declaratie niet (onmiddellijk) heeft voldaan, maakt dit niet anders. Dit klachtonderdeel is, anders dan de kamer heeft overwogen, gegrond.

Klachtonderdeel 3: de notaris had zich onvoldoende voorbereid op het door de kandidaat-notaris geagendeerde gesprek op 23 december 2015 waardoor een doeltreffend gesprek werd gefrustreerd.

6.9.

Volgens klager begon de notaris zijn brief van 1 december 2015 aan het begin van het gesprek te lezen alsof hij die toen pas voor de eerste maal zag. Klager vindt dat van een notaris mag worden verwacht dat deze zich zorgvuldig voorbereidt op een gesprek en alle relevante stukken vooraf heeft gelezen.

6.10.

De notaris heeft in hoger beroep betwist dat hij zich onvoldoende had voorbereid op het gesprek met klager. Volgens de notaris had hij uitgebreid dossieronderzoek gedaan en in ieder geval zelf contact opgenomen met de instelling waar erflaatster verbleef. Het feit dat hij tijdens het gesprek terughoudend is geweest met het verschaffen van informatie, komt voort uit de in de literatuur bestaande discussie over de inhoud van het aan een legataris te verstrekken uittreksel en was niet het gevolg van een onvoldoende voorbereiding, aldus de notaris.

6.11.

Naar het oordeel van het hof heeft de notaris onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich wel degelijk goed had voorbereid op het gesprek, aangezien de notaris ter zitting van het hof heeft verklaard niet te weten wanneer en in welke volgorde bepaalde werkzaamheden door hem (of de kandidaat-notaris) zijn verricht, zodat de stelling van klager dat de notaris zich niet goed had voorbereid op het gesprek door de notaris onvoldoende is weerlegd. Voorts is geenszins ondenkbaar dat de notaris zich pas later, op het moment dat hij de brief van 2 februari 2016 aan klager heeft opgesteld, (opnieuw) in het dossier is gaan verdiepen. Gezien het voorgaande is dit klachtonderdeel, zoals de kamer ook heeft geoordeeld, gegrond.

Klachtonderdeel 4: de notaris heeft klager onjuist geïnformeerd en deze fout niet tijdig hersteld.

6.12.

Klager betoogt in dit verband - samengevat - dat de notaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat klager geen recht heeft op informatie over de erfstellingen.

6.13.

De notaris is bij zijn standpunt gebleven dat klager geen recht heeft op informatie over de erfstellingen.

6.14.

De kamer heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. De kamer heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat niet kan worden gezegd dat de notaris op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld aangezien in de literatuur verschillend wordt gedacht over de vraag of personen die als versterferfgenaam stilzwijgend zijn onterfd maar aan wie wel een geldbedrag is gelegateerd, recht hebben op een uittreksel van het testament dat naast het legaat óók de erfstellingen omvat en dat de beoordeling over de omvang van zijn geheimhoudingsplicht primair bij de notaris ligt (rechtsoverweging 4.13. van de kamer).

6.15.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer en de gronden waarop dat berust zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.13. van de beslissing van de kamer. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gekomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is, zoals de kamer ook heeft beslist.

Klachtonderdelen 5: de notaris is veel te snel geweest met het indienen van een declaratie en

6: de notaris declareert in verhouding tot de door hem geleverde prestatie excessief en schendt daarmee de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.16.

Gezien de onderlinge samenhang zal het hof de klachtonderdelen 5 en 6 gezamenlijk behandelen.

6.17.

Ter onderbouwing van klachtonderdeel 5 heeft klager aangevoerd dat de notaris heeft nagelaten klager tijdig en duidelijk voor te lichten over de financiële gevolgen van zijn werkzaamheden. De notaris heeft zijn tarieven niet op een correcte wijze gepubliceerd noch gewezen op het door hem gehanteerde (maximum)tarief. De notaris heeft vanuit het niets een factuur opgemaakt, aldus klager.

Ter onderbouwing van het zesde klachtonderdeel heeft klager aangevoerd dat hij de notaris om een uittreksel en een gesprek heeft verzocht. De notaris heeft daarop een onvolledig uittreksel verstrekt en was tijdens het gesprek onvoldoende voorbereid. De notaris heeft voor zijn werkzaamheden het veel te hoge bedrag van € 778,94 in rekening gebracht.

6.18.

De notaris voert hiertegen aan dat klager zowel in zijn brief van 1 december 2015 als tijdens het gesprek uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de door hem te maken kosten bij klager konden worden gedeclareerd. Voorts stelt de notaris dat hij tijdens het gesprek zijn uurloon bekend heeft gemaakt. Het maximumtarief is niet van toepassing, aldus de notaris.

6.19.

Het hof is ten aanzien van klachtonderdeel 5, evenals de kamer, van oordeel dat niet valt in te zien waarom de declaratie te snel zou zijn ingediend, zoals klager stelt. Uit de brief van 1 december 2015 van klager blijkt dat klager zich ervan bewust was dat het door de notaris te verrichten werk declarabel was. De notaris heeft de opdracht van klager, zoals de notaris die heeft opgevat, uitgevoerd en hij heeft tegelijkertijd met het verzenden van het uittreksel van het testament en de beantwoording van klagers vragen aan klager een declaratie verzonden. Deze wijze van handelen is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel 5 is ongegrond.

6.20.

Ten aanzien van klachtonderdeel 6 stelt ook het hof voorop dat het een declaratiegeschil slechts kan toetsen in het licht van de in artikel 93 lid 1 Wna omschreven tuchtnorm, zoals ook de kamer heeft overwogen. Indien klager het hem in rekening gebrachte bedrag te hoog vindt, moet hij zich wenden tot de geschillencommissie Notariaat. De feiten en omstandigheden in deze zaak rechtvaardigen niet de conclusie dat de wijze van declareren door de notaris onbetamelijk is. Dat de notaris volgens klager zijn uurloon niet bekend heeft gemaakt in het gesprek op 1 december 2015, welke betwisting klager met de verklaring van zijn oom, gevoegd bij het beroepschrift, heeft onderbouwd, maakt dit niet anders. Dit klachtonderdeel is ongegrond, zoals ook de kamer heeft beslist.

Klachtonderdeel 7: de notaris weigert ministerie, maar legt daarover geen verantwoording af.

6.21.

Klager wijst in dit verband op de in artikel 21 lid 1 Wna neergelegde ministerieplicht.

6.22.

De notaris heeft aangevoerd - kort gezegd - dat hij wél heeft voldaan aan zijn ministerieplicht.

6.23.

Het hof acht dit klachtonderdeel, evenals de kamer, ongegrond en overweegt daartoe als volgt. De notaris heeft zich in het gesprek van 23 december 2015 op het standpunt gesteld dat klager geen recht heeft op informatie omtrent de erfstellingen in het testament van erflaatster, welk standpunt de notaris is blijven innemen in zijn brief van 2 februari 2016. Dat betekent evenwel niet dat de notaris zijn ministerie heeft geweigerd, zoals klager stelt, omdat de notaris zich, zoals hiervoor werd overwogen, in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat zijn geheimhoudingsplicht zich er tegen verzette klager mee te delen welke erfstellingen er in het testament van erflaatster waren opgenomen. Dat de notaris vervolgens wel adequaat had moeten reageren op de brief van klager van 18 februari 2016, heeft het hof reeds in het voorgaande overwogen bij de bespreking van klachtonderdeel 2.

Klachtonderdeel 8: de notaris komt gedane toezeggingen niet na, in weerwil van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.24.

Volgens klager is afgesproken dat hij na afronding van de dossierscan in de tweede helft van januari 2016 verder zou spreken met de notaris. Ook zou de discussie over de erfstellingen verder gevoerd worden.

6.25.

Volgens de notaris heeft hij de werkzaamheden verricht zoals hij die met klager had afgesproken.

6.26.

Net zoals de kamer constateert het hof dat de lezingen van partijen over hetgeen tijdens de bespreking van 23 december 2015 is afgesproken, uiteenlopen, zodat niet kan worden vastgesteld wat er al dan niet door de notaris is toegezegd met betrekking tot de verdere gang van zaken. Ook uit de door klager bij het beroepschrift overgelegde verklaring van zijn oom blijkt onvoldoende wat tussen partijen is afgesproken over de voortgang. Het hof zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren, zoals ook de kamer heeft beslist.

Conclusie

6.27.

De conclusie van het hiervoor overwogene is dat de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond zijn en de overige onderdelen ongegrond. Hoewel het hof één klachtonderdeel meer gegrond heeft verklaard dan de kamer, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met slechts de constatering daarvan. Het hof acht beide gegrond verklaarde klachtonderdelen niet zwaarwichtig genoeg om een maatregel op te leggen.

6.28.

Het hof komt ten aanzien van klachtonderdeel 2 tot een andere beslissing dan de kamer. In zoverre zal het hof de bestreden beslissing vernietigen. Voor het overige zal de beslissing van de kamer worden bevestigd.

6.29.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.30.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing voor zover onderdeel 2 van de klacht daarbij ongegrond is verklaard en in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in de verzoeken als genoemd in rechtsoverweging 6.1.;

- verstaat dat klachtonderdeel 1 sub b is ingetrokken;

- verklaart onderdeel 2 van de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J.P.M. Haas, A.M.A. Verscheure en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017 door de rolraadsheer.