Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3035

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
16/00351, 16/00352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd is ingediend. Via artikel 9.6 Wet IB 2001 en 7:1a Awb (prorogatie) komt het Hof evenals de rechtbank wel tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil; zonder onderbouwing die ontbreekt maakt belanghebbende de door hem verzochte aftrek specifieke zorgkosten en giftenaftrek niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1833
V-N 2017/43.18.7
Viditax (FutD), 03-08-2017
FutD 2017-1934
NTFR 2017/2479 met annotatie van
NLF 2017/1994 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 16/00351 en 16/00352

20 juni 2017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 7 juli 2016 in de zaken met kenmerken HAA 15/4741 en 16/943 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 2 mei 2015 voor het jaar 2012 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.874.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 29 mei 2015 voor het jaar 2013 aan belanghebbende een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.913.

1.2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraak van 11 januari 2016 het bezwaar tegen de onder 1.1.1 vermelde aanslag niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar voorts aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak van 25 september 2015 het bezwaar tegen de onder 1.1.2 vermelde aanslag ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 juli 2016 (waarin belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’) als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep dat ziet op het jaar 2012 ongegrond;

- verklaart het beroep dat ziet op het jaar 2013 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende 2013 en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- handhaaft de belastingaanslag over 2013;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 9,40 en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 augustus 2016. Van belanghebbende is – na een door hem daartoe ingediend verzoek wegens betalingsonmacht – geen griffierecht geheven voor het ingestelde hoger beroep. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 24 mei 2017 een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is geboren in 1965 en ongehuwd. Hij is dakloos en heeft een postadres bij de gemeente.

2. Eiser heeft aangifte over 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.173. In deze aangifte heeft eiser onder meer loon uit vroegere dienstbetrekking van € 12.723 aangegeven, aftrekbare schulden van € 4.300 opgenomen, een giftenaftrek van € 950 in aanmerking genomen, een restant persoonsgebonden aftrek van € 2.600 vermeld, een levensloopverlofkorting van € 200 opgenomen en een vrijstelling maatschappelijke beleggingen van € 270 en een vrijstelling beleggingen durfkapitaal en culturele beleggingen van € 140 toegepast. Een aftrek specifieke zorgkosten is niet in de aangifte opgenomen.

3. Verweerder heeft bij brief van 21 december 2015 om nadere informatie met betrekking tot de aangifte 2012 gevraagd. Hierop is geen reactie gekomen.

2. Eiser heeft aangifte over 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.466. In deze aangifte heeft eiser onder meer loon uit vroegere dienstbetrekking van € 11.913 aangegeven, een bedrag van € 647 aan specifieke zorgkosten in aftrek gebracht en een giftenaftrek van € 820 vermeld.

3. Verweerder heeft bij brief van 30 augustus 2014 verzocht om nadere informatie met betrekking tot de aangifte 2013. Hierop is geen reactie gekomen.

4. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag 2012 de giftenaftrek niet toegestaan.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag [2012] de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking verhoogd met € 151 tot € 12.874. Voorts zijn daarbij de aftrek specifieke zorgkosten, de giftenaftrek, de aftrek schulden, de toepassing van de restant persoonsgebonden aftrek en de vrijstelling beleggingen geheel gecorrigeerd.

5. Verweerder heeft met betrekking tot de bezwaarprocedure tegen de aanslag 2013 eiser bij brief van 16 september 2015 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 24 september 2015.

6. Tot de dossierstukken behoort een Overzicht Fiscale Loongegevens 2012 ten name van eiser. Hierop staan de volgende gegevens vermeld:

Naam inhoudingsplichtige tijdvak loonheffing loon

[Uitkeringsinstantie] 01-05 t/m 31-05 50 151

[Uitkering DWI] 01-01 t/m 31-12 2.264 12.723 ”

2.2.

Nu partijen tegen de feitenvaststelling van de rechtbank geen bezwaren hebben aangevoerd, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt Hof nog de volgende feiten toe, welke het ontleent aan de in eerste aanleg overgelegde gedingstukken.

2.3.

In een door de inspecteur overgelegde computeruitdraai (schermprint) van de bij de Belastingdienst geregistreerde gegevens omtrent de opgelegde aanslag IB/PVV 2012 is vermeld dat aan belanghebbende ter zake van deze aanslag een betalingsherinnering en een aanmaning zijn verzonden, en vervolgens met dagtekening 29 juli 2015 aan belanghebbende een dwangbevel is betekend.

2.4.

In zijn bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2012, dat is gedagtekend 1 september 2015 en dat door de inspecteur op 2 september 2015 is ontvangen, heeft belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

“Bezwaar tegen de aan bevoegde besluit van de belastingdienst van 29 juli 2015 aanslagnummer (…). Besluit van 2 mei 2015 is door me niet ontvangen. Daarom beschouw ik besluit van 29 juli 2015 is het besluit en hier is mijn bezwaar er tegen.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslagen niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Voor het jaar 2012 is tevens in geschil of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar 2012

4.1.1.

De rechtbank heeft omtrent dit geschilpunt als volgt overwogen en beslist:

Ontvankelijkheid bezwaar 2012

11. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) juncto artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet in zake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen vóór de dag van bekendmaking. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

12. De aanslag is gedagtekend 2 mei 2015. Eiser betwist deze aanslag te hebben ontvangen en stelt pas door de ontvangst van de aanmaning van 14 juli 2015 van de aanslag op de hoogte te zijn geraakt. Volgens eiser is dit het gevolg van een fout bij DWI, waar tientallenmedewerkers werken en fouten in de doorzending van post dagelijks voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat dit een omstandigheid betreft die voor rekening en risico van eiser komt. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verweerder de verzending van de aanslag over 2012 heeft onderbouwd met een rapport van de Centrale Administratie Apeldoorn en dat van verweerder niet verwacht kan worden dat rekening wordt gehouden met de wijze waarop DWI poststukken verwerkt.

Uit het voorgaande volgt dat als datum bekendmaking van de aanslag 2 mei 2015 heeft te gelden. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 3 mei 2015. Alsdan had het bezwaarschrift uiterlijk op 15 juni 2015 bij verweerder ingediend moeten worden, dan wel bij terpostbezorging uiterlijk op 15 juni 2015 door verweerder uiterlijk 22 juni 2015 moeten zijn ontvangen. Niet in geschil is dat verweerder eerst op 2 september 2015 een bezwaarschrift van eiser heeft ontvangen. Hieruit volgt dat de als bezwaarschrift aangemerkte aangifte buiten de wettelijke termijn is ingediend.

13. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin eiser redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Eiser heeft niet naar voren gebracht dat hij niet in staat was bezwaar te maken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van artikel 6:11 van de Awb.

14. Eiser heeft ter zitting verklaard dat het beroep tevens is ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Partijen hebben beiden ingestemd met prorogatie op de voet van artikel 7:1a van de Awb. De rechtbank zal partijen hierin volgen.”

4.1.2.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, door verzending van het aanslagbiljet aan het door belanghebbende opgegeven postadres. Gelet op de door de inspecteur overgelegde gegevens is voorts aannemelijk dat de datum van verzending vóór de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen, zodat de bezwaartermijn eindigde op 15 juni 2015. Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende wél heeft aangevoerd dat hij niet tijdig in staat was bezwaar te maken. Belanghebbende heeft immers gesteld dat de aanslag op zijn postadres (het kantoor van DWI) is zoekgeraakt en dat hij (zie ook het onder 2.4 vermelde bezwaarschrift) pas door de ontvangst van het dwangbevel van 29 juli 2015 op de hoogte is geraakt van de aanslag. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende als gevolg van niet aan hem toe te rekenen omstandigheden pas door de ontvangst van het dwangbevel van de aanslag op de hoogte is geraakt, leidt dit in het onderhavige geval niet tot de conclusie dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Belanghebbende (die heeft gesteld dat hij altijd één keer per week het kantoor van DWI bezoekt om de aan hem verzonden post in ontvangst te nemen, zodat hij uiterlijk een week na 29 juli 2015 het dwangbevel moet hebben ontvangen) heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat hij, na kennis te hebben genomen van de aanslag, zijn bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dit mede gelet op de dagtekening van zijn bezwaarschrift (1 september 2015). Het Hof komt daarom evenals de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.3.

Ondanks de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanslag 2012 komt het Hof evenals de rechtbank (zie punt 14) toch toe aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van belanghebbende tegen deze aanslag, aangezien de inspecteur heeft ingestemd met het verzoek om prorogatie en het Hof hierin partijen zal volgen.

Hoorplicht

4.2.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank heeft over deze grief als volgt geoordeeld:

Hoorplicht 2012

15. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord. Dienaangaande geldt het volgende. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), wordt een belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 Awb, gehoord op zijn verzoek. Nu eiser in de bezwaarfase geen verzoek heeft gedaan om te worden gehoord, faalt deze grief.

Hoorplicht 2013

16. Vaststaat dat eiser in de bezwaarprocedure tegen de aanslag 2013 heeft verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft eiser bij brief van 16 september 2015 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 24 september 2015. Eiser is daar zonder bericht niet verschenen. Vervolgens heeft verweerder op 25 september 2015 uitspraak op bezwaar gedaan.

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de periode tussen de uitnodiging en de datum waarvoor was uitgenodigd, zeker in de situatie van eiser, te kort is zodat de hoorplicht is geschonden. Nu het gelijk in zoverre aan eiser is komt het de rechtbank niet zinvol voor de behandelaar van het bezwaarschrift als getuige te horen. De rechtbank wijst het hiertoe strekkende verzoek van eiser af.

Aangezien de hoorplicht is geschonden kan de bestreden uitspraak in beginsel niet in stand blijven en moet deze worden vernietigd. Eiser heeft de rechtbank echter verzocht uitspraak te doen en de zaak niet terug te wijzen naar verweerder voor een hernieuwde behandeling van het bezwaarschrift. De rechtbank zal om die reden hierna ook de aanslag ib/pvv 2013 inhoudelijk beoordelen.”

4.2.2.

De inspecteur heeft berust in het oordeel van de rechtbank (en de daaraan verbonden beslissingen tot vergoeding aan belanghebbende van proceskosten en griffierecht) dat de hoorplicht in de bezwaarprocedure tegen de aanslag 2013 is geschonden, zodat in hoger beroep alleen nog in geschil is of de hoorplicht is geschonden tijdens de bezwaarprocedure inzake de aanslag 2012. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van schending van de hoorplicht, aangezien belanghebbende in bezwaar niet heeft verzocht te worden gehoord.

Inhoudelijke geschilpunten aanslagen 2012 en 2013

4.3.1.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld over de inhoudelijke grieven van belanghebbende tegen de aanslagen:

“Uitkering [Uitkeringsinstantie]

17. Eiser heeft voor het jaar 2012 als inkomsten uitsluitend een DWI-uitkering van € 12.723 aangegeven en heeft betwist daarnaast nog een uitkering van [Uitkeringsinstantie] ten bedrage van € 151 te hebben ontvangen.

De rechtbank overweegt dat de inkomensgegevens waarop het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser is gebaseerd, overeenkomt met de gegevens opgenomen op het door verweerder overgelegde overzicht van de Fiscale Loon Gegevens met betrekking tot eiser over het jaar 2012. Deze gegevens zijn door de inhoudingsplichtigen van eiser aan verweerder aangeleverd en zijn gekoppeld aan eiser, zijn geboortedatum en BSN-nummer. De enkele ontkenning van eiser het bedrag van € 151 te hebben genoten, vormt voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder overgelegde renseignement. Verweerder heeft het bedrag van € 151 dan ook terecht bij het belastbaar inkomen betrokken.

Aftrek specifieke zorgkosten

18. Eiser claimt voor beide jaren een aftrek specifieke zorgkosten. Het begrip uitgaven voor specifieke zorgkosten is nader uitgewerkt in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;

e. extra gezinshulp;

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

h. reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.”

19. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, die aftrek van kosten claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door het overleggen van bonnen en betalingsbewijzen, dat hij deze kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt.

Eiser heeft de kosten niet met enige schriftelijke onderbouwing gestaafd. Verweerder heeft de aftrek daarom terecht niet toegestaan. Ten aanzien van het jaar 2013 geldt bovendien nog dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de kosten voor dat jaar betrekking hebben op een boete opgelegd wegens niet betaling van de zorgpremie. Premies zorgkosten en daarmee samenhangende boetes vormen geen specifieke zorgkosten en kunnen dus niet voor aftrek in aanmerking komen (art. 6.18, lid 1 Wet IB 2001).

Giftenaftrek

20. Eiser claimt voorts voor beide jaren een giftenaftrek in verband met contante betalingen aan moskeeën in Amsterdam. Volgens artikel 6.32 van de Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften:

a. periodieke giften,

b. andere giften.

Giften zijn: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat (artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001).

Andere giften zijn giften aan in Nederland gevestigde instellingen (artikel 6.35 van de Wet IB 2001). Ingevolge artikel 6.32, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6.35 van de Wet IB 2001 zijn giften aan instellingen aftrekbaar. Artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 bepaalt dat onder instellingen worden verstaan: door de inspecteur als zodanig aangemerkte kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen, Aruba of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid, alsmede elders gevestigde, door onze Minister als zodanig aangemerkte instellingen, indien en zolang zij voldoen aan de door hem te stellen voorwaarden.

Op grond van artikel 6.39, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 worden andere giften in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen van de belastingplichtige en diens partner, vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, te boven gaan, met een maximum van 10% van het (gezamenlijke) verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.

21. De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de door eiser genoemde betaalde bedragen aan moskeeën (de zogenaamde ‘andere giften’) geen schriftelijke bescheiden zijn overgelegd. Dit betreft een wettelijke voorwaarde waar niet van kan worden afgeweken. Het ontbreken van enig betalingsbewijs staat dan ook aan toepassing van de giftenaftrek in de weg. Overigens kwalificeren de betalingen in casu ook niet als gift, aangezien er van de zijde van de moskee een tegenprestatie tegenover heeft gestaan in de vorm van verstrekking van een douche- of slaapgelegenheid aan eiser. De giftenaftrek is ook om die reden terecht gecorrigeerd.

Restant persoonsgebonden aftrek

22. Een restant persoonsgebonden aftrek betreft een bedrag waarvan de aftrek in het betreffende jaar niet te gelde kon worden gemaakt. Indien hiervan sprake is, wordt dat bedrag gelijktijdig met of kort na het opleggen van de aanslag over dat jaar door verweerder bij beschikking vastgesteld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de aanslag over 2010 is opgelegd naar een verzamelinkomen van € 5.699 en de aanslag 2011 naar een verzamelinkomen van € 10.199 en dat met betrekking tot beide jaren geen beschikking restant persoonsgebonden aftrek is afgegeven. Hieruit volgt dat een restant persoonsgebonden aftrek niet aan de orde is.

23. Gelet op al het voorgaande dient het beroep 2012 ongegrond en het beroep 2013 gegrond te worden verklaard. ”

4.3.2.

Het Hof onderschrijft deze oordelen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader geformuleerd en belanghebbende heeft in hoger beroep op deze punten geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een nieuw of ander licht kunnen werpen op de zaak. Over de door belanghebbende tijdens de zitting bij de rechtbank alsnog gevraagde aftrek specifieke zorgkosten voor het jaar 2012 merkt het Hof nog op dat de beslissing van de rechtbank om dit verzoek in behandeling te nemen niet betekent dat belanghebbende per definitie in het gelijk wordt gesteld, maar dat de rechtbank de gevraagde aftrek inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit heef geleid tot het in onderdeel 19 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen (door het Hof onderschreven) oordeel.

Slotsom

4.4.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, A. Bijlsma en

B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van

mr. C. Lambeck, als griffier. De beslissing is op 20 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.