Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3034

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
200.197.782/01 en 02 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; jaarrekeningprocedure; bevel inrichten jaarrekening; art. 2:447 lid 1 en 2, 449 lid 2, 451 lid 1 en 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4119
ARO 2017/167
JONDR 2018/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummers: 200.197.782/01 en 02 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 27 juli 2017

inzake

[A]

wonende te [....] ,

VERZOEKSTER,

advocaten: mrs. N. Vinke en S.E.L. van Kerkhof, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

gevestigd te [....] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JANBE HOEVE B.V.,

gevestigd te Lithoijen,

VERWEERSTERS,

advocaat: mr. A.E.T.M. van de Camp, kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster als [A] ;

  • -

    verweersters afzonderlijk als [B] en Janbe B.V. en gezamenlijk als [C c.s.] ;

  • -

    [D] als [D] ;

  • -

    Remie Fiscaal Juridisch Adviesbureau als Remie FJA.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikking in deze zaak van 27 februari 2017.

1.3

Bij de beschikking van 27 februari 2017 heeft de Ondernemingskamer, kort samengevat,

- gegrond bevonden de bezwaren van [A] waarvan de juistheid door [C c.s.] was erkend (3.3 en 3.15 van de beschikking van 27 februari 2017);

- gegrond bevonden het bezwaar van [A] inhoudende dat de overboeking van € 455.000 van de gezamenlijke bankrekening van [B] en Janbe B.V. op de bankrekening van [D] (alsmede de tot dan toe door [D] gedane terugbetalingen en rentebetalingen) als opname door [D] in rekening-courant dient te worden geboekt (3.14 en 3.15 van de beschikking van 27 februari 2016);

- ongegrond bevonden het bezwaar van [A] inhoudende dat de posten “Agioreserve A” en “Agioreserve B” op de in de jaarrekeningen 2014 en 2015 van [B] opgenomen balans onjuist zijn omdat deze niet in overeenstemming zijn met de inbrengbeschrijving van 15 mei 2005 en de notariёle inbrengakte van 30 mei 2006 (3.6, 3.7 en 3.15 van de beschikking van 27 februari 2017);

- ongegrond bevonden het bezwaar van [A] dat de financiering van de woning van [A] door [B] niet in rekening-courant dient te worden geboekt omdat deze kwalificeert als een langlopende, aflossingsvrije en rentevrije lening (3.8 en 3.15 van de beschikking van 27 februari 2017);

- [A] in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over haar bezwaren genoemd in 3.4.c.i en 3.4.c.ii van de beschikking van 27 februari 2017 (hierna ook: de resterende geschilpunten) en heeft zij [D] de gelegenheid geboden daarop bij antwoordakte te reageren (3.16 en 4 van de beschikking van 27 februari 2017);

- een comparitie van partijen bevolen om in de onderhavige zaak een minnelijke regeling te beproeven ten overstaan van een uit haar midden gekozen raadsheer-commissaris (3.17 en 4 van de beschikking van 27 februari 2017), waarvan de datum nadien is bepaald op 14 juni 2017.

1.4

[A] heeft zich over de resterende geschilpunten uitgelaten bij op 15 mei 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen akte. [C c.s.] hebben op die akte gereageerde bij op 30 mei 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen antwoordakte.

1.5

Bij brief aan de Ondernemingskamer van 9 juni 2017 hebben mr. Vinke en mr. Van de Camp gezamenlijk bericht dat partijen een minnelijke regeling hebben bereikt over de resterende geschilpunten, met als gevolg dat wat hen betreft de comparitie van partijen geen doorgang hoeft te vinden en verzoeken zij de Ondernemingskamer een eindbeschikking te geven waarin tevens de in de brief vermelde minnelijke regeling is vastgelegd.

1.6

Bij brief aan partijen van 12 juni 2017 heeft de Ondernemingskamer partijen bericht dat de comparitie van partijen gelet op de tussen partijen bereikte minnelijke regeling niet zal doorgaan.

2 De feiten

2.1

De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten die zijn opgenomen onder 2.1 tot en met 2.29 in voornoemde beschikking van 27 februari 2017 en voegt hier nog het volgende aan toe.

2.2

Blijkens de in 1.5 bedoelde brief aan de Ondernemingskamer van 9 juni 2017 hebben [A] en [C c.s.] de volgende minnelijke regeling (hierna ook: de minnelijke regeling) bereikt over de resterende geschilpunten:

- “de opname van € 28.350,- behoeft geen aanpassing van de jaarrekening. Partijen zijn het er over eens dat voormelde boeking al in de rekening-courantverhouding van de heer [D] met [B] is verwerkt met dien verstande dat een foutieve omschrijving is vermeld. Deze foutieve omschrijving zal in de administratie worden aangepast;

- partijen zijn het er voorts over eens dat de kosten van Liessent advocaten niet voor rekening van [B] behoren te komen. Partijen zijn overeengekomen dat alsnog € 4.303,62 ten laste van de heer [D] wordt gebracht door verwerking in zijn rekening-courantverhouding met de vennootschap en € 3.612,82 ten laste van mevrouw [A] door verwerking van dit bedrag in haar rekening-courantverhouding met de vennootschap;

- partijen zijn ter zake de kosten van Remie FJA overeengekomen dat alsnog € 65.595,- ten laste van de heer [D] wordt gebracht en een bedrag ter grootte van € 5.314,00 ten laste van mevrouw [A] door verwerking van voormelde bedragen in hun rekening-courantverhouding met [B] De overige kosten van Remie FJA zijn terecht ten laste van [B] gebracht en behoeven geen correctie.

- ook ter zake de kosten van AEC Uden hebben partijen overeenstemming bereikt. Deze zullen alsnog voor € 8.434,98 ten laste van de heer [D] worden gebracht en voor € 4.009,17 ten laste van mevrouw [A] . Een en ander zal eveneens in de rekening-courantverhouding van partijen met [B] worden gecorrigeerd. De overige kosten van AEC Uden zijn terecht ten laste van de vennootschap gebracht.”

3 De gronden van de beslissing

3.1

Voor de gronden van de beslissing verwijst de Ondernemingskamer in de eerste plaats naar haar hiervoor genoemde beschikking van 27 februari 2017.

3.2

Voorts leidt de minnelijke regeling tot het volgende oordeel ten aanzien van de resterende geschilpunten.

Opname [D]

3.3

Het door [A] aan haar verzoek ten grondslag gelegde bezwaar inhoudende dat de opname door [D] van € 28.350,-, ter zake van een door [D] ten behoeve van de aankoop van de woning aan [A] verstrekt voorschot, ten onrechte niet in rekening-courant is geboekt, is ongegrond. Uit de minnelijke regeling blijkt immers dat tussen partijen niet langer in geschil is dat voormelde boeking reeds in de rekening-courantverhouding tussen van [D] en [B] is verwerkt. De jaarrekening behoeft daarom op dit onderdeel geen aanpassing.

Rekening-courant [D] – kosten Liessent Advocaten

3.4

Het bezwaar van [A] inhoudende dat de kosten in verband met de door Liessent Advocaten verrichte werkzaamheden niet ten laste van [B] , maar ten laste van [D] behoren te komen, is gelet op de minnelijke regeling in zoverre gegrond dat beide partijen erkennen dat deze kosten niet ten laste van [B] behoren te komen. Partijen zijn overeengekomen dat deze kosten tot een bedrag van € 4.303,62 ten laste van [D] dienen te worden verwerkt in zijn rekening-courantverhouding met [B] en tot een bedrag van € 3.612,82 ten laste van [A] in haar rekening-courantverhouding met [B] De jaarrekening dient dienovereenkomstig te worden aangepast.

Rekening-courant [D] – kosten Remie FJA

3.5

Ook het bezwaar van [A] inhoudende dat de kosten van Remie FJA niet ten laste van [B] behoren te komen, maar ten laste van [D] is gelet op de minnelijke regeling in zoverre gegrond dat deze kosten niet geheel voor rekening van [B] dienen te komen. In de minnelijke regeling is overeengekomen dat deze kosten tot een bedrag van € 65.595,- ten laste van [D] dienen te worden gebrachte en tot een bedrag van € 5.314,- ten laste van [A] door boeking in hun respectievelijke rekening-courantverhoudingen met [B] De overige kosten van Remie FJA blijven voor rekenening van [B] Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is aan de hand van de bij akten overgelegde specificaties voldoende inzichtelijk gemaakt dat die verdeling juist is. De jaarrekening dient aldus te worden aangepast.

Rekening-courant [D] – kosten AEC Uden

3.6

Het bezwaar van [A] inhoudende dat de kosten van AEC Uden niet ten laste van [B] berhoren te komen maar ten laste van [D] is gelet op de minnelijke regeling in zoverre gegrond dat deze kosten niet geheel voor rekening van [B] berhoren te komen. Partijen zijn overeengekomen deze kosten tot een bedrag van € 8.434,98 ten laste van [D] te brengen en tot een bedrag van € 4.009,17 ten laste van [A] , door verwerking in hun respectievelijke rekening-courantverhoudingen met [B] De resterende kosten van AEC Uden blijven voor rekening van [B] Ook deze verdeling is voldoende onderbouwd met onderliggende stukken. De jaarrekening behoeft daarom ook op dit onderdeel aanpassing.

Slotsom

3.7

In haar beschikking in deze zaak van 27 februari 2017 heeft de Ondernemingskamer de in 3.3 en 3.4.c.iii van die beschikking genoemde bezwaren van [A] gegrond bevonden. De bezwaren genoemd onder 3.4.a en 3.4.b van die beschikking heeft de Ondernemingskamer ongegrond bevonden.

3.8

In de onderhavige beschikking acht de Ondernemingskamer het in de beschikking van 27 februari 2017 in 3.4.c.i genoemde bezwaar ongegrond. De in die beschikking onder 3.4.c.ii genoemde bezwaren acht de Ondernemingskamer in de onderhavige beschikking gedeeltelijk gegrond.

3.9

Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. De verzoeken tot vernietiging van de besluiten tot vaststelling van de jaarrekeningen over 2014 van [B] en Janbe B.V. zijn niet toewijsbaar nu de betreffende jaarrekeningen niet zijn vastgesteld. De Ondernemingskamer zal wel [B] en Janbe B.V. bevelen hun jaarrekeningen over 2014 en alle volgende jaarrekeningen in te richten met inachtneming van hetgeen de Ondernemingskamer in haar beschikking in deze zaak van 27 februari 2017 en in de onderhavige beschikking heeft overwogen ten aanzien van de gegrond bevonden bezwaren.

3.10

De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen de verschenen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

vernietigt het besluit tot vaststelling van de jaarrekening 2015 van [B] ;

beveelt [B] haar jaarrekening 2014 en alle volgende jaarrekeningen in te richten met inachtneming van hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in haar beschikking van 27 februari 2017 en in de onderhavige beschikking ten aanzien van de gegrond bevonden bezwaren;

beveelt Janbe B.V. haar jaarrekening 2014 en alle volgende jaarrekeningen in te richten met inachtneming van hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in haar beschikking van 27 februari 2017 en in de onderhavige beschikking ten aanzien van het gegrond bevonden bezwaar;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en mr. drs. B.M. Prins RA en mr. drs. G. Boon RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Govers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 juli 2017.