Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3024

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
23-003009-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens o.a. verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en een getuige te twijfelen. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs te bezigen bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003009-16

datum uitspraak: 25 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-741172-15 (zaak A) en 13-741076-16 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Zaak A onder 3 en zaak B onder 2

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 3 en in zaak B onder 2 is tenlastegelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Zaak B onder 1 – bedreiging van [slachtoffer 1]

Het hof leest de in de tenlastelegging van zaak B onder 1 omschreven delicten als impliciet cumulatief tenlastegelegd. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken van de bedreiging van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal hem daarom ook met betrekking tot dit feit niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak ter zake van – kortgezegd – de bedreiging van [slachtoffer 1] op 10 april 2016 te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2016, 11 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover nog inhoudelijk aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

Zaak A (parketnummer 13-741172-15):
1 primair:
hij op of omstreeks 05 augustus 2015 te Amsterdam,althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas en/of een portemonnee en/of een OLVG pas en/of een bankpas en/of een Achmeapas en/of een paspoort en/of een geldbedrag (van 20,- euro) en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 05 augustus 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten (tijdelijk) van voornoemde [slachtoffer 2] te leen had gekregen ( onder gehoudenheid deze terug te geven) , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2:
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 09 augustus 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) (in een woning gelegen aan/bij de [adres 2] ) door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande dat geweld en/of die feitelijkheid/heden en/of bedreiging met geweld uit (voor wat betreft in de woonkamer) -het op agressieve wijze zeggen tegen voornoemde [slachtoffer 2] ; "Kom nu liggen" en/of "Jij blijft hier en je gaat niet weg" en/of "Wat wil je nu neergestoken worden of luisteren?", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of -het op de grond gooien en/of op de bank duwen van voornoemde [slachtoffer 2] en/of -het bij de keel pakken van voornoemde [slachtoffer 2] en/of -het tonen en/of voorhouden van en/of plaatsen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan (en/of op de keel van) voornoemde [slachtoffer 2] en/of -(met kracht) ophoog trekken van de rok van voornoemde [slachtoffer 2] en/of uittrekken van de slip en/of het topje van voornoemde [slachtoffer 2] en/of -het liggen op voornoemde [slachtoffer 2] en/of -(met kracht) trekken aan en/of betasten en/of likken van de borsten van voornoemde [slachtoffer 2] en/of (voor wat betreft in de badkamer) -(met kracht) vastpakken van en/of duwen op de grond en/of tegen een muur en/of tillen op een wasmachinevan voornoemde [slachtoffer 2] en/of -(met kracht) op voornoemde [slachtoffer 2] gaan liggen en/of -(met kracht) uit elkaar duwen van de benen van voornoemde [slachtoffer 2] en bestaande het seksueel binnendringen van het lichaam (telkens) uit het stoppen en/of duwen van zijn, verdachte's penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] ;

Zaak B (parketnummer 13-741076-16):
1:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] eenmaal of meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood." en/of "Jullie gaan dood.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (hoofdagent bij politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (agent bij politie Eenheid Amsterdam) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447E Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, door opzettelijk

de hand van voornoemde verbalisant Eunen vast te pakken terwijl deze verdachte probeerde te boeien en/of

- zijn, verdachtes, arm(en) in de richting van zijn borst te bewegen en/of, - zich in tegenovergestelde richting te bewegen dan voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] hem trachtte(n) te brengen en/of

- zijn bovenlichaam herhaaldelijk weg te draaien en/of

- door het vuurwapen van voornoemde [verbalisant 1] vast te pakken en/of hieraan te trekken, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enig lichamelijk letsel (schrammen op voorhoofd en/of schram op onderarm) bekwam;

4:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [verbalisant 1] (hoofdagent politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (agent politie Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Let maar op, ik maak jullie vanavond nog dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5:
hij op of omstreeks 18 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] (beiden hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen meermalen de woorden toe te voegen: "Jullie hebben echt niks te doen he kankerlijers" en/of "Dat zijn jullie gewoon kanker racisten" en/of "Weet je jullie zijn kankerhomo's", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A onder 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde diefstal van de tas met inhoud van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de bestanddelen ‘wegnemen’ en ‘wederrechtelijke toe-eigening’ niet bewezen kunnen worden.

Oordeel hof

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Op 5 augustus 2015 deed [slachtoffer 2] aangifte van diefstal van spullen uit haar handtas, gepleegd door de verdachte. [slachtoffer 2] was de verdachte tegengekomen in (de buurt van) een belwinkel in [locatie] in Amsterdam. De verdachte pakte haar tas en nam daar haar portemonnee uit om daar vervolgens zonder haar toestemming haar OLVG-pas, bankpas, Achmeapas en paspoort uit weg te nemen (p. 7-8). De verdachte heeft bevestigd die dag in en om die belwinkel te zijn geweest en [slachtoffer 2] daar te hebben gesproken. Een medewerker van die winkel, [naam 2], heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte de tas van [slachtoffer 2] pakte en geeft daarmee steun aan de verklaring van [slachtoffer 2] (p. 186). Ook [getuige] (hierna: [getuige]), destijds een vriend van de verdachte, verklaarde tegenover de politie dat de verdachte een aantal spullen, waaronder het paspoort, van [slachtoffer 2] heeft afgepakt en dat hij de spullen niet terug wilde geven (p. 69-70). De verdachte heeft door aldus te handelen als heer en meester over de goederen van [slachtoffer 2] beschikt. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 2] de spullen vrijwillig aan hem heeft gegeven vindt geen enkele ondersteuning in het dossier.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de OLVG-pas, de bankpas, de Achmeapas en het paspoort van [slachtoffer 2] heeft weggenomen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A onder 2

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de verkrachting van [slachtoffer 2] en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting van [slachtoffer 2] . Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van [slachtoffer 2] , die inhouden dat de verdachte haar heeft verkracht, zijn te onbetrouwbaar om als bewijs te dienen. Voor haar verklaringen is bovendien onvoldoende steunbewijs. Voorschriften uit de destijds geldende ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ (hierna: de Aanwijzing) zijn niet zijn nageleefd, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), hetgeen dient te leiden tot uitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer 2] .

Oordeel hof

Indien al voorschriften uit de Aanwijzing niet zijn nageleefd dan leidt dit niet tot het door de raadsvrouw bepleite gevolg van bewijsuitsluiting. Belangrijke normen die ertoe strekken onbetrouwbare verklaringen van mogelijke slachtoffers van zedenzaken tegen te gaan zijn wel nageleefd. Zo is het verhoor van [slachtoffer 2] van 18 september 2015 audiovisueel geregistreerd, zodat de verdediging heeft kunnen controleren of het verhoor overeenkomstig de regels is verlopen en of het verhoor goed is weergegeven in het proces-verbaal. Bovendien hebben twee bevoegde zedenrechercheurs dit verhoor afgenomen. Uit de antwoorden van [slachtoffer 2] op hun vragen blijkt niet dat zij de strekking van de vragen niet begreep. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van sturend optreden door de zedenrechercheurs.

De raadsvrouw is daarnaast in de gelegenheid gesteld de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] te toetsen bij gelegenheid van haar verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 9 november 2015. De raadsvrouw was daar toen aanwezig en zij heeft daadwerkelijk vragen gesteld aan [slachtoffer 2] . Het door de raadsvrouw gememoreerde tijdsverloop tussen de datum van het tenlastegelegde feit, 9 augustus 2015, en de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen is niet zodanig lang dat dit op zichzelf zou moeten leiden tot onbetrouwbaarheid van die verklaringen. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd noch anderszins ziet het hof enig concreet aanknopingspunt voor beïnvloeding van [slachtoffer 2] door derden.

Dit leidt tot de slotsom dat het hof vindt dat geen normen zijn geschonden waardoor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] is aangetast.

Op grond van het voorgaande en, zo al sprake is van enig onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, de verdachte hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang is getroffen, vormt het bepaalde in artikel 359a Sv geen grond voor bewijsuitsluiting. Ook overigens ziet het hof in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd geen grond de verklaringen van [slachtoffer 2] bij de bewijsbeslissing buiten beschouwing te laten.

Het hof acht de door de raadsvrouw naar voren gebrachte inconsistenties – wat daarvan ook zij – niet van doorslaggevend belang en deze doen niet af aan de kern van de verklaring van [slachtoffer 2] , die op hoofdlijnen duidelijk en consistent is.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de verklaringen van getuige [getuige] eveneens betrouwbaar en geloofwaardig en ziet het in het dossier noch in hetgeen is aangevoerd aanleiding om aan die betrouwbaarheid of geloofwaardigheid te twijfelen. [getuige] heeft, in het bijzonder waar het niet zijn eigen eventuele betrokkenheid betreft, consequent en gedetailleerd verklaard over gedragingen van de verdachte en [slachtoffer 2] in zijn woning op 9 augustus 2015. Zijn verklaringen vinden daarenboven op verschillende onderdelen in belangrijke mate steun in overig bewijs; bijvoorbeeld in de camerabeelden van de voordeur van het pand waarin hij woonde.

Anders dan de raadsvrouw is het hof mede op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs te bezigen bewijsmiddelen, in het bijzonder:

  • -

    de verklaringen van [getuige]; hij heeft met name verklaard dat de verdachte in de vroege ochtend van 9 augustus 2015 zijn woning aan de [adres 2] te Amsterdam betrad en direct daarop gebaren maakte naar [slachtoffer 2] , dat zij samen naar de woonkamer gingen en tevens dat de getuige de ontklede verdachte heeft gezien terwijl deze in de woonkamer voor de bank stond waar [slachtoffer 2] op zat;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 5] en [verbalisant 6], waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] op 9 augustus 2015 rond 10.00 uur de woning waar zij was verkracht heeft aangewezen, waar [getuige] ook daadwerkelijk bleek te wonen. Voorts komt de beschrijving die [slachtoffer 2] van de woning heeft gegeven overeen met de situatie zoals deze door de verbalisanten ter plaatse is waargenomen;

  • -

    de verklaring van de verdachte zelf, voor zover daaruit volgt dat hij op 9 augustus 2015 omstreeks 8.00 uur naar de woning van [getuige] is gegaan en direct daarop [slachtoffer 2] naar de kamer heeft geroepen en na een korte discussie seks met haar heeft gehad.

Conclusie

Het hof ziet samengevat geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige] te twijfelen en acht voldoende wettig bewijs voorhanden. Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de in zaak A onder 2 ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B onder 3 en 4

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat de verbalisanten niet hebben gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewone opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie).

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het door de verdachte gepleegde verzet bij zijn aanhouding op 10 april 2016 evenals van de daarbij tegen de verbalisanten geuite bedreigingen, omdat geen sprake is geweest van een rechtmatige uitoefening van de bediening van de verbalisanten.

Oordeel hof

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verbalisanten niet hebben gehandeld in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie. In dat artikel is bepaald dat de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd ten behoeve van het vervoer handboeien mag aanleggen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar op ontvluchting of met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Uit de omstandigheden zoals die in het dossier naar voren komen blijkt dat de verbalisanten de verdachte aantroffen terwijl hij in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde en hij stond te schreeuwen naar een vrouw op een balkon. Nadat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte om zijn legitimatiebewijs had gevraagd, verklaarde de verdachte dat hij dit niet had. De verbalisanten moesten vervolgens de verdachte beletten om eigenhandig in het dienstvoertuig te stappen. Toen de verdachte nogmaals werd gevorderd zijn legitimatiebewijs te tonen en hieraan wederom niet voldeed besloten de verbalisanten hem aan te houden. Gelet op het feit dat de verdachte kennelijk onder invloed was van alcohol en gelet op het hiervoor beschreven gedrag, besloten de verbalisanten bij de verdachte transportboeien aan te leggen. De verbalisanten hebben onder deze omstandigheden de beoordelingsvrijheid tot het verrichten van bepaalde handelingen die de Ambtsinstructie hen geeft niet overschreden en zij hebben dan ook gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het optreden van de verbalisanten is niet disproportioneel.

Dit leidt ertoe dat de tot vrijspraak strekkende verweren van de raadsvrouw eveneens worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (parketnummer 13-741172-15):
1 primair:
hij op 5 augustus 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een OLVG-pas, een bankpas, een Achmeapas en een paspoort toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

2:
hij op 9 augustus 2015 te Amsterdam in een woning gelegen aan de [adres 2] door geweld en feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande dat geweld en die feitelijkheden uit

- het op agressieve wijze zeggen tegen voornoemde [slachtoffer 2] “Kom nu liggen” en “Jij blijft hier en je gaat niet weg” en

- het op de bank duwen van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het bij de keel pakken van voornoemde [slachtoffer 2] en

- ( met kracht) omhoog trekken van de rok van voornoemde [slachtoffer 2] en uittrekken van de slip en/of het topje van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het liggen op voornoemde [slachtoffer 2] en

bestaande het seksueel binnendringen van het lichaam uit het duwen van zijn, verdachtes penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] ;

Zaak B (parketnummer 13-741076-16):
1:
hij op 10 april 2016 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je dood”;

3:
hij op 10 april 2016 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (hoofdagent bij politie-eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (agent bij politie-eenheid Amsterdam) verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door opzettelijk

- de hand van voornoemde verbalisant Eunen vast te pakken terwijl deze verdachte probeerde te boeien en

- zijn arm in de richting van zijn borst te bewegen en,

- zich in tegenovergestelde richting te bewegen dan voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem trachtten te brengen en

- zijn bovenlichaam herhaaldelijk weg te draaien en

- door het vuurwapen van voornoemde [verbalisant 1] vast te pakken en hieraan te trekken,

tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enig lichamelijk letsel (schrammen op zijn voorhoofd en een schram op zijn onderarm) bekwam;

4:
hij op 10 april 2016 te Amsterdam [verbalisant 1] (hoofdagent politie-eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (agent politie-eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Let maar op, ik maak jullie vanavond nog dood”;

5:
hij op 18 juli 2015 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (beiden hoofdagent van politie-eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: “Kankerlijers” en “Dat zijn jullie gewoon kankerracisten” en “Jullie zijn kankerhomo's”.

Hetgeen in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B onder 1, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Het in zaak B onder 1 en in zaak B onder 4 bewezen verklaarde levert op:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het in zaak B onder 5 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan is in het bijzonder het volgende meegewogen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van onder andere het paspoort en de bankpas van het slachtoffer. Toen zij naar de woning van zijn vriend was gekomen om die weggenomen spullen op te halen, heeft de verdachte haar in die woning verkracht, waarbij hij haar onder meer bij haar keel heeft gepakt. De verdachte heeft op volstrekt respectloze wijze en met een verwerpelijk machtsvertoon ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Daar komt bij dat deze vrouw beschikte over een beperkt cognitief vermogen en dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van deze ongelijkwaardige en kwetsbare positie. Verkrachtingen hebben een grote impact op slachtoffers en brengen gevoelens van onveiligheid en machteloosheid met zich mee die vaak een langdurige doorwerking hebben in het leven van slachtoffers.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan twee bedreigingen, wederspannigheid en het beledigen van politieambtenaren in functie. Uit de gedragingen van de verdachte en de woorden die hij tegen de politieambtenaren heeft geuit komt het beeld naar voren dat de verdachte geen respect voor hen heeft of voor het gezag dat zij vertegenwoordigen. De verdachte heeft ook geen enkel inzicht getoond in de strafwaardigheid en ernst van zijn handelen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2017 is hij eerder voor verschillende strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt het hof ten nadele van de verdachte mee. De verdachte heeft een inreisverbod opgelegd gekregen en heeft in Nederland geen legale verblijfsstatus.

Het oriëntatiepunt voor verkrachting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De overige bewezenverklaarde feiten, de eerdere veroordelingen alsmede de hiervoor omschreven bijzondere ernst van het handelen van de verdachte en zijn houding ten opzichte daarvan in het onderhavige geval rechtvaardigen een straf die aanzienlijk boven deze 24 maanden uitgaat.

Van bijzondere omstandigheden die in het voordeel van de verdachte moeten worden gewogen, is het hof niet gebleken. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding om de verdachte, zoals de raadsvrouw had verzocht, een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen dan door de advocaat-generaal is geëist. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de status van verdachte als ongewenst vreemdeling, waardoor hij niet in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling of strafonderbreking, ziet het hof evenmin aanleiding om daartoe te besluiten.

Het hof is alles overwegende, ook gelet op het belang van speciale preventie, van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, een passende en geboden reactie vormt op het verwerpelijke handelen van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat mr. Monster niet uitdrukkelijk was gevolmachtigd om een vordering in te dienen namens [slachtoffer 2] en dat [slachtoffer 2] de vordering niet had ondertekend. De rechtbank heeft desondanks de schade van [slachtoffer 2] begroot op € 3.000 en de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag opgelegd op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 3.500 wordt toegewezen.

Over de ontvankelijkheid van [slachtoffer 2] als benadeelde partij overweegt het hof, mede naar aanleiding van hetgeen door de advocate van de benadeelde partij in hoger beroep is aangevoerd, dat indien al niet op het juiste moment aan alle formaliteiten is voldaan voor iedere procespartij zonneklaar is dat [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij wilde voegen in het strafproces. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij de vordering ontvankelijk acht en dat zij zich ten aanzien van de hoogte van de vordering refereert aan het oordeel van het hof. Alles afwegende leidt dit tot de slotsom dat de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2] op correcte wijze is ingediend en dat zij in haar vordering kan worden ontvangen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd, is het causale verband tussen het bewezenverklaarde en de aangevoerde psychische schade van de benadeelde partij niet dusdanig onduidelijk dat op die grond matiging zou moeten plaatsvinden van de toe te kennen vergoeding. Het betreft een ernstig strafbaar feit waarmee een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het kwetsbare slachtoffer en dat diep ingrijpt in haar persoonlijke levenssfeer. De schade zal met inachtneming van het voorgaande naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 4.000, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Het hof bepaalt overeenkomstig de vordering dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2015. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Beslag

Het hof is van oordeel dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, een mes met zwartkleurig handvat, dient te worden teruggegeven aan [getuige] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 181, 242, 266, 267, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A met parketnummer 13-741172-15 onder 3 ten laste gelegde, in zaak B met parketnummer 13-741076-16 onder 2 ten laste gelegde en voor zover dit is gericht tegen de in zaak B onder 1 impliciet cumulatief ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 1] op 10 april 2016 te Amsterdam.

Vernietigt voor zover nog inhoudelijk aan de orde het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A met parketnummer 13-741172-15 onder 1 primair en 2 en in zaak B met parketnummer 13-741076-16 onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A met parketnummer 13-741172-15 onder 1 primair en 2 en in zaak B met parketnummer 13-741076-16 onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [getuige] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes met zwartkleurig handvat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in zaak A met parketnummer 13-741172-15 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.000 (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in zaak A met parketnummer 13-741172-15 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.000 (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2017.

mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Duker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

.