Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3023

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
23-001315-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor inbraak in een kapsalon in Amsterdam. De verzoeken die de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001315-16

datum uitspraak: 25 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-701525-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres 1]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de P.I. Flevoland, HvB Almere Binnen te Almere.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2017, 11 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een kapsalon een paar schoenen en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voornoemde goederen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer ruiten van voornoemde kapsalon.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 maart 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een kapsalon een paar schoenen en een geldbedrag toebehorende aan [bedrijf] en [benadeelde 1], waarbij hij, verdachte, die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van voornoemde kapsalon.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

Op 20 maart 2016 rond 03.05 uur heeft de getuige [getuige] bij de politie melding gedaan van een inbraak aan de Overtoom, perceel 530-H te Amsterdam, waarbij een man betrokken zou zijn. Deze getuige hoorde op 20 maart 2016 op de Overtoom in Amsterdam een ruit sneuvelen toen hij met zijn scooter voorbij reed. [getuige] zag vervolgens een man door de opening bij die kapotte ruit de kapperszaak binnengaan, waarna hij is gestopt en telefonisch contact heeft opgenomen met het alarmnummer 112. [getuige] heeft vervolgens contact gehouden met de meldkamer van de politie. Nadat de inbreker de kapperszaak had verlaten, is [getuige] hem op straat blijven volgen. Toen de politie ter plaatse kwam, heeft [getuige] de verdachte aangewezen als de man die even daarvoor de kapperszaak had betreden. De verbinding met de meldkamer is verbroken. Daarop is de verdachte, die later [verdachte] bleek te heten, om 03.15 uur ter hoogte van het [adres 2] in Amsterdam aangehouden. Op dat moment liep er verder niemand in die straat.

Toen een verbalisant omstreeks 13.50 uur ging zoeken naar het geldbedrag dat volgens aangeefster [benadeelde 2] was meegenomen, in totaal € 53,85, trof de verbalisant ter hoogte van het [adres 2], de plaats waar de verdachte was aangehouden, naast het trottoir en onder een auto een tasje aan, dat zowel een geldbedrag van € 53,10 bevatte als een paar schoenen. Aangeefster [benadeelde 2] heeft de schoenen als haar eigendom herkend.

Gelet op de getuigenverklaring van [getuige], de korte tijdspanne tussen de beschreven waarnemingen vanaf het moment van de inbraak tot het moment van de aanhouding van de verdachte en het aantreffen van de buit van de inbraak, vlakbij de plaats waar de verdachte is aangehouden, is het hof van oordeel dat de verdachte de inbreker in de kapperszaak is geweest.

Het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, dat mogelijk een persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden omdat de verdachte niet voldeed aan het door [getuige] gegeven signalement, acht het hof onaannemelijk.

De getuige heeft verklaard dat hij de inbreker voortdurend is gevolgd tot het moment van diens aanhouding. De getuige, noch de spoedig na de melding gearriveerde verbalisanten, hebben in de omgeving van de plaats van die aanhouding een andere persoon gezien, laat staan iemand die zou kunnen voldoen aan het aanvankelijk door [getuige] opgegeven signalement. Het dossier bevat ook overigens geen gegevens die erop wijzen dat er iemand in de buurt was die bovendien voldeed aan dat signalement, noch dat [getuige] de inbreker niet continu zou zijn gevolgd.

Het hof constateert met de raadsman dat de verdachte niet volledig aan het door [getuige] opgegeven signalement van de dader voldoet. Zo heeft de getuige de leeftijd van de inbreker geschat op ongeveer 25 jaar, terwijl de verdachte aanzienlijk ouder is. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. De getuige heeft de inbreker ’s nachts gezien en diens gezicht niet goed waargenomen, daarom valt niet uit te sluiten dat hij diens leeftijd niet goed kon schatten. Bovendien is het schatten van iemands leeftijd een subjectieve aangelegenheid en kan dit enkele gegeven niet worden aangemerkt als onderscheidend of een allesbepalend criterium bij het antwoord op de vraag of een aangehouden verdachte voldoet aan het door een getuige opgegeven signalement, te minder nu een aantal van de overige door die getuige vermelde kenmerken wel met de verdachte overeenkwamen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt verworpen.

Beslissing op verzoeken van de raadsman

Gang van zaken met betrekking tot de onderzoekswensen

In hoger beroep heeft de raadsman bij brief van 8 april 2016 en op de voet van artikel 411a Sv verschillende onderzoekswensen ingediend, genummerd van 1 tot en met 5. Daarop is niet beslist, waarna de raadsman de verzoeken ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2016 heeft herhaald.

Het hof heeft de verzoeken 1 tot en met 4 toen afgewezen omdat de noodzaak van het onderzoek niet was gebleken en heeft het verzoek onder 5 in zoverre toegewezen dat een aanvullend proces-verbaal zou worden opgemaakt over de rugtas die de verdachte ten tijde van de aanhouding bij zich zou hebben gedragen. Een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt en aan de stukken toegevoegd ter terechtzitting van 21 maart 2017.

Op die zitting is het onderzoek opnieuw aangevangen en heeft de raadsman aangekondigd zijn verzoeken opnieuw te willen doen, waarop het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst. Bij brief van 9 april 2017 heeft de raadsman de verzoeken herhaald, daartoe verwijzend naar zijn oorspronkelijke verzoeken, en deze nader toegelicht. Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2017 heeft de raadsman zijn aldus opnieuw gedane verzoeken herhaald.

Beoordeling en beslissing

Uit het wettelijk systeem vloeit voort dat het noodzaakscriterium op deze verzoeken van toepassing is. Het hof ziet, anders dan de raadsman, in de hiervoor omschreven gang van zaken geen grond om van het wettelijk systeem af te wijken. Mede gelet op hetgeen blijkt uit het dossier en op de omstandigheid dat de raadsman in eerste aanleg bij de rechter-commissaris op 29 maart 2016 in de gelegenheid is geweest om vragen te stellen aan de getuige [getuige], ziet het hof geen noodzaak de verzoeken 1 tot en met 4 alsnog toe te wijzen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het telefoongesprek tussen deze getuige en de meldkamer van de politie heeft geduurd van ongeveer 03.05 uur tot 03.15 uur, terwijl ook gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de onderbouwing van het verzoek niet valt in te zien waarom het noodzakelijk is, voor zover al mogelijk, onderzoek te doen naar de GSM-locaties van de telefoon van de getuige en de precieze inhoud van zijn gesprek met de meldkamer.

Ten aanzien van het vijfde verzoek merkt het hof nog op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij bij zijn aanhouding een laptoptas bij zich droeg, dus niet dat hij een rugtas bij zich droeg, zoals de raadsman ter onderbouwing van dit verzoek had aangevoerd. Het verzoek mist in zoverre dus ook feitelijke grondslag.

Ook overigens ziet het hof geen noodzaak om tot toewijzing van de verzoeken te komen en deze worden dus afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in een kapsalon en hiermee getoond dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. Bovendien heeft hij materiële schade en overlast veroorzaakt voor de eigenaresse van de kapsalon, die de door de verdachte ingeslagen ruit heeft moeten laten vervangen. Feiten als het onderhavige brengen daarnaast bij burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof houdt ten nadele van de verdachte rekening met het feit dat de diefstal plaats heeft gevonden tijdens de nachtelijke uren. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2017 is hij bovendien meermalen voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Van bijzondere omstandigheden die in het voordeel van de verdachte moeten worden gewogen, is het hof niet gebleken. Gelet op de ernst van het feit kan dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden komen voldoende tot uitdrukking in de gevorderde straf. Het hof zal daarom de strafeis van de advocaat-generaal volgen.

Vordering benadeelde partij

De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, onder meer omdat de vordering geen schadebedrag vermeld. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de vordering in zoverre evenmin aangevuld. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof een beslissing op enige vordering tot schadevergoeding in dit arrest achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. W.M.C. Tilleman en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

25 juli 2017.

mr. M.J.A. Duker en mr. F.M.D. Aardema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]