Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3022

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
23-004072-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de tenlastelegging niet zonder grondslagverlating zo kan worden gelezen dat naast een straatroof de verdachte (ook) een ‘kale’ diefstal wordt verweten.

De subsidiair tenlastegelegde opzetheling kan wel worden bewezenverklaard; uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de in de tenlastelegging bedoelde jas. Gelet op hetgeen in HR 30 oktober 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD5149, rechtsoverweging 3.2) is bepaald kan hij niet worden aangemerkt als heler van de door hem zelf gestolen jas. De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004072-16

datum uitspraak: 25 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-654116-16 en 13-006323-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep, na afsplitsing in eerste aanleg van het onder 3 ten laste gelegde – ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 01 juli 2016 te Amsterdam, op het Damrak, in elk geval op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Iphone en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een (zwarte lederen) jas (met als inhoud een zonnebril en/of een sleutelbos en/of kauwgom en/of oordopjes en/of een oplader) en/of een of meer ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] in zijn rug heeft/hebben geduwd en/of aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of de jas van die [slachtoffer] heeft/hebben afgetrokken en/of de kettingen van die [slachtoffer] van zijn hals/nek heeft/hebben afgetrokken (waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en/of meermalen, in elk geval eenmaal tegen een been, in elk geval tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt;

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 01 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (zwarte lederen) jas (met als inhoud een zonnebril en/of een sleutelbos en/of kauwgom en/of een oplader en/of oordopjes en/of een aansteker en/of 15 eurocent en/of pepermuntjes en/of een bonnetje) heeft/hebben verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist/wisten, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 01 juli 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een (zwarte lederen) jas (met als inhoud een zonnebril en/of een sleutelbos en/of kauwgom en/of een oplader en/of oordopjes en/of een aansteker en/of 15 eurocent en/of pepermuntjes en/of een bonnetje), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als bewaarder, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal interpreteert het onder 1 primair tenlastegelegde op die manier dat de verdachte daar ook de enkele diefstal van de jas van [slachtoffer] gepleegd op 1 juli 2016 te Amsterdam is ten laste gelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 primair ten laste gelegde diefstal zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde en nadere bewijsoverweging ten aanzien van het overige tenlastegelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft aangevoerd dat de verdachte geen medepleger is van de straatroof omdat deze door twee anderen is gepleegd. De tenlastegelegde diefstal ziet uitsluitend op de diefstal met geweld door twee anderen en niet op de handeling van de verdachte, die hierna de jas van het slachtoffer heeft opgeraapt en onder zijn jas gedaan. Van enige betrokkenheid van de verdachte bij de twee daders van de straatroof is niet gebleken. De grondslag van de tenlastelegging zou worden verlaten indien het hof de verdachte veroordeelt voor diefstal van de jas. Evenmin heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling of verduistering van de jas, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht gelet op de stukken in het dossier en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in hoger beroep de onbekend gebleven NN1 en NN2 verantwoordelijk voor de straatroof op 1 juli 2016 in Amsterdam, waarvan [slachtoffer] het slachtoffer is geworden. De tenlastelegging van de diefstal met geweld is in haar geheel toegeschreven op de handelingen van NN1 en NN2. Deze personen zouden op grond van de bewijsmiddelen in het dossier met uitsluiting van enig ander hiervoor veroordeeld kunnen worden.

De verdachte, die in het dossier NN3 wordt genoemd, en zijn metgezel Strijdhaftig, die is herkend als NN4, hebben daarin geen aandeel gehad. De verdachte heeft bekend dat hij na de straatroof de jas van het slachtoffer, die op straat was terechtgekomen, heeft opgepakt en onder zijn eigen jas heeft verborgen.

Dat feit is echter niet als zodanig in de tenlastelegging omschreven en gelet op de in te tenlastelegging vermelde samenhang tussen de diefstal en de geweldshandelingen jegens het slachtoffer evenmin als zodanig in te lezen in het tenlastegelegde wegnemen.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de tenlastelegging niet zonder grondslagverlating zo kan worden gelezen dat hierin de verdachte (ook) de ‘kale’ diefstal van de jas van [slachtoffer] op 1 juli 2016 te Amsterdam wordt verweten.

Dat het voor de verdachte gelet op het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep duidelijk is geworden hoe de tenlastelegging volgens het openbaar ministerie moest worden uitgelegd, maakt dat gelet op het hiervoor overwogene niet anders.

Dit verweer van de raadsman slaagt.

Bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 juli 2016 te Amsterdam een (zwarte lederen) jas (met als inhoud een zonnebril en een sleutelbos en kauwgom en een oplader en oordopjes) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

Nadere overwegingen en strafbaarheid van het feit

De onder 1 subsidiair tenlastegelegde opzetheling kan wel worden bewezenverklaard; uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de in de tenlastelegging bedoelde jas.

Gelet op hetgeen in HR 30 oktober 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD5149, rechtsoverweging 3.2) is bepaald kan hij niet worden aangemerkt als heler van de door hem zelf gestolen jas. De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde kan evenmin tot een bewezenverklaring leiden omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte de jas anders dan door misdrijf onder zich had.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de tenuitvoerlegging van deze vordering gevorderd, met omzetting van de gevangenisstraf in een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, wordt de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd en ontslaat hem ter zake daarvan van alle rechtsvervolging.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 5 juli 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2016, parketnummer 13-006323-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2017.

mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Duker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]