Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:302

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
23-002274-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:4763
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstal met geweld in vereniging van een auto met bagage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002274-14

datum uitspraak: 31 januari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15/840073-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

postadres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is, voor zover in hoger beroep aan de orde, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

2 primair:
hij op of omstreeks 18 maart 2012 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Fiat Brava, kleur: blauw, kenteken: [kenteken]) en/of een autosleutel (horende bij deze Fiat Brava) en/of (onder meer) twee zwarte koffers (met reizigersbagage) en/of een roze tas (met babyspullen en/of een portemonnee) en/of een geldbedrag (van ongeveer 3.000 euro) en/of een mobiele telefoon (merk Blackberry) en/of een mobiele telefoon (merk Nokia) en/of een TomTom, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- ( bij de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gepakt en/of de slede naar achteren heeft/hebben gehaald en/of op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of

- die [slachtoffer 4] bij zijn nek en/of haren heeft/hebben (vast)gepakt en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezet en/of gericht althans in de richting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] gehouden, althans daarbij in de hand gehouden en/of

- die [slachtoffer 2] bij haar nek en/of haar haren heeft/hebben (vast)gepakt en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in haar zij heeft/hebben geduwd, althans tegen haar zij heeft/hebben gehouden en/of op/tegen haar hoofd gezet/gericht, althans in de richting van haar lichaam/hoofd gehouden, althans daarbij in de hand gehouden en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of meermalen, althans éénmaal, geschopt en/of geslagen en/of

- de autosleutel(s) van de auto van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgepakt van die [slachtoffer 1] en/of

- met de auto van die [slachtoffer 1] tegen die [slachtoffer 1] is/zijn aangereden, waardoor die [slachtoffer 1] op de grond viel;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 18 maart 2012 te Den Haag, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Erasmusweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit

- het pakken van een vuurwapen en/of het naar achteren halen van de slede en/of het op die [slachtoffer 1] richten van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- het bij de nek en/of haren (vast)pakken van die [slachtoffer 4] en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] zetten/richten, althans in de richting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] houden, althans het daarbij in de hand houden en/of

- het bij de nek en/of haren (vast)pakken van die [slachtoffer 2] en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in haar zij duwen, althans tegen haar zij houden en/of het op/tegen haar hoofd zetten/richten, althans in de richting van haar lichaam/hoofd houden, althans het daarbij in de hand houden en/of

- het vastpakken en/of meermalen, althans éénmaal schoppen en/of slaan van die [slachtoffer 1];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging en bespreking van verzoeken van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. Voor zover het hof zijn verklaringen wel tot bewijs zou willen gebruiken, heeft de raadsman verzocht [slachtoffer 1] nader te horen. Voorts heeft de raadsman verzocht [slachtoffer 2] nader te horen indien het hof haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg aldus begrijpt dat zij de verdachte heeft aangewezen als een van degenen die in Den Haag het tenlastegelegde zouden hebben begaan.

Het hof overweegt als volgt. Met de raadsman en de rechtbank is het hof van oordeel dat [slachtoffer 1] op bepaalde punten wisselend heeft verklaard. Dat laat onverlet dat zijn verklaringen deels steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voor zover dit laatste het geval is, heeft het hof geen reden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen te twijfelen en zal het deze verklaringen tot het bewijs bezigen. Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat [slachtoffer 1] reeds eerder extensief in het bijzijn van de verdediging is bevraagd – zowel door de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg – ziet het hof, ook niet in hetgeen de raadsman ter motivering van zijn verzoek heeft aangevoerd, geen noodzaak [slachtoffer 1] nogmaals als getuige te horen. Het hof wijst het verzoek af.

Het hof wijst ook het verzoek tot het horen van [slachtoffer 2] af, nu daartoe de noodzaak ontbreekt. Naar het oordeel van het hof kan de verklaring van deze getuige ter terechtzitting in eerste aanleg, in samenhang met haar overige verklaringen, niet anders worden begrepen dan dat zij de verdachte heeft herkend als een van de daders van hetgeen in Den Haag is voorgevallen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 maart 2012 te Den Haag tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, Fiat Brava, kleur: blauw, kenteken: [kenteken], een autosleutel, behorende bij deze Fiat Brava, twee koffers met reizigersbagage, een mobiele telefoon, merk Blackberry, een mobiele telefoon, merk Nokia, en een TomTom, toebehorende aan [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- een vuurwapen hebben gepakt en

- die [slachtoffer 4] bij zijn nek hebben vastgepakt en

- die [slachtoffer 2] bij haar nek en/of haar haren hebben gepakt en een vuurwapen tegen haar zij hebben gehouden en

- die [slachtoffer 1] hebben vastgepakt en meermalen geschopt en geslagen.

Hetgeen onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zeer brutale beroving. Daarbij is op de openbare weg en in aanwezigheid van kinderen geweld gebruikt en gedreigd met een vuurwapen. Eén van die kinderen – een jongen van elf jaren oud, zoon van [slachtoffer 1] – is daarbij bij zijn nek vastgepakt. Bij diens vader, [slachtoffer 1], is voorts letsel ontstaan als gevolg van het op hem toegepaste geweld. De verdachte en zijn mededaders hebben aldus op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Voorts worden door dergelijke gedragingen in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid en vrees versterkt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 januari 2017 is hij eerder veelvuldig ter zake van zowel vermogens- als geweldsdelicten veroordeeld, onder meer tot vrijheidsstraffen van aanzienlijke duur. Ook dit weegt zeer in het nadeel van de verdachte.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur dan de duur van het reeds ondergane voorarrest met zich brengt. Het hof acht in beginsel, anders dan de advocaat-generaal, een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd op zijn plaats, maar is gelet op het tijdsverloop van oordeel dat thans moet worden volstaan met een gevangenisstraf van gelijke duur.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Het hof constateert echter dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens en de Fundamentele Vrijheden is overschreden, nu namens de verdachte op 2 juni 2014 hoger beroep is ingesteld en het hof op 31 januari 2017 arrest wijst. Deze termijnoverschrijding is grotendeels, doch niet geheel, aan de verdediging te wijten, aangezien het onderzoek ter terechtzitting zowel op 26 juni 2015 als op 22 oktober 2015 op verzoek van de raadsman is geschorst, terwijl de zaak op die respectieve data voor inhoudelijke behandeling geappointeerd was. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de op te leggen gevangenisstraf met één maand te verminderen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft daarom in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, hoofdelijk, zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft daarom in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, hoofdelijk, zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R.A.F. Gerding en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 januari 2017.