Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3018

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
23-002489-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

twee keer diefstal paspoort, verduistering en opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, bewijsverweren, strafmaat, TUL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002489-16

datum uitspraak: 25 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702134-16 en 13-654192-10 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1. subsidiair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een paspoort heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door diefstal in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof;

1. meer subsidiair:
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2 primair:
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 14 juni 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2
subsidiair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 14 juni 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een paspoort heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof;

2
meer subsidiair:
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 14 juni 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toege-ëigend;

3
primair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad
- 2080,83 euro en/of
- 10000 Chileens briefgeld en/of
- twee Chileense identiteitskaarten en/of
- een creditcard,
terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3 subsidiair:
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk
- 2080,73 euro en/of
- 10000 Chileens briefgeld en/of
- 2 Chileense identiteitskaarten en/of
- een creditcard,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4:
hij op of omstreeks 17 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een paspoort, door dit document ter controle van zijn identiteit aan (een) opsporingsambtena(a)r(en) te tonen en/of te overhandigen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring, een andere straf en een andere beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking bewijsverweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende bewijsverweren gevoerd.

Feit 1

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd nu de verdachte zich het paspoort van [slachtoffer 1] niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. [slachtoffer 1] was er immers mee bekend dat de verdachte diens paspoort bij zich had en had daar ook mee ingestemd. De verdachte wilde het paspoort van [slachtoffer 1] enkel tot aan de zomervakantie gebruiken; hij stond gesignaleerd en probeerde op deze manier gedurende het schooljaar uit handen van justitie te blijven. De verdachte was van plan het paspoort, nadat het schooljaar tot een einde zou zijn gekomen, aan [slachtoffer 1] terug te geven. Hij heeft het document enkel gebruikt.

Feit 2

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd nu de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad zich het paspoort van [slachtoffer 2], met wie hij tezamen op een kamer van Stay Okay verbleef, wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte heeft dit paspoort toen hij zijn eigen spullen verzamelde per ongeluk vanaf de tafel in de gemeenschappelijk kamer meegenomen en vervolgens bij zich gestoken.

Feit 3 subsidiair

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan hem onder feit 3 subsidiair ten laste is gelegd. Er is geen aangifte van vermissing of diefstal van het geld en de documenten. De verdachte heeft deze ontvangen van zijn werkgever met de opdracht deze weg te gooien. Hier was het echter nog niet van gekomen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hiertoe als volgt.

Feit 1

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Op 17 juni 2016 heeft de verdachte zich na staandehouding gelegitimeerd met het paspoort van [slachtoffer 1]. Nog diezelfde dag werd aan de hand van vingerafdrukken vastgesteld dat het niet [slachtoffer 1] betrof maar de verdachte [verdachte]. Een dag later heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal c.q. vermissing van zijn paspoort. [slachtoffer 1] kon bij zijn aangifte niet precies aangeven sinds wanneer hij zijn paspoort kwijt is, in ieder geval al enkele weken. De verdachte heeft, in de periode voorafgaand aan de aangifte van [slachtoffer 1], een tweetal maanden bij [slachtoffer 1] en diens moeder onderdak genoten. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 1] ermee bekend was dat de verdachte diens paspoort onder zich hield en hierover mocht beschikken zoals hij heeft gedaan, vindt geen enkele steun in het dossier. Sterker nog; deze vindt zijn weerlegging in het feit dat er aangifte is gedaan door [slachtoffer 1] van diefstal/vermissing en vindt bovendien zijn weerlegging in de verklaring die de verdachte eerder bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, te weten dat [slachtoffer 1] niet wist dat de verdachte diens paspoort op zak had. Het hof schuift derhalve de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, inhoudende dat [slachtoffer 1] op de hoogte was van en ingestemd had met het feit dat diens paspoort bij de verdachte was, als onaannemelijk terzijde en is van oordeel dat de verdachte zich het paspoort van [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Feit 2

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af. Op 14 juni 2016 heeft [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn paspoort uit een locker op een (6 persoons)kamer in hostel StayOkay diezelfde dag. [slachtoffer 2] deelde deze kamer met vier vrienden en een hem onbekende man. Toen [slachtoffer 2] en zijn vrienden deze kamer rond 18.00 uur verlieten, verbleef de onbekende man daar nog. [slachtoffer 2] had voordien zijn waardevolle spullen opgeborgen in de locker op zijn kamer, welke wordt afgesloten met een slot en de kamer kan slechts met een pasje worden betreden. Bij terugkomst van [slachtoffer 2] en zijn vrienden die avond op hun kamer in de hostel, bleek de locker opengebroken en was (onder meer) het paspoort van [slachtoffer 2] verdwenen. Ook de onbekende man was verdwenen. Deze bleek zich bij het inchecken te hebben gelegitimeerd als [slachtoffer 1] en te hebben betaald met een credit card op naam van de verdachte zelf. De verdachte heeft bekend dat hij op 14 juni 2016 onder de naam [slachtoffer 1] heeft ingecheckt bij een hostel bij het Vondelpark en heeft betaald voor een overnachting, maar dat hij nog dezelfde middag/avond het hostel weer heeft verlaten. Hij was op 14 juni 2016 op de kamer – waar ook nog anderen verbleven – geweest. Drie dagen later, op 17 juni 2016 werd bij fouillering van de verdachte het paspoort van [slachtoffer 2] aangetroffen. Diens verklaring dat hij het paspoort per abuis heeft meegenomen en in zijn achterzak heeft gestoken wordt door het hof als ongeloofwaardig terzijde geschoven, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verdachte het paspoort op 17 juni 2016, derhalve 3 dagen later – nog bij zich had. Het hof is van oordeel dat verdachte zich het paspoort van de [slachtoffer 2] met opzet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Gelet op de aanwezigheid van de verdachte in de kamer waar ook de aangever en zijn vrienden verbleven op 14 juni 2016 is het hof van oordeel dat de verdachte toen het paspoort van [slachtoffer 2] heeft meegenomen.

Feit 3 subsidiair

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. Op 17 juni 2016 is de verdachte op het Centraal Station Amsterdam door verbalisant [verbalisant] gefouilleerd. In de fouillering van de verdachte is het volgende aangetroffen: 1000 Chileense peso’s, twee Chileense identiteitskaarten op naam van respectievelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], een Chileense creditcard op naam van [slachtoffer 3] alsmede € 2800,00 in contanten. Vaststaat dat de op naam gestelde identiteitskaarten en de creditcard niet aan de verdachte toebehoren. Nu de Chileense valuta tezamen met de Chileense identiteitskaarten en de creditcard bij de verdachte, die niet over de Chileense nationaliteit beschikt, zijn aangetroffen, gaat het hof er van uit dat ook deze valuta niet aan de verdachte toebehoren. De verdachte heeft verklaard dat hij de Chileense goederen van zijn werkgever, een hoteleigenaar, heeft gekregen met de opdracht deze weg te gooien omdat deze geen waarde zouden vertegenwoordigen, maar dat hij er nog niet aan toe was gekomen deze opdracht uit te voeren. De verdachte is in gebreke gebleven de naam van zijn werkgever dan wel de naam van het hotel te noemen, zodat zijn verklaring niet verifieerbaar is. Het hof acht de niet onderbouwde verklaring van de verdachte onaannemelijk en schuift deze terzijde. Nu de Chileense goederen niet aan de verdachte toebehoren had het op zijn weg gelegen deze, nadat hij deze had verkregen, zo spoedig mogelijk aan de autoriteiten te overhandigen opdat deze konden worden terug bezorgd aan de rechtmatige eigenaren. In plaats daarvan liep de verdachte met deze items op het Centraal Station en was hij blijkens zijn eigen verklaring op weg naar Rotterdam om daar een scooter aan te kopen. Hiermee heeft de verdachte als heer en meester over de Chileense goederen beschikt en acht het hof bewezen dat de verdachte deze heeft verduisterd. Het hof zal de verdachte vrijspreken van verduistering van de bij hem aangetroffen Euro’s nu niet is komen vast te staan dat deze aan een ander dan de verdachte toebehoren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:

hij op enig tijdstip in de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paspoort, toebehorende aan A. [slachtoffer 1];

2 primair:

hij op 14 juni 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paspoort, toebehorende aan [slachtoffer 2];

3 subsidiair:

hij in de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 te Amsterdam, opzettelijk

- 10000 Chileens briefgeld en

- 2 Chileense identiteitskaarten, toebehorende aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en

- een creditcard, toebehorende aan een ander dan verdachte,

welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4:

hij op 17 juni 2016 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een paspoort, door dit document ter controle van zijn identiteit aan een opsporingsambtenaar te tonen;

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht alsmede een geldboete ter hoogte van € 2000 subsidiair 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht, gelet op de huidige positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf niet langer dan de duur van het voorarrest en af te zien van het opleggen van een geldboete.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich binnen een kort tijdsbestek tot twee keer toe schuldig gemaakt aan diefstal van een paspoort. De verdachte heeft zich ten overstaan van een opsporingsambtenaar met één van deze paspoorten gelegitimeerd om een eerder toegewezen vordering tenuitvoerlegging te ontlopen. Dit zijn ernstige feiten, die het hof de verdachte zwaar aanrekent. De verdachte heeft hierbij geen enkel oog gehad voor de overlast en schade die hij de slachtoffers bezorgd. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van Chileense valuta, twee Chileense identiteitskaarten alsmede een Chileense creditcard.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2017 eerder meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld, onder andere wegens vermogensdelicten. Bovendien heeft de verdachte het feit begaan terwijl hij nog in een proeftijd liep.

Het hof slaat acht op het reclasseringsadvies van 17 januari 2017 van Reclassering Nederland, waarin wordt geconcludeerd dat gelet op het delictpatroon en de risicofactoren de kans op recidive hoog/gemiddeld is. Geadviseerd wordt aan de verdachte, indien aan hem een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt opgelegd, hieraan als bijzondere voorwaarde een meldplicht te verbinden.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte sinds 30 januari 2017 staat ingeschreven bij het ROC van Amsterdam voor de opleiding Maatschappelijke Zorg, hetgeen blijkt uit een door de raadsvrouw ter terechtzitting overgelegd bewijs van inschrijving. Uit een door de raadsvrouw overgelegde e-mail van [naam] jeugdadviseur ROC Amsterdam, van 10 juli 2017 blijkt verder dat de verdachte gretig is begonnen aan zijn opleiding, goed meedoet in de klas en goede cijfers haalt. Het hof waardeert deze ontwikkeling en acht deze niet alleen in het belang van de verdachte maar ook in het belang van de maatschappij.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte nog in een proeftijd liep, ziet het hof anders dan door de reclassering geadviseerd, geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding daarnaast een geldboete op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 231, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (13.654192.10)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd de eerder opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting primair verzocht de proeftijd voor de duur van een jaar te verlengen, subsidiair de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Enerzijds acht het hof het van belang dat de verdachte de consequenties ervaart van het plegen van een strafbaar feit in een proeftijd. Anderzijds hecht het hof ook belang aan de voortgang van de schoolgang van de verdachte en voortzetting van het toezicht van de reclassering, zoals op 17 januari 2017 geadviseerd door de reclassering. Het hof ziet hierin aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen met omzetting van twee weken gevangenisstraf in een taakstraf en voor het overige de proeftijd te verlengen voor de periode van een jaar.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2014, parketnummer 13-654192-10, te weten van:

een taakstraf van 28 uur (ter vervanging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken) en verlengt voor de overige 46 (zesenveertig) dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de proeftijd met een termijn van 1 (een) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M. Iedema en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2017.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]