Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:30

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
15 00768
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is rechtsgeldig een vaststellingsovereenkomst (ex artikel 7:900 BW) tot stand gekomen tussen erven van een belastingplichtige en de inspecteur met betrekking tot navorderingsaanslag IB/PVV van erflater? Uit aanbiedingsbrief inspecteur aan toenmalige gemachtigde en uit bij de vaststellingsovereenkomst gevoegde bijlage met specificatie per jaar blijkt de vaststellingsovereenkomst ook betrekking heeft op het jaar 2001. Gebondenheid erven belastingplichtige aan non-beroepsclausule in overeenkomst. Geen inhoudelijke beoordeling van het geschilpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/365
V-N 2018/18.22.5
NTFR 2017/739 met annotatie van mr. N. ten Broek
ERF-Updates.nl 2017-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00768

5 januari 2017

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven [X] , belanghebbenden,

gemachtigde: mr. P.W. Kok (ProceD te Amstelveen)

tegen de uitspraak van 21 augustus 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/4852 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbenden

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 februari 2014 aan [X] voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) ten bedrage van € 104.571.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 14 oktober 2014, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2015, aangevuld bij brief van 11 november 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 11 november 2016 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbenden. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak (waarin belanghebbenden zijn aangeduid als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’) de navolgende feiten vastgesteld.

“1. Op 28 november 2001 is de vader van mevrouw [X] overleden. Uit de

nalatenschap van haar vader heeft mevrouw [X] het tegoed op een Zwitserse

bankrekening verkregen.

2. Van de verkrijging van het tegoed op de Zwitserse bankrekening is geen aangifte

successierecht gedaan. Daarnaast is het tegoed niet in de aangiften ib/pvv over de jaren 2001

tot en met 2007 van mevrouw [X] verwerkt.

3. Op 3 oktober 2007 is mevrouw [X] overleden. Eisers zijn haar

erfgenamen.

4. Op 14 en 15 maart 2013 hebben eisers ieder een “Verklaring vrijwillige verbetering

buitenlands vermogen” naar verweerder gestuurd. Daarin hebben zij melding gemaakt van

de Zwitserse bankrekening met op dat moment een tegoed van circa € 35.000. Bij brief van

27 maart 2013 heeft verweerder om nadere informatie verzocht. Eisers hebben de gevraagde

informatie op 26 augustus 2013 aan verweerder verstrekt.

5. Op 14 november 2013 heeft verweerder een vaststellingsovereenkomst aan (de

voormalige gemachtigde van) eisers gestuurd met het verzoek deze te ondertekenen en te

retourneren. In de vaststellingsovereenkomst is onder andere het volgende bepaald:

“Partij 1 heeft op 18 maart 2013 verklaard gerechtigd te zijn (geweest) tot niet eerder

aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen. Ingevolge de vanaf 1 juli 2010 van toepassing zijnde inkeerregeling en naar aanleiding van deze verklaring - welke onder de redactie van artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna Awr) geldt als een vrijwillige verbetering van reeds ingediende aangiften inkomstenbelasting (inkeerregeling) - is, na onderling overleg, besloten in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 7:900 lid 1 Burgerlijk Wetboek tussen:

1. Naam : De erven [X]

(…)

2. (…)

Namens : De inspecteur,

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de van partij sub 1 na te vorderen

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2007, het successierecht over de nalatenschap van de op 28 november 2001 overleden vader (de heer [A] [bsn] ) van partij 1, alsmede de heffingsrente en de inkeerboete daarover.

(...)

Navordering

De aangiften over de hiervoor genoemde jaren zijn geregeld voordat de Belastingdienst over deze informatie kon beschikken. Daarom zijn deze aanslagen tot een te laag bedrag vastgesteld en wordt op grond van artikel 16 Awr een navorderingsaanslag opgelegd.

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat partij sub 1 onjuist

aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 2001 tot en met 2007 en successierecht 2001.

Gelet op de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting leidt dit tot navordering van een totaalbedrag van € 35.723 aan verschuldigde belasting, inkeerboete en heffingsrente. (Zie de bijlage bij deze vaststellingsovereenkomst) Gelet op de heffingsgrondslag voor het successierecht leidt dit tot navordering van een totaalbedrag van € 66.848 aan verschuldigde belasting.

Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het totaal van de hiervoor genoemde bedragen, zijnde € 104.571, als enkelvoudige inkomstenbelasting te heffen in één navorderingsaanslag over het jaar 2007. Deze navorderingsaanslag vervangt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met heffingsrente en inkeerboete over de jaren 2001 tot en met 2007 en de navorderingsaanslagen successierecht over 2001.

(...)

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de volgende voorwaarden:

- De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting, heffingsrente en boeten) van deze

vatstellingsovereenkomst worden volledig verwerkt in één op te leggen

navorderingsaanslag 2007. Tegen deze navorderingsaanslag zal geen bezwaar en/of

beroep worden aangetekend.

Partij sub 1 verklaart, alvorens te hebben ondertekend, voldoende tijd te hebben gehad om zich te beraden. (...)”

6. Verweerder heeft de - door alle erven - ondertekende vaststellingsovereenkomst

retour ontvangen. De datum van ondertekening door eisers ontbreekt.

7. Verweerder heeft met dagtekening 5 februari 2014 de navorderingsaanslag ib/pvv

over 2007 opgelegd.”

2.2.

Nu in hoger beroep tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

In aanvulling hierop stelt het Hof de navolgende feiten vast.

2.3.

De door de rechtbank onder 5 vermelde vaststellingsovereenkomst is door de inspecteur – ter ondertekening door belanghebbenden – bij brief van 14 november 2013 toegezonden aan de toenmalige gemachtigde, J.J. de Lange (Hanzen Advies B.V.). In deze brief heeft de inspecteur – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“Gebleken is dat het buitenlands vermogen van uw cliënte [Hof: de erven [X]] nagenoeg geheel afkomstig is vanuit de nalatenschap van haar op 28 november 2001 overleden vader de heer [A] (…). Uw cliënte en haar broer hebben door het overlijden van vader [A] de buitenlandse bankrekening geërfd (…), ieder voor gelijke delen. Beiden hebben een bedrag van SFR 370.000 (€ 254.994) verkregen. De storting van SFR 370.000 op de rekeningen van uw cliënte en haar broer heeft in 2002 plaatsgevonden. De rekening van vader [A] is opgeheven in 2002.

(…) Vader [A] heeft het buitenlands vermogen niet verantwoord in de aangifte inkomstenbelasting 2001 en uw cliënte heeft haar deel van de nalatenschap ook niet verantwoord vanaf overlijden. In het kader van een praktische oplossing wordt voorgesteld een bedrag van € 250.000 aan te merken als vermogen (onverdeelde nalatenschap) van uw cliënte per 1 januari 2001 en 1 januari 2002 (evenals bij haar broer). In dat geval hoeft geen navorderingsaanslag inkomstenbelasting te worden opgelegd voor de in 2001 overleden vader (belastingtarief box 3 is immers gelijk).

(…)

Wijze van heffing

Uit praktische overwegingen ben ik van plan het totaalbedrag dat aan inkomstenbelasting, heffingsrente en successierecht is verschuldigd, te heffen middels het opleggen van één navorderingsaanslag (…). Deze navorderingsaanslag komt dan in de plaats van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2001 tot en met 2007 bij uw cliënte en vader [A] en de navorderingsaanslag successierecht (…). Voor de goede orde merk ik op dat de wijze van heffing uiteraard geen enkele invloed heeft op de hoogte van het totaal verschuldigde bedrag. Om tot een dergelijke wijze van heffing te kunnen geraken dient door beide partijen (de erven [X] en medewerker van de Belastingdienst) een zogenaamde “vaststellingsovereenkomst” te worden ondertekend. Ik verzoek u zorg te dragen voor de ondertekening en één exemplaar aan mij terug te zenden.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of partijen een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag zijn de rechtsgeldigheid en de hoogte van de bestreden navorderingsaanslag in geschil.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen omtrent het geschil.

“1. Artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

“Bij een vaststellingovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of voorkoming van

onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een

vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande

rechtstoestand mocht afwijken.”

De burgerrechtelijke regels over de vaststellingsovereenkomst vinden overeenkomstige

toepassing in het belastingrecht.

2. Eisers zijn van mening dat geen vaststellingsovereenkomst is gesloten, maar dat

slechts sprake is van een door hen getekende akkoordverklaring met het standpunt van

verweerder, welk standpunt eisers niet bindt. Volgens eisers kan voorts geen sprake zijn van

een vaststellingsovereenkomst, omdat geen sprake is geweest van een onzekerheid of

geschil, noch van een wederzijds prijsgeven. Anders dan eisers neemt verweerder het standpunt in dat de vaststellingsovereenkomst bedoeld is voor de definitieve vaststelling van de verschuldigde belasting over meerdere jaren en middelen en om op deze manier een einde te maken aan een onzekerheid. Daarnaast is verweerder van mening dat het wederzijds prijsgeven door partijen geen voorwaarde is voor een vaststellingsovereenkomst.

3. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat partijen een geldige

vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat

het betreffende document ‘vaststellingsovereenkomst’ is genoemd, partijen deze hebben

ondertekend en er - aldus - sprake is geweest van wilsovereenstemming. Door de

definitieve vaststelling van de verschuldigde belasting is naar het oordeel van de rechtbank

een einde gemaakt aan een onzekerheid. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vereist

dat sprake is van wederzijds prijsgeven.

4. Eisers hebben verklaard dat zij niet anders konden dan de vaststellingsovereenkomst per omgaande ondertekenen. Verweerder betwist dit. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het versturen van de vaststellingsovereenkomst geen termijn voor ondertekening heeft gesteld. Uit niets blijkt dat er sprake is geweest van oneigenlijke druk of van misbruik van omstandigheden aan de zijde van verweerder om eisers het door hem voorgestelde compromis te doen aanvaarden. Eisers, die door een adviseur werden bijgestaan, hadden ervoor kunnen kiezen om de vaststellingsovereenkomst niet te ondertekenen.

5. Voor zover eisers stellen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het beginsel

van fair play, kan die grief niet slagen. Gesteld noch gebleken is dat aan eisers te weinig

bedenktijd is gegeven voor de ondertekening. Dat eisers - naar zij betogen - de

vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend zonder de bepalingen door te lezen, dient

voor rekening en risico van eisers te blijven. Bij dit alles neemt de rechtbank in aanmerking

dat eisers ter zitting hebben verklaard dat zij de verschuldigde belasting wilden betalen.

Aldus valt niet in te zien dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het beginsel van fair

play.

6. Al het vorenoverwogene in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat

niet aannemelijk is geworden dat eisers in het kader van de totstandkoming van de

vaststellingsovereenkomst onder druk zijn gezet of dat zodanige druk op hen is uitgeoefend,

dat zij niet vrij waren in hun beslissing zich al dan niet akkoord te verklaren met de inhoud

van die overeenkomst. Voorts is noch sprake van misbruik van omstandigheden, noch van

een handelwijze van verweerder die anderszins op zodanige wijze indruist tegen de door

hem jegens eisers in acht te nemen zorgvuldigheid of tegen hetgeen krachtens enig ander

beginsel van behoorlijk bestuur van hem mocht worden verwacht, dat verweerder in

redelijkheid eisers niet aan hun instemming met de vaststellingsovereenkomst mag houden.

7. Nu gelet op het voorgaande ervan moet worden uitgegaan dat partijen een geldige

vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, nemen eisers het standpunt in dat verweerder

een onjuiste navorderingsaanslag aan hen heeft opgelegd. Eisers stellen dat het in strijd is

met de wettelijke regelingen om verschillende middelen in één aanslag op te nemen. De

rechtbank volgt eisers hierin niet. Er is geen sprake van een situatie dat de overeenkomst

zozeer in strijd met het recht moet worden geacht dat niet op nakoming mag worden

gerekend. Eisers zijn dan ook onverkort gebonden aan de in de vaststellingsovereenkomst

vervatte bepaling waarin zij jegens verweerder afstand hebben gedaan van het recht bezwaar en beroep in te stellen. Aan een inhoudelijke beoordeling van hun verdere stellingen omtrent

de rechtsgeldigheid van de in geding zijnde navorderingsaanslag komt de rechtbank

derhalve niet toe.

8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

4.2.1.

In hoger beroep hebben belanghebbenden hun in eerste aanleg aangevoerde stellingen herhaald en primair het standpunt ingenomen dat geen vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW is gesloten. Van een dergelijke overeenkomst kan volgens belanghebbenden slechts sprake zijn indien een belastingplichtige en de inspecteur een overeenkomst hebben gesloten tot beëindiging of ter voorkoming van een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. Daarvan is in het onderhavige geval volgens belanghebbenden geen sprake; de inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd overeenkomend met de materiële belastingschuld, terwijl de door belanghebbenden ondertekende overeenkomst niet meer inhoudt dan dat zij afzien van de desbetreffende formaliteiten en van het instellen van beroep tegen de op te leggen navorderingsaanslag. Bovendien blijkt uit het traject van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst niet dat aan belanghebbenden voldoende bedenktijd is gegund. Belanghebbenden stellen de overeenkomst na ontvangst direct te hebben ondertekend, zonder deze verder door te nemen. Zij hebben zich op dat moment niet gerealiseerd dat zij daarmee hebben afgezien van hun rechten op bezwaar en beroep. Bovendien is de vaststellingsovereenkomst door de inspecteur zeer eenzijdig geformuleerd, hetgeen in strijd is met het fair play-beginsel, aldus nog steeds belanghebbenden.

4.2.2.

Indien het Hof van oordeel is dat sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, stellen belanghebbenden zich subsidiair op het standpunt dat deze overeenkomst zodanig in strijd is met de geldende wettelijke regelingen, dat op nakoming ervan niet mag worden gerekend; ook om die reden dient de navorderingsaanslag volgens belanghebbenden te worden vernietigd. Tijdens de zitting in hoger beroep hebben belanghebbenden zich nader op het standpunt gesteld dat de vraag aan welke afspraken partijen zijn gebonden, uitsluitend dient te worden beantwoord op grond van de tekst van de vaststellingsovereenkomst en niet mede aan de hand van de onder 2.3 vermelde aanbiedingsbrief bij deze overeenkomst. In de overeenkomst is niet vastgelegd dat ook de door [A] , de vader van [X] (hierna: de vader), over het jaar 2001 verschuldigde IB/PVV in de ingevolge de vaststellingsovereenkomst op te leggen navorderingsaanslag zou worden begrepen. Bovendien is deze wijze van heffing in strijd met de openbare orde, evenals het begrijpen van twee belastingmiddelen (IB/PVV en successierecht) in één aanslag; artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) biedt hiervoor geen wettelijke grondslag, aldus belanghebbenden.

4.2.3.

Meer subsidiair stellen belanghebbenden dat de navorderingsaanslag verminderd dient te worden met de in deze aanslag begrepen bedragen aan IB/PVV en successierecht over het jaar 2001, aangezien de navorderingsaanslag in zoverre na het verstrijken van de twaalfjaarstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR is opgelegd. Ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, die volgens belanghebbenden door hun ondertekening kort na 14 november 2013 heeft plaatsgevonden, was deze navorderingstermijn nog niet verstreken, maar ten tijde van het vaststellen van de navorderingsaanslag (met dagtekening 5 februari 2014) wél. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan (de gemachtigde van) de vader kenbaar uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2001. Navordering op de voet van artikel 16, vierde lid, AWR is daardoor voor de twee genoemde belastingmiddelen niet mogelijk, aangezien hieromtrent niets is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst en belanghebbenden daardoor niet expliciet hebben ingestemd met een verlenging van de navorderingstermijn. Navordering van successierecht op de voet van de in artikel 66, derde lid, Successiewet 1956 (met ingang van 1 januari 2012; hierna: Sw) opgenomen onbeperkte navorderingstermijn is evenmin mogelijk, aangezien dit voorschrift wegens strijdigheid met Europees recht en het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing dient te worden gelaten, zo stellen belanghebbenden.

4.3.1.

De inspecteur heeft deze standpunten van belanghebbenden betwist. In zijn opvatting heeft de rechtbank op de juiste gronden geoordeeld dat een geldige vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW tot stand is gekomen. Deze overeenkomst heeft ook betrekking op de door de vader over het jaar 2001 verschuldigde IB/PVV; de inspecteur is van opvatting dat dit blijkt uit de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst (waarin een per jaar gespecificeerde berekening is opgenomen van de in de navorderingsaanslag begrepen belasting) alsmede uit de aanbiedingsbrief, die in samenhang met de vaststellingsovereenkomst moet worden gelezen. Belanghebbenden zijn aan deze overeenkomst gebonden. Aangezien is overeengekomen dat tegen de op te leggen navorderingsaanslag geen bezwaar en beroep zal worden aangetekend, kunnen belanghebbenden in bezwaar en beroep uitsluitend de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst zelve aan de orde stellen, maar hebben zij niet de mogelijkheid andere formeelrechtelijke of materieelrechtelijke geschilpunten aan de orde te stellen. Reeds om die reden dient het beroep van belanghebbenden op overschrijding van de navorderingstermijn te worden verworpen, zo stelt de inspecteur.

4.3.2.

Bovendien is de inspecteur (subsidiair) van mening dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat aan de toenmalige gemachtigde van de vader kenbaar uitstel is verleend voor de indiening van de aangifte IB/PVV 2001. Van het na het verstrijken van de navorderingstermijn heffen van successierecht is volgens de inspecteur evenmin sprake, gelet op het (met ingang van 1 januari 2012) bepaalde in artikel 66, derde lid, Sw.

4.4.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat tussen partijen rechtsgeldig een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW tot stand is gekomen. Het Hof onderschrijft de hiervoor in onderdeel 1 tot en met 6 door de rechtbank gebezigde gronden en maakt deze tot de zijne. Met hun onder 4.2.1 weergegeven argumentatie dat de gesloten overeenkomst niet voldoet aan de definitie van artikel 7:900 BW miskennen belanghebbenden dat, zoals de rechtbank in onderdeel 3 van haar uitspraak terecht heeft overwogen, met het overeengekomen totaalbedrag aan verschuldigde belasting een einde is gemaakt aan onzekerheid daaromtrent en bovendien een daarop betrekking hebbend geschil is voorkomen. Voorts hebben belanghebbenden ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel kunnen leiden dat bij de totstandkoming van de overeenkomst sprake is geweest van oneigenlijke druk van de zijde van de inspecteur. De door belanghebbenden gestelde omstandigheden dat hun toenmalige adviseur destijds aan hen geen toelichting heeft verstrekt en dat zij de overeenkomst hebben ondertekend zonder deze verder door te lezen, dienen voor hun rekening en risico te blijven en hebben niet tot gevolg dat geen sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst.

4.4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de vaststellingsovereenkomst tevens een bindende afspraak bevat over het van de vader na te vorderen bedrag aan IB/PVV over het jaar 2001, stelt het Hof voorop dat het voor de uitleg van een vaststellingsovereenkomst aankomt op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in die overeenkomst opgenomen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. In dit verband acht het Hof van belang dat de inspecteur in de aanbiedingsbrief aan de toenmalige gemachtigde uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld, zoals weergegeven onder 2.3, dat bij wege van praktische oplossing ook het van de vader over het jaar 2001 na te vorderen bedrag aan IB/PVV is begrepen in het totaalbedrag van de ingevolge de vaststellingsovereenkomst op te leggen navorderingsaanslag, terwijl het daarmee gemoeide bedrag aan IB/PVV bovendien is gespecificeerd in de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst. Gelet op deze specifieke omstandigheden is het Hof van oordeel, met toepassing van het hiervoor vermelde criterium, dat belanghebbenden gebonden zijn aan de in de aanbiedingsbrief nader toegelichte praktische afspraak om ook het van de vader over het jaar 2001 na te vorderen bedrag aan IB/PVV te begrijpen in de op te leggen navorderingsaanslag en dat de omstandigheid dat de in de aanbiedingsbrief opgenomen toelichting niet is herhaald in de vaststellingsovereenkomst daaraan niet afdoet. Voor partijen is immers redelijkerwijs niet voor misverstand vatbaar (gelet op de aanbiedingsbrief en de bij de vaststellingsovereenkomst gevoegde bijlage met specificatie per jaar) dat de vaststellingsovereenkomst eveneens betrekking heeft op het na te vorderen bedrag over het jaar 2001.

4.4.3.

Voorts is het Hof van oordeel dat hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen – het in één navorderingsaanslag vervatten van de door twee belastingplichtigen verschuldigde belasting, ter zake van verschillende belastingmiddelen – niet zozeer in strijd met het recht moet worden geacht dat niet op nakoming ervan mag worden gerekend, mede gelet op het bepaalde in artikel 64 AWR. Hierbij acht het Hof mede van belang dat, zoals in de aanbiedingsbrief is toegelicht en overigens tussen partijen ook niet in geschil is, het opleggen van één navorderingsaanslag berust op een praktische afspraak en – ten opzichte van het opleggen van afzonderlijke aanslagen per belastingmiddel en (belasting)jaar – geen invloed heeft gehad op de hoogte van het in totaal verschuldigde bedrag.

4.4.4.

Ten slotte is het Hof van oordeel dat de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorwaarde dat “tegen deze navorderingsaanslag (…) geen bezwaar en/of beroep [zal] worden aangetekend” tot gevolg heeft dat het in strijd is met de door partijen bij de uitvoering van deze overeenkomst in acht te nemen redelijkheid en billijkheid dat belanghebbenden zich beroepen op overschrijding van de navorderingstermijn ter zake van de ter effectuering van de overeenkomst opgelegde navorderingsaanslag, ook indien er met belanghebbenden van wordt uitgegaan (hetgeen door de inspecteur wordt betwist) dat de overeenkomst kort na 14 november 2013 door ondertekening is gesloten. Belanghebbenden zijn immers zonder voorbehoud akkoord gegaan met deze voorwaarde, hetgeen betekent dat belanghebbenden in bezwaar en beroep uitsluitend de rechtsgeldigheid van de totstandkoming van de overeenkomst zelve kunnen betwisten, maar – nu het Hof van oordeel is dat sprake is van een geldige en bindende overeenkomst – voor het overige de ter effectuering van de overeenkomst opgelegde navorderingsaanslag niet in rechte kunnen aanvechten. Gegeven deze omstandigheden kon de inspecteur er in redelijkheid van uitgaan, mede gelet op de datum waarop hij de overeenkomst ter ondertekening aan de toenmalige gemachtigde ter ondertekening heeft toegezonden (in de opvatting van belanghebbenden: kort voor het verstrijken van de navorderingstermijn), dat de gebondenheid van belanghebbenden aan de genoemde voorwaarde ook heeft te gelden voor een formeelrechtelijk aspect – de door belanghebbenden gestelde termijnoverschrijding – dat zich eerst na ondertekening van de overeenkomst zou kunnen voordoen. Zulks zou wellicht anders zijn geweest indien partijen slechts een afspraak zouden hebben gemaakt over het bedrag van de in totaal verschuldigde belasting en de formalisering daarvan in één navorderingsaanslag, zonder tevens overeen te komen dat tegen deze navorderingsaanslag geen rechtsmiddelen zullen worden aangewend (vgl. HR 22 april 1998, nr. 33.249, ECLI:NL:HR:1998:AA2428, BNB 1998/214).

Het Hof komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschilpunt of de navorderingsaanslag (voor wat betreft de verschuldigde IB/PVV 2001 en het successierecht) na het verstrijken van de navorderingstermijn is opgelegd.

Slotsom

4.5.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep geen doel treft. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten, als griffier. De beslissing is op 5 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.