Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2966

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
200.212.052/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bankmedewerker stuurt aantal interne e-mails met daarbij deels vertrouwelijke informatie door naar voormalige leidinggevende die inmiddels in concurrende omgeving werkt. Hof acht het om die reden gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd en voorts onverwijld gegeven. Art. 7:677 en 7:678 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3833
TvPP 2017, afl. 5, p. 192
AR-Updates.nl 2017-0946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.212.052/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 5505303 EA VERZ 16-1376 en

5505315 EA VERZ 16-1377

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2017 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. W.F. Seijbel te Zwolle,

tegen

ABN AMRO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J.M.T. Keulaerds te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Bank genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 20 maart 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 22 december 2016 onder bovenvermelde zaaknummers heeft gegeven. Het verzoek van [appellant] strekt er toe dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw recht zal doen zoals omschreven aan het slot van het beroepschrift, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties alsmede tot veroordeling van de Bank tot terugbetaling van hetgeen [appellant] eventueel ter uitvoering van het vonnis heeft betaald.

Op 30 mei 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van de Bank (met productie) ingekomen. De Bank concludeert dat het hof de verzoeken van [appellant] zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 21 juni 2017. Bij die gelegenheid hebben beide genoemde advocaten het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de beschikking onder 1 (1.1 t/m 1.15) een aantal feiten vermeld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof die feiten tot uitgangspunt neemt.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 augustus 2000 bij (de rechtsvoorganger van) de Bank in dienst getreden. Zijn laatste functie was die van Relatiemanager IV Florius II tegen een salaris van € 3.697,14 bruto exclusief emolumenten. Florius is een handelsnaam van een dochteronderneming van de Bank. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bevat een geheimhoudingsbeding. Binnen de Bank gelden “Gedragsregels informatiebeveiliging”, waarin onder meer is vermeld:

1 Ga zorgvuldig om met vertrouwelijke informatie

Vertrouwelijke informatie is informatie die de bank kan schaden als deze in handen komt van onbevoegden. Voorbeelden van vertrouwelijke bankgerelateerde informatie zijn:

► niet publieke informatie over klanten, personeel of andere relaties van de bank;

► financiële resultaten, informatie over nieuwe producten, projecten, fusies, overnames e.d. waarop nog een publicatieverbod rust.

Voor het zorgvuldig omgaan met vertrouwelijke informatie gelden de volgende richtlijnen (…)

► behandel bij twijfel informatie als vertrouwelijk (…)

[A] (hierna: [A] ) is oud-werknemer van de Bank en was tot zijn vertrek direct leidinggevende van [appellant] . [A] is een van de oprichters van het bedrijf Monefy. Hij was voorheen, in ieder geval in de periode van augustus 2014 tot en met augustus 2016, bestuurder van Monefy. Dit bedrijf houdt zich onder meer bezig met hypotheek- en kredietbemiddeling. Vanuit Florius zijn vier werknemers naar Monefy vertrokken: een medewerker van de afdeling Risk Management, een van de afdeling Finance en (per mei 2016) twee hypotheekexperts, directe collega’s van [appellant] . [appellant] en [A] hebben na het vertrek van [A] contact gehouden. Tussen 26 augustus 2014 en 24 augustus 2016 heeft [appellant] vanaf zijn zakelijke e-mailaccount aan [A] de volgende e-mails verzonden:

- e-mail van 26 augustus 2014 zonder begeleidende tekst met als bijlage Marktaandelenmonitor Hypotheken t/m juli 2014;

- e-mail van 2 augustus 2016 (15:32) met als begeleidende tekst “Zo krijgen wij ze tegenwoordig” en de volgende vier bijlagen:

▪ productiecijfers Florius van week 28 met in de begeleidende e-mail de in rood afgedrukte opmerking “Vanwege het vertrouwelijke karakter ervan mogen deze cijfers niet verder schriftelijk, per e-mail of anderszins worden verspreid”, inclusief link naar de productiecijfers;

▪ Productiecijfers MoneYou van week 28 met dezelfde in rood afgedrukte opmerking in de begeleidende e-mail, inclusief link naar de productiecijfers;

▪ Productiecijfers Verzekeringen, inclusief de bijlage Weekcijfers Verzekeringen 2016 week 28;

▪ Productiecijfers met de volgende bijlagen:

▫ Invoer Consultants week 28;

▫ Florius leven bijlage 10-1 2016 nieuw;

▫ Invoer Consultants week 28;

▫ Ingang Consultants week 28;

- e-mail van 2 augustus 2016 (15:44) met als begeleidende tekst “Dit is de laatste die ik heb” en als bijlage Marktaandelenmonitor Hypotheken t/m mei 2016;

- e-mail van 2 augustus 2016 (15:44) met als onderwerp “markt” en de begeleidende tekst “Heb geen recente marktcijfers tot mijn beschikking”;

- e-mail van 19 augustus 2016 zonder begeleidende tekst met als bijlage Marktaandelenmonitor Hypotheken t/m juli 2016;

- e-mail van 24 augustus 2016 zonder begeleidende tekst met als bijlage One Page Marktontwikkeling Hypotheken t/m juli 2016.

[appellant] heeft tot en met 2015 goede beoordelingen gehad. Op 13 september 2016 is [appellant] verzocht om op 15 september 2016 deel te nemen aan een interview inzake “Optimalisatie”. Hij heeft op 15 september 2016 meegewerkt aan het interview. Dit betrof, anders dan aangekondigd, niet “Optimalisatie” maar een verhoor door twee medewerkers van Security & Intelligence Management (‘SIM’) over de hiervoor genoemde e-mails van [appellant] aan [A] . Van het interview is een verslag opgemaakt dat door [appellant] voor akkoord is ondertekend. Dit verslag bevindt zich bij de stukken. Na afloop van het interview heeft [appellant] gesproken met [B] (hierna: [B] ), directrice van de vestiging van Florius waar [appellant] werkzaam was. [B] heeft aan [appellant] laten weten dat hij tot zijn vakantie (startend op 17 september 2016) was vrijgesteld van werk, dat dit geen disciplinaire maatregel betrof en dat er op de kwestie zou worden teruggekomen. Op 21 september 2016 is [appellant] door [C] (hierna: [C] ), de leidinggevende van [appellant] , op zijn vakantieadres in Canada gebeld met de mededeling dat hij op staande voet was ontslagen. Dezelfde dag heeft de Bank [appellant] per e-mail en gewone post een brief gestuurd waarin het ontslag op staande voet is bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

(…) Hiermee bevestigen wij het gesprek van 21 september 2016 tussen u en de heer [C] (Manager Intermediaire Verkoop) en mevrouw [B] (Directeur Florius), waarin wij u hebben bericht dat wij met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 7:677 juncto 7:678 van het Burgerlijk Wetboek ons genoodzaakt zien u per heden op staande voet te ontslaan. (…)

De dringende reden bestaat in het navolgende.

U heeft in de periode tussen augustus 2014 tot en met augustus 2016 meerdere e-mails vanaf uw zakelijke e-mailadres naar het privé- en/of zakelijke e-mailadres van uw oud-leidinggevende, de heer [A] , gestuurd. De e-mails bevatten informatie die u uit hoofde van uw functie had gekregen en bestemd was voor interne doeleinden. De heer [A] is momenteel werkzaam bij Monefy, een nieuwe toetreder - en (mogelijk) concurrent - op de (hypotheken)markt.

Als gevolg van het versturen van de voornoemde e-mails aan de heer [A] heeft u hem onder meer voorzien van één of meerdere (i) rapportage(s) met een update van de marktontwikkeling van hypotheken, en/of (ii) maandrapportage(s) hypotheekmarkt & marktaandelen, en/of (iii) weekoverzicht(en) met productiecijfers en/of (iv) weekrapportage(s) met de invoer van consultants ten aanzien van overlijdensrisicoverzekeringen. Deze documenten bevatten onder andere informatie over onze productiecijfers en targets (uitgesplitst per label). Daarnaast volgt uit deze informatie onder andere welke tussenpersonen onderdeel zijn van ons distributiekanaal evenals de verkoopdetails aan deze tussenpersonen. (…)

Door het versturen van voornoemde documenten heeft u vertrouwelijke informatie, althans informatie die uitsluitend bestemd is voor intern gebruik, gedeeld met een (of meer) derde(n). U wist, althans u behoorde te weten dat u deze informatie niet met de heer [A] mocht delen. Met deze handelswijze(n) heeft u in strijd gehandeld met hetgeen als goed werknemer van u mag worden verwacht. Bovendien heeft u de binnen de bank geldende (gedrags)regels en procedures overtreden.

Wij achten de bovenomschreven u verweten handelswijze(n) onaanvaardbaar, ieder voor zich maar tevens in onderlinge samenhang beschouwd. Deze bovengenoemde verwijten gelden ieder voor zich maar ook in onderlinge samenhang beschouwd, als dringende reden als genoemd in artikel 7:677 juncto 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.

Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is hierdoor onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren.

3.2.

In eerste aanleg verzocht [appellant] een verklaring voor recht dat het ontslag onterecht is gegeven, vernietiging van het ontslag en veroordeling van de Bank tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling vanaf 21 september 2016 (met wettelijke verhoging en wettelijke rente en onder de verplichting salarisspecificaties te verstrekken). Blijkens rechtsoverweging 6 van de bestreden beschikking heeft [appellant] zijn in het inleidende verzoekschrift geformuleerde subsidiaire en meer subsidiaire verzoek ter zitting ingetrokken.

3.3.

De kantonrechter heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] met het verzenden van de e-mails in strijd met het geheimhoudingsbeding en de gedragsregels heeft gehandeld en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De kantonrechter achtte het ontslag op staande voet voorts onverwijld gegeven.

3.4.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op in hoger beroep met drie grieven. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Grief 2 tegen het oordeel dat, kort gezegd, de aan [appellant] verweten handelingen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Grief 3 mist zelfstandige betekenis.

3.5.

Het hof zal eerst grief 2 bespreken.

3.6.

Van de verzending van de hiervoor genoemde e-mails aan [A] kan [appellant] , zeker in het licht van het geheimhoudingsbeding en de inhoud van de gedragsregels, inderdaad een ernstig verwijt worden gemaakt.

3.7.

Voor zover [appellant] heeft bedoeld te bestrijden dat Monefy als concurrent van de Bank kan worden aangemerkt, faalt deze bestrijding. Naar aanleiding van vragen van het hof heeft [appellant] ter zitting erkend dat Monefy en de Bank “in dezelfde markt zitten” en dat Monefy plannen had zich op de hypotheekmarkt te begeven. Dat Monefy dat “op een andere manier” wilde doen en “met andere producten” is hier zonder belang.

3.8.

Bij de beoordeling van de inhoud van de door [appellant] doorgestuurde informatie past wel de kanttekening dat de verschillende e-mails niet over één kam kunnen worden geschoren. De Bank zelf heeft naar voren gebracht dat de “One Pager Marktontwikkeling Hypotheken” geen bijzonder gevoelige informatie bevat. Dat is, zo stelt de Bank, wel het geval met de “Marktaandelenmonitor Hypotheken”. Zij heeft uiteengezet, samengevat, dat de “Marktaandelenmonitor” geen openbare informatie is, maar gebaseerd op (zeer actuele) openbare kadastergegevens, welke gegevens maandelijks door een marktanalist van de Bank worden verwerkt. Per label van de Bank wordt uitgesplitst weergegeven hoe het marktaandeel zich de afgelopen dertien maanden heeft ontwikkeld en hoe het marktaandeel en de omzet zich verhouden tot die van de voorgaande maand en dezelfde maand een jaar eerder. De vertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie van de “Marktaandelenmonitor” vloeit volgens de Bank mede voort uit het feit dat deze actuele gegevens bevat. De door [appellant] gemaakte vergelijking met de IG&H Consulting en Interim-nieuwsbrief gaat volgens de Bank niet op: deze wordt weliswaar opgesteld op basis van dezelfde kadastergegevens, maar verschijnt slechts eens per kwartaal en heeft betrekking op de periode tot aan drie maanden voor de verschijningsdatum. Daarnaast ziet de rapportage in de IG&H-nieuwsbrief slechts op algemene ontwikkelingen en is de “Marktaandelenmonitor” veel gedetailleerder. De Bank heeft er verder op gewezen dat Florius jaarlijks € 36.000,- besteedt aan het verkrijgen van de kadastergegevens waarop de “Marktaandelenmonitor” is gebaseerd, terwijl zij daarnaast een gespecialiseerde marktonderzoeker in dienst heeft die zich met het opstellen van deze rapportages bezighoudt. De hiermee gemoeide kosten bespaart een concurrent zich dus. [appellant] heeft deze samengevat weergegeven uiteenzetting van de Bank onvoldoende bestreden, zodat deze als juist moet worden aangemerkt. Dat neemt echter niet weg dat uit deze uiteenzetting moet worden geconcludeerd dat het vertrouwelijke karakter van de “Marktaandelenmonitor” beperkt is en dat zwaarder weegt dat aan het produceren ervan kosten zijn verbonden die een concurrent die het stuk ontvangt zich kan besparen. Daarmee is niet gezegd dat het doorsturen van de “Marktaandelenmonitor” niet laakbaar is, wel dat de ernst van het aan [appellant] te maken verwijt van een andere orde is dan wanneer het inhoudelijk om concurrentiegevoelige informatie zou gaan. Het zwaarst moet worden getild aan het versturen van de e-mail van 2 augustus 2016 om 15:32 uur. Het vertrouwelijke karakter van de met deze e-mail verbonden informatie is, zo moet met de Bank worden geoordeeld, evident. Het ging om productiecijfers van Florius en van MoneYou, waarbij onbestreden is gebleven - zakelijk weergegeven - dat de desbetreffende rapportages gedetailleerd inzicht geven in de productie van de Bank en hoe deze zich verhoudt tot de prognoses en targets, waarbij ook inzicht wordt gegeven in de balansvoorraad en de kwaliteit van de portefeuille van Florius. De andere bijlagen betroffen informatie met betrekking tot consultants en verzekeringen. Onweersproken is gebleven dat het, samengevat, ging om informatie over polissen, verzekerde bedragen, premies en de wijze waarop en door welke tussenpersonen verzekeringen zijn verkocht. Dat vertrouwelijke karakter is ten aanzien van de productiecijfers van Florius en MoneYou nog eens onderstreept door de in rode tekst opgenomen waarschuwing dat vanwege het vertrouwelijke karakter ervan de cijfers niet verder schriftelijk, per e-mail of anderszins mogen worden verspreid. Het hof onderschrijft overigens het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zich ook zonder deze waarschuwing had behoren te realiseren dat het om vertrouwelijke informatie ging nu de kopjes “productiecijfers” hoe dan ook zichtbaar waren, terwijl, zoals de Bank terecht heeft opgemerkt, van hem verwacht mocht worden dat hij zich zou vergewissen van de inhoud van de bijlagen. Voor zover een deel van de bijlagen betrekking had op levensverzekeringen, is niet weersproken dat Monefy niet actief was op dat terrein en in zoverre niet een concurrent was van de Bank. [appellant] heeft nog naar voren gebracht, kort gezegd, dat de bijlagen voor zover het betrof informatie over partijen waarmee de Bank samenwerkte voor [A] weinig nieuws zouden kunnen bevatten gezien de functies die [A] jarenlang bij de Bank had vervuld. Deze omstandigheid kan het laakbare karakter van het doorsturen echter niet volledig wegnemen waar de Bank hier, onweersproken, tegenover heeft gesteld dat [A] al eind 2012 was vertrokken.

3.9.

Het hof heeft hiervoor overwogen dat [appellant] een ernstig verwijt treft ter zake van het versturen van de verschillende e-mails aan een voormalig leidinggevende die ten tijde van het versturen van deze e-mails als een concurrent van de Bank op het terrein van de hypotheekmarkt moet worden aangemerkt. Dat verwijt heeft in het bijzonder betrekking op de eerste e-mail van 2 augustus 2016 omdat deze e-mail vertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie bevatte. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag op staande voet dienen echter ook andere omstandigheden in aanmerking te worden genomen.

3.10.

Van belang is dat in dit geding geen enkele aanwijzing bestaat - de Bank heeft dat ook niet gesteld - dat [appellant] enig persoonlijk belang heeft gehad of heeft nagestreefd bij het versturen van de e-mails. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep acht het hof aannemelijk dat [appellant] heeft gehandeld uit een gevoel van loyaliteit (hoezeer misplaatst ook) jegens zijn voormalig leidinggevende bij de Bank en niet met enige intentie om de Bank schade toe te brengen. Het hof acht ook aannemelijk dat [appellant] oprecht geschrokken is na de confrontatie met de bevindingen van de Bank en de ernst daarvan. Anders dan kennelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, bestaat bij het hof gerede twijfel aan de juistheid van de stelling van de Bank dat het [appellant] bij het sturen van de eerste e-mail van 2 augustus 2016 er wel degelijk om te doen was vertrouwelijke informatie door te spelen naar [A] en niet, zoals [appellant] heeft aangevoerd, om [A] te laten zien in welk format de desbetreffende gegevens tegenwoordig werden aangeleverd. In de eerste plaats is niet weersproken dat [A] niet had gevraagd om deze gegevens maar uitsluitend om de “Marktmonitor”. Voorts biedt de begeleidende tekst in de e-mail van [appellant] aan [A] (“Zo krijgen wij ze tegenwoordig”) steun aan het standpunt van [appellant] . Van belang is ook dat [appellant] deze verklaring reeds tijdens het interview heeft gegeven terwijl hij zich op dat interview niet had kunnen voorbereiden. Ten slotte komt betekenis toe aan het gegeven dat, naar niet is bestreden, [A] [appellant] heeft verzocht om de bijlagen nadat het hem niet was gelukt de links te openen en [appellant] die bijlagen niet alsnog heeft verstuurd.

3.11.

Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag op staande voet acht het hof, anders dan de kantonrechter, van belang dat de bijlagen bij de meergenoemde e-mail waaraan in dit geding de grootste betekenis toekomt (de productiecijfers van Florius en van MoneYou) [A] nooit hebben bereikt doordat, naar de Bank ter zitting heeft beaamd, aangenomen moet worden dat [A] de desbetreffende links niet heeft kunnen openen en de bijlagen ook naderhand niet zijn verstuurd. Het is waar dat de eerstgenoemde omstandigheid niet de verdienste is van [appellant] , maar dit neemt niet weg dat het versturen van de e-mail in zoverre niet de uitwerking heeft gehad die er anders zou zijn geweest.

3.12.

Bij de beoordeling dienen ten slotte de persoonlijke omstandigheden van [appellant] te worden meegewogen. [appellant] was ten tijde van het ontslag 48 jaar oud en reeds zestien jaar in dienst van (de rechtsvoorganger van) de Bank in diverse functies (achtereenvolgens medewerker postkamer/magazijn, medewerker verkoopondersteuning, acceptant, desk accountmanager en relatiemanager IV Florius II) en heeft steeds naar tevredenheid van de Bank gewerkt.

3.13.

Hiervoor, onder 3.10 en 3.11, is een aantal omstandigheden vermeld die de ernst van het aan [appellant] te maken verwijt in enige mate relativeren, terwijl onder 3.12 enkele persoonlijke omstandigheden zijn vermeld die bij de afweging dienen te worden betrokken. Al deze omstandigheden leggen echter onvoldoende gewicht in de schaal om de beslissing van de Bank om [appellant] op staande voet te ontslaan niet gerechtvaardigd te achten. De Bank mocht zodanig groot gewicht toekennen aan de wijze waarop en de mate waarin [appellant] het in hem gestelde vertrouwen ten aanzien van de omgang met interne en bedrijfsgevoelige gegevens heeft geschonden dat van haar redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren in de zin van artikel 7:678 BW. Grief 2 is daarom vruchteloos voorgesteld.

3.14.

Grief 1 is gericht tegen de verwerping door de kantonrechter van het betoog van [appellant] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.

3.15.

Op basis van de wederzijdse stellingen neemt het hof als vaststaand aan dat [appellant] voor het eerst op 29 augustus 2016 naar voren kwam als mogelijke bron van rapportages van de Bank die bij Monefy terecht waren gekomen, dat ICT Hypotheken op 30 augustus 2016 is verzocht onderzoek te doen naar de mailbox van [appellant] en dat, nadat de mogelijkheden van ICT Hypotheken tekort bleken te schieten, het onderzoek op 2 september 2016 is overgedragen aan SIM. De Bank heeft zeer gedetailleerd uiteengezet welke stappen vervolgens zijn gezet en die er uiteindelijk toe hebben geleid dat SIM op 12 september 2016 beschikte over zes van de hierboven genoemde e-mails van [appellant] aan [A] en een logfile waaruit het versturen van nog eens twee e-mails bleek. Er bestaat onvoldoende grond om vraagtekens te zetten bij deze uiteenzetting, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Het staat vast dat [appellant] op 13 september 2016 is uitgenodigd voor het eerdergenoemde interview op 15 september 2016. Anders dan [appellant] heeft betoogd, heeft de Bank in de inhoud van dat interview redelijkerwijs aanleiding kunnen zien tot nader onderzoek, namelijk, zoals zij heeft aangevoerd, naar aanleiding van de uitlating van [appellant] tijdens het interview “Volgens mij heb ik daarna (hof: na de mails van 2 augustus 2016) ook niets meer gestuurd”. Uit de inhoud van het verslag (p. 5) volgt immers dat [appellant] ook op 19 augustus 2016 en op 24 augustus 2016 een e-mail had gestuurd naar [A] , waarvan de inhoud ten tijde van het interview kennelijk nog niet bekend was. Het hof leidt dit af uit het gegeven dat aan het verslag van het interview als bijlagen zijn gehecht de hierboven genoemde e-mails met uitzondering van de e-mails van 19 augustus 2016 en 24 augustus 2016. Een en ander ondersteunt de stellingname van de Bank dat na 15 september 2016 nog nader (ICT-technisch) onderzoek heeft plaatsgehad. [appellant] heeft niet bestreden dat de onderzoekers werden gehinderd door het feit dat de e-mailboxen van Florius zich in een apart systeem bevinden. In het licht hiervan acht het hof de betwisting van (de noodzaak van) het nadere onderzoek door [appellant] onvoldoende toegelicht. De Bank heeft naar voren gebracht dat op 20 september 2016 het fiat is gevraagd aan het hoofd AZ en het management van Florius voor ontslag op staande voet, waarbij nog door een van hen is gevraagd om aanvullende informatie, waarna het ontslag is gegeven op 21 september 2016. De voorgaande gang van zaken in aanmerking genomen, is het hof al met al van oordeel dat met het technische onderzoek, het interview met [appellant] , het aanvullende (technische) onderzoek en het interne beraad binnen de Bank voldoende voortvarend is gehandeld om het ontslag op staande voet als onverwijld gegeven aan te merken. Ook grief 1 is dus vruchteloos voorgesteld.

3.16.

Nu geen van de grieven tot vernietiging kan leiden, moet de bestreden beschikking worden bekrachtigd en het in hoger beroep subsidiair verzochte, dat eveneens uitgaat van opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:761, worden afgewezen. [appellant] heeft nog in hoger beroep, meer subsidiair, verzocht om een transitievergoeding voor het geval geoordeeld wordt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van hem, maar dit verzoek moet worden afgewezen omdat, zoals in het voorgaande ligt besloten, deze situatie zich niet voordoet.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, R.J.F. Thiessen en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.