Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2899

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
200.213.017/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3941
ARO 2017/154
JONDR 2018/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.213.017/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 12 juli 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IBB KONDOR B.V.,

gevestigd te Rijssen,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. H.P. Plas, kantoorhoudende te Enschede,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LEEGE LANDEN II B.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. J.T. Stekelenburg, kantoorhoudende te Holten,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND VASTGOED CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Baarn,

BELANGHEBBENDE,

verschenen bij haar middellijk bestuurder [A] .

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoekster, verweerster en belanghebbende worden hierna respectievelijk aangeduid met IBB, De Leege Landen en HVC.

1.2 IBB heeft bij op 31 maart 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van De Leege Landen over de periode vanaf 2012 en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding – zakelijk weergegeven – (i) [A] (hierna: [A] ) te schorsen als bestuurder van De Leege Landen en (ii) IBB, althans een derde persoon, te benoemen tot bestuurder van De Leege Landen, met doorslaggevende stem voor het geval [A] niet wordt geschorst.

1.3 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 mei 2017. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden (nadere) producties. De Leege Landen heeft verzocht IBB niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen en IBB te veroordelen in de kosten van het geding.

Na een korte schorsing van de behandeling ter terechtzitting hebben [B] (hierna: [B] ) namens IBB en [A] namens HVC verklaard dat partijen een regeling met elkaar willen treffen en dat zij daartoe het volgende zijn overeengekomen:

1. IBB en HVC nemen ter zitting als aandeelhouders van De Leege Landen (tezamen het volledige geplaatste kapitaal vertegenwoordigend) buiten vergadering het schriftelijk besluit:

- tot aanvaarding van het ontslag van HVC als bestuurder van De Leege Landen per het moment dat deze zitting is gesloten;

- tot benoeming van IBB als bestuurder van De Leege Landen per vorenbedoeld moment;

- in te stemmen met deze wijze van besluitvorming (gelet op hetgeen in artikel 16 van de statuten van De Leege Landen is bepaald over besluitvorming buiten vergadering).

2) IBB trekt haar verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in, zodat slechts het verzoek tot het bevelen van een enquête resteert.

Partijen en hun advocaten hebben ter zitting vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

De Leege Landen is op 12 februari 2001 opgericht. IBB en HVC houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van De Leege Landen. HVC was tot het hiervoor onder 1.3, slot, beschreven moment enig bestuurder van De Leege Landen.

2.2

IBB is een groepsmaatschappij van een bouwconcern. Gezamenlijk bevoegd bestuurders van IBB zijn [C] (hierna: [C] ), in functie vanaf 1 december 2011, en [B] , in functie vanaf 25 januari 2016.

2.3

[I] (hierna: [I] ) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van HVC. Enig bestuurder en enig aandeelhouder van [I] is [A] .

2.4

De onderneming van De Leege Landen heeft zich in het verleden bezig behouden met een viertal woningprojecten in de gemeente Baarn. De Leege Landen heeft de grond gekocht en daarop heeft IBB in opdracht van De Leege Landen woningen en appartementen gebouwd, die aan derden zijn verkocht.

2.5

Bij enkele van de zestien door IBB in opdracht van De Leege Landen gebouwde woningen aan de [....] / [....] te Baarn zijn gebreken aan het licht gekomen, die veroorzaakt zijn doordat een leverancier van IBB betongranulaat had geleverd dat met ongebluste kalk was verontreinigd. Deze gebreken kwamen tot uiting in de vorm van zogeheten ‘pop-outs’, ofwel loslatende betonschilfers.

2.6

IBB heeft bij brief van 20 februari 2012 aan De Leege Landen een voorstel, zoals besproken met [A] , tot een onderlinge regeling van de pop-outproblematiek doen toekomen. Daarvan maken de volgende bepalingen deel uit:

(…)

  1. IBB Kondor bv is bereid om aan Leege Landen een korting ad EUR 340.000-- incl. BTW te betalen terzake de door IBB in opdracht van Leege Landen gebouwde woningen met zogenaamde pop-outs gebreken, zulks op basis van een door IBB te verstrekken creditfactuur.

  2. (…)

3. Leege Landen vrijwaart IBB Kondor bv voor eventuele schadeclaims van kopers van de in opdracht van Leege Landen door IBB Kondor bv gebouwde woningen.

4. (…)

5. (…)

6. Met in acht name van het bovenstaande verleent Leege Landen finale kwijting aan IBB Kondor bv en verklaart Leege Landen voor het overige niets meer van IBB Kondor bv te vorderen te hebben. (…)

2.7

[A] heeft bij e-mail van 29 februari 2012 aan IBB bevestigd akkoord te zijn met de hiervoor geciteerde bepalingen. Bij e-mail van 27 februari 2012 had [A] IBB verzocht € 340.000 over te maken naar de derdengeldenrekening van zijn advocaat en daaraan toegevoegd: “Ik maak dan de verschuldigde bedragen over aan de eigenaren van de twee onder een kapwoningen.

2.8

IBB heeft op 16 maart 2012 tweemaal een bedrag van € 50.000 overgemaakt naar vorenbedoelde derdengeldenrekening met vermeldingen “AFKOOP SCHADE 2/1 KAP [H]” onderscheidenlijk “AFKOOP SCHADE 2/1 KAP [E]”. De Leege Landen heeft deze betalingen van in totaal € 100.000 vervolgens op of omstreeks 27 maart 2012 doen overmaken aan [I] en [I] , zo begrijpt de Ondernemingskamer, belast met de afwikkeling van de schade ten gevolge van de pop-outs met de kopers van [....] en [....] . Het resterende door IBB aan De Leege Landen te betalen bedrag van € 240.000 is door middel van verrekening voldaan.

2.9

IBB heeft bij e-mail van 4 november 2015 de accountant van De Leege Landen voorgehouden dat “(…) de verhouding in de RC verhouding tussen de twee eigenaren van Leege Landen (IBB en [A] ) ¾ en ¼ [zou] moeten zijn (…)”. IBB concludeert op basis van een bij de brief gevoegd verloop van de rekening-courantverhoudingen over de jaren 2011 tot en met 2014: “Het begint dus in 2012 niet goed te gaan met de RC Verhouding” en stelt vervolgens vragen over de boeking in 2012 met betrekking tot de voorlopige winstuitkering en over de rekening-courantverhouding tussen [I] en HVC enerzijds en De Leege Landen anderzijds in 2012, 2013 en 2014.

2.10

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 14 september 2016 uitspraak gedaan in een door [E] (hierna: [E] ) en [F] (samen hierna: [G c.s.] ) tegen De Leege Landen en [I] aanhangig gemaakte vordering. Blijkens dat vonnis heeft de rechtbank in een tussenvonnis van 24 december 2014 geoordeeld dat De Leege Landen jegens [G c.s.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om de woning aan de [....] te Baarn zonder gebreken (pop-outs) op te leveren en is gehouden de dientengevolge door [G c.s.] geleden schade te vergoeden. De rechtbank heeft De Leege Landen bij eindvonnis van 14 september 2016 veroordeeld tot betaling aan [G c.s.] van € 20.000.

2.11

IBB heeft bij brief aan De Leege Landen van 16 december 2016 – naar aanleiding van de oproeping voor een algemene vergadering van aandeelhouders op 22 december 2016 – diverse bezwaren en onduidelijkheden met betrekking tot de jaarrekeningen over 2012 tot en met 2016, waaronder de afhandeling van de regeling over de pop-outs, managementfees en rekening-courantboekingen aan de orde gesteld. Over de managementfees staat in de brief: “De door de jaren heen aan u toegekende managementfee’s hebben een fluctuerend verloop en kunnen wij niet plaatsen in een context. In totaal gaat het vanaf 2012 om een bedrag van € 90.750. Graag ontvangen wij van u de managementovereenkomst dan wel de aandeelhoudersbesluiten op grond waarvan deze managementfee is uitbetaald.

2.12

Op 22 december 2016 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van De Leege Landen plaatsgevonden, waar [B] namens IBB en [A] (die de vergadering voorzat) aanwezig waren.

2.13

[A] heeft namens HVC bij e-mail van 23 januari 2017, onder andere aan mr. Plas, kenbaar gemaakt dat hij IBB aansprakelijk stelt “(…) voor de schade welke De Leege Landen 2 B.V., Holland Vastgoed Consultancy B.V. of ik persoonlijk leid, inzake de non betaling aan de heer [E] .

2.14

IBB heeft namens De Leege Landen in februari 2017 € 20.000 betaald aan [E] , nadat [E] medio januari 2017 had aangezegd het faillissement van De Leege Landen aan te zullen vragen, omdat De Leege Landen niet tot betaling van dit bedrag was overgegaan.

2.15

IBB heeft zich bij brief aan De Leege Landen van 9 februari 2017 op het standpunt gesteld dat van de op 16 december 2016 gestelde vragen en verzoeken om inlichtingen slechts een klein deel tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 22 december 2016 was beantwoord onderscheidenlijk verstrekt. In de brief heeft IBB de vragen die zij in haar brief van 16 december 2016 had opgenomen, voor zover deze onbeantwoord waren gebleven, herhaald en waar nodig gewijzigd en aangevuld.

2.16

Op die brief heeft [A] op 9 februari 2017 per e-mail namens HVC gereageerd. Zijn reactie behelst: “(…) Jij gaf aan dat ik had bepaald dat er geen informatie mocht worden verstrekt, hetgeen juist is. Jaren geven wij uitgebreid info naar IBB. Terwijl er regelmatig uitvoerige sessies op het kantoor van onze boekhouder worden gegeven. Waar die info bij IBB Kondor blijft is mij een raadsel. (…) Wel blijven de rekeningen onbetaald. Ik zal ook niet verder op de beantwoording ingaan zolang de bijgevoegde rekeningen niet zijn betaald. (…)

3 De gronden van de beslissing

3.1

IBB heeft aan haar enquêteverzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van en een juiste gang van zaken bij De Leege Landen. Ter toelichting – kort samengevat – heeft IBB een opsomming gegeven van handelingen die zich binnen De Leege Landen hebben voorgedaan waarbij haar indirect bestuurder [A] (direct of indirect) een persoonlijk belang heeft (gehad) dat tegenstrijdig is aan het belang van De Leege Landen en de met haar verbonden onderneming. IBB heeft daartoe in de eerste plaats gewezen op de wijze van afhandeling van de problematiek rondom de pop-outs. Begin 2012 hebben IBB en De Leege Landen afspraken gemaakt over een finale afwikkeling tussen hen beide ter zake van schade die van deze problematiek het gevolg is (zie ook hiervoor onder 2.6 en 2.7). Ter nakoming van die afspraken heeft IBB € 100.000 betaald met het oog op twee specifieke woningen. Het heeft IBB bevreemd dat zij desondanks werd geconfronteerd met het hiervoor onder 2.10 genoemde vonnis van 14 september 2016, waarbij De Leege Landen is veroordeeld tot betaling van € 20.000 ter zake van de gevolgen van pop-outs bij één van deze woningen. Daarnaast komt voor IBB het tegenstrijdig belang naar voren uit verscheidene boekingen in de jaarrekeningen over 2012 tot en met 2016. Boekingen in rekeningen-courant tussen De Leege Landen en [I] en HVC roepen vragen op. Datzelfde geldt voor de omvang en het verloop van de managementfees gedurende deze jaren. IBB heeft [A] meermaals verzocht om over al deze onderwerpen opening van zaken te geven, maar [A] heeft nagelaten dit te doen. De manier waarop binnen De Leege Landen met deze situaties van tegenstrijdig belang wordt omgesprongen en de weigering daarover informatie aan haar aandeelhouder te verstrekken, doen gerede twijfel rijzen aan haar functioneren als rechtspersoon. Verder heeft IBB gewezen op een tussen haar en HVC geldende afspraak die inhoudt dat zij in de verhouding 3:1 zullen voorzien in de financieringsbehoefte van De Leege Landen. Gelet op deze afspraak mag worden verwacht dat De Leege Landen rekening-courantschulden aan zowel IBB als HVC heeft die in dezelfde verhouding tot elkaar staan. Terwijl de schuld die De Leege Landen aan IBB heeft ruim € 1,1 miljoen bedraagt, is er geen sprake van een rekening-courantschuld van De Leege Landen aan HVC. Aan herhaaldelijke verzoeken van IBB aan [A] om hiervoor een verklaring te bieden, wordt evenmin voldaan, aldus steeds IBB.

3.2

De Leege Landen heeft aangevoerd dat de kern van het verzoek wordt gevormd door het volgens IBB ongerechtvaardigde verschil tussen de rekening-courantsaldi van beide aandeelhouders en dat dit een geschil van louter vermogensrechtelijke aard is, dat buiten het toepassingsgebied van de enquêteprocedure valt. De Ondernemingskamer volgt De Leege Landen hierin niet. De door IBB naar voren gebrachte bezwaren hebben niet alleen betrekking op de rekening-courantverhoudingen, maar zien ook op de wijze waarop IBB als aandeelhouder wordt geïnformeerd door de bestuurder alsmede op tegenstrijdig belang kwesties. Die bezwaren lenen zich voor beoordeling door de Ondernemingskamer in het kader van deze procedure.

3.3

Voorts heeft De Leege Landen aangevoerd dat IBB onvoldoende belang heeft bij haar enquêteverzoek, omdat De Leege Landen onvoldoende middelen heeft om op een deugdelijke wijze daartegen verweer te voeren en een onderzoek een kostbare en tijdrovende aangelegenheid is die de vennootschap niet kan dragen. De Ondernemingskamer overweegt dat IBB als aandeelhouder belang heeft bij openheid van zaken. Bovendien is er ter zitting daadwerkelijk verweer gevoerd namens de vennootschap en heeft IBB zich bereid verklaard om, indien nodig, de onderzoekskosten voor te schieten.

3.4

De Leege Landen heeft inhoudelijk als verweer het volgende naar voren gebracht. De samenwerking tussen [A] en (de rechtsvoorganger van) IBB dateert van bijna dertig jaren geleden en heeft zich tot voor kort gekenmerkt door een informele wijze van zaken doen. In al die tijd heeft IBB nooit commentaar geleverd op de financiële gang van zaken binnen De Leege Landen. IBB heeft altijd inzage gehad in de cijfers: zij had daar te allen tijde toegang toe en werd daarover desgewenst door de accountant geïnformeerd. [A] heeft alle onderwerpen die thans als bezwaren door IBB naar voren zijn gebracht, indertijd besproken met IBB-bestuurder [C] . Nadat [B] begin 2016 bestuurder van IBB is geworden, is er een nieuwe wind gaan waaien binnen IBB: [C] is naar de achtergrond verdwenen en [B] is op de voorgrond getreden. De Ondernemingskamer behoort de gang van zaken in het verleden te betrekken bij haar beoordeling. Er is van de zijde van De Leege Landen en HVC verscheidene malen voorgesteld aan IBB om bijeen te komen om de zaak te bespreken en de gewenste openheid van zaken te geven, maar IBB heeft daarop telkenmale afwijzend gereageerd. Volgens De Leege Landen zien de in 2012 met IBB overeengekomen regeling in verband met de pop-outs en de veroordeling tot betaling van € 20.000 bij vonnis van 14 september 2016 op verschillende schades; de € 20.000 die op basis van het vonnis aan [G c.s.] betaald diende te worden valt dan ook buiten de € 340.000 die IBB volgens de regeling gehouden was te voldoen en behoort – aldus De Leege Landen – voor rekening van IBB te komen.

3.5

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij De Leege Landen. In een situatie als de onderhavige waarin een van de aandeelhouders van een joint venture vennootschap geen bestuurder is, rust op de vennootschap een bijzondere zorgplicht jegens die aandeelhouder en dient toereikende openheid te worden betracht; aannemelijk is geworden dat bestuurder HVC die openheid niet heeft betracht. Het bestuur heeft de door aandeelhouder IBB gestelde vragen over 1) de afwikkeling van de schadevergoeding naar aanleiding van de ‘pop-outproblematiek’, 2) hoe de rekeningen-courant van beide aandeelhouders zich verhouden tot de gemaakte 3:1-financieringsafspraak, en 3) verscheidene concrete boekingen, zoals die ter zake van rekening-courantschulden en managementfees immers grotendeels onbeantwoord gelaten, zo blijkt uit het volgende.

3.6

Met betrekking tot de afwikkeling van de pop-out schade overweegt de Ondernemingskamer dat uit de feiten kort gezegd het volgende blijkt. Begin 2012 hebben IBB en De Leege Landen een regeling getroffen over de vergoeding van deze schade, waarbij zij onderling finale kwijting zijn overeengekomen (zie hiervoor onder 2.6 en 2.7). IBB heeft in dat kader een korting op de aanneemsom aan De Leege Landen verleend van € 340.000. Dit bedrag is voldaan, via verrekening met een nog uitstaand bedrag van € 240.000 en door middel van betaling door IBB van tweemaal € 50.000. De omschrijvingen van die overboekingen, zoals hiervoor weergegeven onder 2.8, vermelden elk de bewoner van een woning waar zich ‘pop-outs’ hadden geopenbaard, onder wie [E] . IBB mocht gelet op het voorgaande verwachten dat daarmee de afhandeling van de schade door pop-outs niet langer een aangelegenheid van IBB was. De bedragen van € 50.000 zijn vervolgens door De Leege Landen overgeboekt naar [I] , een aan [A] gelieerde vennootschap die – volgens De Leege Landen – voor de afwikkeling zou zorgdragen. Dat is echter kennelijk niet gebeurd gelet op het vonnis van 14 september 2016, waarbij De Leege Landen is veroordeeld tot betaling aan [G c.s.] van € 20.000 aan schadevergoeding ter zake van pop-outs, een veroordeling waaraan De Leege Landen niet heeft voldaan/kunnen voldoen. De Ondernemingskamer acht het dan ook zonder meer gerechtvaardigd dat over de ‘pop-outproblematiek’ vragen door IBB worden gesteld. Beantwoording van die vragen door De Leege Landen is ten onrechte uitgebleven. Het gebrek aan openheid van zaken is extra bezwaarlijk omdat ook onduidelijk is waarom De Leege Landen in 2012 € 100.000 heeft (door)betaald aan [I] , een aan [A] gelieerde vennootschap, en hoe dat geld uiteindelijk is aangewend.

3.7

Ter zake van de rekeningen-courantsaldi overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Volgens IBB zijn de rekeningen-courant sinds 2012 scheef gaan lopen ten opzichte van door de aandeelhouders gemaakte afspraken over financiering van de vennootschap. [A] heeft ter zitting bevestigd dat de aandeelhouders in het verleden hadden afgesproken om in een onderlinge verhouding van 1:3 bij te dragen aan de financieringsbehoefte van De Leege Landen en dat zij dit via hun rekeningen-courant bij De Leege Landen zouden doen. Volgens [A] zijn deze afspraken vervolgens gewijzigd, maar niet duidelijk is geworden wat de inhoud en achtergrond waren van die (gestelde) wijziging en hoe die wijziging tot stand zou zijn gekomen. De Ondernemingskamer stelt vast dat hieromtrent geen stukken zijn overgelegd. IBB heeft bij e-mail van 4 november 2015 (zie hiervoor onder 2.9) aan de accountant van De Leege Landen concrete vragen gesteld over de rekeningen-courantverhoudingen. Niet is gebleken dat daarop van de zijde van de Leege Landen is geantwoord. IBB is overigens nog teruggekomen op het scheef lopen van de rekeningen-courant op de aandeelhoudersvergadering van 22 december 2016 en in haar brief aan De Leege Landen van 9 februari 2017. De bestuurder van De Leege Landen heeft nagelaten toen alsnog de door IBB verlangde duidelijkheid te verschaffen.

3.8

IBB heeft voorts nog vragen gesteld over concrete boekingen in de jaarrekeningen van De Leege Landen over de jaren 2012 tot en met 2016, waaronder over de in de loop van die jaren geboekte managementfees (zie hiervoor onder 3.5 sub 3). Deze vragen zijn toegelicht in de brieven van IBB van 16 december 2016 (zie hiervoor onder 2.11) en 9 februari 2017 (zie hiervoor onder 2.15). Dit zijn gerichte vragen die niet onbeantwoord hadden mogen blijven, temeer nu hierin een (potentieel) tegenstrijdig belang tussen (vennootschappen gelieerd aan) [A] en De Leege Landen speelt. Zo is gebleken dat aan de managementfees een besluit noch een aandeelhoudersovereenkomst ten grondslag ligt; [A] heeft deze fees kennelijk eenzijdig bepaald, dit terwijl hij daarbij een met de vennootschap tegenstrijdig belang had. Ook is geen antwoord gegeven op vragen over bedragen die verband houden met De Leege Landen en die zijn geboekt op de rekening-courantverhouding tussen de vennootschap en – de aan [A] gelieerde vennootschappen – HVC en [I] . Datzelfde geldt voor het door IBB genoemde overboeken in 2014 van het saldo van de rekening-courantverhouding tussen De Leege Landen en [I] naar de rekening-courantverhouding tussen De Leege Landen en HVC. De aard van deze boekingen maakt dat er minst genomen transparantie over had moeten worden betracht door De Leege Landen, zeker nadat hierover door IBB vragen waren gesteld. De stelling van [A] dat in het verleden een informele verstandhouding tussen beide aandeelhouders bestond, doet, anders hij kennelijk meent, niet af aan de verplichting van De Leege Landen tot het verschaffen van adequate informatie aan IBB.

3.9

Gelet op het hiervoor overwogene zal de Ondernemingskamer een onderzoek bevelen naar het beleid van en de gang van zaken bij De Leege Landen. Het onderzoek zal zich in het bijzonder moeten richten op het verkrijgen van opening van zaken ten aanzien van de in 3.5 genoemde vraagpunten. De Ondernemingskamer zal het onderzoek bevelen over de verzochte periode vanaf 2012.

3.10

De kosten van het onderzoek worden ten laste van De Leege Landen gebracht.

3.11

Nu De Leege Landen in het ongelijk zal worden gesteld, zal de Ondernemingskamer haar verzoek om IBB te veroordelen in de kosten van het geding eveneens afwijzen.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van De Leege Landen II B.V., gevestigd te Utrecht, over de periode vanaf 2012;

benoemt mr. M.W.E. Evers te Amsterdam tot onderzoeker;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 25.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van De Leege Landen II B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.A. Goslings en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, dr. P.M. Verboom en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken door de jongste raadsheer ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 12 juli 2017.