Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2895

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
23-001006-17.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderbijslagfraude. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 uren, met een proeftijd van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001006-17

datum uitspraak: 20 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-480270-07 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2017.

Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode vanaf 11 maart 2004 tot en met 31 december 2006, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in elk geval alleen, in strijd met een hem en/of zijn mededader bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 15 van de Algemene Kinderbijslagwet) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale Verzekeringsbank te [plaats] , immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader (in die periode en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat

[naam 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] en/of [naam 2] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] en/of [naam 3] , geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 4] ,

uit huis waren geplaatst sinds 11 maart 2004 waren en/of waren geweest en behoorden en/of had(den) behoord tot het huishouden van een derde en/of derden en dat hij en/of zijn mededader de verplichte onderhoudsbijdrage voor genoemde kinderen niet betaalde(n) en/of had(den) betaald, zijnde dit gegeven(s) waarvan hij en/of zijn mededaer wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van zijn/hun recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Algemene Kinderbijslagwet - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kan/heeft kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is kort gezegd het volgende aangevoerd. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij recht had op kinderbijslag omdat hij na de uithuisplaatsing van zijn kinderen nog belast was met het ouderlijk gezag. Hij wist niet dat hij aan de betreffende instantie had moeten doorgeven dat zijn kinderen niet meer bij hem woonden. Het opzet van de verdachte op het ten laste gelegde heeft daarom ontbroken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat degene die een verstrekking of tegemoetkoming geniet als uitkeringsgerechtigde, een inlichtingenplicht heeft jegens de uitkeringsinstanties, waarbij de uitkeringsgerechtigde gehouden is te allen tijde gegevens, die redelijkerwijs van belang zijn voor de vaststelling van het recht op die verstrekking of tegemoetkoming, tijdig door te geven.

Bij de toekenning van de tegemoetkoming aan de verdachte ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet is hem medegedeeld dat hij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming. De verdachte heeft erkend dat hij hierover is voorgelicht en hij heeft vragen omtrent de huisvesting van zijn kinderen beantwoord. Desondanks heeft hij op een door hem ondertekend wijzigingsformulier van 29 november 2004 niet doorgegeven dat zijn kinderen op 11 maart 2004 uit huis waren geplaatst. Ook nadien heeft hij nagelaten dit gegeven, waarvan hij op de hoogte was gesteld dat dit van belang was voor zijn recht op kinderbijslag, aan de Sociale Verzekeringsbank te melden. De verdachte heeft door dit na te laten minst genomen in voorwaardelijke zin opzet gehad op het ten laste gelegde. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode vanaf 1 april 2004 tot en met 31 december 2006, in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 15 van de Algemene Kinderbijslagwet) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale Verzekeringsbank te [plaats] , immers heeft hij niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat [naam 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] en [naam 2] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] en [naam 3] , geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 4] , uit huis waren geplaatst sinds 11 maart 2004, zijnde dit een gegeven waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit van belang was voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming namelijk een uitkering krachtens de Algemene Kinderbijslagwet, zulks terwijl dit feit heeft kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met bevel dat de verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van kinderbijslagfraude, door niet te melden aan de SVB dat zijn kinderen uit huis waren geplaatst. Bijstandsfraude is een ernstig feit omdat daarmee misbruik wordt gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. De verdachte heeft zichzelf hiermee ten koste van de gemeenschap bevoordeeld.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2017 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, zij het voor andersoortige delicten, zodat het hof deze veroordelingen niet ten nadele van de verdachte weegt.

Ter zitting in hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte het hem ten onrechte uitgekeerde bedrag volledig heeft terugbetaald. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn inmiddels aanzienlijk veranderd. Daarom komt het hof tot een lagere straf dan de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Het hof stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen de data waarop is getracht het verstekvonnis van 18 mei 2009 te laten betekenen en de datum waarop het verstekvonnis uiteindelijk aan de verdachte is uitgereikt, zijn zeven jaren verstreken, zonder dat blijkt dat het openbaar ministerie in die zeven jaren tenminste eenmaal per jaar heeft getracht het verstekvonnis aan de verdachte te laten betekenen.

Gelet evenwel op de op te leggen voorwaardelijke straf, is het hof van oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2017.

Mr. F.M.D. Aardema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]