Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:288

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
23-000003-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal van goederen in woning, diefstal van geldbedrag van bankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000003-16

datum uitspraak: 31 januari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-659089-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 22 augustus 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een TV (merk Samsung) en/of een laptop en/of een wandklok en/of twee horloges en/of een boor- en zaagmachine en/of een digitale TV decoder en/of een matras en/of een of meer handdoeken en/of beddengoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door (met een breekijzer) de (voor)deur van die woning te forceren, in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

2 primair:
hij in of omstreeks de periode van 25 juli tot en met 1 augustus 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1500 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door een (overschrijvings)cheque (op naam van voornoemde [slachtoffer 2]) aan/in te vullen met zijn verdachtes, gegevens en/of die cheque te voorzien van een handtekening welke door moest gaan als de handtekening van die [slachtoffer 2] en/of die (ingevulde) cheque in/af te leveren en/of te sturen bij/aan de ING-bank, in elk geval door middel van een valse sleutel;

2 subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijke ongeveer € 1.500,00, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten door bijschrijving/overboeking op/naar zijn bankrekening onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Partiële vrijspraak en overwegingen omtrent het bewijs

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat het forceren van de voordeur van de woning door de verdachte direct verband heeft gehouden met de nadien door hem gepleegde diefstallen. Van de onder 1 tenlastegelegde braak en verbreking zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Het hof acht bewezen dat de televisie uit de woonkamer door de verdachte is ontvreemd, nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat deze televisie nog aanwezig was toen zij de laatste keer in de woning was; de verdachte verbleef op dat moment nog in de woning. Uit haar verklaring volgt voorts dat één matras tijdens het verblijf van de verdachte uit de woning is verdwenen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen heeft ontvreemd, nu de verdachte in die periode in de woning verbleef en er geen enkel aanknopingspunt is te vinden voor de mogelijkheid dat een ander dan de verdachte de televisie en het matras heeft weggenomen.

Ten aanzien van de diefstal van de overige onder 1 ten laste gelegde goederen zal de verdachte worden vrijgesproken. Ten aanzien van de laptop en de televisie heeft de verdachte verklaard dat deze goederen zijn eigendom waren. De juistheid van die stelling valt op grond van de inhoud van het dossier niet uit te sluiten, mede gelet op de verklaring van de getuige [getuige 2], inhoudende dat de verdachte een televisie op zijn slaapkamer had en van [getuige 1], dat de laptop zich eerst in de slaapkamer van de verdachte bevond. Ten aanzien van de overige goederen hebben de getuigen niets waargenomen, zodat in belastende zin enkel de aangifte resteert. Aldus is onvoldoende vast komen te staan dat deze goederen door de verdachte in de woning zijn weggenomen.

Het hof acht de diefstal van het onder 2 ten laste gelegde geldbedrag wettig en overtuigend bewezen, op grond van de aangifte van de vader van de verdachte, de constatering dat het geldbedrag op de rekening van de verdachte is bijgeschreven en de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep dat hij het geld van een cheque op zijn rekening heeft gestort en gebruikt. Dat deze cheque door zijn vader ingevuld voor hem zou zijn achtergelaten, zoals de verdachte voorts heeft verklaard, strookt niet met de aangifte, niet met de wijze van binnentreden van de verdachte – namelijk door het forceren van de voordeur – en evenmin met de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. Die stelling wordt daarom ongeloofwaardig geacht en gepasseerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 25 juli 2014 tot en met 22 augustus 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een TV en een matras, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2 primair:
hij in de periode van 25 juli tot en met 1 augustus 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1500 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens: diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door goederen weg te nemen uit de woning van zijn ouders, waar hij (regelmatig) verbleef, en een aanzienlijk geldbedrag van zijn vader te stelen, heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem werd gesteld. De verdachte heeft zich niet bekommerd om het leed dat hij zijn ouders daarmee zal hebben berokkend, naast de materiële schade die hij heeft veroorzaakt, maar heeft kennelijk enkel oog gehad voor het verbeteren van zijn eigen financiële positie. Dergelijke feiten rechtvaardigen in beginsel een vrijheidsbenemende straf van enige maanden, gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen pleegt worden opgelegd. De verdachte zijn blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 januari 2017 werkstraffen opgelegd bij wijze van transactie, maar hij is niet eerder door de strafrechter veroordeeld. Voorts heeft de verdachte, die een periode dakloos is geweest, sinds kort de beschikking over een plek in de opvang en volgt hij naar zijn zeggen een traject bij Jellinek verslavingszorg in verband met zijn alcoholprobleem. Het hof acht het van belang mogelijk positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte niet te doorkruisen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mede uit oogpunt van beperking van het gevaar van herhaling. Wel zal het een hogere taakstraf opleggen dan door de advocaat-generaal geëist, ook al wordt de verdachte van een aantal strafverzwarende omstandigheden vrijgesproken, gelet op de ernst van de feiten en de grove inbreuk die de verdachte op het vertrouwen van zijn ouders heeft gemaakt.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer, [slachtoffer 2], is toegebracht tot een bedrag van € 1.500,00. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Ten behoeve van [slachtoffer 2] zal het hof daarom, om te bevorderen dat deze schade door de verdachte wordt vergoed, ter zake van dit bedrag de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.M. van Woensel en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 januari 2017.

Mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.