Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2869

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
23-003099-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1831, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verkrachting Engelse toeriste op wc in Amsterdamse kroeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003099-15

datum uitspraak: 7 juli 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-669151-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 1

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2016, 23 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

2:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, door terwijl hij en die [slachtoffer] in de wc stonden, de deur op slot te doen en/of door in de wc voor haar (tussen haar en de toegangsdeur) te staan;

3
primair:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte haar op de wc heeft opgesloten en/of voor haar is gaan staan en/of haar broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken en/of haar benen uit elkaar heeft geduwd en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3
subsidiair:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, te weten onder zodanige invloed van alcohol en/of verdovende middelen dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was daaromtrent haar wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, één of meer handeling(en) heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft hij één of meermalen zijn vinger(s) en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen.

De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal wegens proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverwegingen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De door de verdachte opgevoerde alternatieve lezing dat sprake is geweest van seks met wederzijds goedvinden, is onaannemelijk.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster dat zij door de verdachte verkracht is, onbetrouwbaar zijn, terwijl het scenario van de verdachte, inhoudende dat sprake was van vrijwillige seks op de wc, door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Oordeel hof

Het hof ziet zich, mede in het licht van het door de raadsman gevoerde bewijsverweer, gesteld voor de vraag of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en of de verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Verklaringen aangeefster

De aangeefster heeft op 23 juli 2014 bij de politie en op 20 februari 2015 bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Deze verklaringen houden, samengevat, het volgende in.

Op 22 juli 2014 is de aangeefster, die een avond uit was met haar vriendinnen [getuige 1] en [getuige 2], onwel geworden in café [naam 3] in Amsterdam. De verdachte, die als glazenophaler in het café hielp, bood de aangeefster een glas water en een minimars aan. Op enig moment voelde de aangeefster dat zij moest overgeven en is zij, vergezeld door haar vriendinnen en gevolgd door de verdachte, in het café naar de wc gegaan. In de wc gaf zij over, terwijl de wc-deur was geopend. De vriendinnen, die met de aangeefster in de wc stonden, streken haar over de rug. De verdachte, die ook in de wc stond, klopte de aangeefster, terwijl zij aan het overgeven was, op de nek, kennelijk om haar te ondersteunen bij het overgeven. Vervolgens vroeg zij om meer ruimte. Toen deden haar vriendinnen een stap naar achteren waarna de verdachte de wc-deur sloot en op slot draaide. De aangeefster moest van de verdachte opstaan en zich omdraaien en plaatsnemen op de wc. Vervolgens begon hij haar te tongzoenen. De aangeefster hoorde dat er aan de wc-deur werd getrokken en zei herhaaldelijk tegen de verdachte dat hij haar vriendinnen binnen moest laten. De verdachte negeerde de aangeefster, tilde haar op en trok haar broek en onderbroek naar beneden. De aangeefster moest van de verdachte zeggen dat zij ‘okay’ was. In eerste instantie deed de aangeefster dit niet. Toen de verdachte met zijn handen haar benen uit elkaar trok, zei de aangeefster tegen haar vriendinnen dat ze ‘okay’ was. Zij zei dit omdat zij bang voor hem was. Zijn toon was veranderd en hij stond voor haar zodat zij niet weg kon. De aangeefster voelde zich in de val zitten. De verdachte tilde de aangeefster met zijn arm om haar middel omhoog en voelde met zijn hand aan haar vagina en ging met zijn vingers naar binnen. De verdachte bewoog met zijn vingers opwaarts, stopte en penetreerde haar vervolgens met zijn penis. Gedurende deze handelingen hebben de vriendinnen aan de deur getrokken. Het handelen van de verdachte hield op toen zij de deur hadden geforceerd. De aangeefster zat op dat moment met haar broek naar beneden huilend op de wc.

De betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de aangeefster

Het hof stelt vast dat de aangeefster zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij bang was, zij de verdachte heeft gevraagd haar vriendinnen in de wc te laten, de verdachte haar tongzoende, haar broek en onderbroek naar beneden trok, haar benen uit elkaar duwde en haar penetreerde met zijn vingers en penis. Zij is op deze en andere essentiële onderdelen consistent in haar lezing gebleken. De geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaringen worden onderstreept door de toestand waarin de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] haar aantroffen toen de wc-deur openging. [getuige 1] heeft gezien dat de aangeefster op de wc zat en heel ontdaan was en huilde. Ook [getuige 2] heeft de aangeefster in shock op de wc aangetroffen met haar broek naar beneden. Tegen beide getuigen heeft de aangeefster gelijk na het openen van de wc-deur gezegd dat ze was verkracht. De barman [getuige 3] zag de aangeefster huilend tegen de wc-deur zitten en hoorde haar zeggen ‘I didn’t want to’. De kort hierna ter plaatse gekomen politieambtenaar [verbalisant] zag dat de aangeefster in elkaar gedoken zat met haar handen voor haar gezicht. Haar mascara was doorlopen en ze was aan het huilen. Tot slot bevestigen [getuige 1] en [getuige 2] de door de aangeefster geschetste setting waarin het incident zich afspeelde.

Op grond van het bovenstaande komen de verklaringen van de aangeefster over hetgeen op 22 juli 2014 in de wc in café [naam 3] is gebeurd authentiek op het hof over. Het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen; zij zijn mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De omstandigheid dat de aangeefster verklaart vanuit de wc te hebben geschreeuwd terwijl de beide vriendinnen verklaren dat niet te hebben gehoord, doet hieraan niet af. Ook de overige kanttekeningen die de raadsman bij die verklaringen heeft geplaatst, zijn niet dusdanig dat deze tot een ander oordeel dwingen, waarbij het hof in het bijzonder overweegt dat het geen reden heeft te twijfelen aan de mogelijkheid om met een vrouw met het postuur van de aangeefster in de beperkte ruimte van de wc onder dwang de seksuele handelingen te verrichten zoals door de aangeefster omschreven.

Bewijsminimum

Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat hij betoogt dat het bewijs dat de verdachte de aangeefster tot de seksuele handelingen die met haar zijn verricht heeft gedwongen en de wederrechtelijke vrijheidsberoving enkel zouden kunnen worden gestoeld op haar eigen verklaringen.

Het hof volgt de raadsman niet in het verweer. De verklaringen van de aangeefster vinden in voldoende mate steun in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen:

- de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], meer specifiek in hetgeen daaruit naar voren komt over de toestand waarin de aangeefster zich bevond toen de wc-deur werd geopend;

- de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], voor zover daaruit volgt dat de wc-deur op slot zat, dat [getuige 2] op die wc-deur heeft geklopt en gebonkt en aan die wc-deur heeft getrokken waarbij zij de verdachte vroeg de deur te openen en de verdachte bleef herhalen ‘een momentje alsjeblieft’ en de deur niet opende;

- de verklaring van de verdachte, voor zover daaruit volgt dat de aangeefster aan het overgeven was, dat hij de wc-deur heeft gesloten en op slot heeft gedaan en dat hij tussen de aangeefster en de deur met zijn rug naar de deur stond en hij haar vriendinnen op de deur hoorde bonzen en aan de deur hoorde trekken.

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in. De verdachte zag in de toiletten dat de aangeefster misselijk was en moest overgeven. De verdachte wilde helpen en ging met de aangeefster en haar vriendinnen mee de wc in. Hij aaide de rug en wreef het gedeelte tussen de hals en borsten van de aangeefster. Ineens voelde hij dat de aangeefster zijn rechterhand begon te kussen en te likken. Vervolgens vroeg de aangeefster haar vriendinnen weg te gaan en zoenden de aangeefster en de verdachte elkaar. De wc-deur was toen nog open. Daarna heeft de verdachte de wc-deur gesloten en op slot gedaan. De aangeefster trok haar broek uit en de verdachte trok zijn eigen broek uit. De verdachte ging met zijn hand naar het onderlichaam van de aangeefster en drong met zijn vingers bij haar naar binnen, daarna ging hij met zijn penis naar binnen. De aangeefster wilde het zelf en zij vond het fijn.

Het hof acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking:

- de verdachte heeft aanvankelijk ontkend dat er seksuele handelingen (waaronder penetratie) hebben plaatsgevonden; eerst nadat hem een bevel tot afname van DNA was overhandigd en hem door de officier van justitie was meegedeeld dat DNA-onderzoek zou uitwijzen of hij al dan niet seks met de aangeefster had gehad, heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij seks, en wel op vrijwillige basis, met de aangeefster heeft gehad;

- voor het scenario van de verdachte dat de aangeefster hem uitnodigde tot seks door zijn hand te kussen en te likken, is geen enkel aanknopingspunt te vinden. Uitgaande van de lezing van de verdachte zou dit moeten hebben plaatsgevonden toen de vriendinnen van de aangeefster nog naast haar in het toilet stonden en zij hebben geen van beiden over een dergelijke handeling door de aangeefster verklaard;

- het is hoogst onaannemelijk dat de aangeefster vrijwillig seks heeft gehad in de wc onmiddellijk nadat zij had overgegeven en nog misselijk was en haar vriendinnen op de deur bonkten;

- het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de emotionele toestand waarin de aangeefster zich bevond gelijk nadat de wc-deur was geopend.

Conclusie

Het hof ziet, kort samengevat, geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen, acht voldoende wettig bewijs voorhanden en acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk. Hieruit volgt dat sprake is geweest van feitelijkheden van de zijde van de verdachte die voor de aangeefster een bedreigende situatie hebben doen ontstaan waardoor zij is gedwongen de handelingen van de verdachte, waaronder penetratie met vingers en penis, tegen haar wil te dulden. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan zowel de onder 2 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving als de onder 3 primair ten laste gelegde verkrachting heeft schuldig gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op 22 juli 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door, terwijl hij en die [slachtoffer] in de wc stonden, de deur op slot te doen en door in de wc voor haar (tussen haar en de toegangsdeur) te staan;

3 primair:
hij op 22 juli 2014 te Amsterdam door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis en vingers in de vagina van [slachtoffer] bracht, en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte haar op de wc heeft opgesloten, voor haar is gaan staan, haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en haar benen uit elkaar heeft geduwd en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Hetgeen onder 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

en

verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een 18-jarige toeriste van haar vrijheid beroofd en verkracht. Hij heeft zich in de toiletruimte van een café, waar de aangeefster zich bevond omdat zij zich onwel voelde en moest overgeven, opgedrongen. De verdachte heeft zichzelf met de aangeefster opgesloten in de wc, is tussen de aangeefster en de wc-deur gaan staan zodat zij niet weg kon en heeft de aangeefster verkracht. Haar vriendinnen stonden op dat moment machteloos aan de andere kant van de wc-deur. De aangeefster moet dit als zeer beangstigend en vernederend hebben ervaren. Dit zijn zeer ernstige feiten waarmee de verdachte een grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de aangeefster. Voor de aangeefster is haar vakantie in Nederland uitgelopen op een nachtmerrie en zij heeft door deze voor haar traumatische gebeurtenis afgezien van het vervolg van de door haar voorgenomen reis. Tevens heeft zij langdurig geleden onder de psychische gevolgen van het incident.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juni 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld in Nederland, zodat dit niet van invloed is op de op te leggen straf.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in het bijzonder de straffen die ter zake van verkrachting worden uitgesproken. Het hof zal hierom een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest aangevuld met een taakstraf, zoals verzocht door de raadsman, is gelet op de ernst van de feiten geen plaats.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer]

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verzocht, en de advocaat-generaal heeft gevorderd, een bedrag van

€ 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade toe te wijzen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht het verzoek af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak.

Het hof overweegt dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ook buiten de strafrechtelijke voegingsprocedure kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (ECLI:NL:HR:2010:BM0912).

Nu de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde, is daarmee diens civielrechtelijke aansprakelijkheid gegeven.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, mede gelet op de gemotiveerde stellingen in het schade-onderbouwingsformulier, die zijdens de verdachte niet zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade en het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenissen). Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op € 3.000,00 en zal voor dit bedrag aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 242 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

broek, zwart (4799213),

ondergoed, gebloemde slip (4799209).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2017.