Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2846

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
23-003888-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belichtingsproblemen camerabeelden in donker, contrasterende belichting, overbelichting diefstal in vereniging van goederen uit garagebox

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003888-16

Datum uitspraak: 27 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer

13-004949-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, zulks met uitzondering van de strafoplegging, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof (naar aanleiding van in hoger beroep gevoerde verweren) de navolgende bewijsoverwegingen bezigt en verder de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanpast op na te melden wijze en de strafmotivering vervangt door de navolgende.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Daartoe heeft hij meer in het bijzonder aangevoerd dat de kleur van de jas van de persoon op de camerabeelden afwijkt van de kleur van de jas van de verdachte. De verdachte is niet betrokken geweest bij de ten laste gelegde diefstal, hij heeft enkel een zwarte Piaggio Vespa scooter met daarin de contactsleutels gevonden en deze scooter meegenomen naar zijn woning, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de zich in het procesdossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende gang van zaken.

Op 7 januari 2015 omstreeks 20:34 uur zijn twee manspersonen, in het dossier aangeduid als NN1 en NN2, in de richting van de garagebox, gelegen aan de [adres 2] te Uithoorn, gelopen. Eén minuut later zijn NN1 en NN2 terug gelopen in de richting van waaruit zij kwamen. Omstreeks 20:37 uur is uit de richting waarin NN1 en NN2 even daarvoor verdwenen, een Opel Corsa met een defect remlicht aan komen rijden. De Opel Corsa heeft zich in de richting van de garagebox begeven. Vanuit de richting van de garagebox is omstreeks 20:46 uur een scooter, model Vespa, met daarop één manspersoon weggereden. Aansluitend, omstreeks 20:47 uur, is de Opel Corsa, volgeladen met goederen die bij aankomst niet in dit voertuig aanwezig waren, eveneens vanuit de richting van de garagebox vertrokken. Aan de rubberen strip aan de onderkant van de automatische roldeur van de garagebox is schade ontstaan. Uit de garagebox zijn onder meer een zwarte Piaggio Vespa scooter en een schroefboormachine van het merk Bosch weggenomen.

De verdachte is tussen 23.00 uur en 23.30 uur thuisgekomen in Haarlem. Aldaar heeft hij de getuige [getuige] - een huisgenoot - verteld dat hij een scooter met contactsleutels had gevonden. De verdachte heeft deze zwarte Piaggio [het hof begrijpt: model Vespa] scooter ook aan [getuige] laten zien. De volgende dag heeft [getuige] de politie in kennis gesteld van hetgeen op de avond van 7 januari 2015 was voorgevallen. Politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben zich vervolgens naar de woning van de verdachte begeven. Ter plaatse zagen zij de bewuste zwarte Piaggio Vespa scooter op het trottoir bij het huis van de verdachte staan. Bij binnenkomst zagen zij de verdachte met een plastic tas in zijn hand van de trap af komen lopen. Op datzelfde moment is de verdachte omgedraaid en naar de eerste verdieping gerend. Een politieambtenaar is de verdachte achterna gegaan, maar hem even uit het oog verloren. Nadien zagen zij de verdachte zonder plastic tas wederom de trap af komen lopen. Toen hebben zij de verdachte aangehouden. In de plastic tas die de verdachten even daarvoor bij zich droeg is een, bij de inbraak weggenomen, schroefboormachine van het merk Bosch aangetroffen. Daarnaast hebben de politieambtenaren in de gang op de eerste verdieping contactsleutels, behorende bij de zwarte Piaggio Vespa scooter, aangetroffen.

Het hof stelt vast dat het signalement van de als NN1 aangeduide manspersoon grote gelijkenis vertoont met het signalement van de verdachte. NN1 heeft immers een lichte huidskleur en kort donker haar met inhammen. Hij droeg een driekwartjas met capuchon, mogelijk met een bontkraag. De jas van NN1 heeft donkere vlakken langs de ritssluiting, op de borstzakken en op de jaszakken. NN1 droeg schoenen met donkere en lichte vlakken en een lichtkleurige zool. De verdachte heeft eveneens een lichte huidskleur en kort zwart haar met diepe inhammen. Hij droeg bij zijn aanhouding voorts een donkerblauwe driekwartjas met een capuchon met bontkraag. Op deze jas bevinden ter hoogte van de ritssluiting en zakken zwarte accenten op dezelfde plaatsen als op de jas van NN1. Verder droeg de verdachte toen een grijze joggingbroek en zwart met grijze sportschoenen van het merk Nike.

Het hof heeft gesignaleerd dat het de jas van NN1 op de ‘stills’ van de beschikbare camerabeelden ‘oplicht’ en anders van kleur lijkt dan de jas van de verdachte. De raadsman heeft in dit verband opgemerkt dat ‘lichtinval een rol kan spelen’. In het verlengde daarvan overweegt het hof meer specifiek dat camerabeelden die in een donkere omgeving zijn opgenomen, zo is van algemene bekendheid, lichtgevoelig zijn en daardoor vatbaar zijn voor belichtingsproblemen, waaronder onderbelichting of overbelichting. Dit brengt met zich dat niet valt uit te sluiten dat in het geval dat camerabeelden in het donker zijn opgenomen kleurcontrasten ontstaan. De gesignaleerde omstandigheid wordt door het hof dan ook niet als ontlastend beschouwd.

Op grond van het voorgaande is het hof concluderend van oordeel dat mede gelet op het korte tijdsbestek tussen de inbraak in de garagebox in Uithoorn en de thuiskomst van de verdachte met de uit de garagebox gestolen scooter, contactsleutels en de schroefboormachine, de verdachte de ten laste gelegde diefstal door middel van braak heeft gepleegd. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte en zijn onbekend gebleven medeverdachte gezamenlijk in de richting van de garagebox zijn gelopen, samen terug zijn gelopen en dat vervolgens één van hen is weggereden met de gestolen scooter, en één van hen is weggereden in een Opel Corsa welke was gevuld met, naar moet worden aangenomen, de uit de garagebox gestolen goederen. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het ten laste gelegde feit gezamenlijk uitgevoerd. Het hof is derhalve van oordeel dat het ten laste gelegde feit in vereniging is gepleegd.

De verdachte heeft op de ter terechtzitting in hoger beroep een lezing gepresenteerd die inhoudt dat hij op 7 januari 2015, rijdende in zijn auto, de zwarte Piaggio Vespa scooter met de contactsleutels aan de kant van de weg heeft gevonden en deze vervolgens onder achterlating van zijn auto heeft meegenomen. Deze lezing wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Allereerst is deze lezing flagrant in strijd met de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring, inhoudende dat hij de bewuste avond met Germaine Merks, een vriend, naar de kapper is gegaan, vervolgens naar zijn woning is gelopen en dat een ander de zwarte Piaggio Vespa scooter voor zijn huis moet hebben geplaatst. De verdachte heeft met andere woorden zeer wisselende verklaringen afgelegd, terwijl zijn laatste verklaring zowel details als onderbouwing ontbeert. Voorts past deze lezing niet bij de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Tot slot heeft deze verdachte die lezing in een buitengewoon laat stadium van de strafprocedure afgelegd; er is ampel gelegenheid geweest voor afstemming op de inhoud van het procesdossier.

Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen en acht – met de politierechter – het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

In aanvulling op de bewijsmiddelen als vermeld in het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep en onder vervanging van de daarin opgenomen inhoud van het onder 3 genoemde bewijsmiddel, legt het hof aan de bewijsbeslissing (tevens) de inhoud van de volgende bewijsmiddelen ten grondslag.

3. Een proces-verbaal met nummer 2015005729-4 van 10 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [ongenummerd].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 9 januari 2015 stelde de aangever [benadeelde partij 1] camerabeelden ter beschikking voor het opsporingsonderzoek. Op 9 januari 2015 heb ik de camerabeelden bekeken. Ik zie op de camerabeelden dat op 07-01-2015 omstreeks 20:34 uur NN1 en NN2 aan komen lopen. De looprichting is de garagebox waar is ingebroken. De beide personen lopen op 07-01-2015 omstreeks 20:35 uur terug naar waar ze vandaan kwamen. Ik zie op de camerabeelden dat op 07-01-2015 omstreeks 20:46 uur de scooter, model Vespa, met daarop een persoon weg rijdt. De scooter komt uit de richting van de garagebox en rijdt weg in de richting waar de eerdere NNI, NN2 en het voertuig vandaan kwamen. Ik zie op de camerabeelden dat op 07-01-2015 omstreeks 20:47 uur het voertuig, type Opel Corsa, vertrekt komende uit de richting van de garagebox waar de diefstal heeft plaatsgevonden en gaande in de richting waar het voertuig eerder vandaan gekomen was. In de auto zijn meerdere voorwerpen te zien die niet te zien

waren bij aankomst van het voertuig.

Signalement NNI:

- man

- lichte huidskleur

- 18-30 jaar oud

- donker kort haar met inhammen

- Opvallende drie kwart-jas met donkere vlakken op de volgende plekken: langs de

ritssluiting, op de borstzakken, op de jaszakken halverwege en de onderste jaszakken.

- een capuchon met mogelijk een bontkraag

- schoenen met donkere en lichte vlakken en lichtkleurige zool.

9. Een proces-verbaal met nummer 2015006925-17 van 10 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [ongenummerd].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 10 januari 2015 heb ik, verbalisant, een nader onderzoek ingesteld naar de herkomst van de onder BVH-goednummer 371493 genoemde inbeslaggenomen accuboorschroevendraaier van het merk Bosch, type GSR 12 VE-2.

Op dit goed blijkt de volgende inscriptie handmatig te zijn ingegraveerd: “K.O, 1185 XS, AL”.

Volgens het politiecomputersysteem behoort de postcode 1185 XS bij de adressen Kuiperij 1 - 13 en 2-30 te Amstelveen. Op het adres Kuiperij 7 staat op internet het bedrijf Aannemersbedrijf Koning & Van Oostveen B.V. vermeld.

10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2017.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven:

Ik heb die scooter op 7 januari 2015 ’s avonds mee naar huis genomen. Het klopt dat ik toen met [getuige] heb gesproken.

11. De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2017 dat de verdachte een blanke huidskleur heeft.

Daarnaast wordt aan de inhoud van het onder 8 in het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep genoemde bewijsmiddel toegevoegd:

Goed: PL1100-201500625-371493

Gereedschap, 1 stuks, Bosch GSR 12 VE-2

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht de eventueel op te leggen taakstraf te matigen en bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder met de omstandigheid dat de verdachte thans fulltime werkt en uitzicht heeft op een vast contract bij zijn werkgever.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal uit een garagebox door middel van braak. De verdachte en zijn medeverdachte hebben een aanzienlijke hoeveelheid goederen, waaronder een scooter en diverse gereedschappen, van de rechtmatige eigenaren ontvreemd. Dit is een ergerlijk feit, waarbij de verdachte geen respect heeft getoond voor andermans eigendommen. Dergelijke feiten brengen bovendien aanzienlijke schade en hinder mee voor de benadeelden en versterken gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 mei 2017 is hij eerder en herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten. Dat de verdachte hieruit geen lering heeft getrokken weegt in zijn nadeel.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive van de verdachte, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van serieus te nemen omvang. Het hof zal daartoe in dit bijzondere geval evenwel niet overgaan. Daartoe is het volgende redengevend.

Ten eerste houdt het hof – in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – rekening met de omstandigheid dat de verdachte bij arrest van 13 mei 2016 (en dus ná het thans bewezen geachte misdrijf) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk. Daarnaast houdt het hof rekening met de gebleken persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder de omstandigheid dat hij van zijn werkgever een nieuwe en vermoedelijk laatste kans op een vast contract heeft gekregen. Het hof overweegt dat het leven van de verdachte, naar het zich laat aanzien, een nog prille maar positieve wending heeft genomen.

Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positief te waarderen lijn wordt doorgetrokken, en deze ontwikkelingen niet worden doorkruist door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daarom zal het hof een gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overstijgt. Hiermee wordt de verdachte een voorlopig laatste kans gegund om buiten de muren van de Dienst Justitiële Inrichtingen zijn leven blijvend ten goede te keren. Ten einde de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken, zal een ander deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden gegoten.

Het hof is van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf een passende reactie op het bewezen feit vormt. De omvang van de taakstraf zal, anders dan bepleit, aanzienlijk zijn omdat alleen op die manier een evenwichtige balans kan worden gevonden tussen de noodzakelijk geachte vergelding en normbevestiging enerzijds en de speciale preventie anderzijds.

Het hof acht, alles afwegende, een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.709,06, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 1.502,05 toegewezen en de benadeelde partij is in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij conform de rechter in eerste aanleg zal beslissen.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu geen, althans onvoldoende stukken ter onderbouwing van het schadebedrag in het geding zijn gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.502,05, bestaande uit een bedrag van € 1.102,55 voor de schade aan de scooter en een bedrag van € 400,00 aan door het hof geschatte schade voor het computerscherm en de televisie. Gezien de gemotiveerde onderbouwing van de omvang van de schade door de benadeelde partij op deze onderdelen, is het hof van oordeel dat de verdachte ter betwisting van de vordering niet enkel kan volstaan met het betoog dat er geen of onvoldoende stukken ter onderbouwing van de waarde zijn. Gelet hierop ligt de vordering in zoverre als onvoldoende gemotiveerd betwist voor toewijzing gereed. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De benadeelde partij zal in het op deze punten meer of anders gevorderde in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de opgevoerde schadepost kleding is uit het onderzoek ter terechtzitting, gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens de verdachte, vooralsnog onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde. Het hof is van oordeel dat de verdere beoordeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs aan te brengen. De benadeelde partij kan daarom (ook) in zoverre thans in de vordering niet worden ontvangen en de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij Stukadoorsbedrijf [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.428,46, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.666,98 en de benadeelde partij is in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij conform de rechter in eerste aanleg zal beslissen.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij een eventuele bewezenverklaring de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de schade aan het rolluik tot een bedrag van € 138,00 toe te wijzen. De benadeelde partij heeft voor het overige onvoldoende bewijsstukken bijgebracht, terwijl de administratie van een stukadoorsbedrijf normaliter facturen tot drie à vier jaren geleden ten aanzien van aangeschafte goederen bevat; in zoverre dient de benadeelde partij dus niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het hof overweegt als volgt.

De vordering is met betrekking tot de opgevoerde schade bestaande uit de kosten voor een reparatie aan een overheaddeur van € 138,00 (exclusief BTW) door de verdachte niet betwist en ligt in zoverre voor toewijzing gereed.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en in het bijzonder de onderbouwing van de vordering is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden bestaande uit een bedrag van € 360,00 voor kosten die zijn gemoeid met het opruimen van de werkplaats (exclusief BTW) en een bedrag van € 3.000,00 aan door het hof geschatte schade voor het gereedschap (exclusief BTW). Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van de omvang van de schade door de benadeelde partij op deze onderdelen is het hof van oordeel dat de verdachte ter betwisting van de vordering niet enkel kan volstaan met het betoog dat onvoldoende stukken ter onderbouwing van de waarde zijn. Gelet hierop ligt de vordering ook in zoverre als onvoldoende gemotiveerd betwist voor toewijzing gereed.

Resumerend is de verdachte tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.498,00 gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.448,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 en de benadeelde partij is in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij conform de rechter in eerste aanleg zal beslissen.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Het hof overweegt als volgt.

De vordering is met betrekking tot de opgevoerde schade bestaande uit inkomstenderving van € 1.224,00 door de verdachte niet betwist en ligt in zoverre voor toewijzing gereed.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en in het bijzonder de onderbouwing van de vordering is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.000,00 aan door het hof geschatte schade voor gereedschap. Daarbij is betrokken dat zijdens de verdachte ook dit deel van de vordering niet gemotiveerd is betwist.

Resumerend is de verdachte tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.224,00 gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen omtrent vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.502,55 (duizend vijfhonderdtwee euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij 1], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.502,55 (duizend vijfhonderdtwee euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de Staat.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij Stukadoorsbedrijf [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stukadoorsbedrijf [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.498,00 (drieduizend vierhonderdachtennegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Stukadoorsbedrijf [benadeelde partij 1], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.498,00 (drieduizend vierhonderdachtennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 (vierenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de Staat.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.224,00 (drieduizend tweehonderdvierentwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.224,00 (drieduizend tweehonderdvierentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de Staat.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van

mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 juni 2017.

mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..........]