Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
23-003275-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal dmv verbreking en twee feiten opzetheling. Bewijsoverwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003275-16

Datum uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-680007-16 en 13-703447-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2017 en 24 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

3 primair:
hij in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 02 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk Cortina met framenummer C01400079040), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel en/of door middel van braak op en/of verbreking van één of meer slot(en) van voornoemde fiets, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

3 subsidiair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 12 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets (merk Cortina met framenummer [framenummer 1]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

4 primair:
hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2015 tot en met 28 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval één of meer fiets(en) (merk Cortina), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel en/of door middel van braak op en/of verbreking van één of meer slot(en) van voornoemde fiets(en), zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

4 subsidiair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 juni 2015 tot en met 04 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets (merk Cortina) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

5
primair:
(gevoegde zaak 13/741100-16) hij op of omstreeks 11 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk Gazelle type Medeo VV City), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte voornoemde fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van één of meer slot(en) van voornoemde fiets en/of door middel van een valse sleutel, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

5 subsidiair:
hij op of omstreeks 11 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets (merk Gazelle type Medeo VV City) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

6:
(gevoegde zaak 13/741100-16) hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 09 mei 2016 tot en met 11 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (zwarte) damesfiets heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

7 primair:
(gevoegde zaak 13/741.242-15) hij op of omstreeks 12 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (merk Cortina, kleur blauw), geheel of ten dele toebehorende aan (tot op heden) onbekend gebleven persooon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen (dames)fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van één of meer slot(en) van voornoemde (dames)fiets, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

7 subsidiair:
hij op of omstreeks 12 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (dames)fiets (merk Cortina, kleur blauw) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof zich niet met het vonnis kan verenigen.

Nietigheid dagvaarding ten aanzien van feit 6

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 6 nietig is. De tenlastelegging van heling van een zwarte damesfiets is dermate vaag dat de verdachte zich daar niet tegen kan verweren. Er wordt geen enkele bijzonderheid in de tenlastelegging genoemd en ook bevindt er zich geen foto in het dossier van de betreffende fiets. Nu niet wordt voldaan aan de informatiefunctie van de dagvaarding is de dagvaarding nietig, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De zwarte damesfiets in de dagvaarding van feit 6 is niet nader omschreven, maar gelet op de vermelding van een specifiek parketnummer en hetgeen uit het desbetreffende dossier blijkt is voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich moet verweren, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan.

De dagvaarding voldoet dan ook aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 6 en 7 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 6 en 7 tenlastegelegde, gaat het hof voorbij aan de verweren, wat daar ook van zij, die door de verdediging zijn gevoerd, omdat het hof daar niet meer aan toekomt. Het voorwaardelijk verzoek in het licht van het verweer betreffende een onrechtmatige pseudokoop bij feit 7 kan om diezelfde reden eveneens verder onbesproken blijven.

Voorts spreekt het hof de verdachte vrij van het onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde.

Voor beide feiten geldt dat het tijdsverloop tussen de diefstal van de fietsen en het moment dat de respectievelijke kopers reageerden op de advertenties van de fietsen, die de verdachte op marktplaats had geplaatst, steeds meerdere dagen betrof. Dit tijdsverloop is zodanig groot dat diefstal niet bewezen kan worden verklaard.

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte de gestolen fiets van aangever [slachtoffer 1] voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat de foto op pagina 75 van het dossier niet overeenkomt met de fiets die in de aangifte wordt omschreven en dat er geen bewijs is dat de verdachte daadwerkelijk de beschikking over de fiets heeft gehad.
Voorts heeft de raadsman bepleit dat als er al bewijs is dat de verdachte de fiets van aangever voorhanden heeft gehad, het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte de fiets onder verdachte omstandigheden heeft verworven. De verdachte zal moeten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Tussen 1 en 2 november 2015 wordt de zwarte Cortina fiets van aangever [slachtoffer 1] gestolen. Nadat er onderzoek is ingesteld naar de telefoongegevens van de verdachte, wordt de fiets van [slachtoffer 1] vervolgens op 18 november 2015 bij getuige [getuige 1] aangetroffen. [getuige 1] verklaart dat haar zoon op 6 november 2015 op de website Marktplaats op een advertentie van een Cortina fiets had gereageerd en aan de adverteerder het mobiele nummer van [getuige 1] had doorgegeven. De adverteerder neemt contact op met [getuige 1] en zij spreken op 7 november 2015 op de [locatie 1] te Amsterdam ter hoogte van [huisnummer 1] af. Daar wordt [getuige 1] benaderd door een jongen die haar meeneemt naar een box ingang gelegen naast een garage in de [locatie 2] te Amsterdam, alwaar deze jongen haar de fiets uit de advertentie toont. De jongen geeft aan dat de fiets niet gestolen is, maar dat de fiets van zijn vader is geweest en dat hij het slot eraf heeft gehaald, omdat [getuige 1] korting kreeg. [getuige 1] heeft deze fiets voor 150 euro gekocht. Deze fiets heeft hetzelfde framenummer als de gestolen fiets van aangever [slachtoffer 1] .

Gelet op het woonadres van de verdachte, [adres 1] , en het door getuige [getuige 1] gegeven signalement van de verkoper, gaat het hof ervan uit dat de jongen die de fiets aan [getuige 1] heeft verkocht de verdachte betreft. Het hof komt mede tot deze conclusie gelet op de werkwijze van de verdachte, nu is gebleken dat de verdachte eerder is veroordeeld voor heling, waarbij hij eveneens met potentiele kopers afsprak op de [locatie 1] te Amsterdam ter hoogte van [huisnummer 1] en hen meenam naar de box bij zijn woonhuis en aangezien het nummer van [getuige 1] is aangetroffen in een mobiele telefoon van de verdachte.

Voorts heeft de verdachte tegen [getuige 1] gezegd dat de fiets van zijn vader was geweest en dat hij het slot eraf had gehaald omdat [getuige 1] korting kreeg. Nu uit het dossier blijkt dat de desbetreffende fiets enkele dagen vóór de verkoop aan [getuige 1] was gestolen van aangever [slachtoffer 1] , die de fiets met 2 sloten op slot gezet had, kan deze verklaring van de verdachte niet juist zijn. Onder de gegeven omstandigheden – de verdachte beschikte enkele dagen na de diefstal over een gestolen fiets en bij de verkoop van de fiets heeft hij een verklaring gegeven over de herkomst van de fiets die niet juist kan zijn – mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft waaruit kan blijken dat hij ten tijde van het verkrijgen van de fiets niet wist of behoefde te weten dat deze van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft dit nagelaten. Nu de verdachte geen redelijke verklaring heeft gegeven hoe hij de fiets heeft verworven gaat het hof er in de gegeven omstandigheden vanuit dat de verdachte wist dat de fiets afkomstig was van diefstal en acht het hof opzetheling bewezen.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte de fiets voorhanden heeft gehad. Getuige [getuige 2] heeft verklaard in overleg met de verdachte fietsen voor hem te hebben verkocht, maar er is geen bewijs dat dit ook geldt voor de onderhavige fiets. Voor zover het hof ervan uitgaat dat de verdachte de fiets voorhanden heeft gehad, geldt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest bij het verkrijgen van de fiets. Behalve het ontbreken van het originele slot moeten er nog bijkomende omstandigheden zijn, voordat gesproken kan worden van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, aldus de raadsman.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Tussen 27 juni 2015 en 28 juni 2015 te Amsterdam wordt de witte Cortina fiets van de vrouw van aangever [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 3] ) gestolen. Op 6 juli 2015 ziet een verbalisant de desbetreffende fiets staan. De verbalisant wordt aangesproken door getuige [naam 1] , die verklaart dat zij de fiets op 4 juli gekocht heeft, nadat zij heeft gereageerd op een Marktplaats advertentie. Deze advertentie was geplaatst door adverteerder [naam 1] overhandigt de verbalisant het telefoonnummer van de adverteerder en het adres waar zij de fiets met haar vader heeft opgehaald. Na politieonderzoek blijkt op het desbetreffende adres getuige [getuige 2] te wonen. [getuige 2] verklaart dat de verdachte haar ongeveer twee gestolen fietsen per week levert die zij voor de verdachte verkoopt, waarna zij een groot gedeelte van de winst aan de verdachte teruggeeft. Uit politieonderzoek blijkt eveneens dat de verdachte regelmatig advertenties voor fietsen plaatst op marktplaats onder de naam ‘ [naam 1] ’. Voorts verklaart [getuige 2] dat zij zich nog herinnert dat [naam 1] bij haar een fiets heeft gekocht, omdat [naam 1] zelf niet kon fietsen aangezien haar arm in een mitella zat.

Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte regelmatig gestolen fietsen leverde aan [getuige 2] . [getuige 2] verkocht deze dan voor de verdachte door aan mensen die de fietsen kwamen bekijken, nadat ze hadden gereageerd op een advertentie op Marktplaats. De naam van de adverteerder in onderhavig feit, wordt door de verdachte vaker gebruikt als hij advertenties op Marktplaats plaatst.
Voorts kan [getuige 2] zich herinneren dat [naam 1] bij haar aan huis is gekomen en een fiets heeft gekocht.

Nu de bewijsmiddelen erop duiden dat de verdachte beschikkingsmacht over de gestolen fiets van aangever [slachtoffer 2] heeft gehad nu hij die fiets op marktplaats heeft geplaatst, hij de fiets voor de verkoop aan [getuige 2] heeft geleverd en dat [naam 1] de fiets aldaar gekocht heeft en de verdachte geen enkele redelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de fiets, komt het hof tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde opzetheling.

Ten aanzien van feit 5

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden die duiden op diefstal of heling van de betreffende fiets.. Het enkele feit dat de verdachte reed op een fiets met een speciaal stuur brengt niet met zich mee dat van hem gevergd mag worden onderzoek te doen naar de herkomst van de fiets. Evenmin brengt dit met zich mee dat er een aannemelijke verklaring vereist is voor het voorhanden hebben van de fiets. Overige omstandigheden die duiden op aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van de verdachte bij het verkrijgen van de fiets blijken eveneens niet uit het dossier. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat uit de aangifte blijkt dat de fiets van aangever [slachtoffer 4] tussen 10.30 uur en 11.00 uur is gestolen op 11 mei 2016 te Amsterdam. Blijkens deze aangifte betreft het een fiets van het merk Gazelle met een bijzonder stuur, te weten een vlinderstuur. Diezelfde dag omstreeks 17.55 uur zag verbalisant [verbalisant 1] de verdachte fietsen op een fiets van het merk Gazelle, zonder hoefijzerslot, met een speciaal stuur. [verbalisant 1] geeft dit portofonisch door aan zijn collega’s. Verbalisant [verbalisant 2] volgt de verdachte korte tijd en meent vervolgens de fiets waar de verdachte op fietste geparkeerd te zien staan. Nadat [verbalisant 2] een foto van deze fiets naar [verbalisant 1] heeft gestuurd, waarop [verbalisant 1] bevestigt dat het de fiets betreft waarop de verdachte reed, onderzoekt [verbalisant 2] de fiets. Na controle van het framenummer blijkt het te gaan om de fiets van aangever [slachtoffer 4] die dezelfde ochtend gestolen is.

Het hof stelt vast dat verdachte een gestolen fiets onder zich had en zich daar als heer en meester over heeft gedragen door erop te fietsen. Aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp kan op zichzelf niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Nu er echter tussen de diefstal van de fiets op 11 mei 2016 en het moment dat de verdachte de fiets voorhanden heeft gehad slechts enkele uren zitten en de verdachte niets heeft verklaard over de herkomst van de fiets, terwijl onder de gegeven omstandigheden van de verdachte mag worden verwacht dat hij een redengevende verklaring geeft waaruit blijkt hoe en onder welke omstandigheden hij de fiets voorhanden heeft gekregen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte de fiets heeft gestolen en acht het hof de diefstal van die fiets bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3 subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 november 2015 tot en met 12 november 2015 te Amsterdam, een fiets, merk Cortina met framenummer [framenummer 1], voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

4 subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 27 juni 2015 tot en met 4 juli 2015 te Amsterdam, een fiets, merk Cortina, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

5 primair:
(gevoegde zaak 13/741100-16) hij op 11 mei 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle type Medeo VV City, toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij de verdachte voornoemde fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een of meer sloten van voornoemde fiets.

Hetgeen onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

1. Een afschrift van aangifte met proces-verbaalnummer PL13WA-2015244696 van 3 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] [doorgenummerde pagina’s 15-17].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Op 1 november 2015 heb ik mijn zwarte Cortina fiets met framenummer [framenummer 1] voor mijn huis in het fietsenrek met twee sloten op slot gezet. Op 2 november stond deze fiets er helaas niet meer.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015244696-4 van 20 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] [doorgenummerde pagina’s 37-38].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 18 november 2015, heb ik, verbalisant Van Rooij een onderzoek ingesteld naar de telefoongegevens van de verdachte [verdachte] . Vervolgens zijn de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons uitgelezen. Ik kwam hierbij de chatgeschiedenis tegen die behoorde bij de applicatie ‘Whatsapp’. Een chatgesprek leek te gaan over de verkoop van een fiets. Het telefoonnummer dat hierbij gebruikt werd door de koper was: [telefoonnummer 1] .

Vervolgens heb ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 2] middels de politiesystemen gezocht op het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hierbij kwam ik uit bij [getuige 1] geboren op [geboortedatum 2] .

Wij, verbalisanten Van Rooij en Kerkhof, zijn vervolgens naar het woonadres van [getuige 1] gegaan en wij hebben daar gesproken met [getuige 1] . Wij hoorden [getuige 1] verklaren dat zij kort geleden een fiets had gekocht via ‘Marktplaats’ en dat die in haar schuur stond. Vervolgens toonde [getuige 1] ons een zwarte Cortina fiets, voorzien van framenummer [framenummer 1] .

Wij, verbalisanten, hebben de fiets gecontroleerd middels de voor ons beschikbare politiesystemen en daaruit bleek dat de fiets als gestolen geregistreerd stond.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015244696-5 van datum 18 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 2] [doorgenummerde pagina’s 79-83].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 november 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Mijn zoon heeft op 6 november 2015 op Marktplaats gereageerd op een advertentie waar een Cortina fiets werd aangeboden. Op 7 november kreeg ik van de adverteerder het bericht dat ik de fiets kon bekijken op de [locatie 1] ter hoogte van [huisnummer 1] .
Omstreeks 13.00 kwam ik aan op de Wibaustraat en heb ik de adverteerder gebeld. Ik zag een man die in de buurt stond van de [bedrijf] . Ik kan de man als volgt omschrijven:

- lichtgetinte huidskleur 18-19 jaar

- zwart krullend haar tot iets boven zijn schouders

- geen baardgroei

- 175 lang

- lichtblauwe jas met capuchon met bont, Canada Goose

- sprak Marokkaans

- spijkerbroek

Hij sprak ons aan en vroeg of wij voor de fiets kwamen. Vervolgens nam hij ons mee naar een box ingang, gelegen links naast een garage in de [locatie 2] . We kwamen in een box gang terecht en zijn toen rechts afgeslagen en vervolgens naar links gegaan en toen stond hij daar met een zwarte Cortina fiets. Ik vroeg hem of de fiets gestolen was. Ik hoorde hem zeggen dat de fiets van zijn vader was geweest en dat hij het slot eraf had gehaald omdat ik korting kreeg.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015244696-7 van 18 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] [doorgenummerde pagina’s 46-47].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 18 november 2015 was ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 2] te Diemen en daar sprak ik met getuige [getuige 1] die op dat moment een verklaring aflegde omtrent een als gestolen geregistreerde fiets die bij haar in bezit was. Bij het horen van bovenstaande (het hof begrijpt uit de context: (bewijsmiddel 3) signalement en de modus operandi in de verklaring van getuige [getuige 1] moest ik direct denken aan verdachte [verdachte] . Ik heb het afgelopen jaar meerdere malen met [verdachte] gesproken en ben ook bekend met zijn werkwijze.

[verdachte] is veroordeeld ter zake van heling in 2015. Zijn werkwijze is daarbij als volgt:
spreekt af in de omgeving van zijn woning aan de [adres 1] en dan met name bij het adres [locatie 1] 9 te Amsterdam. Vervolgens neemt hij de koper mee naar zijn box gang in de [locatie 2] en toont hij daar de fiets. In andere gevallen neemt hij de koper mee door de garagedeur die ook gelegen is aan de [locatie 2] .

Mij is ambtshalve bekend dat [verdachte] fietsen aanbood via de advertentiesite ‘Marktplaats’.

Het signalement gegeven door getuige [getuige 1] komt overeen met de uiterlijke kenmerken van de verdachte [verdachte] .

Ten aanzien van feit 4 subsidiair

5. Een afschrift van aangifte met proces-verbaalnummer PL13WA-2015148161 van 30 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W. Mesland [doorgenummerde pagina’s 18-20].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juni 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 2]:

Tussen 27 juni 2015 en 28 juni 2015 zijn onze fietsen van het merk Cortina gestolen te Amsterdam. De fietsen stonden met 2 slotkettingen aan elkaar vast en daarnaast met het vaste slot. Het framenummer van de witte fiets is [framenummer 2] .

6. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015148161-7 van 27 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] [doorgenummerde pagina’s 65-67].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 6 juli 2015 te Amsterdam zag ik een witkleurige Cortina damesfiets geparkeerd staan tegen een hek. Ik zag dat er een felgroen kettingslot door het frame van deze fiets heen gehaald was. Ik zag dat er geen origineel hoefijzerslot aanwezig was op de fiets. Ik zag dat de fiets in nieuwstaat verkeerde.

Ik heb de fiets onderzocht op de aanwezigheid van een origineel framenummer sticker. Ik zag dat het framenummer betrof: [framenummer 2] . Ik zag dat de fiets als gestolen stond gesignaleerd.

Ik zag een onbekende vrouw op mij af komen lopen. Ik hoorde dat zij mij aansprak en zij zei: “Dit is mijn fiets, is er iets mee aan de hand?” Ik zag dat ze daarbij wees naar de witte Cortina damesfiets die als gestolen geregistreerd stond. De vrouw bleek te zijn genaamd [naam 1] . Zij zei tegen mij dat zij de fiets op 4 juli 2015 via www.marktplaats.nl had gekocht van een vrouw.

Ik hoorde dat [naam 1] tegen mij zei: “mijn vader heeft het telefoonnummer van deze vrouw nog wel en ook het adres van de vrouw waar we de fiets gekocht hebben.” Ik zag dat zij mij een papier overhandigde met hierop het adres [adres 2] en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

Op het bureau stelde ik nader onderzoek in naar het adres [adres 2] . Ik zag dat op dit adres 2 mannen en 1 vrouw stonden ingeschreven. Deze vrouw betrof [getuige 2] .

7. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015148161-9 van 9 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] [doorgenummerde pagina’s 93-96].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 juli 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [naam 1]:

Op 3 juli 2015 heb ik op de internetsite www.marktplaats.nl gezocht op het woord ‘damesfiets’. Ik zag een advertentie van een witte damesfiets van het merk Cortina. Ik zag dat de adverteerder was genaamd [naam 1] . Mijn vader heeft deze adverteerder gebeld en een afspraak gemaakt om op 4 juli 2015 de fiets te komen bekijken op de [adres 2] te Amsterdam. We hebben aangebeld en na een tijdje zag ik een vrouw aan komen lopen. Ik hoorde dat ze aan mij vroeg hoe het met mijn arm ging. Ik had namelijk mijn arm in een mitella. We hebben besloten de fiets te kopen voor 250 euro.

8. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015244696-16 van 7 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] [doorgenummerde pagina’s 53].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 7 juli is er een onderzoek ingesteld naar de verkoop van Cortina fietsen op marktplaats. Hieruit blijkt dat [verdachte] de volgende pseudoniemen gebruikt op marktplaats, namelijk: “ [naam 1] ”, [naam 2] en “ [naam 3] ”.

9. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015244696-15 van 24 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 6] [doorgenummerde pagina’s 102-109].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 november 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Noot verbalisant: Ik toon een foto van [verdachte] .

[getuige 2] : Hij heet [naam 2] . Hij woont volgens mij op de [locatie 2] . Ik zal het maar eerlijk zeggen, hij steelt de fietsen en ik verkoop ze, en hij verkoopt ze zelf ook. U vertelt mij dat zijn echte naam [verdachte] is. Zijn vrienden zeggen die naam wel inderdaad. Hij levert mij ongeveer twee fietsen per week.

10. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015148161-17 van 18 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar K. Tilstra [doorgenummerde pagina’s 110-114].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 januari 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

[naam 2] ( het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 9: de verdachte) kwam de fietsen bij mij thuis brengen. Dan wachtte ik af tot [naam 2] een afspraak had gemaakt met iemand. [naam 2] belde mij dan dat er iemand naar de fiets wilde kijken en misschien wilde kopen. En dan liet ik deze fiets aan die mensen zien en verkocht ik deze. Ik heb een fiets verkocht aan een meisje met een mitella. Haar vader is op de fiets gaan fietsen om te testen. Zij kon niet fietsen met een mitella. Aan hun heb ik een fiets verkocht.

Nedims naam op marktplaats is [naam 1] of [naam 3] .

Ten aanzien van feit 5 primair

11. Een afschrift van aangifte met proces-verbaalnummer PL13WA-2016102360 van 11 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar B. Blonk [ongenummerde pagina’s].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juni 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer 4]:

Mijn fiets is op 11 mei 2016 te Amsterdam, tussen 10:30 uur en 11.00 uur, gestolen uit het fietsenrek, terwijl hij op slot stond. Het betreft een Gazelle Medeo VV City en heeft een vlinderstuur. Het framenummer is [framenummer 3] .

12. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2016102646-7 van 11 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 11 mei 2016 omstreeks 17.55 uur zag ik [verdachte] fietsen. Ik zag dat hij op een damesfiets van het merk Gazelle fietste. Ik zag dat het een speciaal stuur was. Ik zag dat er geen hoefijzerslot op de fiets zat. Ik heb dit direct portofonisch doorgegeven aan mijn collega’s.

Ik hoorde portofonisch van collega [verbalisant 2] dat hij mogelijk de fiets van [verdachte] op de Weesperzijde naast een fietsenrek [het hof begrijpt: zag staan.] Ik zag dat collega [verbalisant 2] mij digitaal een foto had gestuurd van de fiets. Ik herkende de fiets direct als de fiets waar ik eerder [verdachte] op had zien fietsen. Ik herkende de fiets aan het stuur, frame en het slot. Dit heb ik portofonisch doorgegeven aan collega [verbalisant 2] .

Ik hoorde later dat deze fiets gestolen is.

13. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2016102646-9 van 11 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 11 mei 2016 te Amsterdam hoorde ik portofonisch dat collega [verbalisant 1] [verdachte] zag fietsen op een nieuw ogende fiets zonder slot. Hierop ben ik achter [verdachte] aangefietst.

Ik heb een onderzoek ingesteld op de locatie alwaar ik [verdachte] zijn fiets had zien parkeren. Ik zag daar een fiets staan welk gelijkend was op de fiets alwaar ik [verdachte] op had zien fietsen. Ik heb een foto gemaakt van de fiets en deze naar verbalisant [verbalisant 1] gestuurd. Ik hoorde hem portofonisch zeggen: “dit is 100% zeker de fiets waar [verdachte] op zat. Ik herken hem aan dat stuur, frame en slot dat onder de zadel gebonden zit.”

Ik heb vervolgens een onderzoek ingesteld naar het framenummer van de fiets. Ik zag dat het framenummer [framenummer 3] was. Ik zag middels beschikbare politiesystemen dat deze als gestolen geregistreerd stond. Ik zag dat de fiets vandaag, in de ochtend, was weggenomen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

telkens:
opzetheling.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 en 7 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan heling. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen, hetgeen anderen kan aanzetten tot het plegen van diefstal. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Fietsendiefstal veroorzaakt hinder, schade en ergernis voor de benadeelde. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2017 is hij eerder ter zake van soortgelijke vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 143,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Ter terechtzitting hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist. Uit de stukken in de vordering blijkt niet dat zich op de fiets ooit snelbinders of jasbeschermers hebben bevonden. Evenmin moet de vergoeding voor het nakijken van de versnellingen worden toegewezen, nu nergens uit blijkt dat de versnellingen goed waren voordat de fiets gestolen werd en dat ze kapot waren, nadat de benadeelde partij de fiets weer terug kreeg.

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering betwist, maar deze betwisting is onvoldoende onderbouwd en voorts is de vordering van de benadeelde partij niet onredelijk en wel voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 1 april 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Uit het dossier is gebleken dat reeds in een andere zaak, parketnummer 13-741264-15, de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige voorwaardelijke gevangenisstraf is toegewezen. De verdachte heeft destijds 14 dagen van de voorwaardelijke straf in detentie moeten doorbrengen.

Het hof zal in onderhavige zaak de resterende 46 dagen van de voorwaardelijke gevangenisstraf toewijzen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair, 4 primair, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 5 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 143,80 (honderddrieënveertig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 5 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 143,80 (honderddrieënveertig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2015, parketnummer 13-703447-14, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.M.H.P. Houben en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2017.

Mr. J.M. van Riel is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]