Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:274

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
200.207.136/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbod uitzending televisieserie op grond van inbreuk auteursrecht en/of aantasting eer en goede naam ook in hoger beroep niet toewijsbaar geoordeeld. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:207.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.207.136/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank: C/13/616553/KG ZA 16-1206

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 januari 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

tegen:

1 de vereniging Omroepvereniging VPRO,

gevestigd te Hilversum,

2. DUTCH MOUNTAIN FILM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.W. Versteeg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , VPRO en DMF genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2017 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en VPRO en DMF als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- conclusie van eis in hoger beroep (overeenkomstig de appeldagvaarding), met

producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 23 januari 2017 doen bepleiten, [appellant] door mr. Moszkowicz voornoemd en VPRO en DMF door mr. Versteeg voornoemd, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de zijde van [appellant] zijn nadere producties overgelegd. Ter zitting zijn enige filmfragmenten getoond.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen zoals in de appeldagvaarding gewijzigd/vermeerderd zal toewijzen, met veroordeling van VPRO en DMF in de kosten van het geding in beide instanties op de voet van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met nakosten en rente.

VPRO en DMF hebben geconcludeerd dat het hof het bij eisvermeerdering gevorderde zal afwijzen en het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, deels op de voet van artikel 237 Rv en deels op de voet van artikel 1019h Rv.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 een aantal feiten vermeld die zij bij de beoordeling van het geschil van partijen tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en zullen derhalve ook door het hof tot uitgangspunt worden genomen. Deze worden hierna onder 3.1 weergegeven.

3 Beoordeling

3.1. (

i) [appellant] is voormalig advocaat en lid van de bekende advocatenfamilie met die naam. Thans is hij werkzaam als algemeen jurist en belastingjurist. DMF (voorheen Dutch Mountain Movies B.V.) is een film- en televisieproducent. VPRO is een publieke omroepvereniging.

(ii) In 2012 heeft Dutch Mountain Movies B.V. een persbericht met de titel Dutch Mountain Movies verfilmt het leven van advocatenfamilie [advocatenfamilie] uitgebracht. Hierin is onder meer opgenomen:

Producent Dutch Mountain Movies ontwikkelt (…) een vierdelige dramaserie over de bekende Nederlandse advocatenfamilie [advocatenfamilie] .

(…) De vaststaande feiten en gebeurtenissen over de familiegeschiedenis van de [naam familie] vormen de basis voor het scenario. Dit zal resulteren in een faction-verhaal, de mengvorm tussen gefundeerde feiten en speculatieve toevoegingen, die niet op gespannen voet staan met de werkelijkheid.

(iii) In februari 2014 heeft [appellant] het boek De Straatvechter, mijn verhaal uitgebracht, waarin hij zijn levensverhaal heeft opgetekend. Op de achterkant van het boek is onder meer opgenomen:

Hij is een [naam familie] ; en misschien wel de meest briljante van allemaal. [appellant] bouwde meerdere goedlopende advocatenpraktijken op en wordt geroemd om zijn juridische kennis. Toch kent zijn leven ook zeer diepe dalen. In de Straatvechter vertelt hij zijn verhaal; over het faillissement van zijn kantoor, zijn vier echtgenotes en dertien kinderen (waarvan er vier zijn overleden) en zijn strijd tegen heroïneverslaving. Uiteraard komt ook het roemruchte juristengeslacht [naam familie] aan bod. Voor het eerst krijgen we namelijk een blik achter de schermen van deze disfunctionele familie – denk aan de trucjes die zijn broer [naam broer] heeft uitgehaald. Tevens kijkt [appellant] kritisch naar de hele advocatuur – de boter op het hoofd van de Orde van Advocaten en alle manieren waarop [appellant] ’ vakgenoten hun inkomsten kunstmatig vergroten met medeweten van de rechtbanken.

De Straatvechter zal voor de nodige opschudding zorgen in de juridische wereld – om over de familie [advocatenfamilie] maar te zwijgen. [appellant] (Maastricht 1953) was op 22-jarige leeftijd de jongste advocaat van Nederland. Hij is nu algemeen jurist en belastingjurist en houdt kantoor aan de Keizersgracht in Amsterdam.

(iv) Naar aanleiding van het verschijnen van het hiervoor genoemde boek is in De Volkskrant van 8 februari 2014 onder de titel De waarheid volgens [appellant] een interview met [appellant] verschenen. Hierin is het boek van [appellant] aangeduid als “zijn autobiografie”.

( v) Eind 2015 heeft DMF een persbericht uitgebracht waarin onder meer is opgenomen:

Start opnamen televisieserie De Maatschap

Producent Dutch Mountain Film en de VPRO starten in januari met de opnamen van De Maatschap, een vierdelige dramaserie voor NPO2.(…)

Voor De Maatschap hebben de schrijvers zich laten inspireren op de familiegeschiedenis van een bekende Nederlandse advocatenfamilie. De tv serie vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van het familie-imperium Meyer. Van de grond af bouwt de jonge Matthias Meyer een advocatenimperium dat in het naoorlogse Nederland zijn weerga niet kent. Niet alleen dat, hij bouwt een familie. Een hecht gezin, één tegen de wereld. Zijn vier zonen zullen zijn inzet, zijn flair en zijn intelligentie verder uitdragen. Met z’n vijven trotseren de Meyers de boze buitenwereld maar de vanzelfsprekende loyaliteit van de vier zoons aan hun vader en aan elkaar, wordt van binnenuit ondermijnd. (…)

(vi) In de periode van 16 januari tot en met 20 maart 2016 en in de periode van

9 tot en met 11 mei 2016 hebben de opnames plaatsgevonden van de televisieserie De Maatschap, die is geproduceerd door DMF. Het scenario voor de serie is geschreven door [A] en [B] . Research is verricht door [C] . [D] heeft de serie geregisseerd.

(vii) In april, mei en juni 2016 heeft [appellant] , op basis van zijn stelling dat de serie inbreuk maakt op zijn auteursrechten, bij meerdere rechtbanken verzocht bewijsbeslag ten laste van de schrijvers te mogen leggen. Dit verlof is één keer verleend door de rechtbank Noord-Nederland, waarna bewijsbeslag is gelegd. Een door [appellant] bij de rechtbank Noord-Nederland aangespannen kort geding om inzage in het beslagen materiaal te verkrijgen is door de voorzieningenrechter, na het wijzen van een tussenvonnis op 27 mei 2016, bij eindvonnis van 17 juni 2016 afgewezen. Bij arrest van 20 september 2016 is dit vonnis bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ook heeft [appellant] bij de rechtbank Noord-Nederland een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoek is gehonoreerd, waarna op 23 september 2016 [A] en [D] en op 30 september 2016 de producenten ( [E] en [F] ) zijn gehoord.

(viii) Bij brieven van 5 en 6 juli 2016 heeft de raadsman van [appellant] DMF, [D] , [A] en [B] – kort gezegd – medegedeeld dat De Maatschap (zijns inziens) inbreuk maakt op het auteursrecht dat rust op het boek De Straatvechter, mijn verhaal en zijn zij gesommeerd die inbreuk te staken en gestaakt te houden

(ix) Op 23 september 2016 is De Maatschap op het Nederlands Filmfestival aan het publiek getoond. De raadsman van [appellant] was hierbij aanwezig.

( x) De VPRO is voornemens de televisieserie, bestaande uit vier delen, vanaf 25 januari 2017 uit te zenden. Aan het begin van iedere aflevering zal de volgende tekst in beeld te zien zijn:

Deze serie is een gedramatiseerde interpretatie van zorgvuldig uit verschillende bronnen gewonnen informatie. Feiten en fictie zijn vermengd. De makers hebben geenszins beoogd een waarheidsgetrouwe versie van de gebeurtenissen en karakters weer te geven.

(xi) In een schriftelijke verklaring van [appellant] van 12 december 2016 (productie 28 van [appellant] ) is onder meer het volgende opgenomen:

Ik heb in 2014 een boek geschreven, [appellant] , de Straatvechter, geheten. Dit boek is een vertelling van mijn levensverhaal in romanvorm, geschreven rond feiten die werkelijk in mijn leven hebben plaatsgevonden, gecombineerd met aan mijn creativiteit ontsproten fictieve elementen, waaronder doch niet uitsluitend, de passages, dat ik mijn armen aan mijn vader laat zien ter controle op heroïne gebruik alsmede ook de “bedscène” waarin ik beschrijf hoe ik in de slaapkamer van mijn vriendin voor het eerst heroïne gebruik.

Zo zijn er nog meer scenes, die aan mijn creatieve brein zijn ontsproten. Ik heb aan niemand toestemming verleend om de beide genoemde of andere scenes van fictieve aard te gebruiken of te doen gebruiken, voor welk doel dan ook. Ik wens ook aan niemand daartoe toestemming te verlenen.

3.2.

[appellant] vordert in dit geding een voorziening die er in essentie toe strekt dat VPRO en DMF wordt verboden de dramaserie ‘De Maatschap’ uit te zenden voor zover de beeld en geluidsopnames inbreuk maken op een aan [appellant] toekomend auteursrecht en/of jegens hem onrechtmatig dan wel diffamerend zijn en dat zij de desbetreffende opnames en bijbehorende documenten aan (de advocaat van) [appellant] overhandigen, subsidiair dat VPRO en DMF aan [appellant] een bedrag van € 20.000,- betalen als voorschot op de vergoeding van de door hem als gevolg van uitzending van de serie te lijden schade.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] (in eerste aanleg alleen gebaseerd op inbreuk op auteursrecht) afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van het geding, waaronder € 15.000,- voor salaris advocaat. Tegen deze beslissing en de motivering daarvan komt [appellant] met elf grieven op, voorts legt [appellant] aan zijn vordering ten grondslag dat de inhoud van de serie zijn eer en goede naam aantast en vult hij zijn eis in zoverre aan.

Van wege de spoedeisendheid van de zaak is op 24 januari 2017 uitspraak gedaan zonder dat een (verdere) motivering in het arrest was opgenomen. Deze volgt hierna.

3.3.1.

[appellant] heeft zijn vordering in eerste aanleg gebaseerd op de stelling dat door de uitzending van de serie en wel in het bijzonder door de openbaarmaking van de tweede aflevering daarvan inbreuk op zijn auteursrecht op het boek ‘De Straatvechter’ wordt gemaakt. Het hof heeft dit boek gelezen en de serie bekeken en komt op basis van dit feitelijk onderzoek tot de conclusie dat noch de verhaallijn van de serie noch de daarin opgenomen scènes (met name voor zover die betrekking hebben op het op de persoon van [appellant] geënte personage Theo Meyer) zodanige gelijkenis vertonen met hetgeen in het boek is beschreven dat deze als verveelvoudiging van (delen van) het boek in auteursrechtelijke zin kunnen worden aangemerkt.

3.3.2.

Niet onaannemelijk is - het hof verwijst in dit verband naar de door [A] en [D] als getuigen afgelegde verklaringen - dat in het boek feiten zijn beschreven waarvan een beperkt aantal als inspiratie hebben gediend voor in de serie voorkomende scènes, maar de wijze waarop en de context waarin deze feiten in de serie zijn uitgewerkt is, althans op het eerste gezicht, te verschillend om reeds op grond daarvan tot inbreuk van op het boek rustende auteursrechten te concluderen. Daar komt bij dat het boek door [appellant] als autobiografie is gepresenteerd en dat op (waargebeurde) feiten op zichzelf geen auteursrecht rust, zeker als deze, zoals met betrekking tot het merendeel van de in de serie verwerkte feiten voldoende aannemelijk is geworden, reeds uit andere bronnen kenbaar waren en uit die bronnen ook is geput. Niet in geschil is dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, door de schrijvers van de serie en de betrokken researcher sinds eind 2012 uitgebreid onderzoek is gedaan naar de wederwaardigheden van [appellant] en zijn familie en dat de eerste versies van het scenario al gereed waren voordat in 2014 ‘De Straatvechter’ uitkwam. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat sommige van de in het boek beschreven feiten die ook in de serie voorkomen geheel aan zijn fantasie zijn ontsproten, maar voor zover dit al juist is, zijn deze feiten (tonen van armen aan vader, tijdens een rechtszitting noemen van ontrouw vader jegens moeder) anders uitgewerkt en niet zo bepalend voor de verhaallijn dat daaraan in het kader van de van de auteursrechtelijke inbreukvraag relevante betekenis kan worden toegekend.

3.3.3.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij bij het schrijven van het boek ‘De Straatvechter’ een selectie uit de gebeurtenissen in zijn leven heeft gemaakt en bij de selectie, rangschikking en weergave van deze gebeurtenissen belangrijke creatieve keuzes heeft gemaakt. Hoewel op zichzelf niet in geschil is dat het boek aan de zogenoemde werktoets voldoet en voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, kan dit betoog [appellant] niet baten. Het hof komt met de voorzieningenrechter (vgl. vonnis rechtsoverweging 4.9, zie in dit verband ook rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 waarin het boek en de serie zijn samengevat) tot de slotsom dat de compositie, de verhaallijn in het boek, de manier waarop het verhaal wordt verteld, het taalgebruik en de gekozen volgorde van de gebeurtenissen te zeer verschillen van de verhaallijnen, het taalgebruik en de weergave van gebeurtenissen in de televisieserie om te kunnen concluderen dat de serie als verveelvoudiging van het boek in de zin van artikel 13 Auteurswet kan worden aangemerkt. Daarvoor zijn ook naar oordeel van het hof de totaalindrukken van het boek en (de relevante onderdelen van) de televisieserie te verschillend.

3.3.4.

Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat voor een uitzendverbod op grond van auteursrechtinbreuk geen aanleiding bestaat en dat hetzelfde geldt voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding op die grondslag. Dat in de bodemzaak zodanige inbreuk zal worden vastgesteld acht ook het hof niet voldoende aannemelijk.

3.4.

[appellant] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het op hem geïnspireerde personage Theo Meyer onsympathiek en zelfs onguur wordt weergegeven en dat een aantal scènes waarin Theo Meyer figureert jegens hem diffamerend zijn en te verwachten is dat als gevolg van de uitzending daarvan de klandizie van zijn fiscaal- en algemeen juridische praktijk zal afnemen. Dat de door [appellant] in dit verband genoemde scènes en/of de serie als geheel jegens hem diffamerend zijn en dat zijn eer en goede naam daardoor wordt aangetast vindt echter in het feitenmateriaal onvoldoende steun. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat het om een fictief personage gaat (aan het begin van de uitzending van iedere aflevering verschijnt de hierboven onder 3.1 sub x geciteerde tekst op het scherm) en te verwachten valt dat niet iedere scène door het publiek als zijnde waargebeurd zal worden gepercipieerd en met [appellant] in verband zal worden gebracht. Daarnaast is van betekenis dat [appellant] een voor het publiek niet onbekende persoon is aan wiens wederwaardigheden in de loop der jaren regelmatig door de media aandacht is besteed en die zelf die aandacht van de media heeft opgezocht (zie onder meer ‘De Straatvechter’ blz.126 en diverse als producties overgelegde krantenartikelen en weergaven van interviews, waaronder een interview met ‘Dagblad De Limburger’ verschenen op 11 augustus 2012, door VPRO en DMF overgelegd als productie 54). Daarbij zijn onder meer zijn problematische verstandhouding met zijn vader, zijn heroïneverslaving, geschillen met de orde van advocaten en strafrechtelijk verleden regelmatig aan de orde geweest. Zijn levensloop is ook recentelijk onderwerp geweest van een door zijn zoon vervaardigde documentaire en van het reeds besproken door hemzelf geschreven boek waarin de genoemde onderwerpen niet zijn geschuwd. In het licht hiervan is door [appellant] onvoldoende toegelicht op welke wijze de uitzending van de serie door artikel 8 EVRM (en artikel 10 Grondwet) beschermde rechten schendt en is ook niet aannemelijk dat de uitzending (in relevante mate) zijn vermogen om in zijn levensonderhoud te voorzien zal aantasten.

Daar komt bij dat de scènes waaraan [appellant] refereert voor een deel wellicht choquerend en confronterend zijn, maar dat over het geheel beschouwd de wijze waarop Theo Meyer in de serie is geportretteerd van een zekere compassie voor dit personage getuigt en begrip opwekt voor de moeilijke omstandigheden waarin deze als gevolg van zijn (harde) opvoeding en de problematische relatie tot zijn vader is komen te verkeren. De door [appellant] gewraakte scènes die deze moeilijke omstandigheden illustreren zijn ook gelet op deze context niet als diffamerend te beschouwen. Anders dan Le Pen in het boek Le Procès de Jean-Marie Le Pen, dat aanleiding gaf tot het arrest van het EHRM van 22 oktober 2007 (Lindon, Otchakovsky-Laurens en July v Frankrijk) waarnaar [appellant] in de appeldagvaarding verwijst, wordt [appellant] door de inhoud van de serie niet in verband gebracht met het plegen van zeer ernstige strafbare feiten (in die zaak ging het onder meer om betrokkenheid bij een door een fictieve aanhanger gepleegde moord).

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onvoldoende aannemelijk is dat de uitzending de eer en goede naam van [appellant] aantast, laat staan in zodanige mate dat dit, de belangen van VPRO en DMF in aanmerking genomen, waaronder hun door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting c.q. recht van artistieke expressie, de toewijzing van de gevorderde voorzieningen zou kunnen rechtvaardigen. Ook op deze grond zijn de vorderingen van [appellant] derhalve niet toewijsbaar.

3.5.

Het voorgaande brengt reeds mee dat de grieven 1 tot en met 9 geen doel kunnen treffen, bij een verdere bespreking daarvan bestaat onvoldoende belang. Het bij wege van eisvermeerdering gevorderde zal worden afgewezen. Nu [appellant] de door de voorzieningenrechter niet toegestane vermeerdering van eis alsnog aan het hof heeft kunnen voorleggen (en deze eisvermeerdering niet tot het alsnog toewijzen van enig deel van zijn vordering leidt) bestaat bij een behandeling van zijn elfde grief evenmin voldoende belang.

3.6.

Met grief 10 komt [appellant] op tegen het feit dat de zaak in eerste aanleg bij de begroting van de proceskosten op basis van het indicatietarief IE-zaken als ‘overig kort geding’ is aangemerkt. Deze grief faalt: gelet op het debat zoals dat in eerste aanleg is gevoerd was voor die kwalificatie voldoende aanleiding. In hoger beroep ligt dit echter anders nu aan het debat zoals dat in eerste aanleg is gevoerd wat de auteursrechtelijke grondslag betreft geen wezenlijke argumenten zijn toegevoegd en het debat in hoger beroep relatief beperkt is gebleven. Het hof ziet daarin aanleiding om de kostenveroordeling wat de auteursrechtelijke grondslag betreft te begroten op basis van 50% van het tarief voor een eenvoudig kort geding (1/2 van € 6.000,-) en voor het overige op basis van 50% van het liquidatietarief (1/2 van € 2.682,-).

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep tot op heden aan de zijde van VPRO en DMF begroot op € 716,- aan verschotten en op € 4.341,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep anders of meer dan in eerst aanleg gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, D. Kingma en E.M. Polak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

Het bovenstaande bevat de vastlegging van de motivering van het reeds op 24 januari 2017 uitgesproken arrest en is op 31 januari 2017 aldus vastgesteld.