Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
200.174.923/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Aanwijzing noodweg ex art. 5:57 BW. De vraag of op grond van artikel 5:57 BW een noodweg moet worden aangewezen moet, gelet op het systeem van de wet, worden beantwoord in het licht van hetgeen geldend is ten tijde van de vordering tot aanwijzing van een noodweg. Met name uit het bepaalde in de artikelen 5:57 leden 4 en 5 BW leidt het hof in dat verband af, dat de noodzaak voor een noodweg afhankelijk is van hetgeen zich ter plaatse feitelijk voordoet en dat die noodzaak kan veranderen indien en zodra die omstandigheden feitelijk wijzigen. De situatie die zich in het verleden voordeed is voor de thans te beantwoorden vraag naar de noodweg derhalve niet van belang. Daarnaast vloeit uit de wettelijke systematiek naar ’s hofs oordeel voort dat aanwijzing van een noodweg in beginsel pas aan de orde kan zijn, wanneer de eigenaar die de aanwijzing vordert eerst zelf alle mogelijkheden heeft onderzocht van te treffen maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om een normale exploitatie mogelijk te maken, maar een normale exploitatie ook na het treffen van die maatregelen niet mogelijk zal zijn. De aanwijzing van een noodweg betekent immers een inbreuk op het eigendomsrecht van een ander, hetgeen het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Tot een inbreuk op dat recht kan pas worden beslist indien vaststaat dat degene die de aanwijzing vordert redelijkerwijs niet bij machte is zelf de voorwaarden voor een normale exploitatie te bewerkstelligen. Geïntimeerde mag bewijs leveren dat zonder de aanwijzing van de noodweg een normale exploitatie van haar perceel onmogelijk is, ook indien zij de redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen heeft getroffen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:394.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.174.923/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/520240 / HA ZA 12-762

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juli 2017

inzake

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

2. [appellant sub 2] ,

wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,

3. [appellant sub 3] ,

wonend te [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 2] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn,

tegen:

STICHTING KONINKRIJKSZAAL GEUZENWEG 120 (voorheen Stichting Bouw en Exploitatie Koninkrijkszaal Erfgooiersplein),

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en de Stichting genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 8 juli 2015 in hoger beroep gekomen van de tussenvonnissen van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2012, 4 september 2013 en 22 april 2015 (aangevuld bij vonnis van 1 juli 2015), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in (voorwaardelijke) reconventie en de Stichting als gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 februari 2017 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

De zaak is vervolgens enige tijd aangehouden om partijen de gelegenheid te geven te pogen het geschil in der minne te schikken.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden tussenvonnissen van 4 september 2013 en 22 april 2015 (aangevuld op 1 juli 2015) zal vernietigen en de zaak ter verdere behandeling zal terugverwijzen naar de rechtbank Amsterdam, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

De Stichting heeft - naar het hof begrijpt - geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden tussenvonnissen, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 4 september 2013 onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

[appellanten] zijn sinds 30 december 2010 eigenaar van het perceel [adres 1] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] , nummers [nummers 1] . [appellanten] hebben het perceel (hierna ook: het perceel van [appellanten] ), waarop zich een busstation met remise en tuin bevindt, aangekocht als beleggingsobject. Het perceel van [appellanten] wordt thans tot in ieder geval 17 juli 2019 verhuurd aan Connexxion Vastgoed B.V. (hierna: Connexxion), die voorheen eigenaar van het perceel was.

2.1.2.

De Stichting heeft als doel het verwerven of bouwen van onroerend goed dat geëigend is als vergaderzaal voor het houden van openbare erediensten van de gemeenten van Jehovah’s Getuigen in Hilversum. Op 16 september 1966 heeft de Stichting het perceel [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] , nummers [nummers 2] , in eigendom verkregen. De zich toen op het perceel (hierna ook: het perceel van de Stichting) bevindende garage is vervolgens verbouwd tot de thans aanwezige vergaderzaal (hierna: de vergaderzaal). De vergaderzaal heeft 110 zitplaatsen en twee nooddeuren in de achtergevel (hierna: de nooddeuren). De nooddeuren geven - via een afstapje - toegang tot het perceel van [appellanten] De afstand van de nooddeuren tot de openbare weg ( [naam weg] ) over het perceel van [appellanten] is ongeveer 100 meter.

2.1.3.

Voorafgaand aan de koop van het onder 2.1.2 genoemde perceel heeft de Stichting de toenmalige eigenaar van het perceel van [appellanten] , N.V. Nederlandse Buurtvervoer Maatschappij (hierna: NBM), om toestemming gevraagd tot het aanbrengen van op het terrein van NBM uitkomende nooddeuren. In reactie daarop heeft NBM de Stichting bij brief van 23 mei 1966 het volgende geschreven, voor zover hier relevant:

“ (…) Zolang Uw gemeente eigenaresse dan wel huurster is van de garage, staande op het perceel [adres 3] (…), verlenen wij U toestemming tot het maken van 2 nooduitgangen van 70 cm. breedte in deze garage, welke nooduitgangen op ons terrein uitkomen, doch alleen in geval van nood (brand e.a.) zullen worden gebruikt.

(…)

Mocht ons blijken, dat de uitgangen op andere wijze worden gebruikt dan in geval van nood, dan behouden wij ons het recht om onze toestemming in te trekken.

Bij beëindiging of intrekking van onze toestemming, dient e.e.a. op Uw kosten in de oorspronkelijke toestand te worden gebracht en opgeleverd. (…)”

2.1.4.

Op 11 juli 1966 hebben Burgemeester en Wethouders (hierna: B & W) van de gemeente Hilversum de Stichting een bouwvergunning verstrekt, die een aantal voorwaarden bevat. Voorwaarde g van de bouwvergunning luidt als volgt, voor zover hier relevant:

“ g. (…)

De met VD (op de bouwtekening – hof) aangegeven deuren zijn vluchtdeuren; deze moeten naar buiten draaiend zijn afgehangen en van binnenuit eenvoudig zijn te openen zonder gebruikmaking van losse voorwerpen zoals sleutels e.d.”

2.1.5.

Op 3 december 2003 heeft de commandant van de brandweer te Hilversum namens B&W van de gemeente Hilversum een gebruiksvergunning afgegeven aan de Stichting met betrekking tot de vergaderzaal. Daarin is het volgende opgenomen, voor zover hier relevant:

“ (…) Het aantal personen dat tegelijkertijd in het object aanwezig mag zijn is vastgesteld op 200 personen (…) rekening houdend met de beschikbare vluchtmogelijkheden.

De beide nooduitgangen dienen te worden voorzien van een traptrede aan de buitenzijde. Dit dient uiterlijk vijf maanden na het afgeven van de vergunning te zij uitgevoerd. (…)”

2.1.6.

In overleg met de brandweer en de Stichting heeft Connexxion, toenmalig eigenaar van het perceel van [appellanten] , de onder 2.1.5. genoemde traptreden (hierna: de stoepjes) aangelegd op het perceel van [appellanten] Na een grondsanering in 2006 heeft Connexxion - toen nog steeds eigenaar van het perceel van [appellanten] - de stoepjes teruggeplaatst.

2.1.7.

Bij brief van 16 maart 2011 heeft de raadsman van [appellanten] de Stichting gesommeerd de stoepjes te verwijderen, de nooddeuren vaststaand te maken en zich te onthouden van ieder gebruik van het perceel van [appellanten] Voorts heeft hij namens [appellanten] betwist dat er een erfdienstbaarheid is gevestigd of door verjaring is ontstaan en heeft hij de verjaring zo nodig gestuit.

2.1.8.

Bij brief van 24 maart 2011 heeft de Stichting de raadsman van [appellanten] laten weten geen gehoor te zullen geven aan zijn sommatie omdat er volgens haar een erfdienstbaarheid van nooduitgang bestaat en zij op grond van de gemeentelijke bepalingen en brandweervoorschriften een redelijk belang heeft bij de blijvende uitoefening daarvan.

2.1.9.

In overleg met [appellanten] heeft Connexxion in 2012 hekken laten plaatsen die het perceel van [appellanten] afsluiten van de openbare weg ( [naam weg] ). Hierdoor kan deze weg vanaf de nooddeuren niet meer door de Stichting worden bereikt.

2.1.10.

Bij brief van 25 januari 2013 aan de Stichting heeft de raadsman van [appellanten] de bij brief van 23 mei 1966 door de rechtsvoorganger van [appellanten] verleende toestemming voor het maken van de nooddeuren opgezegd en de Stichting gesommeerd de situatie weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat.

2.1.11.

De Stichting heeft sinds 1966 nooit gebruik gemaakt van de nooddeuren.

2.1.12.

Er is ten laste van het perceel van [appellanten] geen erfdienstbaarheid ingeschreven in de openbare registers, noch is daarvan in enige akte melding gemaakt.

3 Beoordeling

3.1

In dit geding hebben [appellanten] - samengevat - gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat ten laste van het perceel van [appellanten] en ten gunste van het perceel van de Stichting geen erfdienstbaarheid bestaat, dat de Stichting – op straffe van verbeurte van een dwangsom – wordt bevolen zich te onthouden van het gebruik van het perceel van [appellanten] en de nooddeuren te verwijderen althans deze vaststaand te maken en de stoepjes te verwijderen, met nevenvorderingen.

De Stichting heeft op haar beurt de volgende vorderingen ingesteld.

a. Indien de vordering van [appellanten] slaagt vordert zij primair dat wordt verklaard voor recht dat er een rechtsgeldige overeenkomst tot het gebruik door de Stichting van de nooddeuren en van het perceel van [appellanten] , dan wel van een strook daarvan vanaf de nooddeuren tot de openbare weg, is ontstaan; subsidiair, dat het perceel van [appellanten] , dan wel een strook daarvan vanaf de nooddeuren tot de openbare weg, als buurweg althans als noodweg wordt aangewezen; meer subsidiair, dat wordt verklaard voor recht dat [appellanten] onrechtmatig handelen dan wel misbruik van bevoegdheid maken doordat zij een behoorlijke exploitatie van de Stichting onmogelijk maken alsmede dat de Stichting om die reden recht heeft tot het gebruik van het perceel van [appellanten] , dan wel een strook daarvan vanaf de nooddeuren tot de openbare weg, met nevenvorderingen die ertoe strekken dat [appellanten] voor het gebruik door de Stichting van de nooddeuren geen belemmeringen creëren althans jegens de Stichting schadeplichtig zijn.

b. Indien de vordering van [appellanten] in conventie niet slaagt vordert zij dat wordt verklaard voor recht dat er een erfdienstbaarheid bestaat ten laste van het perceel van [appellanten] en ten gunste van het perceel van de Stichting, met nevenvorderingen.

3.2

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 september 2013 in rov. 4.8 geoordeeld, kort gezegd, dat de Stichting geen erfdienstbaarheid van uitweg heeft verkregen door verjaring en de door [appellanten] gevraagde verklaring voor recht daarom zal worden toegewezen. Vervolgens is in rov. 4.11 geoordeeld, kort gezegd, dat geen rechtsgeldige overeenkomst tot gebruik tussen [appellanten] en de Stichting is tot stand gekomen, zodat de onder 3.1.a weergegeven primaire vordering van de Stichting niet toewijsbaar is. Wat betreft de onder 3.1.a subsidiair geformuleerde vordering was de rechtbank van oordeel dat door de Stichting onvoldoende is gesteld om het bestaan van een buurweg aan te kunnen nemen (rov. 4.14). Voor de subsidiair gevorderde aanwijzing tot noodweg was volgens rechtbank (rov. 4.18) nadere bewijslevering door de Stichting nodig van haar in rov. 4.16 weergegeven stellingen (waarover verder hierna). De meer subsidiaire grondslagen van de vorderingen van de Stichting, te weten misbruik van bevoegdheid en onrechtmatige daad, leidden ten slotte volgens de rechtbank niet tot toewijzing van de reconventionele vordering (rov. 4.27).

3.3

In rov. 4.16 had de rechtbank de stellingen van de Stichting aldus weergegeven:

4.16

De Stichting stelt ter onderbouwing van haar beroep op een noodweg dat zonder die noodweg geen behoorlijke exploitatie van de vergaderzaal mogelijk is, omdat sprake is van een potentieel gevaarlijke situatie als de nooddeuren niet kunnen worden gebruikt, terwijl er geen alternatief voorhanden is. Volgens de Stichting wordt de vergaderzaal door meer dan 100 personen gebruikt en is dit conform de bestemming die de gemeente aan het perceel heeft gegeven. Tijdens de comparitie heeft de Stichting haar stellingen nog nader geconcretiseerd door te stellen dat een brand aan de voorkant van het pand desastreuze gevolgen zal hebben indien de nooddeuren niet mogen worden gebruikt, dat er van de brandweer niets mag (de rechtbank begrijpt: de Stichting de vergaderzaal niet mag exploiteren) zonder nooddeuren en dat de brandweer geen toestemming zal verlenen om de nooddeuren elders in het gebouw aan te brengen.

3.4

Ter voldoening aan haar bewijsopdracht heeft de Stichting een rapport in het geding gebracht van [A] , ing. [B] en [C] (hierna: het rapport van [A] c.s.). Verder heeft de Stichting [A] en [D] als getuigen doen horen.

3.5

Bij de bewijswaardering heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 22 april 2015 in rov. 2.4 vooropgesteld dat de Stichting onbetwist heeft gesteld dat het bestaan van de nooddeuren onderdeel uitmaakt van de door de gemeente Hilversum verstrekte gebruiksvergunning. Gezien de getuigenverklaring van [A] is, met het vervallen van de nooddeuren, sprake van een gewijzigde situatie die strijdig is met de afgegeven gebruiksvergunning en met het geldende Bouwbesluit, aldus – kort gezegd – de rechtbank. Dat maakt volgens de rechtbank - samengevat - dat zonder nooddeuren een behoorlijke exploitatie niet mogelijk is. Zij achtte de Stichting daarom geslaagd in het haar opgedragen bewijs en de vordering tot aanwijzing van een noodweg toewijsbaar. De rechtbank heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor een comparitie van partijen, teneinde de ligging en omvang van de noodweg en de schade van [appellanten] vanwege de noodweg te bespreken.

3.6

Bij vonnis van 1 juli 2015 heeft de rechtbank op verzoek van [appellanten] tussentijds hoger beroep opengesteld van het tussenvonnis van 22 april 2015.

3.7

In hoger beroep richten [appellanten] hun ongenummerde grieven tegen de overwegingen 2.4-2.6 van het tussenvonnis van 22 april 2015 en de overwegingen 4.15-4.21 van het tussenvonnis van 4 september 2013. De Stichting heeft aangevoerd dat [appellanten] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering in hoger beroep voor zover zij grieven richten tegen het tussenvonnis van 4 september 2013, omdat de rechtbank slechts tegen het tussenvonnis van 22 april 2015 hoger beroep had toegelaten. Dat standpunt van de Stichting is onjuist. Als verlof is verleend tot tussentijds appel, kunnen eventuele eerdere tussenvonnissen daarin worden meegenomen. [appellanten] gingen daar ook terecht van uit, getuige het feit dat zij tegen alle tussenvonnissen appel hebben ingesteld. De Stichting mag (anders dan zij meent) op haar beurt kiezen: zij had in deze procedure incidenteel kunnen appelleren, maar kan ook te zijner tijd desgewenst appel instellen tegen het eindvonnis, waarbij zij de mogelijkheid heeft grieven te richten tegen (alle) tussenvonnissen.

3.7.1.

[appellanten] hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Weliswaar maken de nooddeuren deel uit van de door de gemeente Hilversum afgegeven gebruiksvergunning, maar die vergunning is gebaseerd op regelgeving die inmiddels is ingetrokken en vervangen. Volgens [appellanten] volgt uit het rapport van [A] c.s. dat volgens de thans geldende regelgeving (in het bijzonder het Bouwbesluit 2012) met geringe (bouwkundige) aanpassingen voor gebruik door maximaal 200 bezoekers, geen vergunning (meer) vereist is, maar kan worden volstaan met een gebruiksmelding. De rapportage die [appellanten] zelf hebben laten opmaken bevestigt volgens hen de deze conclusies van [A] c.s. Met genoemde aanpassingen kan volgens het Bouwbesluit 2012 voor de Koninkrijkszaal worden volstaan met één uitgang en één vluchtweg. Wat de gebruiksbeperking van de steeg betreft hebben [appellanten] erop gewezen dat ook in de huidige situatie de steeg een vluchtweg is, die niet mag worden geblokkeerd. Daar komt bij dat de Stichting krachtens een op haar perceel rustende erfdienstbaarheid de steeg niet mag blokkeren. [appellanten] zijn bereid alle kosten van de uit te voeren bouwkundige aanpassingen te dragen. Een belangenafweging moet in hun voordeel uitvallen, onder meer omdat een noodweg van ca. 100 meter over het perceel van [appellanten] een onevenredig offer is, terwijl de Stichting haar rechten slechts via een privaatrechtelijke toestemming van een vorige eigenaar heeft zeker gesteld en een pand heeft gekocht waaraan ter zake van de steeg een erfdienstbaarheid gold, aldus (nog steeds) [appellanten]

3.8

Het hof overweegt als volgt. Aan de Stichting moet worden toegegeven dat, gelet op haar huidige gebruiksvergunning, zonder de nooddeuren een normale exploitatie van het pand onmogelijk is. De voorwaarden van die gebruiksvergunning zijn evenwel niet bepalend voor het antwoord op de vraag of op grond van artikel 5:57 BW een noodweg moet worden aangewezen. Die laatste vraag is immers een andere dan die naar de verplichting van de Stichting tot naleving van haar huidige, uit 2003 daterende, gebruiksvergunning, maar moet, gelet op het systeem van de wet, worden beantwoord in het licht van hetgeen geldend is ten tijde van de vordering tot aanwijzing van een noodweg. Met name uit het bepaalde in de artikelen 5:57 leden 4 en 5 BW leidt het hof in dat verband af, dat de noodzaak voor een noodweg afhankelijk is van hetgeen zich ter plaatse feitelijk voordoet en dat die noodzaak kan veranderen indien en zodra die omstandigheden feitelijk wijzigen. De situatie die zich in het verleden voordeed (zoals het wettelijk kader waaraan indertijd bij vergunningverlening moest worden voldaan) is voor de thans te beantwoorden vraag naar de noodweg derhalve niet van belang. Daarnaast vloeit uit de wettelijke systematiek naar ’s hofs oordeel voort dat aanwijzing van een noodweg in beginsel pas aan de orde kan zijn, wanneer de eigenaar die de aanwijzing vordert eerst zelf alle mogelijkheden heeft onderzocht van te treffen maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om een normale exploitatie mogelijk te maken, maar een normale exploitatie ook na het treffen van die maatregelen niet mogelijk zal zijn. De aanwijzing van een noodweg betekent immers een inbreuk op het eigendomsrecht van een ander, hetgeen het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Tot een inbreuk op dat recht kan pas worden beslist indien vaststaat dat degene die de aanwijzing vordert redelijkerwijs niet bij machte is zelf de voorwaarden voor een normale exploitatie te bewerkstelligen.

3.9

Indien de nooddeuren zouden verdwijnen heeft de Koninkrijkszaal nog slechts één uitgang. Uit het rapport van [A] c.s. leidt het hof allereerst af dat het Bouwbesluit 2012 pas bij een bestemming voor meer dan 225 personen een tweede uitgang eist. Volgens het Bouwbesluit 2012 zou, gelet op het huidige gebruik van de zaal (maximaal 200 personen), in beginsel met die ene uitgang kunnen worden volstaan.

3.10

Uit het rapport van [A] c.s., zoals nader toegelicht door [A] in zijn getuigenverklaring, leidt het hof (anders dan [appellanten] ) verder af dat indien de bestaande nooddeuren verdwijnen, het huidige gebruik van de Koninkrijkszaal kan worden gecontinueerd als de volgende cumulatieve maatregelen worden getroffen (in het rapport optie 2 genoemd):

1. de gehele strook van bestaande woningen en overige belendingen uitkomende op de steeg wordt uitgevoerd met een brandwerendheid van ten minste 20 minuten, en

2. hetzij het gebruik wordt beperkt tot 165 personen hetzij de dubbele deuren worden vergroot tot een minimale vrije doorgang van 2225 mm, en

3. het sluitwerk van de buitendeuren wordt aangepast (panieksluiting over de volle breedte aanbrengen conform NEN-EN 1125), en

4. in de steeg een gebruiksbeperking wordt opgelegd qua opslag en belemmeringen (van fietsen en containers). Een separate fietsenstalling/containerruimte wordt niet in de steeg maar op de openbare weg gesitueerd.

3.11

Volgens de Stichting betekent het verrichten van deze aanpassingen ter compensatie van de nooddeuren dat zij niet meer aan haar vergunningsvoorwaarden voldoet, zodat zij het perceel niet meer zal kunnen exploiteren. Dat zij niet (meer) aan de vergunningsvoorwaarden voldoet impliceert echter nog niet dat zij niet voor een nieuwe vergunning in aanmerking zou komen, of zelfs met een melding zou kunnen volstaan, zoals [appellanten] betogen. De Stichting vreest ook dat bij een nieuwe vergunningsaanvraag mogelijk nieuwe problemen aan de oppervlakte zullen komen, maar heeft die vrees niet concreet toegelicht. Volgens de Stichting zijn de veiligheidsnormen er sedert 1966 eerder strenger dan soepeler op geworden, maar dit betoog vindt geen bevestiging in het bewijsmateriaal dat zijzelf in het kader van haar bewijslevering heeft voorgebracht. Hetgeen de Stichting in dit verband heeft opgemerkt baat haar dus niet.

3.12

Uit hetgeen is vermeld in het rapport van [A] c.s. (ondersteund door de getuigenverklaringen) volgt naar het oordeel van het hof dat met enkele (deels bouwkundige) aanpassingen de normale exploitatie door de Stichting in beginsel mogelijk is zonder de nooddeuren. De Stichting heeft nog aangevoerd dat [A] heeft benadrukt dat wel nader onderzoek nodig zal zijn, zodat in dit stadium nog niet geheel zeker is of er daadwerkelijk voldoende maatregelen kunnen worden getroffen. Naar ’s hofs oordeel dient daarover thans zekerheid te komen. Volgens de Stichting is het niet mogelijk de fietsen elders in de buurt te stallen; [appellanten] hebben dat gemotiveerd betwist. Omdat de Stichting aanwijzing van een noodweg vordert, rust op haar niet alleen de stelplicht maar ook de bewijslast dat zonder deze aanwijzing een normale exploitatie van haar perceel onmogelijk is, ook indien zij de redelijkerwijs de van haar te vergen maatregelen zou hebben getroffen. In dat verband dient de Stichting ervan uit te gaan dat het hof de onder 3.11 onder 1, 2 en 3 beschreven maatregelen beschouwt als dergelijke redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen, temeer nu [appellanten] in dit geding onvoorwaardelijk hebben aangeboden alle kosten voor die maatregelen te zullen dragen en het hof daarom ervan uitgaat dat [appellanten] deze toezegging gestand zullen doen. Verder komt de beperking als geformuleerd in 3.11 onder 4, betreffende de opslag van containers en de stalling van fietsen in de steeg, het hof vooralsnog evenmin onredelijk voor, omdat aannemelijk is dat - in ieder geval bij calamiteiten aan de achterzijde van het pand - de steeg nu al als vluchtweg zal hebben te gelden en deze reeds daarom vrij van obstakels zal moeten zijn. Nu de Stichting reeds sedert 2003 een vergunning heeft voor een totaal aantal van 200 gelijktijdig aanwezige bezoekers, zal het hof bij de vraag naar de normale exploitatie van dat aantal uitgaan.

3.13

Het hof zal de Stichting toelaten tot (nadere) bewijslevering als hiervoor onder 3.13 bedoeld. Bewijslevering dient bij voorkeur plaats te vinden door het in het geding brengen van een brief of rapport van het bevoegd gezag waaruit de (on)mogelijkheid van een normale exploitatie bij het ontbreken van de nooddeuren volgt. Voor het antwoord op de vraag of een normale exploitatie van de Koninkrijkszaal al dan niet mogelijk is, zijn immers niet de eigen (veiligheids)opvattingen van de Stichting bepalend maar dat antwoord zal naar objectieve maatstaven moeten worden gegeven. Indien de Stichting (ook) bewijs wil leveren door middel van getuigen, zal daartoe een getuigenverhoor worden gehouden ten overstaan van de daartoe door het hof benoemde raadsheer-commissaris, zoals nader in het dictum te vermelden. Nadere bescheiden dienen minimaal 14 dagen voorafgaand aan het getuigenverhoor bij akte in het geding te worden gebracht.

3.14

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat de Stichting toe te bewijzen dat zonder de aanwijzing van een noodweg als bedoeld in artikel 5:57 BW een normale exploitatie van haar perceel onmogelijk is, ook indien zij de redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen heeft getroffen;

bepaalt dat indien de Stichting getuigen wenst te doen horen, een getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van mr. C.C. Meijer, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in een van de zalen van het hof in het Paleis van Justitie te IJdok 20, Amsterdam, op een nader te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat de advocaat van de Stichting bij rolmededeling op de rol van 15 augustus 2017 de verhinderdata zal doorgeven van de te horen getuigen, de partijen en hun raadslieden in de periode augustus tot en met december 2017;

bepaalt dat nadere bescheiden uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan het getuigenverhoor door de Stichting bij akte in het geding zullen worden gebracht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, D.J. van der Kwaak en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.