Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2707

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
K13/0368
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv. Begeleider bijtende politiehond niet vervolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van 11 juli 2017 op het beklag met het rekestnummer K13/0368 van

[Klager],

klager,

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde

[advocaat], advocaat te Maastricht.

1 Het beklag

Voor het verloop van de procedure en het verhandelde in raadkamer verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 28 april 2016.

De zaak is daarna (pro forma) behandeld in raadkamer op 1 juni 2016 en 28 juli 2016.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij aanvullend verslag van 12 oktober 2016 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven de vervolging te bevelen van beklaagden [beklaagde 1] en
[beklaagde 2] zake van de inzet van de politiehond bij de aanhouding en het beklag voor het overige af te wijzen.

Dit aanvullend verslag is toegezonden aan de advocaten van klager en beklaagden onder mededeling dat daarop kon worden gereageerd. Namens klager is daarop bericht dat het beklag wordt gehandhaafd. Namens beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] is gemotiveerd gereageerd met het verzoek het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennis genomen van:

- de in de tussenbeschikking genoemde stukken,

- in verband met deze beklagzaak en/of in de strafzaak tegen klager opgemaakte processen-verbaal, door de politie, de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam en de raadsheer-commissaris in dit hof,

- het vonnis in de strafzaak tegen klager van 23 april 2014,

- het verkort arrest in die strafzaak van 14 juni 2016,

- het aanvullend verslag,

- de reacties namens klager en beklaagden op het aanvullende verslag,

- op 15 februari 2013 gemaakte videopnamen,

- foto’s van klagers verwondingen aan het been.

4 De beoordeling van het beklag

Feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen:

Klager heeft op 21 februari 2013 aangifte gedaan van (zware) mishandeling door politieagenten op 15 februari 2013. Volgens de aangifte heeft een agent een politiehond opgehitst tot bijten; klager is daarna vijf keer in zijn linkerbeen gebeten en heeft daardoor letsel opgelopen.

Door een andere agent is hij tweemaal met de vuist in het gezicht geslagen toen hij geboeid en gewond in de politiebus lag.

Volgens de aangifte bemoeide klager zich met de aanhouding door de politie van een bekende van hem, [naam], met wie hij in gesprek was. Klager had commentaar op de wijze waarop dat gebeurde. Toen hij door een agent achteruitgeduwd werd, schold hij een van de agenten uit. De agent pakte hem beet; hij verzette zich daartegen. Beiden kwamen te vallen. Klager zag toen een hond die hem wilde pakken. Hij probeerde de hond te ontwijken en rende weg. De hondengeleider kwam met de aangelijnde hond achter hem aan; hij hoorde de geleider: “Stop met rennen” roepen. Toen hij ophield met rennen hoorde hij de agent die hem eerder had vastgepakt roepen: “Bijt hem, bijt hem”. Toen werd hij door de politiehond in zijn been gebeten.

Toen de hond van hem was afgehaald werd hij in een politiebusje gegooid. Hij gilde het uit van de pijn aan zijn been. Een van de agenten gaf hem met de binnenkant van zijn vuist een dreun in het gezicht. Toen hij zich oprichtte kreeg hij er nog een.

In het OLVG is op 15 februari 2013 bij klager aan het linker onderbeen (voor- en buitenzijde) een forse bijtwond vastgesteld met enkele puntverwondingen eromheen. Het medisch verslag maakt geen melding van ander letsel.

Uit de stukken komt naar voren dat de politie [naam] wilde aanhouden in verband met een (naar achteraf bleek, ten onrechte niet ingetrokken) melding dat hij moest worden teruggebracht naar een psychiatrische kliniek waaruit hij was weggelopen en dat hij mogelijk agressief kon reageren. De buurt waar dat gebeurde staat bekend als een omgeving waar conflicten snel kunnen escaleren en daarom was, buiten het koppel agenten dat de aanhouding zou doen, versterking achter de hand aanwezig. Op enig moment is de oproep ‘assistentie collega’s’ gedaan, het teken voor alle andere politiemensen dat een collega in nood is en assistentie dringend gewenst is.

Uit de verklaringen van de politiemensen [agent 1], [agent 2], [beklaagde 2] en [beklaagde 1] komt het volgende naar voren.

Beklaagden hebben zich bij hun collega’s gevoegd die bezig waren met de aanhouding van [naam]. [naam] verzette zich hevig tegen zijn aanhouding waardoor de verbalisanten moeite hadden om hem onder controle krijgen. Ondertussen had zich een groep mensen rond de plek van de aanhouding verzameld. Omdat een dreigende sfeer ontstond haalde beklaagde [beklaagde 1] zijn diensthond uit de auto. Om [naam] onder controle te krijgen pakte beklaagde [beklaagde 2] hem om zijn nek en werkte hem naar de grond. [beklaagde 2] hoorde achter zich een hoop geschreeuw en kreeg de indruk dat er direct gevaar voor hem en zijn collega’s dreigde. Via de portofoon gaf hij het sein ‘assistentie collega’. [beklaagde 2], [agent 1] en [agent 2] vonden de sfeer op dat moment zeer verhit; zij hoorden geschreeuw en zagen dat omstanders met hun armen zwaaiden en zich tegen de politie keerden.

Toen klager ‘klootzak’ tegen [beklaagde 2] riep, zei [beklaagde 2] tegen klager dat hij was aangehouden. Klager verzette zich daartegen door zich los te trekken, te slaan en te schoppen. Klager liep toen weg in de richting van [beklaagde 1] die bezig was andere omstanders op afstand te houden. [beklaagde 2] riep dat [beklaagde 1] klager moest aanhouden omdat hij, [beklaagde 2], door klager was geslagen. Hierop ging [beklaagde 1] met zijn aangelijnde diensthond achter klager aan, hij waarschuwde klager dat hij moest blijven staan en dat anders de hond zou worden ingezet. Klager bleef rennen, waarna [beklaagde 1] zijn diensthond het bevel ‘stellen’ heeft gegeven om klager aan te kunnen houden. Klager is vervolgens door de diensthond in zijn been gebeten.

Uit de op verzoek van de advocaat van beklaagden opgemaakte verklaring van de (niet bij de gebeurtenissen op 15 februari 2013 aanwezige) ‘instructeur surveillancehonden’ [agent 3] komt onder andere naar voren dat in de training van een surveillancehond twee commando’s worden aangeleerd op basis waarvan een hond zal bijten: “Vast” en “Stellen”. Andere commando’s, zoals: “bijt hem” zal de hond niet herkennen en als dit wordt geroepen zal de hond daarom niet gaan bijten.

Elke surveillancehond wordt aangeleerd om na het commando “vast” of “stellen” de verdachte direct en in een keer goed vast te klemmen. Als de hond een verdachte niet goed beet kan pakken – bijvoorbeeld omdat de verdachte probeert te vluchten of ontwijkende bewegingen maakt – zal de hond zichzelf corrigeren en meer grip zoeken in het lichaamsdeel dat het dichtst bij zijn bek is; dat kan de ernst van de bijtwond vergroten.

Het beoordelingskader

Vooropgesteld overweegt het hof het volgende: bij arrest van 14 juni 2016 heeft het hof in de strafzaak tegen klager geoordeeld dat de inzet van de politiehond disproportioneel was en dat heeft geleid tot strafvermindering.

Deze vaststelling in de strafzaak tegen klager betekent echter nog niet dat daarmee de strafbaarheid van het handelen van de hondengeleider(s) een gegeven is.

Met betrekking tot dit laatste heeft het hof te beoordelen of deze zaak met een gerede kans op een veroordeling voor (zware) mishandeling aan de strafrechter kan worden voorgelegd. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, heeft het hof te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is om het Openbaar Ministerie daartoe bevel te geven.

Buiten kwestie staat dat klager is gebeten door een politiehond. Nu het om door de politie toegepast geweld gaat en door klager aangifte is gedaan ter zake van (zware) mishandeling, moet bij het op deze feiten betrekking hebbende toetsingskader de vraag naar de rechtmatigheid van het politieoptreden betrokken worden.

Politieambtenaren zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening – indien noodzakelijk – bevoegd tot toepassing van – gepast – geweld. Buiten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zou – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben.

Het met betrekking tot de rechtmatigheid van belang zijnde toetsingskader wordt (buiten de strafrechtelijke en mensenrechtelijke regels) gevonden in de Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

Ingevolge artikel 15 van de Ambtsinstructie is de inzet van een politiehond slechts geoorloofd onder direct en voortdurend toezicht van een hondengeleider die in het bezit is van een certificaat.

Verdere regelgeving die is toegespitst op de inzet van een politiehond ontbreekt. Wel is er een aanbeveling daartoe van de Nationale Ombudsman.

In zijn rapport “Verantwoord politiegeweld” wordt de inzet van een politiehond een zwaar geweldsmiddel genoemd, waarvan behoedzaam gebruik moet worden gemaakt. Inzet is alleen geoorloofd als er geen minder ingrijpend middel voorhanden is en pas na vordering/bevel (indien aan de orde) en een waarschuwing:

- bij gevaar voor de veiligheid van politieambtenaren of derden, bijvoorbeeld bij hevig fysiek verzet bij de aanhouding gericht tegen politieambtenaren;

- bij een vluchtende verdachte waarbij sprake is van een ernstig ingrijpend misdrijf.

De inzet van een aangelijnde politiehond is vanwege de aanwezige controle door de hondengeleider een minder ingrijpend middel dan de inzet van een niet-aangelijnde politiehond.

De overwegingen van het hof

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, moet het hof er vanuit gaan dat sprake was van een voor de politie minst genomen ongemakkelijke situatie waarin een aanhouding moest worden verricht in een buurt waarvan bekend was dat politieoptreden snel tot escalatie kon leiden. Die vrees werd – zo komt ook uit de aangifte van klager naar voren – werkelijkheid toen klager (en later anderen) zich met het politieoptreden begonnen te bemoeien. Uit het signaal ‘assistentie collega’ kan worden afgeleid dat in elk geval vanuit het perspectief van de aanwezige agenten, hun veiligheid in gevaar kwam. Hetgeen klager zelf heeft verklaard over zijn optreden tegen een van de agenten die met de aanhouding van klagers kennis bezig was en de omstandigheid dat zich rond het politieoptreden een groepje anderen verzamelde dat zich – in elk geval met woorden – tegen de politie leek te keren, maakt duidelijk dat dit perspectief ook grond had. Het hof is dan ook van oordeel dat de inzet van de (aangelijnde) diensthond van beklaagde [beklaagde 1] binnen de grenzen van het hiervoor weergegeven toetsingskader plaats had.

De diensthond (en diens begeleider) zijn in actie gekomen nadat klager zich (met geweld) had verzet tegen zijn aanhouding door beklaagde [beklaagde 2]. Toen klager aan die aanhouding probeerde te ontkomen, liep hij in de richting van beklaagde [beklaagde 1] die met zijn hond probeerde omstanders op afstand te houden. [beklaagde 1] heeft klager gewaarschuwd dat de diensthond zou worden ingezet als hij niet bleef staan. Uit klagers verklaring kan worden afgeleid dat hij die waarschuwing heeft gehoord (“stop met rennen”), maar dat hij daaraan – zo volgt uit de verklaring van [beklaagde 1] – niet onmiddellijk heeft voldaan.

Uit de medische verklaring kan worden afgeleid dat de hond na het commando ‘stellen’ niet meteen greep kreeg op klagers been (het hof leidt dat af uit de puntverwondingen) en daarna één keer zo stevig heeft gebeten dat daardoor de forse bijtwond is ontstaan.

Hoe betreurenswaardig ook dat klager deze lelijke wond heeft opgelopen, in het licht van hetgeen hiervoor is weergegeven valt niet af te leiden dat het door de beklaagde [beklaagde 1] toegepaste geweld, te weten de inzet van de diensthond, niet gepast was (klager probeerde immers weg te komen nadat hij was aangehouden ter zake van geweld tegen de politie).

Gelet op de verklaring van [beklaagde 1] over het door hem gegeven commando en hetgeen uit de verklaring van [agent 3] naar voren is gekomen, is niet aannemelijk dat de hond heeft gereageerd op een niet aangeleerd bevel (van een van de politiemensen of omstanders). Deze beschuldiging berust enkel op de aangifte van klager.

Voor wat betreft de klacht met betrekking tot mishandeling in de politiebus moet worden vastgesteld dat de medische verklaring geen enkele indicatie geeft van letsel aan het gezicht. In zijn verhoor door de politie op 15 februari 2013 heeft klager verklaard dat hij steeds “wegviel”, dat hij een klap in zijn gezicht van de agent kreeg, dat deze zei dat hij erbij moest blijven en dat de agent hem tweemaal een klap heeft gegeven. Uit deze verklaring komt naar voren dat de verbalisant geprobeerd heeft om hem bij bewustzijn te houden. Er is geen enkele indicatie dat klager (hard) is geslagen en daarom ontbreekt het aan aanwijzingen dat sprake is van wederrechtelijkheid die noodzakelijk is voor bewezenverklaring van mishandeling. De strafrechter die op dit punt zou moeten oordelen zal dan ook niet tot een veroordeling kunnen komen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag ten aanzien van beide verwijten dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
11 juli 2017 door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, M.J.G.B. Heutink en
N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid vanI.N. van Soest, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.