Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2706

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
200.061.675/02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2011:562
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Eenvoudige gemeenschappen. Deskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.061.675/02

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 80133 / HA ZA 05-387 en

(locatie Alkmaar) 85749 / HA ZA 06-128

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 juli 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonend te [A] ,

appellante,

advocaat: mr. J.H.M. de Boer te Alkmaar,

tegen

[de man] ,

wonend te [B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C. de Bie-Koopman te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 22 maart 2011 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar dit arrest. Bij dit arrest is de incidentele vordering van de vrouw afgewezen met aanhouding van de beslissing met betrekking tot de proceskosten.

Partijen hebben vervolgens de navolgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- nadere akte van de zijde van de man;

- akte uitlating producties tevens akte overlegging producties van de zijde van de vrouw;

- nadere akte overlegging producties van de zijde van de man;

- nadere akte overlegging producties van de zijde van de vrouw.

Op 20 maart 2017 heeft de vrouw een akte overlegging producties aan het hof toegestuurd, welke na bezwaar van de man is geweigerd, nu deze in strijd met het procesreglement niet uiterlijk twee weken voor de zitting is ingediend en de producties niet eenvoudig te doorgronden zijn.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 maart 2017 door hun advocaten doen bepleiten. Zij hebben gebruik gemaakt van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft, na wijziging van eis, geconcludeerd dat het hof de tussen partijen gewezen vonnissen van 18 januari 2006, 30 augustus 2006, 15 augustus 2007, 9 januari 2008, 7 mei 2008 en 23 december 2009 zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – :

• in de zaak met zaak nummer 80133 / HA ZA 05-387:

I. de man zal veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van

€ 27.146,=,

II. de man zal veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

• in de zaak met zaaknummer 85749 / HA ZA 06-128:

I. in conventie de man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem zijn vorderingen zal ontzeggen;

II. in reconventie primair zal bepalen dat:

a. bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen de (financiële) inbreng van de vrouw bij verwerving van de woning aan de [a-straat] 18C te [B] , zijnde een bedrag van fl. 36.380,54 (€ 16.508,86), verkregen als gevolg van verkoop van de woning aan de [b-straat] 34 te [B] , in aanmerking genomen behoort te worden;

b. omtrent de waarde van de woning aan de [a-straat] 18C te [B] dient te worden uitgegaan van een waarde van € 250.000,=, althans dat een nieuwe taxatie behoort plaats te vinden op basis van de reële economische waarde van dit registergoed en door een door het gerechtshof (nieuw) aangewezen taxateur;

III. subsidiair de verdeling tussen de man en de vrouw van hun gemeenschappelijk vermogen zal vaststellen op basis van de hiervoor onder a en b geformuleerde uitgangspunten;

met veroordeling van de man in de kosten van de beide gedingen en in beide instanties met nakosten en rente.

De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep.

De vrouw heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 januari 2006 onder 2 (2.1 tot en met 2.5) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Verdere beoordeling

3.1.1

Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest [van] 1990 tot 23 februari 2004. Voorafgaand aan het huwelijk zijn partijen huwelijksvoorwaarden overeengekomen. Voor zover van belang luiden de huwelijkse voorwaarden als volgt:

REGIEM

Artikel 1 .

De echtgenoten zullen zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

(…)

Artikel 3.

De echtgenoten zijn verplicht, voorzover niet anders bepaald, aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot. Het bedrag of de waarde ten tijde van die onttrekking is ten deze bepalend.

(…).”

3.1.2

Ten tijde van het aangaan van het huwelijk was de vrouw eigenaar van de woning aan de [b-straat] 34 te [B] . Deze woning is verkocht. De opbrengst uit de verkoop van de woning bedroeg fl. 36.380,54 (€ 16.508,86). Dit bedrag is aangewend voor de aankoop van een woning aan de [a-straat] 29A te [B] , welke woning gezamenlijk eigendom van partijen was. Na verkoop van deze woning hebben partijen in gezamenlijk eigendom het zelfstandig zakelijk recht van opstal tot het stichten en in eigendom hebben van een woonhuis met aan- en bijbehoren aan de [a-straat] 18A, later omgenummerd naar [a-straat] 18C , te [B] (hierna: de woning) aangekocht.

3.1.3

Tijdens het huwelijk is de man een eenmanszaak gestart onder de naam [de onderneming] . Per 1 februari 2000 is de eenmanszaak ingebracht in een vennootschap onder firma met dezelfde naam (hierna: de vof). Partijen waren de twee gezamenlijke vennoten in de vof. De vof is per 1 juli 2003 beëindigd.

3.2.

De vrouw is onder aanvoering van vijf grieven in hoger beroep gekomen van de gewezen vonnissen. De grieven zien op de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de woning en de vof. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van

7 mei 2008 deskundigen benoemd om een rapport uit te brengen over de waarde van de woning respectievelijk de waarde van het aandeel van de vrouw in de vof en haar aandeel in het bedrijfsresultaat van de vof over de periode van 1 januari 2003 tot

1 juli 2003. Bij eindvonnis van 23 december 2009 heeft de rechtbank de woning toegedeeld aan de vrouw en haar veroordeeld tot betaling van € 91.523,97 aan de man wegens overbedeling. Daarnaast heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot betaling van de kosten van de deskundige die was benoemd om het aandeel van de vrouw in de vof en haar aandeel in het bedrijfsresultaat over de periode januari tot juli 2003 vast te stellen.

3.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar vordering in conventie onder II. (veroordeling van de man tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet) ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer behoeft te beslissen.

De vrouw vordert de vernietiging van de vonnissen van 18 januari 2006, 30 augustus 2006, 9 januari 2008 en 7 mei 2008, maar zij heeft geen grieven gericht tegen deze tussenvonnissen. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep voor zover dit is gericht tegen deze vonnissen.

vof

3.4.

De grieven 1en 3 zien op de beslissing van de rechtbank ter zake de vof.

Voor zover de vrouw betoogt dat de rechtbank niet tot benoeming van een deskundige had mogen overgaan omdat zij reeds een financieel overzicht van een accountant had overgelegd, overweegt het hof dat het op grond van vaste jurisprudentie aan de rechter is overgelaten of hij behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting. Het stond de rechtbank dan ook vrij een deskundige te benoemen.

3.5.

De vrouw kan zich daarnaast niet vinden in het rapport van de deskundige. De man wijst erop dat de vrouw slechts haar stellingen in de eerste aanleg heeft herhaald, dat de deskundige al rekening met haar stellingen heeft gehouden en hij stelt zich verder onder meer op het standpunt dat de door de vrouw aangevoerde bezwaren tardief en in strijd met een goede procesorde zijn. Het hof volgt de man niet in deze stellingen, nu de procedure in hoger beroep onder andere tot doel heeft een heroverweging van de standpunten of een aanvulling op de overwegingen in eerste aanleg.

3.6.

Volgens de vrouw heeft de deskundige een conclusie getrokken op basis van een incompleet dossier en aannames. Verder staat ten onrechte in het rapport vermeld dat de vrouw is gevraagd om nadere stukken, heeft de deskundige de waarde van de auto, een Mercedes Benz, ten onrechte niet in de waardering betrokken, geen rekening gehouden met een overboeking door de vrouw van fl. 15.000,= in november 1999 op de en/of rekening van partijen, welk bedrag vervolgens door de man naar India is overgeboekt en is de deskundige uitgegaan van een onjuiste hoogte van de omzet over 1999. Ten slotte is de deskundige bij twee overboekingen van de man in december 2000 uitgegaan van bedrijfsuitgaven, terwijl het ene bedrag is overgeboekt naar een privérekening in India en het andere bedrag naar de zus van de man.

De vrouw voert daarnaast aan dat hetgeen door de deskundige is overwogen niet als juist kan worden aangemerkt, gelet op hetgeen de door haar ingeschakelde accountant, de heer C.M. Groot, heeft geconcludeerd, welke conclusie is bevestigd door de heer G.C. Brouwer.

3.7.

Het hof overweegt dat uit het rapport volgt dat de deskundige het concept van het rapport aan partijen heeft toegezonden, waarna zij in de gelegenheid zijn gesteld te reageren. Op verschillende plaatsen in het rapport heeft de deskundige vermeld wat de reactie van (één van) partijen is geweest en wat daarop zijn reactie is. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat haar niet is gevraagd om nadere stukken.

De deskundige heeft daarnaast in zijn rapport aangegeven welke stukken hij heeft ontvangen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat een aanzienlijk aantal bankstukken ontbreekt. Nu uit het rapport niet blijkt dat dit ertoe heeft geleid dat de deskundige geen antwoord heeft kunnen geven op de gestelde vragen, is het hof van oordeel dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, het enkele feit dat bankstukken ontbreken, geen reden is het rapport van de deskundige niet te volgen.

3.8.

De vrouw stelt dat sprake is van een aanname van de deskundige, waar deze de inbreng van het startkapitaal van de vof voor gelijke delen aan partijen heeft toegerekend.
Uit het rapport van de deskundige blijkt het hof dat hij acht heeft geslagen op de jaarrekening 2000, opgesteld door WEA en voorzien van een handtekening van een registeraccountant, M.J.P. Admiraal RA, waarin het beginvermogen per 1 januari 2000 wordt toegerekend aan beide vennoten en op de brief van 3 november 2014 van Groot, die als uitgangspunt neemt dat het startkapitaal door de vrouw is verstrekt. De deskundige geeft vervolgens aan dat hij niet heeft kunnen vaststellen wie het kapitaal bij aanvang van de vof heeft verstrekt. Als reactie van partijen vermeldt hij dat van partijen geen aanvullende bescheiden zijn ontvangen inzake het startkapitaal. De deskundige geeft vervolgens als eigen reactie: “Op basis van het bovenstaande is mijn conclusie dat de verdeling van het startkapitaal zoals verwerkt in de jaarrekeningen vanaf boekjaar 2000 geen correctie behoeft aangezien het startkapitaal, naar mijn mening terecht, gelijkelijk is verdeeld tussen partijen.”

Uit de reactie van de deskundige blijkt dat hij zijn conclusie heeft gebaseerd op de jaarrekening van de accountant. Het hof is dan ook van oordeel dat de deskundige inzichtelijk en afdoende onderbouwd heeft aangegeven hoe hij tot de vaststelling is gekomen dat van een gelijke inbreng dient te worden uitgegaan.

3.9.

De vrouw is verder van mening dat sprake is van een aanname bij twee overboekingen vanaf de bankrekening van de vof naar [X] en de man.

In de conceptrapportage heeft de deskundige opgenomen dat uit de administratie niet valt vast te stellen hoe deze bedragen zijn verwerkt, als opname of als kosten. Groot heeft aangegeven dat sprake was van opnames door de man. In reactie op de conceptrapportage heeft de man laten weten dat de overboekingen betrekking hebben op inkopen. De vrouw heeft niet gereageerd op dit punt. De deskundige heeft vervolgens in het rapport vermeld dat zowel in de situatie dat de overboekingen zijn verwerkt als (inkoop)kosten als in de situatie dat deze zijn verwerkt als privé opnames, de bedragen in de jaarrekening 2000 gelijkelijk zijn verdeeld over het kapitaal. Hij heeft op grond van het ontbreken van aanvullende informatie geen reden gezien zijn conceptrapportage op dit punt te wijzigen.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het rapport van de deskundige dat hij zich voor de vraag gesteld zag of bij deze overboekingen sprake was van kosten of opnames. Omdat in beide gevallen volgens de jaarrekening de bedragen gelijkelijk over de vennoten werden verdeeld, was een aanpassing daarvan niet nodig. De deskundige heeft zich derhalve op de jaarrekening gebaseerd, zodat geen sprake is geweest van een aanname.

3.10.

Ten slotte is volgens de vrouw sprake van een aanname omdat de accountant heeft geschreven dat hij niet kon vaststellen wie een nota ad € 12.030,= van [de zusteronderneming] (Hof: een zusteronderneming in India) heeft betaald en dat de betaling 50/50 is toegerekend aan de vennoten.

De deskundige vermeldt in zijn rapport dat hij bij de aangeleverde stukken een overzicht heeft ontvangen, waarin de opnames in 2002 worden gerecapituleerd. Hoewel de deskundige heeft kunnen vaststellen dat het overzicht aansluit bij de bankstukken, heeft hij niet kunnen vaststellen of de verdeling van de kasopnames juist is, omdat niet duidelijk was wie de opnames had gedaan. Wel heeft hij geconstateerd dat het overzicht niet aansluit op de jaarrekening 2002. Het verschil bestaat uit de nota van [de zusteronderneming] . Op de conceptrapportage heeft de deskundige op dit punt een reactie van de man ontvangen, dat de kosten door hem zijn betaald in 2004. De deskundige geeft aan dat in de jaarrekening 2002 het bedrag van

€ 12.030,= als kosten is verwerkt en dat is verondersteld dat de nota is betaald vanuit privé-middelen. Hij heeft geen aanleiding gezien zijn concept-rapport aan te passen naar aanleiding van de reactie van de man omdat hij de juistheid hiervan niet kon vaststellen aan de hand van de door de man overgelegde stukken.

Het hof is gelet op de toelichting van de deskundige van oordeel dat hij zich heeft gebaseerd op de jaarrekening 2002 en dat geen sprake is geweest van een aanname.

3.11.

Ook overigens heeft het hof in de stellingen van de vrouw niets aangetroffen dat op de hiervoor genoemde punten afdoet aan het rapport van de deskundige.

3.12.

De vrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de deskundige ten onrechte de waarde van een auto niet heeft betrokken in de waardering van de onderneming. De deskundige heeft hierover in zijn rapport geschreven dat uit stukken die door de vrouw zijn verstrekt, zou blijken dat een auto, merk Mercedes Benz, met kenteken [kentekennummer] , in 2009 zou zijn overgeschreven naar de man. De boekwaarde van de auto bedraagt per 1 juli 2003 € 8.052,=. De deskundige vermeldt dat hij geen verdere werkzaamheden heeft verricht ten aanzien van dit activum.

Het hof overweegt dat het feit dat de deskundige vermeldt dat hij geen verdere werkzaamheden heeft verricht, niet meebrengt dat hij de auto niet heeft betrokken in de waardering van de onderneming. De deskundige vermeldt de boekwaarde per 1 juli 2003, de peildatum voor de waardering van het aandeel van de vrouw. In de jaarstukken 2003, die uitgangspunt hebben gevormd voor de deskundige om de waarde van het aandeel van de vrouw te berekenen, staat de auto genoemd op de balans. Uit de bijlagen blijkt dat het hier om dezelfde auto gaat, gelet op de vermelding van dezelfde auto onder “Omzetbelasting”. De klacht van de vrouw faalt.

3.13.

De vrouw klaagt verder over het feit dat de deskundige geen rekening heeft gehouden met het feit dat de vrouw in november 1999 een bedrag van fl. 15.000,= op de en/of rekening van partijen heeft gestort, welk bedrag vervolgens door de man naar India is overgeboekt, en dat door de deskundige van een onjuiste hoogte van de omzet over 1999 is uitgegaan. Ter onderbouwing verwijst de vrouw naar de door haar overgelegde bijlage 6 bij productie 18.

Deze bijlage bestaat uit een aantal handgeschreven berekeningen, een stortingsbewijs en een aantal bankafschriften. Uit het stortingsbewijs volgt dat de vrouw op 23 november 1999 een bedrag van fl. 15.000,= heeft gestort.

Het hof is van oordeel dat de stellingen van de vrouw onvoldoende concreet zijn om aan deze stukken de gevolgtrekking te verbinden dat de deskundige de waarde van het aandeel van de vrouw in de vof per 1 juli 2003 onjuist heeft berekend.

3.14.

Ten slotte voert de vrouw aan dat de deskundige ten onrechte een overboeking van een rekening van de vof van fl. 20.000,= naar een privérekening in India en een overboeking van fl. 7.088,16 naar de zus van de man als bedrijfsuitgave heeft aangemerkt.

Het betreft dezelfde overboekingen waarover het hof in r.o. 3.9. een oordeel heeft gegeven. Gelet op het feit dat de deskundige heeft geconstateerd dat ook als sprake is van een privé-opname, deze gelijk over het kapitaal van partijen wordt verdeeld en de vrouw niet heeft onderbouwd waarom tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, ziet het hof geen reden op dit punt het rapport van de deskundige niet te volgen.

3.15.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het rapport van de deskundige.

Met grief 5 stelt de vrouw aan de orde dat, omdat het oordeel van de deskundige onjuist is, zij niet in de kosten van deze deskundige veroordeeld had moeten worden. Nu ook het hof het deskundigenoordeel volgt en daarbij van oordeel is dat de kosten voor de in te schakelen deskundige hadden kunnen worden vermeden indien de vrouw van aanvang af was uitgegaan van een reële waarde van de vof, is het hof van oordeel dat de vrouw op juiste gronden in de kosten van de deskundige is veroordeeld. De grieven 1, 3 en 5 van de vrouw falen.

Woning

3.16.

Grief 2 ziet allereerst op het deskundigenrapport met betrekking tot de woning. De vrouw stelt dat de deskundige van onjuiste dan wel onvolledige feiten en omstandigheden ten aanzien van de waarde van de woning is uitgegaan, zodat de getaxeerde waarde van € 320.000,= onjuist is. Ter onderbouwing wijst zij op het feit dat de woning in 2007 door een deskundige is getaxeerd op een waarde van € 209.000,=. Verder bedroeg de WOZ-waarde in 2009 € 266.000,= en in 2010 € 279.000,=. Een door de vrouw ingeschakelde deskundige heeft aangegeven dat er drie punten van belang zijn voor de waardering:

  • -

    de woning is bestemd als agrarische bedrijfswoning, wat tot gevolg heeft dat bewoning op basis van particulier gebruik in strijd is met het bestemmingsplan;

  • -

    er is sprake van een opstalrecht. Een nieuwe eigenaar koopt alleen het eigendom van het woonhuis, niet van de grond. Ook zijn in de eigendomsakte meerdere verbindingen opgenomen met het naastgelegen glastuinbouwbedrijf, die weliswaar deels achterhaald zijn, maar de woning wel minder courant maken. Verder is de grond die in gebruik is gegeven bij het woonhuis belast met een erfdienstbaarheid;

  • -

    de woning is voorzien van een zogenaamde zitkuil, die door het huidige koperspubliek op de woningmarkt niet wordt gewaardeerd.

De vrouw wijst daarnaast op het feit dat de man de woning in 2004 heeft laten taxeren op een bedrag van € 405.000,= en dat de door haar ingeschakelde makelaar/taxateur Klaver de woning in juni 2005 heeft gewaardeerd op € 163.000,-. Gelet op de waardeverschillen tussen alle verschillende taxaties stelt zij dat de woning geen gewone woning betreft en dat over de wijze van waardering van de woning verschillend is en wordt gedacht. De vrouw stelt zich op het standpunt dat van een waarde van € 250.000,= moet worden uitgegaan, voor welke waarde zij de woning ook heeft verkocht in februari 2012, dan wel dat een nieuwe taxatie moet plaatsvinden.

De vrouw komt eveneens op tegen het oordeel van de rechtbank om – zo begrijpt het hof – geen rekening te houden met de netto verkoopopbrengst van de woning aan de [b-straat] 34 te [B] , zijnde een bedrag van fl. 36.380,54, welk bedrag is aangewend bij de aankoop van de woning aan de [a-straat] 29A te [B] . Deze woning is vervolgens in 1998 verkocht. De netto verkoopopbrengst van deze woning bedroeg fl. 55.532,11. Een bedrag van fl. 21.453,78 is aangewend ter betaling van de kosten koper, terwijl het resterende deel van de overwaarde is gebruikt ter aflossing van een doorlopend krediet dat door de man is afgesloten.

De vrouw stelt dat het bedrag van fl. 36.380,54 in de verdeling van de waarde van de woning had moeten worden betrokken.

3.17.

De man voert aan dat de vrouw heeft kunnen reageren op de (concept)rapportage. De man wijt het verschil tussen de taxatie van de door de rechtbank benoemde deskundige en de waarde waarvoor de vrouw de woning heeft verkocht aan de waardedaling op de woningmarkt tussen 2008 en 2012. Nu de woning inmiddels is verkocht, acht de man een nieuwe taxatie niet meer mogelijk.

De man betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft ten aanzien van door haar ingebrachte gelden bij de aankoop van de [a-straat] 18C te [B] . De door de vrouw overgelegde nota van afrekening betreft de aankoop van de woning aan de [a-straat] 29A te [B] . Verder wijst hij erop dat partijen ieder voor de helft eigenaar van de woning waren. Er is niet gekozen voor een andere eigendomsverhouding en evenmin is een schuldbekentenis opgesteld, omdat partijen niet wilden dat de één een vordering zou krijgen op de ander. Gedurende het hele huwelijk hebben de privé-, gemeenschappelijke en zakelijke financiële aangelegenheden door elkaar gelopen. Ook de man heeft geld gestoken in de aankoop van de woning aan [a-straat] 29A en heeft meebetaald aan aflossingen op de hypotheek van de woning aan de [b-straat] 34 , terwijl die woning eigendom van de vrouw was.

3.18.

Het hof overweegt dat het enkele feit dat de woning door andere deskundigen is gewaardeerd op een lagere dan wel hogere waarde en dat de vrouw de woning in februari 2012 voor een lager bedrag heeft verkocht, niet zonder meer tot de slotsom leidt dat de door de rechtbank benoemde deskundige is uitgegaan van een onjuiste waarde of onvolledige feiten en omstandigheden, al was het maar omdat de andere taxaties en de uiteindelijke verkoop op andere tijdstippen hebben plaatsgevonden. Ook een afwijkende WOZ-waarde kan niet tot deze conclusie leiden, nu de WOZ-waarde wordt vastgesteld zonder opname ter plaatse.

De vrouw voert enkele concrete omstandigheden aan, maar uit het taxatierapport van de deskundige blijkt verder dat deze rekening heeft gehouden met het geldende bestemmingsplan. Daarbij heeft de deskundige aangegeven dat in de praktijk weinig gevallen bekend zijn van handhaving en dat hij voor zijn informatie en inschattingen is afgegaan op hetgeen hij met de betreffende ambtenaar tijdens een persoonlijk onderhoud heeft besproken. Ook heeft de deskundige rekening gehouden met de erfdienstbaarheid, het opstalrecht, heeft hij de leveringsakte overgelegd en heeft hij de woning van binnen en van buiten gezien, zodat er geen aanleiding is, zoals de vrouw lijkt te veronderstellen, dat de deskundige geen rekening heeft gehouden met de door haar genoemde omstandigheden.

Het voorgaande brengt mee dat het hof de vrouw niet volgt in haar bezwaren tegen het deskundigenrapport. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een andere vaststelling van de waarde van de woning of een nader onderzoek en volgt, met de rechtbank, de conclusies van de in eerste aanleg benoemde deskundige. In zoverre heeft grief 2 geen succes.

3.19.

Wat betreft het vergoedingsrecht van de vrouw vanwege de investering in de gemeenschappelijke echtelijke woning vanuit privé-middelen heeft de man tijdens het pleidooi een beroep gedaan op verjaring, nu tussen het moment waarop de vrouw de appeldagvaarding heeft uitgebracht en het moment waarop de memorie van grieven is genomen, meer dan vijf jaar is verstreken. Dit beroep faalt. Door het uitbrengen van de appeldagvaarding is de verjaring gestuit, nu de vrouw in de appeldagvaarding (voorwaardelijk) onder meer heeft gevorderd dat haar inbreng bij de verwerving van de echtelijke woningen in aanmerking behoort te worden genomen. Zoals uit het navolgende zal blijken, zal het hof de (gewijzigde) vordering op dit punt gedeeltelijk toewijzen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:319 lid 1 BW blijft in dat geval de verjaring gestuit.

3.20.

De rechtbank heeft in zijn tussenvonnis van 15 augustus 2007 geoordeeld dat rekening moet worden gehouden met de inbreng van de vrouw. De vrouw is daarbij in de gelegenheid gesteld bescheiden te overleggen waaruit de meeropbrengst van de woning aan de [b-straat] 34 te [B] blijkt. De rechtbank heeft bij eindvonnis uiteindelijk geen rekening gehouden met de inbreng van de vrouw omdat zij had nagelaten de gevraagde bescheiden over te leggen.

In hoger beroep heeft de vrouw alsnog bescheiden overgelegd waaruit volgt dat de netto verkoopwaarde van de woning van de [b-straat] 34 te [B] ad

fl. 36.380,54 is aangewend voor de aankoop van de woning aan de [a-straat] 29A te [B] . Na verkoop van deze woning is uit de overwaarde een bedrag van

fl. 21.453,78 aangewend ter betaling van de kosten koper van de woning aan de [a-straat] 18C te [B] .

3.21.

Gelet op hetgeen partijen in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, kan de vrouw aanspraak maken op een vergoeding van hetgeen zij uit privé-middelen heeft aangewend voor de aankoop van een gemeenschappelijke woning. Hiervoor is niet nodig, zoals de man aanvoert, dat zij dit (buiten de huwelijkse voorwaarden) uitdrukkelijk overeenkomen. Uit artikel 3 volgt echter ook dat alleen aanspraak kan worden gemaakt op een nominale vergoeding en niet, zoals de vrouw tijdens het pleidooi heeft aangevoerd, op een vergoeding gebaseerd op de beleggingsleer, waarbij het hof overweegt dat de vrouw haar vordering ook niet in die zin heeft gewijzigd.

Uit de door de vrouw overgelegde bescheiden volgt dat uiteindelijk een bedrag van

fl. 21.453,78 (€ 9.735,30) uit de overwaarde van de [b-straat] 34 te [B] is aangewend voor de aankoop van de [a-straat] 18C te [B] . De vrouw heeft naar het oordeel van het hof recht op vergoeding van dit bedrag. Dat de vrouw mogelijk voor de aankoop van de eerste gezamenlijke woning ook privégelden met een andere herkomst heeft aangewend, zoals zij tijdens het pleidooi heeft aangevoerd, is in dit verband niet van belang gelet op de vordering van de vrouw, die erop is gebaseerd dat rekening moet worden gehouden met haar inbreng als gevolg van de verkoop van de (voorhuwelijks) aan haar toebehorende woning aan de [b-straat] 34 te [B] . Evenmin komt de vrouw een vergoedingsrecht toe voor het restantbedrag uit de overwaarde van de [b-straat] 34 te [B] , nu zij hiertoe geen vordering heeft ingesteld.

Het voorgaande brengt mee dat grief 2 gedeeltelijk slaagt.

3.22.

Uit het slagen van grief 2 volgt dat grief 4, die ziet op het bedrag dat de vrouw aan de man dient te betalen, slaagt. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 2.2. van het vonnis van 23 december 2009 heeft overwogen, resteert een netto waarde van de woning van € 183.865,94. Op dit bedrag komt het bedrag van € 9.735,30 in mindering, zodat een bedrag van € 174.130,64 resteert. Ter zake van overbedeling is de vrouw de helft van dit bedrag, € 87.065,32, aan de man verschuldigd. Op dit bedrag komt vervolgens het bedrag ad € 400,= dat de man ter zake de vof aan de vrouw moet betalen in mindering, zodat een bedrag van € 86.665,32 resteert.

3.23.

Bij gebreke van ter zake dienende stellingen kan bewijslevering achterwege blijven.

3.24.

De conclusie van het voorgaande is dat grief 2 gedeeltelijk en grief 4 geheel slaagt. Het hof zal het vonnis van 23 december 2009 vernietigen voor zover het betreft het door de vrouw te betalen bedrag. De kostencompensatie in eerste aanleg zal het hof in stand laten nu het een geschil tussen ex-echtgenoten betreft. Als de in het ongelijk gestelde partij dient de vrouw in de kosten van het incident te worden veroordeeld. In de hoofdzaak zal het hof de kosten compenseren als na te melden, nu partijen ex-echtgenoten zijn.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de tussenvonnissen van 18 januari 2006, 30 augustus 2006, 9 januari 2008 en 7 mei 2008;

vernietigt het vonnis van 23 december 2009, voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld wegens overbedeling aan de man te betalen een bedrag van € 91.523,97

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw wegens overbedeling aan de man te betalen een bedrag van

€ 86.665,32 (zegge: zesentachtigduizend zeshonderdvijfenzestig euro en tweeëndertig cent);

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het incident, tot op heden aan de zijde van de man begroot op € 894,= voor salaris;

compenseert de proceskosten in de hoofdzaak in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, H.A. van den Berg en

M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op

4 juli 2017.