Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2690

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
23-001264-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 WVW en art 8 WVW. Het hof is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend valt aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-001264-16

Datum uitspraak: 3 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-679030-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 1 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Van Woustraat zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten aan [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten (aan de linker zijde) een dwarse breuk van het onderbeen en een gebroken enkel en meerdere breuken in de voet, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Van Woustraat, komende uit de richting van Ceintuurbaan en gaande in de richting van de Rijnstraat, terwijl het donker was en/of terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, verdachte heeft, gekomen ter hoogte van (ongeveer) de Carillonstraat deels op de busstrook en deels op de rijbaan gereden en heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een voertuig met beperkte snelheid (inzandvoertuig) en (daarbij) meerdere wegwerkers doende waren werkzaamheden op de trambaan te verrichten, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken, voor één van deze wegwerkers, zijnde voornoemde [slachtoffer], verdachte is vervolgens tegen deze [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst, waardoor aan deze [slachtoffer] voren omschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 670 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bleek te zijn; (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 1 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Van Woustraat zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Van Woustraat, komende uit de richting van Ceintuurbaan en gaande in de richting van de Rijnstraat, terwijl het donker was en/of terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, verdachte heeft, gekomen ter hoogte van (ongeveer) de Carillonstraat deels op de busstrook en deels op de rijbaan gereden en heeft zich hierbij niet. althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een voertuig met beperkte snelheid (inzandvoertuig) en (daarbij) meerdere wegwerkers doende waren werkzaamheden op de trambaan te verrichten, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken, voor één van deze wegwerkers, zijnde [slachtoffer], verdachte is vervolgens tegen deze [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst; (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

2:
hij op of omstreeks 1 september 2014 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 670 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; (artikel 8 lid 2 onder a Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich niet met het vonnis kan verenigen.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Het rijgedrag van de verdachte kan niet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Voorts was er sprake van externe, verontschuldigende omstandigheden die de verwijtbaarheid zodanig beperken dat de verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen stelt het hof het volgende vast.

De verdachte reed op 1 september 2014 omstreeks 05:00 uur met zijn auto met ontstoken verlichting op de Van Woustraat in Amsterdam, komende uit de richting van de Ceintuurbaan en gaande in de richting van de Rijnstraat. Het was donker en de straatverlichting brandde. De verdachte verkeerde onder zodanige invloed van alcohol dat het alcoholgehalte bij een later onderzoek 670 microgram per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Op enig moment na het passeren van de tramhalte bij de kruising met de Lutmastraat is verdachte (deels) op de in het midden van de Van Woustraat gelegen bus/trambaan gaan rijden. Naar zijn verklaringen wilde hij links afslaan om zijn auto in een zijstraat te parkeren. Die nacht waren er wegwerkzaamheden gaande aan de tram/busbaan van de Van Woustraat. Hierbij waren drie wegwerkers en een inzandvoertuig betrokken. De wegwerkers hadden ter hoogte van de Lutmastraat pylonen op de bus/trambaan geplaatst om de wegwerkzaamheden aan te geven. Iets verder in de richting van de Rijnstraat hadden zij een verlichte rupskraan op de trambaan geplaatst. Deze bevond zich, vanuit verdachtes rijrichting gezien, tussen zijn auto en het inzandvoertuig in. De verdachte moest, om de kraan te passeren, naar rechts naar zijn rijstrook uitwijken. Daarna is hij weer (deels) op de trambaan gaan rijden en vervolgens is de verdachte tegen het inzandvoertuig aangereden. Wegwerker [slachtoffer], die vóór het inzandvoertuig stond, is daarbij met zijn linkerbeen bekneld geraakt tussen het inzandvoertuig en de voorzijde van verdachtes auto, en heeft ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals de raadsvrouw terecht heeft betoogd waren de wegwerkzaamheden niet volgens voorschrift beveiligd en afgezet. Eer waren echter wel degelijk maatregelen ter beveiliging en attendering getroffen. Immers, ter hoogte van de Lutmastraat waren pylonen op de trambaan gezet om te waarschuwen voor de komende wegwerkzaamheden. Daarna - vanuit verdachtes rijrichting gezien - was een verlichte kraan op de bus/trambaan geplaatst. Automobilisten zouden dus bedacht moeten zijn op wegwerkzaamheden, dan wel op een veranderde verkeerssituatie. Dat de afzetting/aanduiding niet aan de voorschriften voldeed, doet daar niet aan af.

De verdachte is zonder goede reden op de trambaan gaan rijden en is hier, na het passeren van de kraan, weer op teruggekeerd. Verderop reed het inzandvoertuig. Dit voertuig voerde verlichting, zoals niet alleen uit de verklaring van de wegwerkers blijkt, maar ook uit de verklaring van de verdachte zelf. Verdachte heeft immers verklaard dat hij opeens de lampen van het inzandvoertuig zag, maar dat hij er toen niet meer omheen kon of kon stoppen. De wegwerkers stonden, vanuit het perspectief van de verdachte, vóór het verlichte inzandvoertuig en droegen reflecterende vesten. Zowel het inzandvoertuig als de wegwerkers waren zodoende, in elk geval in het licht van verdachtes koplampen, die brandden, voldoende zichtbaar.

Een complicatie in het onderhavige onderzoek is dat niet meer is vast te stellen hoe groot de precieze afstanden tussen de pylonen, de kraan, de auto van de verdachte en het inzandvoertuig waren. De auto van de verdachte is verplaatst om [slachtoffer] te bevrijden, de kraan is verplaatst om de plaats van het ongeval af te schermen en het inzandvoertuig is bij de botsing uit de rails naar achteren en opzij gedrukt. Het hof leidt uit het dossier en ook uit de verklaring van de verdachte af dat de verdachte het inzandvoertuig heeft moeten kunnen zien toen hij, nadat hij de kraan was gepasseerd, weer terugkeerde op de trambaan. De afstand tussen waar de kraan heeft gestaan en waar het inzandvoertuig reed, bedroeg met zekerheid enkele autolengtes.

Bij het onderzoek door de Verkeersongevallendienst is niet gebleken dat de verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u. Wel heeft hij naar het oordeel van het hof gereden met een snelheid die onvoldoende was aangepast aan de omstandigheden ter plaatse.
Dit heeft ertoe geleid dat hij niet tijdig voor het inzandvoertuig en de wegwerkers kon remmen. Bovendien verkeerde de verdachte ten tijde van het ongeval onder de invloed van alcohol, te weten 670 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Bekend is dat alcohol het beoordelings- en reactievermogen in nadelige zin beïnvloedt.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte valt aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij op 1 september 2014 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Van Woustraat zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan een ander, te weten aan [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten aan de linkerzijde een dwarse breuk van het onderbeen en een gebroken enkel en meerdere breuken in de voet werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Van Woustraat, komende uit de richting van de Ceintuurbaan en gaande in de richting van de Rijnstraat, terwijl het donker was en terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,
verdachte heeft, gekomen ter hoogte van de Carillonstraat deels op de tram/bus strook en deels op de rijbaan gereden en heeft zich hierbij niet voldoende ervan vergewist dat een voertuig met beperkte snelheid, een inzandvoertuig, en daarbij meerdere wegwerkers doende waren werkzaamheden op de trambaan te verrichten,

verdachte heeft vervolgens niet tijdig afgeremd en is niet uitgeweken voor één van deze wegwerkers, zijnde voornoemde [slachtoffer],

verdachte is vervolgens tegen deze [slachtoffer] aangereden, waardoor aan deze [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 670 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

2:
hij op 1 september 2014 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 670 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 15 maanden met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan de twintiger [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft hiermee de lichamelijk gezondheid en integriteit van [slachtoffer] in ernstige mate geschonden en heeft hem daarmee ernstig leed en ongemak aangedaan. Verdachte is reeds vele jaren taxichauffeur van beroep, dus van hem mag verwacht worden dat hij de risico’s van alcohol in het verkeer kent en dat hij niet gaat rijden als hij veel heeft gedronken, ook niet om alleen maar zijn auto te verplaatsen. Voorts heeft verdachte door te handelen als bewezen is verklaard de verkeersveiligheid in aanzienlijke mate in gevaar gebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 januari 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen nu dit de verdachte zwaar zou treffen, aangezien hij zijn beroep dan (tijdelijk) niet meer zou kunnen uitoefenen. Het hof is van oordeel dat bij een feit als het onderhavige, waarbij door het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettende rijgedrag van de verdachte een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, niet kan worden volstaan met enkele een taakstraf, maar dat daarnaast een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. R.D. van Heffen en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van

J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 februari 2017.

Mrs R.D. van Heffen en P.H.M. Kuster zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..........]