Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2670

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
200.207.667/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering beëindigd zonder schone lei. Lopende onderneming onder dezelfde naam als uitgeschreven onderneming. Actieve informatieverplichting. Postblokkade is slechts een controlemiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.207.667/01

insolventienummer rechtbank : C/13/14/438-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Mahabier te Amsterdam Zuidoost.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij per fax op 18 januari 2017 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2017, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] heeft beëindigd zonder hem de zogenoemde schone lei te verlenen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 14 februari 2017. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier voornoemd, die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Voorts is de bewindvoerder, R. Koe, verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 9 februari 2017, met bijlagen, en de namens [appellant] op 9 en 10 februari 2017 nader overgelegde stukken. [appellant] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1.

[appellant] heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op hem toepasselijke schuldsaneringsregeling werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en hem alsnog een schone lei te verlenen. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [appellant] meent dat hij de aan hem opgelegde verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling, voor zover aan hem bekend, naar behoren is nagekomen. Hij was er niet van op de hoogte dat hij in het kader van zijn toelatingsverzoek tot de schuldsaneringsregeling diende te melden dat hij een lopende onderneming had. De schuldhulpverlener die zijn toelatingsverzoek heeft behandeld, heeft hem uitsluitend gevraagd of hij in het verleden één of meer ondernemingen heeft gevoerd, maar hieruit heeft hij niet begrepen dat hij geen lopende onderneming mocht voeren, aldus [appellant] . Voorts meent [appellant] in dit verband dat de bewindvoerder niet adequaat is opgetreden. De bewindvoerder had via de postblokkade kunnen constateren dat er gelden werden gestort op de bankrekening van [appellant] bij de ING Bank en hem om uitleg kunnen vragen. Eerst ruim twee jaar na toelating is de bewindvoerder hiertoe overgegaan. Volgens [appellant] blijkt hieruit dat de postblokkade weinig voorstelt aangezien de bewindvoerder voordien niet inhoudelijk heeft gekeken naar de bankafschriften en de hierin opgenomen geldstromen. Bovendien heeft het voeren van de onderneming geen benadeling van de boedel opgeleverd. Immers, uit de overgelegde jaarverslagen van 2014 en 2015 alsmede de definitieve belastingaanslag over 2015 blijkt niet van substantiële inkomsten uit de onderneming. Hij heeft zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt sinds november 2016 maar het is hem nog niet gelukt om de onderneming te laten uitschrijven uit het Handelsregister. Hiervoor is de medewerking van de bewindvoerder vereist. Ook heeft hij vanochtend alsnog de ontbrekende stukken via de e-mail aan de bewindvoerder toegezonden, zodat een actuele berekening kan worden gemaakt van de door hem verrichte boedelafdrachten, aldus steeds [appellant] .

2.2.

De bewindvoerder heeft in hoger beroep – onder verwijzing naar het genoemde verslag van 9 februari 2017, met bijlagen - het volgende naar voren gebracht. In de periode van december 2014 tot december 2016 zijn op de bankrekening van [appellant] bij de ING Bank voor een totaalbedrag van € 19.085,= aan contante kasstortingen getraceerd. Deze houden verband met de door [appellant] gevoerde onderneming. Voor de bewindvoerder is het niet mogelijk geweest om een betrouwbaar beeld te krijgen van de omzet, kosten en winst van de desbetreffende onderneming aangezien [appellant] geen deugdelijke administratie voerde aan de hand van facturen en/of kwitanties. Bovendien is de bewindvoerder na onderzoek bij de Kamer van Koophandel gebleken dat de onderneming van [appellant] thans nog niet is opgeheven door middel van uitschrijving uit het Handelsregister. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder desgevraagd bevestigd dat hij inmiddels alle ontbrekende informatie van [appellant] heeft ontvangen. Aan de hand hiervan heeft hij een actuele berekening van de boedelafdrachten gemaakt waaruit kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een boedelachterstand, welke berekening hij heeft overgelegd aan het hof. Ten aanzien van de stelling dat de bewindvoerder niet adequaat zou zijn opgetreden omdat deze via de postblokkade had kunnen constateren dat er gelden werden gestort op de bankrekening van [appellant] , merkt de bewindvoerder nog het volgende op. Wat van die stelling verder ook zij, dit ontheft [appellant] niet van de op hem rustende verplichting om tijdig en uit eigen beweging informatie aan de bewindvoerder te verstrekken, hetgeen hij heeft nagelaten. Bovendien is uit de postblokkade die van kracht was gedurende de periode van juli 2014 tot augustus 2015 geen informatie naar voren gekomen die erop duidde dat [appellant] een onderneming exploiteerde. Alles overziend adviseert de bewindvoerder wegens het verstrekken van onjuiste gegevens ter zake van de lopende onderneming in het inleidende verzoekschrift, het zonder toestemming van de rechter-commissaris exploiteren van een onderneming tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling, het niet nakomen van de informatieplicht en de niet vast te stellen benadeling van de crediteuren door het ontbreken van een deugdelijke administratie, het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

2.3.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - ingevolge artikel 350, derde lid, aanhef en onder f, Faillissementswet (Fw) - de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt beëindigd indien feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. In artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Fw is bepaald dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (waaronder de informatieplicht) naar behoren zal nakomen.

2.4.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] in het kader van zijn verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling heeft verzwegen dat hij een lopende onderneming exploiteerde vanaf 1 november 2013. Dit betrof een onderneming met dezelfde naam als een eerder door [appellant] gevoerde onderneming waarvan hij op de toelatingszitting een (bewijs)stuk van uitschrijving uit het Handelsregister aan de rechtbank heeft overgelegd. Hiermee heeft [appellant] de rechtbank ervan overtuigd dat hij geen bedrijfsactiviteiten (meer) ontplooide waarna de rechtbank bij vonnis van 7 juli 2014 de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing heeft verklaard. Eerst ruim twee jaar na toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is de bewindvoerder bekend geworden met het feit dat [appellant] nog immer bedrijfsactiviteiten ontplooide in de vorm van de exploitatie van een lopende onderneming. Van dit feit heeft [appellant] geen melding gemaakt bij het verzoek tot toelating, noch is hieromtrent bij de toelatingszitting door hem informatie verstrekt dan wel een toelichting gegeven. Dat de rechtbank niet heeft gevraagd of er sprake was van een lopende onderneming doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] om de feiten en omstandigheden waarvan ook voor [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat deze voor de schuldsaneringsregeling van belang waren (met de activiteiten waren immers inkomsten en uitgaven gemoeid) bij de rechtbank kenbaar te maken. Reeds bij toelating rust op de schuldenaar een spontane informatieplicht, zodat de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. [appellant] kan zich - gelet op zijn eigen verantwoordelijkheid - er evenmin op beroepen dat de schuldhulpverlener hem uitsluitend zou hebben gevraagd of hij in het verleden één of meer ondernemingen had gevoerd. Dat hij hieruit niet heeft begrepen dat hij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen lopende onderneming mocht exploiteren, is derhalve onvoldoende om te concluderen dat [appellant] de rechtbank juist en volledig heeft geïnformeerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van [appellant] dat de bewindvoerder niet adequaat heeft gehandeld aangezien deze door middel van de postblokkade en een controle van de bankafschriften eerder op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat hij een lopende onderneming exploiteerde. Hiermee miskent [appellant] dat de postblokkade slechts een controlemiddel is voor de bewindvoerder en op hem een actieve informatieverplichting rust. [appellant] heeft een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat informatie volledig en op tijd bij de bewindvoerder terecht komt. Voorts is naar het oordeel van het hof in hoger beroep voldoende komen vast te staan dat [appellant] na toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft nagelaten de bewindvoerder (spontaan en tijdig) te informeren, met name omtrent de financiën van de door hem gedreven onderneming. Dat [appellant] ten behoeve van de zitting in hoger beroep, naar het oordeel van het hof te laat, alsnog twee jaarverslagen van zijn onderneming en een definitieve belastingaanslag heeft overgelegd, echter zonder enige administratieve onderbouwing van de daarin opgenomen cijfers, maakt dat niet anders. Doordat [appellant] heeft nagelaten volledig inzicht te verschaffen over de geldstromen en bedrijfsvoering binnen zijn onderneming - hetgeen zeker van een zelfstandig ondernemer binnen de schuldsaneringsregeling mag worden verwacht - is het voor de bewindvoerder oncontroleerbaar of aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen wordt voldaan, het hoogst haalbare uit de schuldsaneringsregeling wordt gegenereerd dan wel of de schuldeisers (verder) worden benadeeld. Hierdoor heeft de bewindvoerder zijn controlerende taak niet naar behoren kunnen uitoefenen. Er is niets aangevoerd dat tot het oordeel zou kunnen leiden dat de bovengenoemde tekortkomingen [appellant] niet toe te rekenen zouden zijn. Geconcludeerd moet dan ook worden dat indien genoemde feiten en omstandigheden destijds bij de rechtbank bekend zouden zijn geweest, het verzoek zou zijn afgewezen en ook overigens heeft [appellant] niet aan de in de schuldsaneringsregeling op hem rustende informatieplicht voldaan, zodat ook het bepaalde in art. 350 lid 3 sub c Fw een grondslag vormt voor tussentijdse beëindiging van de regeling. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, A.M.A. Verscheure en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.