Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2646

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
23-000843-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling, opzet, geen heterdaad, noodweersituatie, maar niet proportioneel, geen noodweerexces, GS 6 weken ma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000843-17

datum uitspraak: 5 juli 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-233718-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [verdachte] (Ethiopië) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 14 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen met een hamer, althans een hard voorwerp, in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair:
hij op of omstreeks 14 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een hamer, althans een hard voorwerp, in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd, omdat het hof andere overwegingen omtrent het bewijs, de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte hanteert.

Bespreking bewijsverweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd, omdat de verdachte geen opzet had aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) met een hamer tegen zijn hoofd te slaan.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Nadat [slachtoffer] in zijn fietsenwinkel camerabeelden aan de verdachte had getoond waarop te zien was dat een man, volgens [slachtoffer] de verdachte, tot twee keer toe zonder te betalen een fiets van [slachtoffer] meenam, wilde de verdachte snel de winkel verlaten. [slachtoffer] trachtte dit te voorkomen door de verdachte vast te pakken, waarop de verdachte een metalen hamer uit een gereedschapskist pakte en daarmee een slaande beweging maakte richting de monitor. [slachtoffer] en zijn collega [naam] pakten hierop de verdachte (opnieuw) vast, waarop de verdachte probeerde zich los te rukken en hij achterwaarts met de hamer in de richting van [slachtoffer] zwaaide en diens gezicht trof. Door in een dergelijke situatie, waarin twee personen zeer dicht bij de verdachte in de buurt stonden, met een metalen hamer op hoofdhoogte te zwaaien, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij (één van) die personen zodanig zou raken dat deze hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen. Dit gedrag is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat de verdachte daarmee de aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Derhalve is sprake van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 november 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] met een hamer in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer] en [naam] wederrechtelijk handelden door de verdachte vast te pakken en dat deze zich hiertegen mocht verdedigen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van verdediging van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Vast staat dat de verdachte werd vastgepakt door [slachtoffer] en [naam] die hem verdachten van diefstal van twee fietsen en hem wilden belemmeren de winkel van [slachtoffer] te verlaten. Het antwoord op de vraag of hierdoor sprake was van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte is afhankelijk van de vaststelling of op dat moment sprake was van een heterdaadsituatie zoals bedoeld in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Van ontdekking op heterdaad is sprake indien het strafbare feit ontdekt wordt terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is (artikel 128 Sv).

Het hof stelt vast dat [slachtoffer] camerabeelden heeft uitgekeken nadat hij van zijn collega [naam] had vernomen dat voor zijn winkel twee fietsen waren verdwenen. Op deze beelden zag hij dat een man een fiets wegnam uit de rij fietsen voor zijn winkel en dat een kwartier later dezelfde man nogmaals een fiets wegnam. Ongeveer twintig minuten na het bekijken van de beelden zag [slachtoffer] een man in de richting van zijn winkel lopen die hij herkende als de man die eerder de twee fietsen had weggenomen.

Nu uit het dossier niet blijkt op welk tijdstip de fietsen zijn weggenomen, valt niet vast te stellen hoeveel tijd er is verstreken vanaf het moment van het wegnemen van de fietsen tot het moment waarop [slachtoffer] en [naam] de verdachte vastpakten. Om deze reden is het hof met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat op dat moment sprake was van een heterdaadsituatie. Derhalve handelden [slachtoffer] en [naam] niet rechtmatig door de verdachte vast te pakken en was in zoverre sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte heeft echter, door met een metalen hamer te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer], zich niet op proportionele wijze verdedigd, zodat hem geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, daar hij als gevolg van het optreden van [slachtoffer] en [naam] in een hevige gemoedsbeweging is geraakt waardoor hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden..

Het hof is van oordeel dat het bestaan van de gestelde hevige gemoedsbeweging bij de verdachte niet aannemelijk is geworden, zodat bij gebreke van feitelijke onderbouwing het beroep op noodweerexces faalt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de eigenaar van een fietsenwinkel, nadat deze de verdachte confronteerde met zijn verdenking dat hij eerder twee fietsen van hem had gestolen, in zijn eigen winkel met een metalen hamer tegen zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer heeft hiervan hevige pijn en letsel ondervonden. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn, is niet aan het handelen van de verdachte toe te schrijven. De verdachte heeft door aldus te handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het hof rekent dit de verdachte aan.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof voorts mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juni 2017 eerder meermalen terzake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, onherroepelijk tot onder meer gevangenisstraffen is veroordeeld. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf en acht, alles overwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2017.

De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.......]

.