Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2618

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
23-001217-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Liquidatieproces Passage

1. Beoordeling toepassing kroongetuigenregeling: beoordelingskader; getuigenbescherming; opportuniteitsbeginselbeginsel.

2. Manco kluisverklaringen: wél verklaard, niet gerelateerd in proces-verbaal kluisverklaringen.

3. Andermaal vervolgd na kennisgeving van niet verdere vervolging.

4. Bewijs: onderzoek en betekenis samenhang verschillende feiten. Onvolledigheden en hiaten gedateerde telecomgegevens, geen vormverzuim.

5. Bewijs: betrouwbaarheid verklaringen kroongetuige.

6. Levenslange gevangenisstraf en art. 3 EVRM.

7. Straftoemeting: motivering en strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001217-13

datum uitspraak: 29 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummers 13/529033-07 (zaak A) + 13/529067-07 (zaak B), ter terechtzitting gevoegd, tegen

[Mohamed R.]

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te
[adres detentie] .

Inhoudsopgave

1 Inleiding 5

1.1 Het onderzoek van de zaak 5

1.2 Opbouw arrest 5

1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard 6

1.4 Het vonnis waarvan beroep 6

1.5 Algemene inleiding 7

1.6 Kroongetuigen 8

1.6.1 Inleiding 8

1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter 9

1.6.3 De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs 12

Korte samenvatting hoofdstuk 1 13

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 14

2.1 Gebreken in de overlevering 14

2.2 Onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie? 14

2.2.1 Inleiding 14

2.2.2 De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van de kroongetuige [Peter la S.] 15

2.2.3 Eindconclusie 48

Korte samenvatting hoofdstuk 2.2 48

2.3 De telecom in de “93-zaken” 49

Korte samenvatting hoofdstuk 2.3 51

2.4 “255 Sv verweer” in de zaak Opa 52

2.4.1 Standpunt verdediging 52

2.4.2 Standpunt advocaat-generaal 52

2.4.3 Beoordeling hof 53

Korte samenvatting hoofdstuk 2.4 56

3 Het bewijs 57

3.1 Verkenning van het bewijs in de zaak Passage 57

3.2 Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1] 62

3.3 Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [Peter la S.] 64

3.3.1 Inleiding 64

3.3.2 Enkele relevante bijzonderheden 66

3.3.3 “Zekerheidjes” 70

3.3.4 [Willem H.] -weglatingen 72

3.3.5 [Dino S.] ten onrechte belast? 75

3.3.6 De moorden op Houtman en [slachtoffer 13] 80

3.3.7 De moord op [slachtoffer 13] 81

3.4 Conclusie 101

Korte samenvatting hoofdstuk 3.2, 3.3 en 3.4 101

3.5 Ten aanzien van het bewijs: algemene overwegingen 101

3.5.1 Juridische kaders 101

3.5.2 Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing 103

Korte samenvatting hoofdstuk 3.5.2 111

3.6 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Tanta 112

3.6.1 Bewijsoverwegingen 112

3.6.2 Bewijsverweren 113

3.6.3 Conclusies 114

Korte samenvatting hoofdstuk 3.6 116

3.7 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Opa 116

3.7.1 Bewijsoverwegingen 116

3.7.2 Bewijsverweren 118

3.7.3 Conclusies 120

Korte samenvatting hoofdstuk 3.7 121

3.8 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Cobra 122

3.8.1 Bewijsoverwegingen 122

3.8.2 Bewijsverweren 124

3.8.3 Conclusies 126

Korte samenvatting hoofdstuk 3.8 127

3.9 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Indiana 128

3.9.1 Bewijsoverwegingen 128

3.9.2 Bewijsverweren 129

3.9.3 De telecomgegevens 134

3.9.4 Conclusies 138

Korte samenvatting hoofdstuk 3.9 140

4 Bewezenverklaring 141

4.1 Bewezenverklaring feiten A, B1 meer subsidiair, B2 primair en B3 primair 141

4.2 De kroongetuige [Peter la S.] : bewijsgebruik van zijn verklaringen 142

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 143

6 Strafbaarheid van de verdachte 143

7 Oplegging van straf 143

7.1 De motivering van de op te leggen straf 143

7.2 De levenslange gevangenisstraf en de samenloopregeling 145

7.3 De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten 146

7.3.1 De eisen voortvloeiend uit het EVRM 146

7.3.2 Het oordeel van de Hoge Raad 147

7.3.3 Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk 148

7.3.4 Waardering van het Besluit 150

7.3.5 Eindconclusie 157

7.3.6 Slotopmerkingen 157

Korte samenvatting hoofdstuk 7.3 157

7.4 Eindconclusie strafoplegging 158

7.5 De redelijke termijn 159

8 Vordering gevangenneming 160

9 Beledigde partij 161

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften 161

11 BESLISSING 161

1 Inleiding

1.1

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op de data zoals vermeld op het als bijlage aan dit arrest gehechte overzicht, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

1.2

Opbouw arrest

In dit arrest zijn de overwegingen en beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. Het hof wijst heden ook arrest in de zaken van negen medeverdachten, die gelijktijdig in hoger beroep terecht hebben gestaan. De gelijktijdige behandeling van deze strafzaken, in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof is bekend geworden onder de noemer van het Liquidatieproces Passage.

Omdat de aan het hof ter beoordeling en beslissing voorliggende vorderingen, verweren en uitdrukkelijke onderbouwde standpunten in die formeel op zichzelf staande zaken onmiskenbaar onderlinge verwevenheid vertonen, heeft dat gevolgen voor de wijze waarop het hof zijn overwegingen en beslissingen heeft ingericht.

Vanzelfsprekend gaat het in dit arrest om de beslissingen die in de zaak van de verdachte door het hof gegeven dienen te worden. Die verwevenheid van zaken brengt voor de lezer van dit arrest echter mee dat de beschouwingen van het hof op onderdelen soms breder zullen zijn dan wat door hem op grond van wat in de zaak is aangevoerd strikt genomen wordt verwacht.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de als verdachten en getuigen figurerende personen zoveel mogelijk met hun naam in plaats van met hun status van verdachte/getuige aanduiden.

In het belang van de lezer volgt op de meer substantiële overwegingen en beslissingen van het hof een korte samenvatting daarvan, steeds weergegeven in cursief. Met die korte samenvattingen beoogt het hof het belang van de lezer bij snelle kennisneming zoveel mogelijk te dienen en de drempel hiervoor te verlagen. Gelet op het met die samenvattingen nagestreefde doel behoeft geen nadere uitleg dat deze nimmer dragend kunnen zijn voor de daaraan voorafgaand weergegeven overweging en beslissing.

In hoofdstuk 3. is steeds de essentie van de tot bewezenverklaring of vrijspraak strekkende redenering en beslissing opgenomen. Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het (papieren en digitale) dossier. Voor zover wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft het telkens processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Indien een proces-verbaal van politie voor fotokopie conform is getekend dan staat dit proces-verbaal op gelijke voet met een origineel proces-verbaal en is de aanduiding ervan identiek. Voor zover het bewijsmiddel een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is het telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlagen III, IV, V en VI.

1.3

De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard

Voor de tenlastelegging wordt verwezen naar de bijlage II.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten

A: het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 1 april 1993 in Ouderkerk aan de Amstel, ook wel aangeduid als de zaak “Tanta”.

B1: het medeplegen van, dan wel de uitlokking van, dan wel de medeplichtigheid aan of bij de moorden op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] omstreeks 8 mei 1993 in Antwerpen, ook wel aangeduid als de zaak “Cobra”;

B2: het medeplegen van, dan wel de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 3] op 19 april 1993 in Amsterdam, ook wel aangeduid als de zaak “Opa”;

B3 het medeplegen van, dan wel de uitlokking van, dan wel de medeplichtigheid aan of bij de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 26 oktober 2000 in Amsterdam, ook wel aangeduid als de zaak “Indiana”.

De zaken A (Tanta), B1 (Cobra) en B2 (Opa) worden in het dossier en hierna in het arrest gezamenlijk ook wel aangeduid als de “93-zaken”.

1.4

Het vonnis waarvan beroep

Het hof heeft vanzelfsprekend het wettelijke concept van het voortbouwend appel onder ogen gezien, in het bijzonder de mogelijkheid van (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Echter, reeds gelet op het aantal zaken dat onder de noemer “Passage” gelijktijdig door het hof is behandeld, de overlap tussen onderdelen van die zaken en gelet op het feit dat in het onderzoek van de zaak in hoger beroep aan de hand van een almaar uitdijend dossier een nader uitgebreid feitenonderzoek is verricht, zal het hof het vonnis waarvan beroep reeds op praktische gronden vernietigen en opnieuw recht doen.

1.5

Algemene inleiding

Moord en doodslag zijn van alle tijden. Wordt de samenleving tegenwoordig regelmatig in beroering gebracht door moorden, vaak op klaarlichte dag gepleegd volgens het stramien van excessief vuurwapengeweld, wegvluchtende lieden en een achtergelaten brandende vluchtauto, dit patroon heeft zich ook in het verleden voltrokken. Voor zowel heden als verleden is in dit verband bovendien kenmerkend dat deze moorden zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt niet alleen uit de wijze waarop deze moorden worden gepleegd, maar ook uit de verbinding die naar dat milieu kan worden gelegd. Over de band van de personen van de slachtoffers en/of de kring van personen die door politie en justitie voor die moorden verantwoordelijk wordt gehouden. Voor deze buitencategorie van ernstige misdrijven – in de volksmond: liquidaties – is kenmerkend dat de opsporing en strafvervolging sterk worden bemoeilijkt door het zeer geringe aantal personen dat in staat en bereid blijkt om hun wetenschap over het een en ander onvoorwaardelijk prijs te geven.

En als de officier van justitie er al in slaagt om op grond van onderzoeksresultaten een verdachte aan te wijzen en te vervolgen, dan is het zelden vertoond dat die verdachte bereid is om opening van zaken te geven. In de regel wordt door hem volstaan ofwel met een beroep op het zwijgrecht, ofwel met een meer of minder onderbouwde ontkenning van iedere betrokkenheid. En ook dat aspect is van alle tijden.

En zo getuigt ook het zeer omvangrijke samenstel van, deels, relatief gedateerde strafzaken daarvan. Het is in al deze zaken waarin het hof heden arrest wijst.

In dat Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar 7 moorden en de berechting van (aanvankelijk) 12 verdachten. Tijdens de loop van het proces zijn twee van hen overleden; [Raymond V.] aan een natuurlijke dood en [Ali A.] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag. De verdachte [Sjaak B.] heeft een op hem gepleegde moordaanslag ternauwernood overleefd.

Voorts is een aantal van de in de loop van het onderzoek door de politie en het hof gehoorde getuigen met vuurwapengeweld geconfronteerd. Een enkeling heeft dat geweld overleefd, de meerderheid van hen heeft daarbij het leven gelaten.

De behandeling van de zaken in eerste aanleg heeft bijna 4 jaren gevergd, de eerste verkennende zitting in hoger beroep vond plaats in de maand september van 2013.

In dat samenstel van strafzaken – de onderhavige strafzaak maakt daarvan deel uit – ligt de betrokkenheid van de verdachten bij een aantal moorden ter berechting voor. En van elk van die moorden (poging en voorbereiding daartoe daaronder mede begrepen) kan zonder overdrijving worden gesteld dat de opsporing en vervolging uiterst moeizaam zijn verlopen. De verdachten hebben zich op hun zwijgrecht beroepen en/of hebben hun door het Openbaar Ministerie veronderstelde betrokkenheid bij moorden ontkend. In zoverre past die gang van zaken in het zojuist beschreven algemene beeld. Eerst nadat één van hen van het predicaat kroongetuige1 kon worden voorzien – de verdachte [Peter la S.] – is het onderzoek naar een aantal van die moorden in een stroomversnelling geraakt. Door hem is veelvuldig en uitvoerig verklaard, niet alleen over zijn eigen aandeel bij één van de moorden maar ook over wat hij gedurende een aanzienlijke periode zou hebben waargenomen en ondervonden met betrekking tot anderen, in het bijzonder de verdachten die in het Liquidatieproces Passage terecht staan. Dat de stroomversnelling door alles wat zich rondom die kroongetuige heeft voltrokken, vooral tijdens de gedingfase in eerste aanleg, het verloop van het onderzoek soms ook trekken heeft gegeven van een kolkende rivier zal uit het navolgende nader blijken.

De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het opstaan van een tweede kroongetuige – de verdachte [Fred R.] – die aan het verloop van de behandeling van de zaken een eigen dynamiek heeft toegevoegd. Ook voor deze tweede kroongetuige geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij een moord heeft verklaard als over betrokkenheid van anderen. De aanzienlijke duur van de behandeling van de zaken in hoger beroep wordt in overwegende mate verklaard door de bonte stoet van getuigen die, in het kader van verificatie c.q. falsificatie van de door [Fred R.] als tweede kroongetuige bij de politie afgelegde verklaringen, aan het hof is voorbijgetrokken.

Een ander aan de gedingfase van het hoger beroep verbonden aspect wordt gevormd door de aanhouding en strafvervolging van een andere verdachte, [Willem H.] , ter zake van misdrijven die ook en simultaan in hoger beroep aan het hof ter berechting voorliggen. Dit gegeven van parallelle berechting in twee instanties – [Willem H.] in eerste aanleg en Passage-verdachten in hoger beroep – is in de strafvorderlijke werkelijkheid weliswaar niet uniek, maar dit heeft de behandeling in hoger beroep op momenten wel enigszins gecompliceerd.

Het debat dat in de onderhavige zaken is gevoerd is toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting:

  • -

    de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen;

  • -

    de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen;

  • -

    de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod;

  • -

    de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken;

  • -

    de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen;

  • -

    de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan;

  • -

    tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en

  • -

    de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf.

1.6

Kroongetuigen

1.6.1

Inleiding

Het Openbaar Ministerie heeft, zoals gezegd, in deze zaak de verklaringen van twee kroongetuigen ingezet. Dit heeft de feitelijke en juridische gemoederen bezig gehouden.

In eerste aanleg is het [Peter la S.] geweest, die op verscheidene momenten de aandacht sterk op zichzelf – als verdachte en als getuige – gericht heeft geweten. Op deze plaats wordt volstaan met het benoemen van twee aspecten daarvan: zijn conflict met het Openbaar Ministerie, belast met getuigenbescherming, en zijn onthulling dat hij in een vroeg stadium van zijn verklaren bij de politie ook over [Willem H.] heeft verklaard, doch dat die onderdelen van zijn verklaringen niet zijn opgenomen in de van zijn verhoren opgemaakte en door de officier van justitie overgelegde processen-verbaal.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep is een tweede kroongetuige “opgestaan”, namelijk [Fred R.] .

Aan de inzet van deze twee kroongetuigen heeft de verdediging van vrijwel alle verdachten een breed scala van verweren verbonden, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafmatiging.

Het hof merkt op voorhand op dat de verdediging in enkele zaken de eigen appreciatie van de figuur van de kroongetuige in strafzaken niet onder stoelen of banken heeft gestoken. Het hoeft geen nader betoog dat die appreciatie voor het hof slechts betekenis heeft wanneer daaraan in strafvorderlijke zin handen en voeten is gegeven.

1.6.2

De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter

Aan de bespreking van aan de kroongetuigen te relateren verweren gaat een korte beschouwing over de rol van de zittingsrechter in relatie tot de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv vooraf. Die is van belang voor de inkadering van de beoordeling van de formele verweren die over de afspraken met de kroongetuigen zijn gevoerd.

De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken voorziet in de bevoegdheid van de officier van justitie om een afspraak te maken met een criminele getuige. Aan deze getuige mag een vermindering van de strafeis worden toegezegd die maximaal de helft bedraagt van de straf die in een situatie zonder de medewerking van de getuige zou worden geëist. In ruil daarvoor gaat de getuige jegens de officier van justitie de verplichting aan om volledig en naar waarheid te verklaren over de in de afspraak te vermelden personen en strafbare feiten.

Het is aan de rechter-commissaris om de voorgenomen afspraak op vordering van de officier van justitie op rechtmatigheid te beoordelen. Daarbij zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer. Door een toewijzende beslissing van de rechter-commissaris komt de afspraak tot stand. Hiermee is de kern van de wettelijke regeling weergegeven.

De wet regelt geen specifieke rol voor de zittingsrechter. Weliswaar wordt in de parlementaire stukken veelvuldig vermeld dat het de zittingsrechter is die de overeenkomst uiteindelijk toetst, maar dit is niet in enige bepaling vastgelegd. Men zal eveneens vergeefs zoeken naar een schematische of systematische voorstelling van de bevoegdheidsverdeling, een materieel kader of een kader voor sanctionering. Dat wil niet zeggen dat de wetgever aan de positie van de zittingsrechter geen aandacht heeft besteed. Integendeel. In tal van beschouwingen, veelal naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer wordt hierop door de minister ingegaan.

De toetsing die de rechter-commissaris uitvoert is tijdens de parlementaire behandeling gekenmerkt als een min of meer marginale. Deze spitst zich geheel toe op de rechtmatigheid van de afspraak. “De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. 2 Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard.

Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek.3 Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen.

Waaruit bestaat dan de toetsende rol van de zittingsrechter die niet van een wettelijke basis is voorzien maar die, zoals soms in de wetsgeschiedenis is gesuggereerd, wel “vol” van karakter is? Wat dit laatste punt betreft zijn de accenten tijdens de parlementaire behandeling nog wel eens verschillend gelegd. Op sommige momenten is aan het finale karakter van het oordeel van de zittingsrechter verbonden dat hierin alle later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken. Daarmee wordt dit van groter en doorslaggevend gewicht. Deze visie is onder meer te vinden in paragraaf 8 van de Memorie van toelichting. Elders is dit, mogelijk als resultaat van de gedachtewisseling, stringenter geformuleerd, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag. Daarin zegt de minister: “Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie).

Evenmin is geheel uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijk gebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt.” 4

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als de kerntaak voor de zittingsrechter beschouwt. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Meer fundamenteel kan in debat zijn of de afspraak met de kroongetuige de eerlijkheid van het proces van de verdachte, ten laste van wie verklaringen zijn afgelegd, zodanig aantast dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het gaat hierbij telkens om kwesties waarvoor artikel 359a Sv een regeling biedt.

De afspraak komt immers tot stand in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in de strafzaak van de verdachte ten laste van wie is verklaard. De afspraak is ook onderdeel van het voorbereidend onderzoek in de zaak van de kroongetuige maar dat kan hier vanwege ontbreken van relevantie onbesproken blijven.

Gelet op de in de rechtspraak aanvaarde rol van de zittingsrechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden vindt de bedoelde beoordeling primair plaats op geleide van gevoerde verweren. Met een toereikende onderbouwing moet worden aangetoond dat rechtsregels zijn geschonden bij de totstandkoming of door de inhoud van de afspraak, waardoor de verdachte in een door de strafrechter relevant te achten belang is getroffen. In zo’n geval kan de rechter overwegen om toepassing te geven aan het sanctie-instrumentarium van artikel 359a Sv.

Ook kan de eerlijkheid van het strafproces in het geding zijn. Ten eerste doordat het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces een rol speelt bij de beoordeling van verweren gevoerd op de voet van artikel 359a Sv. Maar mogelijk ook als zelfstandige toetssteen, namelijk in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting.

Een rol van de zittingsrechter, zoals hiervoor omschreven, past in de rol zoals die lijkt te zijn verondersteld in de hiervoor aangehaalde passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag.

Waar het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid als zodanig geldt voorts de instructie aan de zittingsrechter die is neergelegd in de verzwaarde motiveringseis van artikel 360, tweede lid, Sv. In het geval namens de verdachte wordt aangevoerd dat (juridische) gebreken in de totstandkoming of inhoud van de afspraak de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaringen aantasten, worden deze betrokken in de in die bepaling bedoelde uitgebreide motivering. Indien en voor zover daarbij aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv wordt voorbijgegaan dient daarvoor in die motivering in het bijzonder de reden te worden opgegeven.

Tot slot verdient, in verband met enkele hierna te bespreken verweren, nog het volgende vermelding. De wetgever heeft onder ogen gezien dat op enig moment kan blijken dat de kroongetuige verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid of gebaseerd zijn op misleiding. Er is dan, zo blijkt uit de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, niet aan de voorwaarden van de afspraak voldaan. In een dergelijk geval zal de toegezegde tegenprestatie, bestaand uit de lagere strafeis van de officier van justitie, niet of slechts ten dele behoeven te volgen.5

Nadat de afspraak tot stand is gekomen heeft de rechter geen taak ten aanzien van de voortduring ervan. In de strafzaak van de kroongetuige heeft de zittingsrechter de bevoegdheid om de straf op te leggen die hij passend acht, waarbij hij laat meewegen de bijdrage die de getuige heeft geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven. Daarbij zal hij zich, gezien de aard van deze in artikel 44a Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde maatstaf, in aanzienlijke mate laten leiden door het advies van het Openbaar Ministerie.

1.6.3

De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs

Zodra de formele verweren niet slagen komt de vraag naar het bewijsgebruik aan de orde. Al op deze plaats in het arrest staat het hof in algemene zin stil bij het eventueel bewijsgebruik van de verklaringen van kroongetuigen. Het hof spitst dit toe op de kroongetuige [Peter la S.] omdat de verklaringen van deze getuige relevantie hebben voor de zaak van de verdachte.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van kroongetuigen is een randvoorwaarde voor het bewijsgebruik. Kroongetuigen zijn ook reguliere getuigen. Gelet op (het zicht op) het voordeel dat ieder van hen op grond van de afspraak toevalt zal de rechter die de verklaringen voor het bewijs gebruikt, dat gebruik op de voet van artikel 360, tweede lid, Sv op straffe van nietigheid in het bijzonder hebben te motiveren. En daarmee is het verschil met reguliere getuigen aangegeven.

Het hof zal – zijnde de rechter die staat voor de vraag of het bewijs mede kan worden aangenomen op grond van verklaringen van die kroongetuige(n) – die verklaringen op hun betrouwbaarheid onderzoeken, ambtshalve en in de sleutel van de gevoerde verweren.

Opmerking verdient het volgende. De kroongetuige [Peter la S.] heeft op grond van de door hem met de officier van justitie gemaakte schriftelijke afspraak zowel rechten als verplichtingen. Zo is hij verplicht om zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid te verklaren over in de afspraak genoemde strafbare feiten, de eventuele eigen betrokkenheid daaronder mede begrepen.

De aandacht van het hof richt zich eerst en vooral op de verklaringen die rechtstreeks van betekenis kunnen zijn voor de aan de verdachte verweten strafbare feiten. Daarnaast kan het voor de vraag naar het bewijsgebruik van belang zijn te onderzoeken of de kroongetuige ook overigens zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid heeft verklaard. Daarbij gaat het om zijn eigen betrokkenheid bij die aan de verdachte verweten gedragingen, maar ook bij feiten die niet aan de verdachte zijn tenlastegelegd, doch wél in de afspraak met de kroongetuige zijn opgenomen. Het is immers denkbaar dat indien ernstige twijfel rijst of de kroongetuige volledig en naar waarheid heeft verklaard over die laatstbedoelde categorie van feiten, die twijfel raakt aan het door het hof te vormen oordeel over de betrouwbaarheid van wat door hem is verklaard over de feiten die wél voorliggen in de strafzaak van de verdachte.

In zoverre heeft ook de verdachte in het algemeen een belang om bij zijn bewijsverweren ook de inhoud van verklaringen van de kroongetuige te betrekken die door de kroongetuige zijn afgelegd over andere dan aan de verdachte verweten strafbare feiten. En in die sleutel ligt tevens een relativering besloten. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een door een kroongetuige afgelegde verklaring in het bestek van de strafzaak waarin zijn verklaringen door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht kan uit de aard van dat bestek en het doel van dat onderzoek niet ook zijn gericht op het in rechte vaststellen van veronderstelde strafrechtelijke betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten. In de aan het hof ter berechting voorliggende zaak geldt die beperking ten aanzien van [Peter la S.] voor zover het gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] .

Wel is het in het algemeen denkbaar dat er sterke aanwijzingen voor die betrokkenheid kunnen ontstaan. Daardoor kan de officier van justitie overgaan tot het instellen van een

(opsporings-)onderzoek waarin hij de kroongetuige (alsnog) als verdachte aanwijst. En ook is het in het algemeen denkbaar dat de Staat de met de kroongetuige gemaakte afspraak tussen partijen ter discussie stelt. Beide gevolgen als zodanig hebben echter geen effect in de strafzaak van de verdachte. Wel kan het zijn dat dit een en ander de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen zodanig aantast dat die verklaringen daardoor niet meer voor bewijsgebruik in aanmerking komen.

Het hof zal in het navolgende eerst de formele verweren en vervolgens de bruikbaarheid van de door de getuige [Peter la S.] afgelegde verklaringen voor het bewijs beoordelen, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren.

Korte samenvatting hoofdstuk 1

- In het Passageproces staan thans nog 10 verdachten terecht voor betrokkenheid bij een groot aantal moorden, poging en voorbereiding daartoe daaronder begrepen. Het onderzoek daarnaar is zeer moeizaam verlopen. De inzet door het Openbaar Ministerie van kroongetuigen heeft de behandeling van de zaken ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gekenmerkt.

- De inzet van die kroongetuigen heeft ook geleid tot een groot aantal verweren van de zijde van de verdediging.

- Voorafgaand aan de bespreking van die verweren overweegt het hof het een en ander over de rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van die verweren. De wet regelt geen specifieke rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de afspraak met een kroongetuige. De zittingsrechter zal die rechtmatigheid dus, net als die van andere opsporingsmethoden, primair dienen te beoordelen op geleide van gevoerde verweren. De regeling van artikel 359a Sv en het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces vormen daarbij het kader. Voorts zal de zittingsrechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige dienen te beoordelen. De wetgever ziet dit ook als de kerntaak van de zittingsrechter en heeft daartoe ook in artikel 360 lid 2 Sv een verzwaarde motiveringseis voor het bewijsgebruik van die verklaringen opgenomen.

- Bij de beoordeling van die betrouwbaarheid zal het eerst en vooral gaan om de verklaringen die rechtstreeks van belang zijn voor de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Er is echter ook een belang van de verdachte om daarbij ook de verklaringen van de kroongetuige over andere, niet aan de verdachte verweten, strafbare feiten te betrekken. Twijfel over het waarheidsgehalte daarvan kan immers ook raken aan het oordeel over de betrouwbaarheid van de wél aan verdachte tenlastegelegde feiten. Dit onderzoek kan echter niet gericht zijn op het in rechte vaststellen van de betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten. Die beperking is van belang ten aanzien van [Peter la S.] en zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] .

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging zijn verweren gevoerd die primair zien op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Deze zullen hier worden besproken. Voor zover deze verweren subsidiair of meer subsidiair strekken tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, zullen die bepleite gevolgen hier eveneens worden besproken.

2.1

Gebreken in de overlevering

Bij pleidooi is namens [Mohamed R.] herhaald het ter terechtzitting van 13 september 2013 preliminair gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in verband met – kort gezegd – manco’s in de overlevering van [Mohamed R.] vanuit Spanje naar Nederland. Het hof verwijst voor de zakelijke weergave van het verweer en de onderbouwing daarvan naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2013. De advocaat-generaal heeft zich bij repliek – andermaal – op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen, om redenen zoals vermeld in de schriftelijke repliek (p. 29 e.v.).

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer op dezelfde gronden als die door het hof zijn gebezigd op 27 september 2013 bij de beslissing op het gelijkluidende, toen preliminair gevoerde verweer. Namens de verdachte zijn geen nadere feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het hof anders heeft te overwegen en beslissen. Het hof volstaat daarom met verwijzing naar die overwegingen, zoals die zijn neergelegd in het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal, die op deze plaats als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

2.2

Onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie?

2.2.1

Inleiding

De verdediging heeft zich aangesloten bij het in de gelijktijdig behandelde strafzaak van de verdachte [Jesse R.] door diens raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de overeenkomst met de getuige [Peter la S.] en de ‘overige ontvankelijkheidskwesties’.

Met dat verweer is door die raadsman beoogd een breed en samenhangend samenstel van handelen en nalaten door dan wel toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie aan de orde te stellen. Dat handelen en nalaten laat zich volgens die raadsman als volgt rubriceren.

  1. De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen.

  2. De mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding.

  3. De deplorabele detentie-omstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman.

Aan dat hierna nader in essentie weer te geven palet zijn door die raadsman grieven en verweren verbonden die zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang uitmonden in het primaire verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren; subsidiair is bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] , [Fred R.] , [getuige 3] en [getuige 1] bepleit, meer subsidiair de toepassing van strafvermindering.

De verdediging heeft in de pleitnotities van 15 februari 2017 gespecificeerd aangegeven bij welke onderdelen van voornoemd verweer zij zich heeft aangesloten. Het hof begrijpt daaruit dat bedoeld is bij de eerste rubriek aansluiting te zoeken, toegespitst op de getuige [Peter la S.] . Ook heeft de verdediging zich aangesloten bij de conclusies, ook slechts voor zover deze zien op de gang van zaken met betrekking tot [Peter la S.] . Het hof zal de onderdelen van het verweer waarbij aansluiting is gezocht weergeven en aansluitend beoordelen of die klachten hout snijden. Indien en voor zover de beoordeling door het hof uitmondt in gegrondverklaring van onderdelen van het verweer komen daarna de vragen naar het te hanteren toetsingskader en de sanctionering aan de orde.

De raadsvrouw van [Mohamed R.] heeft ook beoogd aan te sluiten bij de verweren die de raadsman van [Jesse R.] heeft gevoerd ten aanzien van de bejegening en beloning van de kroongetuige [Fred R.] . Zij heeft ter toelichting gezegd dat de verklaringen van [Fred R.] geen betrekking hebben op de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Maar daar heeft zij aan toegevoegd de stelling dat de afspraken met [Fred R.] toch relevant zijn, namelijk in relatie tot de afspraken met [Peter la S.] en de handelwijze van het Openbaar Ministerie. Het hof kan hierin, gelet op de constatering die de raadsvrouw zelf over de inhoud van de verklaringen van [Fred R.] heeft gedaan en bij gebreke van een nadere toelichting, geen verweer onderkennen waarop dient te worden gerespondeerd.

2.2.2

De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van de kroongetuige [Peter la S.]

2.2.2.1 Standpunt verdediging

De raadsman van [Jesse R.] heeft de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Wetboek van Strafvordering, Boek II, Titel III, Afd. 4B) aan een brede en diepgaande beschouwing onderworpen. De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in de toepassing die (leden van) het Openbaar Ministerie aan die wettelijke regeling heeft gegeven. Sterk samengevat en voor zover voor het navolgende van belang houdt het betoog van die raadsman, waarbij de verdediging zich heeft aangesloten, het volgende in.

De wetgever heeft met deze regeling een gesloten systeem in het Wetboek van Strafvordering willen opnemen waarin slechts de toezegging van vermindering van de strafeis is toegestaan. Daarnaast regelt het vierde lid van artikel 226 g Sv de restcategorie van de zogeheten kleine gunsten: toezeggingen die niet raken aan de (beantwoording van) de vragen van de artikelen 348-350 Sv. Zodra het Openbaar Ministerie zich buiten deze kaders beweegt bevindt het zich op uitdrukkelijk verboden terrein, zo volgt uit de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan.

In weerwil van wat de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken heeft geregeld en beoogd is het Openbaar Ministerie willens en wetens en stelselmatig buiten de oevers van die regeling getreden. Dat het Openbaar Ministerie daartoe bereid en in staat is blijkt in het algemeen al uit de op die regeling gegronde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, en in de onderhavige zaak uit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter la S.] en [Fred R.] gemaakte afspraken en de overigens aan ieder van hen gedane toezeggingen.

Het zich onrechtmatig bewegen buiten die kaders kan door het Openbaar Ministerie niet met succes worden gepareerd door het opportuniteitsbeginsel in stelling te brengen. De wetgever heeft met de regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken nadrukkelijk ervoor gekozen de algemene handelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie bij het doen van dergelijke toezeggingen aan banden te leggen en te normeren. Daarmee is het opportuniteitsbeginsel in zijn meest zuivere vorm – door de wetgever – beperkt in het geval waarin afzien van vervolging of van voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan getuigen zou worden toegepast.

Het onder de vlag van getuigenbescherming doen van toezeggingen die aan ieder zicht – ook dat van de rechter-commissaris – zijn onttrokken is derhalve evenzeer in strijd met de (bedoeling van de) wet.

Toegespitst op de kroongetuige [Peter la S.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.

  1. De strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter la S.] ten laste gelegde feiten had hoger kunnen zijn, temeer nu hij voor zijn betrokkenheid bij een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken (verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter la S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.

  2. Anders dan in de zaken van zijn medeverdachten is [Peter la S.] niet vervolgd voor het deelnemen aan een criminele organisatie en evenmin voor zijn strafbare betrokkenheid bij in een aantal deeldossiers beschreven feiten. De tegenwerping van het Openbaar Ministerie dat ook die strafbare gedragingen van [Peter la S.] bij de bepaling van de strafeis van 16 jaren zijn meegenomen is moeilijk te volgen. Daarbij komt, dat de inhoud van de dossiers, waarin de resultaten van het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] en een aanslag op [slachtoffer 15] zijn beschreven, voldoende aanknopingspunten biedt voor een succesvolle vervolging van [Peter la S.] . Voor die feiten is echter evenmin vervolging ingesteld. Al met al moet worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is geweest van verkapte immuniteitstoezeggingen aan [Peter la S.] . Deze toezeggingen zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.

  3. Aan [Peter la S.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat het door hem als criminele beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman ontvangen geldbedrag (65.000 Euro) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem wordt ontnomen. Deze toezegging is in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.

  4. Aan [Peter la S.] is heimelijk toegezegd dat hij niet ook over een specifieke verdachte, namelijk [Willem H.] , nader hoefde te verklaren. Deze toezegging heeft te gelden als een tussen [Peter la S.] en de Staat gemaakte afspraak, die bij [Peter la S.] verwachtingen heeft gewekt over wat van hem in de context van de gemaakte kroongetuigenafspraak kon worden verlangd. Ook deze toezegging is onrechtmatig gedaan.

  5. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Peter la S.] is gebleken van ernstig onrechtmatig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Die onrechtmatige gang van zaken met betrekking tot zijn getuigenbescherming laat zich in de volgende onderdelen onderscheiden.

- De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat getuigenbescherming zich niet leent voor onderhandelingen met de getuige in kwestie; elke vorm van financiële genoegdoening is door de wetgever uit den boze geacht. Het Openbaar Ministerie heeft aan [Peter la S.] veel verdergaande toezeggingen gedaan dan die in het kader van getuigenbescherming geëigend, noodzakelijk of gerechtvaardigd waren. De wet ontbeert iedere grondslag voor het doen van financiële toezeggingen aan getuigen. Deze toezeggingen kunnen niet rechtmatig worden gedaan, ook niet onder de vlag van getuigenbescherming. Door zich jegens [Peter la S.] te verplichten in de vorm van een extreem riante financiële constructie handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de wet althans met de expliciete en kenbare bedoelingen van de wetgever. Daarbij komt, dat het magistratelijk Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de met uitoefening van met beveiliging gepaard gaande bevoegdheden aan kenbare regels te onderwerpen.

- Door in afwijking van – naar het hof die raadsman begrijpt – de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten aan [Peter la S.] als kroongetuige wél inspraak te geven in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsheeft, schendt het Openbaar Ministerie zowel diens magistratelijke verantwoordelijkheden als de eigen Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.

- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Het Openbaar Ministerie is er zelfs niet voor teruggedeinsd om aan [Peter la S.] voor te houden dat de overeenkomst zal worden ontbonden als hij op vragen over zijn bescherming antwoord geeft, ook als hij dit doet in antwoord op door de rechter aan hem gestelde vragen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter waar het met betrekking tot de ontnemingstoezegging al plaatsnam op de stoel van de wetgever.

- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en overigens daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Peter la S.] over zijn bescherming gemaakte afspraken, terwijl het Openbaar Ministerie wist dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Peter la S.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van zijn verklaringen. Dat de rechter-commissaris tijdens de gedingfase in hoger beroep alsnog heeft kunnen kennisnemen van met [Peter la S.] gesloten overeenkomsten neemt deze onrechtmatigheid niet weg, nu dat kennisnemen geen (proportionaliteits)toetsing inhield doch uitsluitend zag op de vraag naar het bestaan van inhoudelijke samenhang tussen de zgn. overeenkomst op hoofdlijnen uit 2009 en de zgn. intentieverklaring financiële bepalingen uit 2007.

- De informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie over de met [Peter la S.] gemaakte beschermingsafspraken is misleidend geweest. Steeds is de indruk gewekt dat het samenstel van voorwaarden dat in die “intentieverklaring financiële bepalingen” uit 2007 was opgenomen in die “overeenkomst op hoofdlijnen” uit 2009 was overgenomen, terwijl genoegzaam is gebleken dat [Peter la S.] te kennen had gegeven zelf in zijn door de Staat te financieren bescherming te willen voorzien.

- Onduidelijkheid is blijven bestaan over welke geledingen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij de door de verdediging gewraakte informatievoorziening.

Het gevolg van dit een en ander is geweest dat de verdachte zich heeft te verdedigen tegen een kroongetuige die voor een groot aantal zeer ernstige feiten dragend althans zwaarwegend bewijs heeft aangeleverd. Dit, terwijl aan de kroongetuige [Peter la S.] in strijd met de (bedoeling van de) wet toezeggingen zijn gedaan die hem een financieel motief geven om in strijd met de waarheid te verklaren. Over die toezeggingen is geen, althans onvoldoende, juiste informatie verstrekt als gevolg waarvan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld.

2.2.2.2 Beoordeling door het hof

2.2.2.2 Inleiding

Het hof zal aan de beoordeling van de eerste rubriek van het verweer de weergave van de toepasselijke regelgeving vooraf laten gaan. Daarna komen achtereenvolgens de onderwerpen getuigenbescherming, de met de kroongetuige [Peter la S.] gemaakte afspraak, en de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen aan de orde.

Het onderwerp getuigenbescherming is een van de pijlers waarop dit onderdeel van het verweer rust. Het hof zal hierna samengevat weergeven wat door de verdediging hierover ter onderbouwing is aangevoerd en het op bescherming van de (kroon)getuige [Peter la S.] toegespitste verweer bespreken.

Vervolgens zal het hof in dit hoofdstuk een andere pijler van het verweer bespreken, waarbij de afspraak van de officier van justitie met de kroongetuige [Peter la S.] centraal staat. Diverse aspecten passeren in dat verband de revue: de plaats van het opportuniteitsbeginsel naast de kroongetuigeregeling, de rol van de zittingsrechter, de beoordeling van concrete gevallen van het afzien van vervolging van en voordeelsontneming onder [Peter la S.] , en de hoogte van de basis-strafeis.

Tot slot wordt beoordeeld of het gegeven van de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen voor de kroongetuige [Peter la S.] ook een ongeoorloofde beloningscomponent inhoudt.

2.2.2.2.2 De toepasselijke regelgeving

In het Wetboek van Strafvordering (Boek II, Titel III) is de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken opgenomen. In afdeling 4b van die titel van dat boek is die regeling toegespitst op toezeggingen aan de getuige die tevens verdachte is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Vierde afdeling B

Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Artikel 226g

1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. (…)

De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.

2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:

a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen;

b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;

c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan hij bereid is te voldoen;

d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.

(…)

Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.

Artikel 226h

  1. (…)

  2. (…)

  3. De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.

  4. (…)

Artikel 226j

  1. (…)

  2. (…)

3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het tot stand komen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling wordt gedaan van de maatregelen van artikel 226l.

Vierde afdeling D

Maatregelen tot bescherming van getuigen

Artikel 226l

1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen (…) 226g (…).

Het College van procureurs-generaal heeft in aansluiting op deze wettelijke regeling op de voet van artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie aanwijzingen gegeven die zijn neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.

Deze Aanwijzing houdt, voor zover van belang, het volgende in.

1. Bereik van de aanwijzing

1.1.

De aanwijzing heeft betrekking op de getuige die tevens verdachte (…) is en aan wie door het openbaar ministerie een toezegging tot strafvermindering wordt gedaan in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring.

1.2.

De aanwijzing heeft voorts betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.).

Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering.

Indien er sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen toepassing van dergelijke bevoegdheden en de door de getuige af te leggen verklaring, dan dient deze toepassing te worden vastgelegd bij proces-verbaal en aan het strafdossier van de getuige en de verdachte te worden toegevoegd (artikel 226g, vierde lid). (…).

1.5.

De aanwijzing is van toepassing op de strafvordering in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. Uitgangspunten

2.1.

Getuigen hebben in beginsel de plicht om een getuigenverklaring voor de rechter af te leggen, indien zij daartoe een wettelijke oproeping ontvangen, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op enige toezegging of tegemoetkoming van het openbaar ministerie. Slechts bij uitzondering (indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert) kan het doen van een toezegging worden overwogen.

2.2.

Bij het doen van de toezegging door de officier van justitie houdt hij rekening met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid.

2.3.

Aan een getuige aan wie een toezegging wordt gedaan, moet een reëel voordeel in het vooruitzicht worden gesteld. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten (bij voorbeeld sepot gering feit), is geen toezegging in de zin van deze aanwijzing.

2.4.

Maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming zullen veelal als onderdeel van de toezegging door de getuige worden verlangd, maar dienen los te worden gezien van de onderhandelingen en totstandkoming van de toezegging. De maatregelen ter fysieke beveiliging kunnen worden getroffen indien daartoe noodzaak en mogelijkheid bestaat, ook als geen overeenstemming wordt bereikt over de toezegging. Wel is mogelijk dat in de overeenkomst met de getuige wordt opgenomen dat de officier van justitie het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming zal bevorderen.

2.5.

Toezeggingen tot strafvermindering worden ter toetsing voorgelegd aan de rechter-commissaris in het kader van een opsporingsonderzoek naar bepaalde ernstige misdrijven (artikel 226g, eerste lid, jo. artikel 226h, derde lid Sv). Overige toezeggingen van beperkte aard worden geverbaliseerd en in het dossier gevoegd van de verdachte ten laste van wie wordt verklaard (artikel 226g, vierde lid Sv).

Ter uitvoering van de in artikel 226l Sv aan de Minister van Justitie toegekende bevoegdheid is het Besluit getuigenbescherming vastgesteld.

De in dit Besluit neergelegde regeling bevat het algemene kader voor de uitvoering van getuigenbescherming. De kern van de regeling komt op het volgende neer. Het College van procureurs-generaal is bevoegd te beslissen omtrent het al dan niet treffen van beschermingsmaatregelen. In bijzondere gevallen wordt een voorgenomen beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie. Het team getuigenbescherming is belast met het opstellen van dreigingsanalyses, de advisering over en uitvoering van beschermingsmaatregelen. Het feit dat het College bevoegd is besluiten te nemen ter zake van het treffen van beschermingsmaatregelen heeft tot gevolg dat noch de politie, noch de officier van justitie zonder onderliggend besluit van het College definitieve toezeggingen aan getuigen kan doen omtrent te treffen beschermingsmaatregelen. De hoofdofficier van justitie die verantwoordelijk is voor de vervolging in het kader waarvan een persoon bescherming behoeft dient een schriftelijk verzoek in tot het doen treffen van beschermingsmaatregelen. De officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming, treedt op als intermediair tussen het College van procureurs-generaal en het team getuigenbescherming. Het besluit ziet niet op de bescherming van personen en instellingen die buiten een strafvorderlijke context behoefte hebben aan beschermingsmaatregelen, zoals hoogwaardigheidsbekleders of andere personen die in verband met hun functie worden bedreigd. Hun bescherming is geregeld in het kader van het Stelsel bewaken en beveiligen. Voorafgaand aan de uitvoering van de maatregelen wordt namens de Staat door de officier van justitie, belast met getuigenbescherming, een schriftelijke overeenkomst gesloten met de te beschermen persoon. Met de ondertekening van deze overeenkomst verbinden partijen zich tot het nakomen van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien en die verband houden met de uitvoering van de beschermingsmaatregelen. 6

Tot slot verdient nog het bestaan van de Instructie getuigenbescherming vermelding.

Deze Instructie is vastgesteld door het College van procureurs-generaal en bevat een nadere precisering van de procedures die bij de toepassing van getuigenbescherming moeten worden gevolgd. Vanwege het interne karakter ervan is deze Instructie niet gepubliceerd.

Het hof zal het in artikel 226g Sv e.v. gebezigde begrip afspraak in het navolgende ook aanduiden met: de verklaringsafspraak. De in artikel 4 van het Besluit getuigenbescherming genoemde overeenkomst wordt in het navolgende ook aangeduid met: de beschermingsafspraak.

2.2.2.2.3 Getuigenbescherming

2.2.2.2.3 De uitleg van de regeling

De wettelijke regeling beperkt zowel het onderwerp waarover de officier van justitie met de criminele getuige een afspraak kan maken – het afleggen van een getuigenverklaring – als wat door hem in ruil voor die verklaring aan de criminele getuige mag worden toegezegd: een vordering tot strafvermindering in de strafzaak van die criminele getuige. Het is deze, naar inhoud en reikwijdte begrensde, voorgenomen afspraak die door de rechter-commissaris op de voet van art. 226h, derde lid, Sv op rechtmatigheid wordt beoordeeld.

Naast deze toezegging is de officier van justitie bevoegd ook nog andere toezeggingen aan die criminele getuige te doen. De Aanwijzing, waarover later meer, omschrijft deze laatstbedoelde categorie van toezeggingen als “het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe betekenis hebben en niet rechtstreeks aan de beantwoording van art. 348 en 350 Sv raken, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring.“

Met betrekking tot deze categorie van toezeggingen schrijft de wet in artikel 226g, vierde lid, Sv voor dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken.

Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt, dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context, aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. Noch op vordering van de officier van justitie, noch overigens.

Naar het oordeel van het hof laat dit zich begrijpen tegen de achtergrond van hetgeen met getuigenbescherming wordt beoogd. Het gaat om adequate bescherming van een persoon bij wie daaraan, door diens optreden in een strafvorderlijke context, behoefte is ontstaan. Het bieden van die bescherming vloeit rechtstreeks voort uit de op de Staat rustende zorgplicht jegens de getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Gelet op die taak- en doelstelling valt te begrijpen dat en waarom de wetgever geen bijzondere grondslag heeft gecreëerd op grond waarvan de rechter in de strafvorderlijke kolom is aangewezen als de tot toetsing van recht- en doelmatigheid van beschermingsmaatregelen bevoegde autoriteit. Dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortspruit uit de medewerking die de getuigen in een strafvorderlijke context hebben verleend maakt dat vanuit deze systematiek bezien niet anders.

Met het voorgaande is tevens verklaard dat een materieel (toetsings-)kader voor de wijze waarop de Staat uit hoofde van zijn zorgplicht aan getuigenbescherming vorm en inhoud geeft in de hierboven aangehaalde regelingen ontbreekt en dat de wet niet meer inhoudt dan dat de minister specifieke beschermingsmaatregelen kan treffen. Wel volgt uit de inhoud van en toelichting op het Besluit dat de beschermingsmaatregelen in directe relatie staan tot de duur van een dreiging. De maatregelen hebben derhalve geen permanent karakter en hebben in beginsel niet tot doel volledig in het levensonderhoud van de betrokken persoon te voorzien.

In het licht van deze heldere begrenzing en afbakening van de verklaringsafspraak roept de in het derde lid van art. 226j Sv aangebrachte beperking op de notificatieplicht van de rechter-commissaris op het eerste gezicht mogelijk verbazing op. Immers, op welke grond bestaat er noodzaak tot het aanbrengen van die beperking als de wettelijke regeling (in het bijzonder artikel 226g Sv) in de kern inhoudt dat beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toezegging en afspraak mogen zijn en reeds daarom niet ter kennis kunnen zijn gekomen van de rechter-commissaris?

De verdediging ziet in de laatstbedoelde bepaling, mede in het licht van wat de wet beoogt te waarborgen en van de wetsgeschiedenis, bevestiging voor de juistheid van de door haar betrokken stelling dat de wetgever ook de toetsing van beschermingsafspraken aan de rechter-commissaris heeft toevertrouwd. In deze visie gaat de toetsing van beschermingsafspraken op in de toetsing van de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de criminele getuige gemaakte afspraak, die in het geval van een positieve beslissing van de rechter-commissaris in strafvorderlijke zin tot stand komt.

Het hof volgt de verdediging in deze lezing en bepleite uitkomst niet.

De wetsgeschiedenis levert –zoals door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] in den brede is uiteengezet - het beeld op van een veeljarig proces dat in twee fasen uiteen valt. Daarbij is sprake geweest van in de loop der tijd wisselende inzichten, zowel aan de zijde van de betrokken ministers als binnen de volksvertegenwoordiging. In het debat over de contouren van een verklaringsafspraak met een criminele getuige is langdurig en indringend stilgestaan bij het verbod tot het doen van financiële toezeggingen aan die getuige. Zo is in de Memorie van Toelichting met verwijzing naar de tekst van artikel 226j, derde lid, Sv het – in de context van de regeling als geheel al moeilijk denkbare – geval beschreven, waarin met de getuige ook afspraken zijn gemaakt over bescherming, die als zodanig deel uitmaken van de voorwaarden die in de verklaringsafspraak worden opgenomen. Het is in het daar bedoelde geval dat strafvorderlijke relevantie ontstaat. Dan zou ook dat onderdeel van de afspraak met het oog op toetsing van de rechtmatigheid van de verklaringsafspraak ter kennis van de rechter-commissaris gebracht dienen te worden7.

Maar noch de bewoordingen van genoemde bepaling, noch de totstandkoming ervan bieden grond voor het oordeel dat die regeling voorschrijft c.q. meebrengt dat ook beschermingsafspraken de verklaringsafspraak hebben te volgen in het strafvorderlijke traject van rechtmatigheidstoetsing.

Grammaticale beoordeling van de bepaling kan niet tot de conclusie leiden dat aan de rechter-commissaris een toetsende rol is opgedragen. Aangenomen moet worden dat de wetgever een bepaling waarin een bevoegdheid aan een rechterlijke autoriteit wordt toegekend op heldere en toegankelijke wijze redigeert. Op geen enkele wijze kan artikel 226j, derde lid, Sv zo worden gelezen dat daarin een toetsende rol aan de rechter-commissaris wordt gegeven. Reeds daarom kan de conclusie worden getrokken dat de rechter-commissaris deze bevoegdheid niet heeft. Het hof is voorts van oordeel dat de wetssytematische benadering die de verdediging toepast in het algemeen een te smalle basis vormt om het bestaan van een strafvorderlijke bevoegdheid aan te nemen. In dit concrete geval vergt het standpunt van de verdediging bovendien teveel speculatieve redeneerstappen. In de kern houdt dit immers in dat de instructie om de inhoud van getuigenbeschermingsmaatregelen niet ter kennis te brengen van de verdachte de bevoegdheid c.q. opdracht impliceert om deze maatregelen (steeds) te toetsen. Het enkele feit dat uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat is gedebatteerd over de plaats van getuigenbescherming in de wettelijke regeling en dat daarbij de vraag aan de orde is geweest of hierbij een rol van de rechter gewenst is, kan het gat in deze redenering niet dichten.

Kortom, voor het ontstaan van de hierboven bedoelde verbazing bij lezing van artikel 226j, derde lid, bestaat welbeschouwd geen grond.

Zo bezien sluit de inhoud van de met de kroongetuige [Peter la S.] gesloten verklaringsovereenkomst aan op het in paragraaf 2.4. van de Aanwijzing verwoorde en aan de wet ontleende uitgangspunt: maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming dienen los te worden gezien van de onderhandelingen over en totstandkoming van de toezegging, ook al wordt met zoveel woorden onderkend dat dergelijke maatregelen veelal door de getuige als onderdeel van de toezegging worden beschouwd.

In het licht van het voorgaande treedt het hof niet in de beoordeling van de wijze waarop de getuigenbescherming vorm en inhoud heeft gekregen. Dat geldt ook voor de gestelde onrechtmatigheid van de omstandigheden dat de kroongetuige inspraak heeft gekregen in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsvindt en dat hem ten aanzien van die bescherming een geheimhoudingsverplichting is opgelegd. Het komt het hof overigens voor dat zowel het een als het ander aan het aangaan van een beschermingsovereenkomst niet als wezensvreemd kunnen worden beschouwd.

2.2.2.2.3.2 Ongeoorloofde toezeggingen?

2.2.2.2.3.2 Het verweer

Door de verdediging is betoogd dat het Openbaar Ministerie, in afwijking van de met de getuige [Peter la S.] gemaakte verklaringsafspraak en van hetgeen overigens door vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie dienaangaande is gerelateerd en verklaard, aan deze kroongetuige toezeggingen heeft gedaan die het karakter hebben van (financiële) beloning voor het afleggen van zijn getuigenverklaring.

Aldus zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet aan hem meer of minder verkapte financiële beloningen toegezegd die achter het door het Openbaar Ministerie gelegde rookgordijn van getuigenbescherming aan het zicht van het hof en de verdediging zijn onttrokken. Het gevolg daarvan is dat aan hem een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onjuiste informatie is verstrekt. Daardoor is het niet althans onvoldoende mogelijk om de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen te beoordelen, aldus de verdediging. In deze sleutel geplaatst heeft de verdediging dit verweer in onderdelen doen uiteenvallen, zoals hiervoor weergegeven.

De verdediging leidt uit wat wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm of inhoud van ten aanzien van de (kroon)getuige getroffen beschermingsmaatregelen af, dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot louter bescherming. Zij dienen te worden gekenmerkt als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. Ten aanzien van de kroongetuige [Peter la S.] is meer informatie beschikbaar gekomen over de volgens de verdediging extreem riante financiële contouren van de ten aanzien van zijn persoon getroffen beschermingsmaatregelen. Voor zover dergelijke aanknopingspunten ontbreken houdt het verweer in dat aan het Openbaar Ministerie niet de vrijheid toekomt te volharden in de hardnekkige weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuige getroffen beschermingsmaatregelen.

2.2.2.2.3.2.2. Bespreking van het verweer

Het verweer beoogt een verbinding te leggen tussen, enerzijds, het strafvorderlijk optreden van het Openbaar Ministerie en de daarmee in het geding zijnde belangen, en, anderzijds, wat dit onder het gezag van het College van procureurs-generaal doet en nalaat in de sleutel van bescherming van (kroon)getuigen, wier verklaringen in de strafvervolging van de verdachte door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht.

Met het verweer worden twee vragen opgeworpen.

De eerste vraag is of hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuige getroffen beschermingsmaatregelen reeds de conclusie rechtvaardigt dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet (kunnen) strekken tot bescherming doch (mede) moeten worden beschouwd als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. In dat geval is mogelijk een situatie ontstaan die niet overeenstemt met de wettelijke regeling en die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen.

De tweede vraag is of aan het Openbaar Ministerie de vrijheid toekomt te volharden in de weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuige getroffen beschermingsmaatregelen en de interne besluitvorming daarover. In dat verband dient zich de rechtsvraag aan of op het Openbaar Ministerie de gehoudenheid rust om op grond van de (bedoeling van) de wettelijke regeling de (financiële) contouren van de beschermingsmaatregelen ter toetsing aan het hof, althans aan de rechter, voor te leggen.

Het hof zal eerst de laatste als de meest verstrekkende vraag nader bespreken.

Voldoende is komen vast te staan dat ten aanzien van de kroongetuige [Peter la S.] beschermingsmaatregelen zijn getroffen. In aard en inhoud van die maatregelen is door het Openbaar Ministerie (vrijwel) geen inzicht geboden. De gang van zaken met betrekking tot de bescherming van [Peter la S.] is in beide feitelijke instanties voorwerp van enig onderzoek geweest. Wat het onderzoek in hoger beroep betreft kan dit blijken uit hetgeen hierna nader uiteen wordt gezet in de gecursiveerde overwegingen.

De gehoudenheid van het Openbaar Ministerie om steeds de (financiële) contouren van getroffen beschermingsmaatregelen aan het hof ter toetsing op rechtmatigheid of doelmatigheid voor te leggen kan niet worden gegrond op de hierboven weergegeven bepalingen. Uit de wettelijke regeling blijkt immers – zoals het hof hierboven heeft overwogen – dat daarin geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige.

Die gehoudenheid volgt evenmin uit de ratio van dat samenstel van bepalingen. De duiding die de verdediging heeft gegeven aan de wet en hetgeen daarmee is beoogd te waarborgen vormt daarvoor geen toereikend aanknopingspunt. Daarbij komt, dat de aard van het onderwerp zich al snel verzet tegen openbaarmaking. Dat getuigen – in de woorden van de verdediging – hun medewerking aan het afleggen van hun verklaringen afhankelijk maken van zicht op hun bescherming doet – wat daarvan overigens zij – die gehoudenheid niet alsnog ontstaan.

Niet in de laatste plaats is nog het volgende van belang. Het enkele feit dat de resultaten van de voor de kroongetuige [Peter la S.] opgestelde dreigingsanalyses de Staat hebben genoodzaakt tot het treffen van passende beschermingsmaatregelen maakt niet dat daardoor het onderzoek naar de betrouwbaarheid van zijn verklaringen wordt belemmerd. Hij is als getuige gehoord, ook ter terechtzitting, waarbij ook aan de verdediging de gelegenheid is geboden vragen te stellen. De door de getuige afgelegde verklaringen zijn, mede tegen de achtergrond van de stukken in het dossier, toetsbaar op de betrouwbaarheid daarvan. Daaraan doet niet af dat de beantwoording van vragen is belet in de gevallen waarin dit afbreuk kan doen aan de effectiviteit van de ten aanzien van hem getroffen beschermingsmaatregelen. Evenmin valt in te zien dat en op welke grond de verdediging in enig belang is geschaad doordat het Openbaar Ministerie met de getuige is overeengekomen – wat daarvan ook zij – dat het hem niet is toegestaan om vragen te beantwoorden die raken aan de getroffen beschermingsmaatregelen.

Dit een en ander voert tot de slotsom dat er ook niet in het voorliggende geval op grond van de wet een gehoudenheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie bestaat om de (financiële) contouren van de getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken. Niet valt in te zien dat en op welke grond de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten die verplichting alsnog doen ontstaan. Evenmin is het Openbaar Ministerie ertoe gehouden aan het hof inzicht te geven in (het verloop van) de in het Besluit en de Instructie neergelegde procedure. Dit staat ter beoordeling aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die ter terechtzitting aan de rechter verantwoording aflegt over wat door dat Openbaar Ministerie, in het voorkomende geval ook als organisatie, is gedaan en nagelaten.

Vervolgens ligt de eerste vraag ter beantwoording voor: rechtvaardigt hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van [Peter la S.] getroffen beschermingsmaatregelen de conclusie dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot bescherming, doch (mede) hebben te gelden als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen?

De verdediging heeft uit de resultaten van het gehouden onderzoek, in het bijzonder waar dat betrekking heeft gehad op getuigenbescherming als bron van conflict tussen de kroongetuige [Peter la S.] en de Staat, afgeleid dat aan hem ontoelaatbare, te weten financiële, toezeggingen zijn gedaan, die bovendien op zichzelf beschouwd als extreem riant zijn aan te merken.

Door de verdediging is in het bijzonder aandacht gevraagd voor het gegeven dat aan [Peter la S.] is toegestaan dat hij zelf in zijn bescherming heeft mogen voorzien, waarmee zeer aanzienlijke, door de Staat gefourneerde geldbedragen zouden zijn gemoeid.

Ter terechtzitting van 21 september 2015 heeft het hof overwegingen gewijd aan en beslissingen gegeven op verzoeken van de verdediging. Deze verzoeken strekten tot het verkrijgen van meer zicht op hetgeen door het Openbaar Ministerie in de sleutel van bescherming aan de kroongetuige [Peter la S.] is toegezegd en verstrekt. Omdat die verzoeken, overwegingen en beslissingen sterk samenhangen met dit onderdeel van het gevoerde verweer en de beoordeling daarvan wordt het een en ander hierna, voor zover van belang in dit verband, in cursief weergegeven.

Het hof stelt voorop dat in artikel 226l Sv weliswaar is neergelegd dat de Minister van Justitie de bevoegdheid toekomt om op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen te treffen voor feitelijke bescherming van zekere getuigen en personen, doch een bijzondere, op dergelijke maatregelen betrekkelijke wettelijke regeling, waarin aan de zittingsrechter (al dan niet na een daartoe gevoerd verweer) enige toetsende rol van dergelijke getroffen maatregelen is opgedragen, ontbreekt.

Derhalve zal het hof als zittingsrechter bij de beoordeling van verweren die zien op het aan de verzoeken onderliggende speelveld zich hebben te richten op de in artikel 359a Sv neergelegde regeling van sanctionering van vormverzuimen, vanzelfsprekend naast het aan artikel 6 van het EVRM te ontlenen toetsingskader.

Thans ligt evenwel niét aan het hof de beoordeling en beslissing van verweren, doch wél van aan de hand van de even genoemde maatstaf te beoordelen verzoeken voor. Voor de beoordeling of de noodzaak tot toewijzing van verzoeken zich voordoet geldt steeds als voorwaarde dat hetgeen is verzocht van belang is voor enige, door het hof te nemen beslissing.

2.2.2.

De beoordeling en beslissing

Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226l, eerste lid, Sv bedoelde getuigen ( [Peter la S.] en [Fred R.] ) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen ( [getuige 3] ), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (het samenstel van) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin.

Het hof neemt aan dat de door de raadslieden gewenste openbaarmaking van de in de verzoeken bedoelde onderdelen en aspecten van de inhoud van het samenstel van maatregelen (al dan niet zijnde de vrucht van door de Staat met die getuigen/persoon gemaakte afspraken) per definitie slechts een gefragmenteerd en lacuneus beeld kan opleveren van al hetgeen in de sleutel van bescherming als geheel door de Staat wordt geboden en verricht. Daarbij komt, dat aard, omvang en inhoud van het samenstel van die maatregelen in hoge mate zullen zijn toegesneden op de specifieke situatie waarin ieder van de te beschermen personen (in casu: [Peter la S.] , [Fred R.] en [getuige 3] ) verkeert. Voorts mag worden aangenomen dat deze maatregelen rechtstreeks zullen samenhangen met en voortvloeien uit hetgeen de Staat op basis van de op ieder van die personen toegesneden dreigingsanalyse heeft vastgesteld. Wat die dreigingsanalyse betreft neemt het hof in aanmerking dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Bovendien komt in dit verband betekenis toe aan de vaststelling dat deze dreigingsanalyse zich naar haar aard niet voor enige vorm van openbaarmaking in enigerlei mate leent.

Het hof neemt in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en betrekt daarbij wat hiervoor met betrekking tot het processuele kader is overwogen. Dit leidt tot de slotsom dat een door de raadslieden beoogde toetsing door de zittingsrechter van de opportuniteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het samenstel van voor zekere personen getroffen beveiligingsmaatregelen, aan de hand van kennisneming van de inhoud van slechts één of meer onderdelen van dat samenstel van maatregelen, per definitie gemankeerd zal zijn. Immers, niet valt in te zien hoe het resultaat van deze beoordeling van getroffen en mogelijk nog te treffen maatregelen in hun onderlinge verband en samenhang betekenisvol kan zijn als ten aanzien daarvan wél van de inhoud van het één en tegelijkertijd niet ook van het ánder kan worden kennisgenomen.

Daar komt nog bij dat, anders dan bij andere aan de zittingsrechter opgedragen beslissingen, noch een kader voor toetsing noch een maatstaf voor beoordeling bestaat. Dit heeft als achtergrond, zo mag worden aangenomen, de aard van de getuigenbescherming en de onmogelijkheid om daarover, anders dan op zeer beperkte wijze, te rapporteren.

Zo bezien heeft te gelden dat toewijzing van de verzoeken – gelet op het per definitie gefragmenteerde en lacuneuze karakter van de mogelijk daaruit naar voren komende informatie – niet verder zal kunnen bijdragen aan een door de raadslieden beoogde toetsing door het hof zodat daarvoor geen noodzaak bestaat.

Ten aanzien van de getuige [Peter la S.] heeft nog in het bijzonder te gelden dat hetgeen tot dusver door het hof niettemin aan nader onderzoek is opgedragen en vervolgens is verricht rechtstreeks samenhangt met – zeer kort samengevat – het dynamisch verloop van al hetgeen door en over hem naar voren is gebracht c.q. verklaard c.q. was weggelaten, zoals daarvan blijkt uit al hetgeen door het hof is overwogen en beslist ter (regie)terechtzittingen van 13 december 2013, 10 juni 2014, en bekrachtigd op 23 januari 2015.

Het hof merkt in dit verband op dat het primaire object van aanvullend onderzoek en nadere verantwoording ten aanzien van getuigenbeschermingsmaatregelen het gestelde conflict tussen [Peter la S.] en de Staat was. Dit riep vragen op ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van zijn verklaringen waarna het hof binnen de grenzen van de in artikel 187d Sv bedoelde belangen onderzoekshandelingen heeft bevolen, die, na enige aanloopproblemen, zijn uitgevoerd.

Het is op grond van de inhoud van in eerste aanleg gevoerde verweren en de eerder in hoger beroep gedane en thans voorliggende verzoeken niet ondenkbaar dat door of namens de verdachten te zijner tijd verweren zullen worden gevoerd die inhoudelijk zullen samenhangen met de inhoud van de voorliggende verzoeken.

Zo bestaan aanknopingspunten om te veronderstellen dat zal worden betoogd dat aan het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging dient te worden ontzegd, of dat verklaringen die door de beschermde getuigen zijn afgelegd van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De onderbouwing daarvan zal mogelijk bestaan in de argumenten dat per definitie en/of op grond van hetgeen ter zake feitelijk wél en/of niét is gebleken over achtereenvolgens beschermingskaders, (toegezegde) prestaties door de Staat en de wijze van verantwoording daaromtrent door het openbaar ministerie, het aan toetsing door het hof als zittingsrechter onttrokken zijn van de totstandkoming en/of inhoud van beschermingsafspraken met [Peter la S.] , [Fred R.] en [getuige 3] (als getuigen/persoon in de betekenis van art. 226l Sv) deze sanctionering dienen mee te brengen.

Daarmee is de noodzaak tot de opdracht aan de advocaat-generaal tot het ter tafel doen brengen van (meer) informatie over de totstandkoming of inhoud van de ten aanzien van de even genoemde personen getroffen maatregelen evenwel niet gegeven.

Aan het kunnen voeren van dergelijke verweren kan – gelijk hiervoor is uiteengezet – ontsluiting van slechts onderdelen van een op verschillende personen toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen in redelijkheid niet bijdragen. Daarom is - ook bezien in het perspectief van het verdedigingsbelang - de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen mrs. [officier van justitie 2] en [naam 1] (voor zover hun verhoor is verzocht met het oog op nadere informatieverstrekking over de inhoud van getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen) noch tot het geven van de door de verdediging verzochte opdrachten tot nadere informatieverstrekking aanwezig, zodat het hof deze verzoeken afwijst.

De raadsman van [Jesse R.] heeft, zoals hiervoor reeds beschreven, ook verzocht om de personen [officier van justitie 2] en [naam 1] te doen oproepen met het oog op een verhoor tegen de achtergrond van de door de raadsman gesignaleerde verschillen tussen de zogeheten intentieverklaring financiële bepalingen 2007 en de overeenkomst op hoofdlijnen 2009 met betrekking tot de ten aanzien van [Peter la S.] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen. Kennelijk zijn, aldus de raadsman, andere kaders gehanteerd dan de in dit verband vigerende kaders voor besluitvorming. De raadsman wil weten of er andere kaders in de besluitvorming zijn betrokken en zo ja, welke inhoud deze hebben. Daarnaast gaat zijn interesse uit naar de betrokkenheid van hogere echelons binnen het openbaar ministerie bij de inhoud van de daarover opgemaakte processen-verbaal.

De raadsman heeft daarbij betrokken zijn observaties dat het openbaar ministerie over de inhoud van deze documenten niet telkens op dezelfde wijze en met dezelfde inhoud in de strafzaak van zijn cliënt [Jesse R.] heeft gecommuniceerd. Hij heeft in dat verband als zijn mening te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie stelselmatig onjuist is geweest.

De advocaat-generaal heeft zich, op basis van een andere lezing van de relevante processen-verbaal en op grond van een waardering van de reeds over [Peter la S.] prijsgegeven informatie, tegen toewijzing van de verzoeken verzet.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Gedurende de gedingfase in eerste aanleg zijn diverse processen-verbaal van officieren van justitie belast met getuigenbescherming of criminele inlichtingen ingebracht met als onderwerp de ten aanzien van [Peter la S.] te treffen beschermingsmaatregelen. Voorts is op bevel van het hof een officier van justitie (mr. [officier van justitie 2] ) meermalen gehoord, waarbij deze functionaris als getuige tweemaal effectief door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] kon worden ondervraagd.

Aldus is door het openbaar ministerie informatie verstrekt en verantwoording afgelegd, zij het op een naar de mening van de raadsman ontoereikende wijze.

Het hof stelt vast dat de voor de besluitvorming binnen het openbaar ministerie relevante regelgeving volledig bekend is. Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 226l Sv en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en, in ruimere zin, de wettelijke kroongetuigenregeling en de toepasselijke, gepubliceerde, beleidsregels van het openbaar ministerie. De raadsman is blijkens de gegeven toelichting op zoek naar overige normerende kaders die, hoewel niet bekend gemaakt, zijn gehanteerd bij de interne besluitvorming en bij de verslaglegging daarover.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat de loop van de interne besluitvorming binnen het openbaar ministerie (door de raadsman in zijn verzoek ook wel getypeerd als “hoe de hazen hebben gelopen”) zich in het algemeen niet leent voor enige uitleg of verantwoording in het kader van strafvordering. Het verzoek, in de kern inhoudend dat ook niet-kenbare “kaders” (met inbegrip van hun boven- en ondergrenzen) worden geopenbaard, staat op gespannen voet met dit uitgangspunt.

Het hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden verstaan dat de raadsman verweren heeft gevoerd en opnieuw zal voeren die zijn gebaseerd op de stelling dat in strijd met toepasselijke rechtsregels de getuigenbescherming van [Peter la S.] is vormgegeven en dit bovendien in problematische verhouding staat tot de met hem gesloten zogenoemde kroongetuigendeal.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze verweren, die zien op de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie in brede zin, op basis van hetgeen thans beschikbaar is, gevoerd worden. Dit kan ook blijken uit de door de raadsman op het verzoek gegeven toelichting, die klaarblijkelijk vertrekt vanuit de door het openbaar ministerie geproduceerde processtukken. De aanvullende informatie dient, zo begrijpt het hof, betrekking te hebben op de totstandkoming van besluiten binnen de gelederen van het openbaar ministerie.

Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien wat, in het licht van zowel de door hem aan de verzoeken verbonden toelichting als de, naar verwachting, te voeren verweren de toegevoegde waarde kan zijn van hetgeen de raadsman heeft verzocht.

Ook op deze gronden wordt het verzoek dat strekt tot nadere informatieverstrekking, primair in de vorm van een verhoor van mrs. [officier van justitie 2] en [naam 1] als getuigen en subsidiair in de vorm van een bevel van het hof aan de advocaat-generaal tot toevoeging van nadere bescheiden, bij gebrek aan noodzaak afgewezen.

Het hof stelt voorop dat de, hiervoor weergegeven, ter terechtzitting van 21 september 2015 gebezigde overwegingen evenzeer betekenis hebben voor de beantwoording van de vraag of wat omtrent beschermingsmaatregelen wél tijdens het strafgeding is gebleken de conclusie schraagt dat de Staat verboden financiële toezeggingen heeft gedaan.

Immers, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen heeft gesteld, is daarmee niet meer dan een gefragmenteerd en lacuneus beeld gevormd van al hetgeen in de sleutel van bescherming door de Staat wordt geboden en verricht. Anders gezegd: het op de te beschermen persoon toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen kan – nog daargelaten de beantwoording van de vraag naar het te hanteren beoordelingskader – op grond van één of meer daarvan geïsoleerde onderdelen strafvorderlijk niet betekenisvol worden geduid. Reeds daarom kan te minder worden aangenomen dat het niet anders kan zijn, dan dat de door de Staat onder de vlag van bescherming jegens [Peter la S.] verrichte inspanningen zich bewegen boven de grens van hetgeen in termen van bescherming als adequaat heeft te gelden en aangemerkt dient te worden als financiële tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. In het verlengde van het voorgaande onthoudt het hof zich voorts van het geven van een oordeel over het bieden van inspraak in en toestaan van zelfredzaamheid bij de vormgeving van de bescherming, met dien verstande dat die factoren niet meebrengen dat daarmee tekort wordt gedaan aan rechtens te respecteren belangen van de verdachte. Op basis van de resultaten van het door het hof aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek, waarover zij bij proces-verbaal van 31 maart 2015 heeft gerapporteerd valt voorts niet in te zien dat door het Openbaar Ministerie misleidende informatie is verstrekt.8

De slotsom dient derhalve te luiden dat noch het enkele uitblijven van een rechterlijke toetsing van (toegezegde) prestaties in het kader van getuigenbescherming van de zijde van de Staat, noch de ontbrekende nadere verantwoording daaromtrent door het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk verzuim of een schending van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces oplevert. Het is denkbaar dat dit oordeel anders kan uitvallen. Gedacht kan worden aan het geval waarin blijkt van feiten en omstandigheden die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt of toezeggingen doet die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat ofwel van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle. Van aanknopingspunten voor het bestaan van dat hypothetische geval is niet gebleken, ook niet waar het gaat om hetgeen, naar is gebleken, in de sleutel van bescherming door het Openbaar Ministerie is ondernomen en verricht.

Het hof merkt ten overvloede het volgende op.

De verdediging maakt zich nadrukkelijk sterk voor rechterlijke toetsing, ook van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de (financiële) contouren van door het Openbaar Ministerie ten aanzien van (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen. Hoewel wellicht voor het introduceren van een dergelijke toetsing argumenten denkbaar zijn, merkt het hof in de eerste plaats andermaal op dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Zo bezien is het soortelijk gewicht van de uitkomst van die voorgestane door de rechter-commissaris te verrichten toetsing relatief gering, omdat die statische toetsing in het concrete geval slechts in (zeer) beperkte mate effectief zal kunnen zijn. Voorts overweegt het hof, dat het pleidooi van de verdediging voor een rechterlijke toetsing kennelijk in belangrijke mate is ingegeven door een gebrek aan vertrouwen in de effectiviteit en waarachtigheid van de bestuurlijke controle die in het Besluit getuigenbescherming is neergelegd.

2.2.2.2.4 De verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel

2.2.2.2.4 Het gevoerde verweer

Dit onderdeel van het verweer stelt de onderliggende vraag aan de orde of, en zo ja op welke wijze de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken een beperking heeft aangebracht op de tot het opportuniteitsbeginsel te herleiden vrijheid van het Openbaar Ministerie om van strafvervolging af te zien. De verdediging heeft tot uitgangspunt genomen dat de wetgever met die wet een gesloten systeem voor toezeggingen aan criminele getuigen in het leven heeft willen roepen. Naast de in artikel 226g, lid 4, Sv bedoelde kleine gunsten vormt de in het eerste lid van die bepaling neergelegde bevoegdheid tot het doen van de toezegging aan de kroongetuige dat in zijn zaak strafvermindering zal worden gevorderd het exclusieve hart van de wettelijke regeling. Andere toezeggingen aan de kroongetuige zijn op grond van die regeling en gelet op wat de wetgever daarmee heeft beoogd te waarborgen niet toegelaten.

Het staat het Openbaar Ministerie daarom niet vrij om af te zien van strafvervolging of voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan een kroongetuige met een beroep op het opportuniteitsbeginsel, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft hier tegenover gesteld dat er geen sprake is van een gesloten systeem. In navolging van minister Donner, die tijdens de tweede fase van de parlementaire behandeling in 2004 en 2005 zijn opvattingen heeft geuit, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de wetgever alleen een regeling heeft willen bieden voor toezeggingen ter zake van strafvermindering. De regeling is evenwel niet exclusief en is ook niet gegeven met de intentie deze exclusief te laten zijn. Daarom zouden overige toezeggingen op grond van het opportuniteitsbeginsel toelaatbaar zijn gebleven.

2.2.2.2.4.2 Bespreking van het verweer

2.2.2.2.4.2.1. Inleidend

De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken kent een lange wordingsgeschiedenis. Reeds ten tijde van de behandeling van de rapporten van de parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van Van Traa in 1996 werd het belang van een wettelijke regeling over dit onderwerp onderkend. Vervolgens heeft de behandeling van het wetsontwerp vanaf de indiening ervan bij de Tweede Kamer in 1998 tot aanvaarding in de Eerste Kamer ongeveer zeven jaar geduurd. Daarbij is gebleken dat binnen de Tweede Kamer opvattingen leefden die kort gezegd inhielden dat de bevoegdheid van de officier van justitie om afspraken te maken met criminele getuigen strikt beperkt diende te blijven tot het toezeggen van een neerwaarts bijgestelde strafeis. Dit heeft onder meer geleid tot aanvaarding van het amendement Rouvoet-Van der Staaij op 5 juli 2001, waarmee een laatste volzin werd toegevoegd aan het eerste lid van artikel 226g Sv. Hierin werd de beoogde beperking expliciet tot uitdrukking gebracht. De minister had dit amendement overigens als overbodig gekwalificeerd omdat hij het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt deelde.

Na aanvaarding van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heeft het wetgevingsproces enkele jaren stilgelegen waarna het in 2004 weer op gang kwam. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van 8 september 2004 werd de discussie over de exclusiviteit van de wettelijke regeling zoals die al was aanvaard, hernomen. De standpunten van de parlementariërs liepen sterk uiteen. Dat dit een problematische situatie opleverde werd door de minister in dat debat gesignaleerd. Hij wees op de complicatie dat het oorspronkelijk wetsontwerp nog door de Eerste Kamer moest worden behandeld terwijl tegelijkertijd over de wettelijke regeling een fundamenteel debat in de Tweede Kamer was ontstaan. Dit vormde mede de aanleiding om een brief toe zeggen.

Meest in het oog springende gevolg van het heropende debat voor de wettekst is dat de maximaal toe te zeggen strafvermindering werd verruimd van een derde naar de helft van de zogeheten basisstrafeis. De discussie over de positie van het opportuniteitsbeginsel mondde niet uit in enige alternatieve vorm van redactie van de reeds door de Tweede Kamer aanvaarde wet.

In de brieven aan de voorzitters van de Eerste Kamer en van de Tweede Kamer van respectievelijk 18 maart 2005 en 12 april 2005 heeft de minister vervolgens zijn zienswijze neergelegd. Daarbij werd een driedeling gemaakt in typen toezeggingen:

1) toezeggingen waarvoor een wettelijke regeling nodig is; dit betreft uitsluitend afspraken over strafvermindering, want het Openbaar Ministerie maakt volgens de minister in zo’n geval afspraken met consequenties voor de beslissingsruimte van de rechter;

2) niet toelaatbare toezeggingen: toezeggingen van immuniteit (sepotverbod) en toezeggingen omtrent de omvang van de tenlastelegging;

3) toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke regeling nodig is en waarvoor de ruimte moet worden geformuleerd waarbinnen deze kunnen worden gedaan. Dit moet in de aanwijzing geschieden waarin het Openbaar Ministerie zichzelf beperkingen oplegt. Dit betreft bevoegdheden die het Openbaar Ministerie reeds heeft en die behoren tot de beleids- en beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De basis hiervoor is gelegen in het reeds aanvaarde artikel 226g lid 4 Sv dat het zogeheten kleine gunstbetoon van een wettelijke basis voorziet. Ingeval van een uitdrukkelijk en causaal verband met de verklaringsbereidheid van de getuige dient hierover bij proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd.

Ook in de Eerste Kamer vroegen diverse leden aandacht voor de reikwijdte van de bevoegdheid van de officier van justitie om toezeggingen te doen. Daarbij waren veel kritische geluiden te horen over het standpunt van de minister dat aanzienlijk anders luidde dan dat van zijn voorganger die het eerder aanvaarde wetsontwerp bij de Tweede Kamer had ingediend. De minister nam in lijn met de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven het standpunt in dat het opportuniteitsbeginsel de ruimte biedt aan de officier van justitie om andere toezeggingen te doen dan alleen die van een aangepaste strafeis. Na een intensief debat, dat, voor zover het hof uit de parlementaire stukken kan opmaken, zonder duidelijke conclusies eindigde en waarbij noch de minister noch enige senator van standpunt veranderde, werd de wet ongewijzigd aangenomen met de aantekening dat diverse fracties werden geacht te hebben tegengestemd.

Wat de bedoelingen van de wetgever betreft kan worden vastgesteld dat de beide Kamers van de Staten-Generaal respectievelijk de betrokken ministers, elk in de hoedanigheid van medewetgever, hun accenten hebben gelegd die niet (zonder meer) met elkaar te verenigen zijn.

Bij de interpretatie van de wet kunnen, zo blijkt uit het ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gevoerde debat, ver uiteen liggende standpunten worden ingenomen. Aan de ene kant van het spectrum bevindt zich de uitleg dat geen andere afspraak mag worden gemaakt dan die strekkend tot strafvermindering. Aan de andere kant daarvan leeft de opvatting dat het enige type afspraak dat een wettelijke regeling behoefde en daarom heeft gekregen die van strafvermindering is.

Dat de praktijk van opsporing en vervolging voor deze complicaties zou kunnen worden geplaatst werd reeds door de Eerste Kamer op 8 maart 2005 en 10 mei 2005 voorzien. Maar de gedachte dat “het betere niet de vijand van het goede” mocht worden is mede leidend geweest bij de uiteindelijke aanvaarding van het wetsvoorstel.

Het diffuse parlementaire debat heeft zich in het kader van het Passageproces herhaald ten overstaan van de strafrechter in twee feitelijke instanties. In die zin is de verwachting die senator Rosenthal uitsprak tijdens de behandeling van het wetsontwerp op 10 mei 2005 bewaarheid.

De raadsman van [Jesse R.] heeft een punt waar hij spanning signaleert tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Met name indien gekozen wordt voor een min of meer restrictieve uitleg van de bevoegdheden van de officier van justitie kan worden geconcludeerd dat de Aanwijzing minst genomen op gespannen voet staat met de wet. Dat de wetsgeschiedenis voor deze conclusie aanknopingspunten biedt kan uit het voorgaande voldoende blijken.

Aan die raadsman kan ook worden toegegeven dat aan het uitblijven van reacties uit het parlement op sleutelmomenten, zoals dat van toezending van de Aanwijzing kort voor de inwerkingtreding ervan, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de uitleg van de bedoelingen van de wetgever.

Minder voor de hand liggend acht het hof het standpunt van die raadsman dat voor de uitleg van de exclusiviteit van de wettelijke regeling uitsluitend, althans in beslissende mate, uitgegaan dient te worden van de in de eerste fase ingenomen standpunten. Het gaat dan om de opvattingen die door minister en Tweede Kamerleden zijn geuit ten tijde van de aanvaarding van het amendement waarin is beoogd deze exclusiviteit tot uitdrukking te brengen. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom aan de geheel andersluidende uitleg van de minister, die hij in overeenstemming achtte met de wettekst, geen betekenis toekomt. Datzelfde geldt voor de gedachtewisseling in de Tweede Kamer in 2004 waarin door enkele leden een geheel ander licht werd geworpen op de reeds door die Kamer aanvaarde wet. Dat de kwaliteit van hun inbreng niet het door die raadsman verlangde niveau had is niet relevant voor het relatieve gewicht ervan. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat het parlementaire debat in beide kamers van de Staten-Generaal weliswaar fel is geweest maar niet tot ondubbelzinnige conclusies, laat staan verduidelijking op het niveau van de wet zelf, heeft geleid. Integendeel, er bestonden niet alleen conflicterende opvattingen onder de actoren. Ook werd onder ogen gezien dat deze verschillen van inzicht tot uitvoeringsproblemen zouden kunnen gaan leiden. Dat was voor enkele in het wetgevingsproces betrokkenen tevens reden om te wijzen op het belang van nadere wet- en regelgeving.

Nog problematischer wordt het als de zeer uiteenlopende, uit de wetsgeschiedenis blijkende, opvattingen in verband worden gebracht met de uiteindelijk gepubliceerde tekst van artikel 226g Sv. Deze bevat enerzijds een eerste lid dat de basis biedt voor een afspraak met de criminele getuige die uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering. Anderzijds is er sprake van een vierde lid waarin het kleine gunstbetoon is geregeld. Dit biedt de mogelijkheid voor het maken van afspraken die niet kunnen worden aangemerkt als afspraken over strafvermindering. Als de parlementaire geschiedenis van enige afstand wordt aanschouwd, biedt ook de reikwijdte van dit vierde lid ruimte voor debat.

Het hof wijst in aanvulling op het voorgaande erop dat de wetgever zich in juridische zin niet laat compartimenteren als de wil van de wetgever moet worden onderzocht om de met een wet nagestreefde doelen op te helderen. Daar komt in dit geval bij dat gedurende het wetgevingsproces door diverse actoren is onderkend dat het brede spectrum aan opvattingen de totstandkoming van de wet heeft gecompliceerd en ook de wetstoepassing zou kunnen gaan compliceren. De wetgever heeft ondanks deze omstandigheden niet willen verhinderen dat de wet in zijn huidige vorm toch tot stand kwam.

Tegen deze achtergrond dient de slotsom te zijn dat de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd.

Hoewel de door verdediging en advocaat-generaal ingenomen standpunten zich niet alle lenen voor een volledige beantwoording van de achterliggende rechtsvragen door het hof kan er toch ervan worden uitgegaan dat de wetgever in elk geval enkele uitgangspunten heeft gehanteerd die leidend zijn gebleven bij de gehele parlementaire behandeling. Deze dienen dan ook het kader te vormen voor de door het hof aan te leggen maatstaven.

  1. De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen.

  2. Er mogen voorts geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging.

  3. Daarnaast heeft de wetgever een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht.

Bij de bespreking van de betekenis van getuigenbeschermingsmaatregelen heeft dit laatste punt in het voorgaande al een rol in de beoordeling gespeeld. Bij de hierna nog te geven beoordeling van andere verweren zullen daarnaast de eerste twee genoemde uitgangspunten van belang zijn.

2.2.2.2.4.2.2. De omvang van de strafvervolging in relatie tot de verklaringsafspraak

Het hof ontleent aan de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken dat het Openbaar Ministerie bij toepassing van die regeling geen immuniteitstoezegging aan een kroongetuige mag doen. De omvang van de strafvervolging noch de inhoud van de tenlastelegging mogen in dat verband onderwerp van enige toezegging zijn. Dit betekent dat het, zoals in elke strafzaak, geheel aan de officier van justitie is om te bepalen voor welke feiten hij de getuige met wie hij een afspraak maakt, vervolgt. Hierop wordt hierna nader ingegaan.

Dit betekent ook dat deze regeling geen beperking heeft aangebracht op de in het tweede lid van artikel 167 Sv aan het Openbaar Ministerie toegekende vrijheid om van vervolging af te zien. Dit is nogmaals tot uitdrukking gebracht in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Paragraaf 5 van de Aanwijzing biedt een opsomming van de gevallen waarin en de onderwerpen waarover de officier van justitie aan een kroongetuige geen toezeggingen mag doen. Voor zover hier van belang is in die paragraaf onder 2. vermeld dat de officier van justitie geen toezegging mag doen met betrekking tot het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. 9

Reikwijdte en strekking van de in de Aanwijzing neergelegde beleidsregels laten zich goed begrijpen, zowel vanuit de betekenis van het opportuniteitsbeginsel als vanuit de ratio van de wettelijke begrenzing van de ruimte waarbinnen de officier van justitie rechtmatig toezeggingen kan doen. Het ligt immers niet in de rede dat het enkele feit dat de officier van justitie met een criminele getuige tot een verklaringsafspraak probeert te komen, impliceert dat de officier van justitie verplicht is tegen die getuige een vervolging in te stellen ter zake van strafbare feiten, waarvan hij buiten de context van zo’n afspraak, op gronden aan het algemeen belang ontleend, zou hebben afgezien. Anders gezegd: (het toezeggen van) een beloning aan de criminele getuige in de vorm van een neerwaarts bijgestelde strafeis roept voor de officier van justitie geen opdracht tot vervolging in het leven ter zake van feiten waarvan hij bij geïsoleerde beoordeling op bewijstechnische dan wel beleidsmatige gronden van vervolging zou afzien. Voor de juistheid van deze interpretatie is ondubbelzinnige steun te vinden in de parlementaire geschiedenis van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken.10

In de Memorie van toelichting valt onder meer te lezen:

Ik ga ervan uit dat het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie

op de thans gebruikelijke wijze wordt toegepast en dat de bestaande

normering van de vervolgingsbeslissing in stand blijft. Dit betekent voor

de onderhavige materie dat de aard en de ernst van de aan het openbaar

ministerie ter kennis gekomen feiten bepalend zijn voor de vervolgingsbeslissing.

De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en

strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is,

dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken

geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin

het aanbieden van transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel

te worden gedaan. Dergelijke feiten dienen in het kader van een te maken

afspraak buiten beschouwing te blijven. Anders zou immers aan de

getuige een voordeel in het vooruitzicht worden gesteld, dat geen reëel

voordeel is, doch de uitkomst van het normale afwegingsproces dat aan

de vervolgingsbeslissing vooraf gaat.

In zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 heeft de minister het volgende geschreven:

Bij het opstellen van het wetsvoorstel is steeds uitgangspunt geweest dat

ten aanzien van een verdachte eerst de gebruikelijke vervolgingsbeslissing

op basis van het bestaande vervolgingsbeleid wordt genomen en dat

onaanvaardbaar is dat een verdachte in het geheel aan vervolging zou

kunnen ontkomen door het afleggen van een belastende verklaring. Er

moet uiteraard wel sprake zijn van een verdachte met een vervolgbare

zaak. Indien er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling heeft de

officier van justitie geen onderhandelingsbasis; er is dan geen reële tegenprestatie

van de zijde van het openbaar ministerie. 11

Over dit uitgangspunt van de minister is gedurende de parlementaire behandeling geen discussie geweest. Wel is meermalen uitgebreid stilgestaan bij de consequentie van dit uitgangspunt, namelijk dat de officier van justitie niet mag onderhandelen over de inhoud en omvang van de tenlastelegging, noch daarover toezeggingen mag doen.

Op dit zogeheten immuniteitsverbod heeft de verdediging onder meer bij pleidooi gewezen. Het opportuniteitsbeginsel zou hiermee aan banden zijn gelegd. Daarbij wordt evenwel over het hoofd gezien dat deze normering of begrenzing van de discretionaire ruimte van de officier van justitie uitsluitend betrekking heeft op vervolgingsbeslissingen die zijn genomen bij wijze van toezegging. Dit heeft de wetgever ook voor ogen gestaan bij zijn beschouwingen over de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.

In geen van de stadia van de behandeling van het wetsontwerp heeft de wetgever enige begrenzing van het opportuniteitsbeginsel als zodanig voor ogen gestaan.

Nu de verdediging heeft gewezen op bepaalde, tegen de kroongetuige [Peter la S.] gerezen verdenkingen die telkens het instellen van strafvervolging zouden hebben gerechtvaardigd zal het hof hebben na te gaan of de beslissingen van het Openbaar Ministerie om van vervolging af te zien in strijd zijn geweest met de (bedoeling van) de wettelijke regeling. Immers, wanneer komt vast te staan dat de stelling van de verdediging hout snijdt, ligt vervolgens ter beantwoording voor de vraag of de wijze waarop ten aanzien van die kroongetuige telkens invulling is gegeven aan het vervolgingsbeleid op één lijn moet worden gesteld met ongeoorloofde toezeggingen tot het verlenen van immuniteit (door de raadsman van [Jesse R.] aangeduid als “verkapte immuniteitstoezeggingen”).

Waar het gaat om de door het hof aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van de vervolgingsbeslissing in de sleutel van het gevoerde verweer knoopt het hof aan bij door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot de beoordeling van de beslissingen waarbij de vervolging wél is ingesteld of wordt voortgezet. Volgens die vaste rechtspraak leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.

Toegespitst op het zich hier voordoende spiegelbeeldige geval, waarin het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van vervolging zal het hof met inachtneming van de bij zijn beoordeling in het algemeen te betrachten terughoudendheid een toets hebben uit te voeren. De daarbij te hanteren maatstaf luidt of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien, waarbij dat lid wordt geacht de door strafrechtelijke handhaving te beschermen belangen in zijn afweging betrokken te hebben.

Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert, terwijl de vigerende beleidskaders die de beslissingen in het kader van opsporing en vervolging nader normeren, ook in het geval van de criminele getuige op overeenkomstige wijze de beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie normeren en beperken.

2.2.2.2.4.2.3. [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10]

Wat betreft de beslissingen om [Peter la S.] niet separaat te vervolgen voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] acht het hof de toelichting die is gegeven door de advocaat-generaal bij repliek toereikend in het licht van de hiervoor gegeven beoordelingsmaatstaf. Onder verwijzing naar de toelichting van de officier van justitie heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat ten aanzien van [slachtoffer 11] alleen de eigen verklaring van [Peter la S.] belastend was. Bij [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] zou het stadium van strafbare voorbereidingshandelingen niet zijn bereikt.

Voorts is meegedeeld dat het Openbaar Ministerie [Peter la S.] wel als strafbare deelnemer aan een criminele organisatie heeft beschouwd. Echter, zowel de strafbare als de niet strafbare doch wel laakbare handelingen waren al verdisconteerd in de basisstrafeis waardoor aparte

vervolging vanwege deelneming aan een criminele organisatie van weinig toegevoegde waarde werd geoordeeld. Ook deze beslissing kan de uit te voeren marginale toetsing doorstaan.

Het hof merkt voorts op dat waar het de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] betreft zelfs met zoveel woorden aan [Peter la S.] kenbaar is gemaakt dat er op grond van een zelfstandige afweging geen vervolging zal plaatsvinden wegens gebrek aan bewijs. Dit blijkt uit het verslag van het gesprek dat officier van justitie mr. [officier van justitie 1] en [Peter la S.] hebben gehad op 22 november 2006. Tijdens dat gesprek, waarvan delen verbatim zijn uitgewerkt, heeft mr. [officier van justitie 1] meegedeeld dat [Peter la S.] niet zal worden vervolgd wegens “gewoon onvoldoende bewijs” en dat vervolging daarom niet mogelijk is “ook al zouden we dat willen”. Mr. [officier van justitie 1] laat in dat verband de term “immuniteitsverbod” ook vallen.12 Hierin is een sterke aanwijzing gelegen dat de officier van justitie bij het aangaan van de afspraak dit wettelijke uitgangspunt heeft gehanteerd, ook buiten de beoordeling van de zaak- [slachtoffer 11] .

2.2.2.2.4.2.4. [Peter la S.] en de aanslag op [slachtoffer 15]

Het hof stelt voorop, dat op het moment van het maken van de verklaringsafspraak de verbinding tussen [Peter la S.] en dit feit door de officier van justitie in het geheel nog niet kon worden gelegd, met gevolg dat dit feit reeds om die reden geen onderwerp van bespreking of aanspraak kon zijn. Daarbij komt het volgende.

In de loop van de tijd die op de aanslag (gepleegd in 2000) is gevolgd zijn door meer personen inhoudelijk wisselende verklaringen afgelegd. In essentie is het door verscheidene personen vertelde verhaal dat [Peter la S.] degene is geweest die anderen ertoe heeft gebracht om op [slachtoffer 15] een aanslag te plegen. De ontwikkeling van die verklaringen over opdrachtgever(s) levert als het resultaat van onderzoek niet meer dan – in de woorden van de officier van justitie – een brij van onduidelijkheden op.13 Die uiteenzetting volgend en de duiding ervan begrijpend kan worden geoordeeld dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie in redelijkheid van het instellen van vervolging heeft kunnen afzien.

2.2.2.2.4.2.5. [Peter la S.] en de gewelddadige dood van [slachtoffer 13]

Met betrekking tot de door de verdediging veronderstelde strafbare betrokkenheid van [Peter la S.] bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] overweegt het hof het volgende.

Uit de schriftelijke verklaringsafspraak (paragraaf 1.5) van 20 februari 2007 met [Peter la S.] volgt, dat hij voor zijn rekening neemt dat de inhoud van zijn eerder afgelegde verklaringen, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal die als bijlagen zijn gevoegd, volledig op waarheid berust. In het proces-verbaal van 31 oktober 2006 heeft [Peter la S.] als getuige verklaard over o.m. hetgeen hij heeft meegemaakt en ondervonden met betrekking tot gedragingen van o.a. [Jesse R.] in relatie tot de dood van die [slachtoffer 13] . De onderbouwing van dit onderdeel van het verweer houdt niet in dat ook ten tijde van de totstandkoming van de verklaringsafspraak er voor het Openbaar Ministerie aanknopingspunten bestonden voor het richten van het vervolgingsvizier op [Peter la S.] . Dit onderdeel van het verweer houdt wel het verwijt aan de officier van justitie in dat hij tegen beter weten in is blijven afzien van strafvervolging tegen [Peter la S.] terwijl feiten en omstandigheden aan het licht waren gekomen die (in weerwil van de verklaringen van [Peter la S.] ) wezen op diens strafbare betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] .

Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer aldus dat het Openbaar Ministerie onwaarachtig is blijven vasthouden aan de afspraak met [Peter la S.] terwijl de ontbinding daarvan (paragraaf 3.1) in de rede lag. Zodoende is het Openbaar Ministerie [Peter la S.] ten onrechte blijven begunstigen.

Het hof stelt voorop, dat in het licht van de gegeven toelichting de verdediging er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat het hof de vraag beantwoordt of er voor de officier van justitie termen aanwezig (kunnen) zijn voor het ontbinden dan wel niet of onvolledig nakomen van de met [Peter la S.] gemaakte verklaringsafspraak. Voor zover met het verweer is beoogd dat het hof zich hierover zal uitlaten, leent dit onderdeel ervan zich niet voor bespreking.

Het hof overweegt ten overvloede dat het Openbaar Ministerie in een overweging in het vonnis waarvan beroep aanleiding heeft gezien voor het instellen van een review-onderzoek in het dossier [slachtoffer 13] . De resultaten daarvan zijn toegevoegd aan het strafdossier in de vorm van het onderzoeksdossier Dalhart. Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal als standpunt kenbaar gemaakt dat ook de resultaten van dat review-onderzoek geen feiten en omstandigheden hebben blootgelegd die de vervolging van [Peter la S.] kunnen rechtvaardigen, onder (herhaalde) mededeling dat als op enig moment mocht blijken van leugens van [Peter la S.] hij alsnog die vervolging tegemoet kan zien.

Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer zodat dit niet kan bijdragen aan de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie die, zo begrijpt het hof, het resultaat dient te zijn van alle door de verdediging gesignaleerde vormverzuimen.

Het hof acht immers geen grond aanwezig voor het oordeel dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie niet tot het door de advocaat-generaal gehuldigde standpunt had kunnen komen. Daarbij kent het hof gewicht toe aan hetgeen door de advocaat-generaal ter toelichting in het bijzonder is aangeduid. Dit houdt het volgende in.Waar het gaat om de kerngetuige [getuige 4] is gebleken van wezenlijke discrepanties in zijn verklaringen. Volgens zijn mededeling aan [slachtoffer 15] en [journalist 1] blijkt niet van betrokkenheid van [Peter la S.] , wel van [Jesse R.] en [betrokkene 15] , terwijl hij als getuige ter terechtzitting van de rechtbank spreekt over betrokkenheid van [Peter la S.] en [betrokkene 15] , en vermoedelijk ook van [Jesse R.] . Voorts heeft de advocaat-generaal beredeneerd betoogd dat de wordingsgeschiedenis van de verklaring van de getuige F3 voor de betrouwbaarheid van die verklaring vragen oproept die niet bevredigend zijn beantwoord. Naar aanleiding van de verklaringen van de getuige [getuige 5] is op grond van de inconsistenties daarvan aanzienlijke twijfel over de betrouwbaarheid gerezen.

Het gevoerde verweer kan niettemin betekenis hebben in de sleutel van de waardering van de betrouwbaarheid van door [Peter la S.] als getuige afgelegde verklaringen. Dit onderwerp wordt op een andere plaats in dit arrest besproken.

2.2.2.2.4.2.6. Het afzien van voordeelsontneming in relatie tot de verklaringsafspraak

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.

Op grond van de Aanwijzing mag het openbaar ministerie in ruil voor verklaringen aan een potentiële criminele getuige toezeggen een vordering tot ontneming tot ten hoogste de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag achterwege te laten. Deze toezegging kan de vorm aannemen van een schikking ex artikel 511 Sv. Een dergelijke toezegging komt aan de orde op het moment dat het openbaar ministerie normaal gesproken, dus als er geen overeenkomst tot het afleggen van verklaringen was, tot ontneming van het volledige bedrag zou overgaan.

Dit wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige met wie het een overeenkomst zou willen sluiten, altijd gehouden is om ten minste de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel te vorderen. Voor zover het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.

Blijkens de considerans bij de OM-deal heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak Houtman om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [Peter la S.] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [Peter la S.] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de RBO. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.

De rechtbank slaat geen acht op de stelling van het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.000 kan worden weggestreept tegen tip- en toondergeld, nu onvoldoende is komen vast te staan dat [Peter la S.] hierop zonder overeenkomst ex art. 226g Sv daadwerkelijk recht zou hebben gehad. Evenwel heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [Peter la S.] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat [Peter la S.] na ommekomst van een langdurige vrijheidsstraf door middel van getuigenbeschermingsmaatregelen vanaf de grond een zelfstandig bestaan zou moeten gaan opbouwen, waardoor een ontnemingsmaatregel in feite een vestzak-broekzak-kwestie zou worden. Bovendien is een voorbehoud gemaakt voor het geval alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.

Nu voorts niet is gebleken dat het openbaar ministerie met [Peter la S.] heeft onderhandeld over het al dan niet achterwege laten van een ontnemingsvordering, is er geen sprake van een toezegging in ruil voor af te leggen verklaringen. De stelling dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing mist dan ook feitelijke grondslag.

Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging van de rechtbank en neemt deze over. Het hof bezigt dezelfde overwegingen waar het gaat om de beoordeling van het verweer dat het afzien van voordeelsontneming onder de criminele getuige [Fred R.] in strijd is met de (bedoeling van de) Wet toezeggingen aan getuigen. Het hof voegt daaraan nog toe dat de officier van justitie de in artikel 311, eerste lid, derde volzin, Sv bedoelde mededeling niet heeft gedaan, hetgeen de drempel voor indiening van een ontvankelijke ontnemingsvordering vrijwel onneembaar heeft gemaakt. Daarnaast overweegt het hof dat de in de schriftelijke afspraak (blz. 6, laatste gedachtestreep) weergegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid tot de beslissing tot afzien van een ontnemingsvordering hebben kunnen leiden. De beslissingen van de officier van justitie om tegen [Peter la S.] noch tegen [Fred R.] een vordering tot voordeelsontneming te doen zijn derhalve niet in strijd met de door de verdediging aangehaalde regels, die voortvloeien uit het beloningsverbod, genomen.

2.2.2.2.4.2.7. De hoogte van de basis-strafeis in relatie tot de omvang van de toezegde vordering tot vermindering

De verdediging heeft in hoger beroep andermaal betoogd dat de strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter la S.] ten laste gelegde feiten hoger had kunnen zijn, te meer nu hij voor een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet voor zijn betrokkenheid daarbij is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter la S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.

De basisstrafeis

Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

De verdediging stelt dat de tegen [Peter la S.] geformuleerde basisstrafeis van 16 jaren verhoudingsgewijs zo laag is dat kennelijk sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Bij de vaststelling van de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie in de eerste plaats de ernst van de feiten ingewogen. Het openbaar ministerie betrok daarbij dat voor de aan [Peter la S.] ten laste gelegde feiten, die alle dateren van voor 1 februari 2006, als tijdelijke vrijheidsstraf ten hoogste een gevangenisstraf van 20 jaren zou kunnen worden opgelegd. Daarnaast is ingewogen dat er, voordat [Peter la S.] ging verklaren, geen enkele reden was om hem in verband te brengen met de feiten waarover hij verklaarde, en dat hij uit het criminele milieu wilde stappen.

De verdediging heeft gesteld dat de hoedanigheid van zelfmelder al is verwerkt in de halvering van de strafeis en niet ook nog mag meetellen bij de vaststelling van de basisstrafeis. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. De regel dat de strafeis voor een kroongetuige met ten hoogste de helft mag worden verminderd heeft ook betrekking op de verdachte die, nadat hij is aangehouden, probeert zijn procespositie te verbeteren door een overeenkomst te sluiten tot het afleggen van verklaringen tegen andere personen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom in het voordeel van een kroongetuige die nog geen verdachte was, niet zou mogen meewegen dat hij zichzelf heeft gemeld. Dit is immers een omstandigheid die bij de bepaling van de strafeis jegens andere verdachten ook pleegt te worden meegewogen. Dat [Peter la S.] mogelijk ook is gaan verklaren uit angst dat hij op enig moment toch verdacht zou worden van betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl maakt niet dat het openbaar ministerie aan het feit dat [Peter la S.] zichzelf heeft gemeld terwijl hij nog geen verdachte was, geen betekenis had mogen hechten.

De verdediging heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de ernst van de wens van [Peter la S.] om het criminele milieu te verlaten. De rechtbank zal dit punt in het midden laten, nu er in ieder geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zoveel twijfels moest hebben bij deze wens dat deze voor de basisstrafeis geen wegingsfactor had mogen zijn.

De rechtbank slaat ten slotte geen acht op de stellingen van partijen omtrent de invloed van gedragingen die wel verwerpelijk zijn maar waarvoor [Peter la S.] niet wordt vervolgd op de basisstrafeis. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die eis immers slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [Peter la S.] ten laste zijn gelegd.

Alles overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van zestien jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen.

Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging en conclusie van de rechtbank en neemt deze over. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de hoogte van de basis-strafeis niet kan worden geduid als een toezegging van de officier van justitie.

2.2.2.2.4.2.8. De “ [Willem H.] -weglatingen” als onrechtmatige toezegging van het Openbaar Ministerie aan de kroongetuige [Peter la S.]

Tijdens de gedingfase in eerste aanleg (2011) is gebleken dat door [Peter la S.] in zijn kluisverklaringen ook is verklaard over hetgeen door hem is waargenomen en ondervonden met betrekking tot betrokkenheid van [Willem H.] bij strafbare feiten. [Peter la S.] heeft naar zijn zeggen om redenen van vrees voor bedreiging door [Willem H.] aan de officier van justitie gevraagd de onderdelen van zijn afgelegde verklaringen die betrekking hebben op die [Willem H.] niet in de van zijn verklaringen opgemaakte processen-verbaal op te nemen. Het Openbaar Ministerie heeft met dat verzoek ingestemd en de verklaringen in even bedoelde zin “geschoond” gevoegd bij de afspraak die aan de rechter-commissaris ter rechtmatigheidstoetsing is voorgelegd. In het vervolg vanaf het beschikbaar komen van die processen-verbaal in 2007 heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdachten in wier zaken (de processen-verbaal, houdende de kluisverklaringen van) [Peter la S.] als getuige is ingezet onwetend gehouden van deze, wat is gaan heten, weglatingsafspraak. Het onrechtmatige karakter van deze toezegging en de schade voor de waarheidsvinding, toegebracht door deze afspraak en de lange duur van het onbekend blijven daarvan, en de aldus door het Openbaar Ministerie bij [Peter la S.] gewekte verwachtingen dat hij als getuige met de waarheid een loopje mocht nemen, dienen als onderdeel van onrechtmatig gedane toezeggingen bij te dragen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Aldus de verdediging.

Het verweer valt uiteen in enkele onderdelen. Het eerste houdt in dat het beloningsverbod is overtreden. De verklaringsbereidheid van de getuige is beïnvloed door de toezegging dat hij niet hoefde te verklaren over [Willem H.] .

Het tweede onderdeel bevat de klacht dat door de weglatingsafspraak belangrijke delen van de verklaringen van de getuige lange tijd buiten de processtukken zijn gehouden.

Een afzonderlijke, daarmee samenhangende, derde deelklacht luidt dat de getuige gedurende zeer lange tijd verklaringen is blijven afleggen op basis van deze weglatingsafspraak waardoor hij niet steeds naar waarheid althans onvolledig op vragen heeft geantwoord.

Tot slot wordt geklaagd dat de weglatingsafspraak tot gevolg heeft gehad dat de verklaringen van de getuige mogelijk zijn beïnvloed doordat alternatieve herinneringen zich hebben vastgezet in zijn geheugen.

De gestelde overtreding van het beloningsverbod is een zelfstandig vormverzuim. Daarnaast houden alle in de vier onderdelen bedoelde punten in dat er onherstelbare schade is toegebracht aan de waarheidsvinding.

Het verweer wordt voor een deel opgevat als een verweer als bedoeld in artikel 359a Sv. Een ander deel, in het bijzonder het derde, heeft direct betrekking op het recht op een eerlijk proces. De onderdelen worden hierna in hun samenhang besproken.

De CIE-officier van justitie die met [Peter la S.] heeft onderhandeld over de afspraak heeft er mee ingestemd dat deze zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] buiten de van zijn af te leggen verklaringen op te maken processen-verbaal zou houden.14 De tussen mr. [officier van justitie 1] en [Peter la S.] bestaande overeenstemming hierover is niet opgenomen in de afspraak op de voet van artikel 226g Sv. Het ging dus om een “geheime afspraak” die niet kenbaar was, noch voor de officier van justitie die ter terechtzitting het Openbaar Ministerie vertegenwoordigde, noch voor de verdachte en de verdediging, noch voor de rechter. Advocaat-generaal en verdediging zijn het erover eens dat het hier om een vormverzuim gaat. De vraag of het herstelbaar is houdt hen echter verdeeld.

Allereerst is aan de orde de vraag of het hier is gegaan om een beloning voor de bereidheid tot verklaren. Indien dat het geval is, heeft die beloning van meet af aan bestaan. Als dan bovendien causaal verband tussen de veronderstelde beloning en verklaringsbereidheid wordt aangenomen, kan redelijkerwijs van herstelbaarheid geen sprake meer zijn. De vraag is echter of het hier gaat om een toezegging waarop het verbod om te belonen betrekking heeft.

De basis van de kroongetuigenregeling is dat overheid en verdachte afspreken elk een prestatie te leveren. De afspraak die tot stand komt heeft aldus een “do ut des”-karakter. Tegenover de door de overheid toegezegde prestatie staat de bereidheid van de kroongetuige om met het prijsgeven van zijn verschoningsrecht verklaringen over nader bepaalde personen en delicten af te leggen. Die prestatie van de overheid bestaat in een aangepaste strafeis, die lager zal liggen dan in het geval er geen medewerking van de getuige is. Met de toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen is ontegenzeggelijk een context geschapen waarbinnen de bereidheid van [Peter la S.] tot zijn voortgaan op het pad van het afleggen van zijn verklaringen, in positieve zin werd beïnvloed. Deze is evenwel niet ontstaan doordat de overheid hier een prestatie tegenover heeft geplaatst. Dit kan ook blijken uit de wijze waarop die context permanent door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 1] is bewaakt. Hij heeft de verhoren van de getuige voortdurend “gemonitord”. Het doel hiervan was om te volgen of de getuige niet toch over [Willem H.] zou gaan verklaren waarvoor, wat mr. [officier van justitie 1] betreft, geen enkele belemmering bestond. 15

In dit licht bezien kan de gegeven toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als een vorm van beloning worden aangemerkt. Reeds daarom mist dit onderdeel van het verweer doel.

Het staat vast dat delen van de kluisverklaringen van [Peter la S.] , afgelegd in de periode van 11 september tot en met 2 november 2006, niet bij de processtukken zijn gevoegd. Dat er delen waren weggelaten is wel van meet aan bekend geweest. Maar over het feit dat het hier deels om belastende mededelingen over [Willem H.] ging en over de omstandigheid dat angst van [Peter la S.] voor [Willem H.] aan de verhulling ten grondslag lag, waren procespartijen en rechter onwetend gehouden. Deze situatie heeft voortgeduurd tot oktober 2011. Deze gang van zaken houdt in dat er van inhoudelijke onderdelen van de afgelegde verklaringen niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt. Voor zover dit wel is geschied (bijvoorbeeld het proces-verbaal van 7 november 2006 over op 2 november 2006 door [Peter la S.] gemaakte opmerkingen) zijn deze stukken aan de verdachte onthouden.

Daarmee zijn kernvoorschriften van strafvordering, die mede strekken tot het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, te weten artikel 152 Sv en artikel 33 Sv, zoals dat luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding, in zeer aanzienlijke mate geschonden.

Na de totstandkoming van de afspraak tussen [Peter la S.] en de Staat zijn de gebeurtenissen als volgt geweest. Op 3 oktober 2011 heeft [Peter la S.] , ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld. Dit is in een proces-verbaal van 10 oktober 2011 door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 1] bevestigd. Vervolgens zijn deze [Willem H.] -weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd. Daaraan zijn toegevoegd enkele processen-verbaal van de CIE-officier van justitie en het hiervoor genoemde proces-verbaal van 7 november 2006 van enkele CIE-ambtenaren. In deze documenten is de gang van zaken rondom de totstandkoming van de weglatingen gerelateerd en verantwoord.

Op deze wijze heeft volledig herstel plaatsgehad in die zin dat al hetgeen [Peter la S.] heeft gezegd over [Willem H.] in de verhoren die hebben geleid tot de vijftien kluisverklaringen in het procesdossier is ingebracht.

Dat ligt anders voor de verklaringen die [Peter la S.] vanaf 15 maart 2007 heeft afgelegd. De weglatingsafspraak heeft erin geresulteerd dat [Peter la S.] onvolledig is geweest in de beantwoording van vragen die hem op en na die datum zijn gesteld tijdens verhoren door politieambtenaren en door en ten overstaan van rechter-commissaris en zittingsrechter. Hij heeft voortgezet verklaard in lijn met de niet-kenbare weglatingsafspraak. Daarom is deze gang van zaken naar zijn aard onherstelbaar.

Nu hieraan de instemming van het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft gelegen, leent dit zich in elk geval voor de constatering dat op de kwaliteit en de volledigheid van de waarheidsvinding een inbreuk is gemaakt, waardoor het Openbaar Ministerie is tekort geschoten in zijn bijdrage aan de eerlijkheid van het proces, zoals dat is gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Indien en voor zover de politieverhoren van [Peter la S.] als parallel opsporingsonderzoek worden aangemerkt, is op diezelfde grond tevens sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In elk geval is de ongeschreven rechtsregel dat het opsporingsonderzoek in alle opzichten aan eisen van integriteit dient te voldoen, niet volledig nageleefd. Deze verzuimen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

[Peter la S.] heeft in de periode 15 maart 2007 tot 3 oktober 2011 informatie over [Willem H.] buiten zijn verklaringen gehouden. Bij vragen waar een vollediger beeld zou zijn ontstaan als [Willem H.] wel in het antwoord zou zijn betrokken, is deze toch niet door hem genoemd. Bij de bespreking van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] zal hierop uitgebreider worden ingegaan. Het kernpunt waar het hier in het bijzonder om gaat is dat [Peter la S.] een drietal personen heeft genoemd die allen een rol zouden hebben gehad in de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit zijn [Ali A.] , [Willem H.] en [Dino S.] . Sprekend over diverse moorden heeft [Peter la S.] er melding van gemaakt dat zij alle drie een rol van betekenis hebben gespeeld.

Het nadeel dat hiervan voor [Mohamed R.] in diens strafzaak is ontstaan laat zich niet zo eenvoudig in beeld brengen. De verdediging heeft dit ook niet met enige mate van precisie aangeduid. Het gaat weliswaar om een belangrijk thema in de verklaringen van [Peter la S.] , maar aan de verdachte zijn feiten ten laste gelegd die zijn gepleegd in 1993 waarbij de drie genoemde personen geen rol hebben gespeeld in de opdrachtverstrekking. Ook overigens is niet gebleken dat [Willem H.] enige rol heeft gespeeld in de gebeurtenissen die verband houden met deze ten laste gelegde moorden. Het hof begrijpt dat namens de verdachte is betoogd dat het nadeel erin bestaat dat de waarheidsvinding in het algemeen hierdoor onder druk is komen te staan, omdat [Peter la S.] de ruimte heeft gekregen om niet volledig te verklaren. In het navolgende zal het hof onderzoeken of er, uitgaand van deze abstracte benadering, mogelijk nadeel voor de verdachte is ontstaan. Daarbij zal in eerste instantie worden nagegaan of de [Willem H.] -weglatingen in het algemeen nadeel hebben veroorzaakt.

Met betrekking tot het ontstane nadeel voor de verdachte overweegt het hof nader als volgt.

[Peter la S.] heeft vanaf 3 oktober 2011 zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] laten vallen. Sindsdien heeft hij over diens rol naar eigen zeggen niet langer gemankeerde antwoorden op vragen gegeven. [Peter la S.] is ter terechtzitting van de rechtbank diverse malen bevraagd over de rol van [Willem H.] bij de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit is aanvankelijk gebeurd zonder dat de weggelaten passages van de kluisverklaringen beschikbaar waren, direct volgend op de onthulling van de weglatingsafspraak. Nadat de weglatingen in de processen-verbaal van verhoor waren teruggeplaatst is hij daarover nog meermalen gehoord. Bovendien is als gevolg van de onthulling door de rechtbank bepaald dat de eerste twee kluisverklaringen, die tot dan toe als oriënterend en vertrouwelijk van karakter waren beschouwd, woordelijk dienden te worden uitgewerkt en aan de processtukken moesten worden toegevoegd. Ook zijn in opdracht van de rechtbank de relevante onderdelen van het gesprek tussen officier van justitie mr. [officier van justitie 1] en [Peter la S.] van 22 november 2006 in woordelijk uitgewerkte vorm aan de processtukken toegevoegd. Hiermee is hetgeen [Peter la S.] in het prille begin aan de CIE had toevertrouwd vollediger dan tot dan toe het geval was ter kennis gekomen van procespartijen en van de rechter. De betrokken CIE-officier van justitie en de CIE-medewerkers die met [Peter la S.] in de beginperiode hadden gesproken (de zogeheten Z-verbalisanten) zijn ter terechtzitting van de rechtbank of door de rechter-commissaris gehoord.

In hoger beroep zijn op last van het hof de processtukken nader aangevuld. De journaals van de CIE over de contacten met [Peter la S.] vanaf 10 augustus 2006 en processen-verbaal met daarin de woordelijke uitwerking van opnames van gesprekken met [Peter la S.] in de oriënterende fase, voor zover nog niet ingebracht, zijn aan het dossier toegevoegd. Alleen enkele onderdelen die in verband met veiligheidsbelangen vertrouwelijk dienden te blijven zijn na een toets door de rechter-commissaris buiten de toegevoegde stukken gebleven. [Peter la S.] , CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 1] en de verbalisant Z-038 van de CIE zijn in de appelfase bovendien opnieuw als getuigen gehoord.

Het hof stelt voorts vast dat de politieambtenaren die belast waren met het opsporingsonderzoek in de zaak van de verdachte geen van allen kennis droegen van de weglatingsafspraak. Hetzelfde geldt voor de officieren van justitie die aan dit onderzoek leiding hebben gegeven en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van de rechtbank hebben vertegenwoordigd. Dit betekent dat noch in het opsporingsonderzoek noch bij de ondervraging van getuigen en van de verdachte ten overstaan van de rechter de weglatingsafspraak strategisch is ingezet door het Openbaar Ministerie.

Deze omstandigheden brengen geen verandering in de hiervoor geconstateerde gebreken maar relativeren wel de mate waarin deze aan het Openbaar Ministerie kunnen worden verweten.

Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van een vormverzuim dat niet kon worden gerepareerd maar dat wel toereikend is gecompenseerd. Als gevolg van het in eerste en tweede aanleg uitgevoerde aanvullende onderzoek is in ruime mate compensatie geboden voor het nadeel dat voor de verdachte is ontstaan. Daarom kan worden volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden en hoeft hieraan naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolg te worden verbonden.

Hiermee resteert de vraag of [Peter la S.] niet alleen onvolledig maar daarnaast ook niet naar waarheid heeft verklaard. Het hof heeft het verweer bij de weergave van de onderdelen ervan zo opgevat dat dit twee aspecten heeft. [Peter la S.] zou in zijn pogingen om niet over [Willem H.] te spreken onjuiste antwoorden kunnen hebben gegeven, onder meer over andere betrokken personen. Daarnaast zouden zijn telkens gegeven onjuiste antwoorden hebben geleid tot blijvende verandering van zijn herinneringen hetgeen ook in niet met de werkelijkheid overeenkomende antwoorden kan hebben geresulteerd.

Het hof merkt op dat deze vragen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] . Deze zullen in een hiernavolgend onderdeel van dit arrest worden besproken.

2.2.3

Eindconclusie

Met het voorgaande is het ontvankelijkheidsverweer, voor zover [Mohamed R.] daarbij effectief aansluiting heeft gezocht, in al zijn onderdelen besproken en beoordeeld. In de gang van zaken rondom de [Willem H.] -weglatingen heeft het hof een onherstelbaar vormverzuim vastgesteld, dat evenwel toereikend is gecompenseerd. Op die grond heeft het hof volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden.

Het door het hof verrichte onderzoek naar aanleiding van al hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hof ook geen aanleiding ziet voor honorering van de subsidiair en meer subsidiair bepleite gevolgen die door de verdediging aan de verweren zijn verbonden. Dit betekent dat, in ieder geval op de gronden die in het kader van deze verweren zijn aangevoerd, geen reden is voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuige [Peter la S.] en [getuige 1] en evenmin voor vermindering van een op te leggen straf.

Korte samenvatting hoofdstuk 2.2

- De verdediging heeft betoogd dat de gang van zaken rond de overeenkomst met de kroongetuige [Peter la S.] onrechtmatig is, reden waarom het Openbaar Ministerie – mede gelet op andere onrechtmatigheden – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair zouden de verklaringen van [Peter la S.] uitgesloten moeten worden van het bewijs. Meer subsidiair zou er strafvermindering plaats dienen te vinden.

- Het hof heeft de toepasselijke regelgeving en de wetsgeschiedenis onder ogen gezien en komt in het licht daarvan tot de volgende overwegingen en conclusies:

- Er is geen toetsende rol toebedeeld aan de strafrechter, ook niet aan de rechter-commissaris, ten aanzien van maatregelen van getuigenbescherming die voor een (kroon)getuige zijn getroffen;

- Er is geen gehoudenheid voor het Openbaar Ministerie om de (financiële) contouren van die getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken;

- Hetgeen gedurende het proces is gebleken omtrent die (financiële) contouren rechtvaardigt niet de conclusie dat onder het mom van getuigenbescherming toezeggingen zijn gedaan die strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren.

- De wettelijke regeling voor de kroongetuige heeft geen verandering gebracht in de aan het opportuniteitsbeginsel ontleende vervolgingsvrijheid van de officier van justitie. Aan een kroongetuige mag geen immuniteit worden toegezegd. Maar daarmee is geen begrenzing van het opportuniteitsbeginsel beoogd. Van belang is of de wijze waarop aan dat beginsel invulling is gegeven op één lijn moet worden gesteld met een ongeoorloofde toezegging tot het verlenen van immuniteit. Het hof hanteert daarbij als maatstaf of een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde punten is het hof van oordeel dat daarin geen ongeoorloofde immuniteitstoezeggingen te constateren zijn.

- Delen van de verklaringen van [Peter la S.] , die handelden over [Willem H.] , zijn aanvankelijk niet bij de processtukken gevoegd (de zogenaamde “ [Willem H.] -weglatingen”). Dat is een vormverzuim dat voor een deel is hersteld. Het hof stelt vast dat het vormverzuim, voor zover niet herstelbaar, is gecompenseerd zodat daaraan geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.

- Voor niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering naar aanleiding van deze verweren is daarom geen aanleiding.

2.3

De telecom in de “93-zaken”

Door de verdachte en diens verdediging is gedurende het proces in hoger beroep met regelmaat aandacht gevraagd voor het veelomvattende onderwerp historische verkeersgegevens en tapverslagen, gelabeld als ‘Telecom’. Bij pleidooi is betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, om welke reden primair het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de ’93-zaken. Subsidiair dienen de telecomgegevens in de ’93-zaken te worden uitgesloten van het bewijs. Meer subsidiair is het verzuim aanleiding voor strafvermindering.

Ter onderbouwing hiervan is door de verdediging - zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

De telecomgegevens zijn in de zogenaamde ’93-zaken’ van grote betekenis in de bewijslevering. Het is daarom van groot belang dat daarmee zorgvuldig wordt omgegaan. Het bepaalde in de artikelen 126cc Sv (waarin de bewaarplicht voor dergelijke gegevens is geregeld) en 152 en 153 Sv (waarin de verbaliseringsplicht is neergelegd) scheppen de voorwaarden om de resultaten van opsporingsactiviteiten te kunnen controleren, betwisten en waarderen. Met betrekking tot de telecomgegevens in de ’93-zaken’ zijn tegen die achtergrond de navolgende gebreken te constateren:

ad a) de in het dossier aanwezige lijsten met verkeersgegevens (de zogenaamde ‘printlijsten’) zijn onvolledig. Er ontbreken gedeelten, er ontbreken printlijsten van relevante nummers en de inhoud van de wel beschikbare printlijsten is soms onvolledig;

ad b) er zijn (telecom)gegevens uitgewisseld tussen verschillende onderzoeksteams, terwijl verslaglegging daaromtrent gebrekkig is en onderliggende machtigingen deels ontbreken;

ad c) de telecomgegevens in het zaaksdossier Cobra en het zogenaamde ASA-dossier zijn besmet doordat deze voortkomen uit onrechtmatig afgeluisterde gesprekken uit het zogenaamde Parthenon-onderzoek;

ad d) de door de verdediging gestelde vragen met betrekking tot de telecomgegevens zijn door het Openbaar Ministerie afgehouden, dan wel gebrekkig c.q. misleidend beantwoord.

Genoemde manco’s hebben tot gevolg dat zowel formeel als materieel onneembare hindernissen zijn ontstaan voor de verdediging in deze ’93-zaken’.

De niet-naleving van de voorschriften van de artikelen 126cc, 152 en 153 Sv levert een onherstelbaar vormverzuim op. De ernst van dat verzuim volgt uit de opeenstapeling van belemmeringen voor controle door de verdediging, waarin ook het veroorzaakte nadeel is gelegen. Mede in het licht van Europese jurisprudentie, waarin het recht op tegenspraak en het recht op gelijke wapenen is benadrukt, moet geoordeeld worden dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van [Mohamed R.] aan het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Met betrekking tot de subsidiair bepleite bewijsuitsluiting geldt, dat door die uitsluiting de bezwaren die kleven aan het aanwezige telecommateriaal kunnen worden weggenomen en de hindernissen voor de verdediging vervallen.

Een strafvermindering tenslotte, zoals meer subsidiair bepleit, zou het nadeel voor [Mohamed R.] kunnen compenseren.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Noch voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, noch voor bewijsuitsluiting of strafvermindering is aanleiding, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat de telecomgegevens uit 1993 niet volledig zijn. De advocaat-generaal heeft bij repliek (p.64) een aantal mogelijke oorzaken voor die onvolledigheid genoemd. De verdediging heeft gesteld dat de oorzaak ongewis is, maar dat er geen aanwijzingen voor moedwillig handelen zijn. Het hof wijst erop dat het hier gegevens uit 1993 betrof, een periode waarin de mobiele telefonie nog in de kinderschoenen stond en waarin verkeersgegevens minder volledig en gestructureerd werden vastgelegd, bewaard en verstrekt dan heden ten dage het geval is. Ook was toen het door de verdediging genoemde artikel 126cc Sv, waarin de bewaarplicht thans is vastgelegd, nog niet in werking getreden en kon eventuele vernietiging van bepaalde gegevens in overeenstemming zijn met de toen geldende wetgeving. Het hof overweegt dat de enkele constatering van een onvolledigheid, een onjuistheid of een hiaat in de printlijsten onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Waar de oorzaak daarvoor ongewis is, is immers ook niet zonder meer aannemelijk dat er een vormvoorschrift is geschonden. Ook de gesuggereerde oorzaken zijn niet terug te brengen tot schendingen van vormvoorschriften. Vanzelfsprekend brengt de vaststelling dat de gegevens onvolledig zijn wel mee dat de wél beschikbare gegevens met behoedzaamheid dienen te worden beschouwd.

ad b) Aangenomen moet worden dat, waar in de jaren ’90 van de vorige eeuw door verschillende onderzoeksteams onderzoeken werden gedaan naar (deels) dezelfde personen, er (telecom)gegevens zijn uitgewisseld en/of informatie met betrekking tot die personen is gedeeld. Het hof overweegt dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, die ontbreken – ervan dient te worden uitgegaan dat de betreffende informatie in de onderliggende onderzoeken rechtmatig is verkregen. Ook is er geen rechtsregel die zich tegen uitwisseling van informatie tussen onderzoeksteams verzet. De enkele stelling dat thans niet duidelijk is wat precies de herkomst en context van de betreffende gegevens en informatie was en dat niet meer controleerbaar is of die gegevens en informatie oorspronkelijk rechtmatig waren verkregen, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een vormverzuim.

ad c) In de zogenaamde Parthenon-zaak (een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op een criminele organisatie rond [Cobra-betrokkene-1] ) zijn afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken door de rechter uitgesloten van het bewijs in die zaak. De daarvoor gegeven motivering hield in dat er weliswaar sprake was van rechtmatige tapmachtigingen maar dat de wijze van onderscheppen van de via mobiele telefoons gevoerde gesprekken onrechtmatig was geweest. De onderschepping had, bij gebrek aan betere technologische mogelijkheden, plaatsgevonden door middel van het scannen van de ether in de omgeving waarin het betreffende telefoontoestel zich bevond. Nog daargelaten de vraag of het feitelijk zo is dat de telecomgegevens in de zaak Cobra en in het ASA-dossier hun oorsprong vinden in de inhoud van die in het onderzoek Parthenon afgeluisterde gesprekken, geldt dat niet valt in te zien dat dit een verzuim zou zijn in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen [Mohamed R.] , noch in welk rechtens te beschermen belang [Mohamed R.] zou zijn geschaad door een eventueel gebruik voor het bewijs van die gesprekken.

ad d) Nog daargelaten de vraag of het hier door de verdediging aan het Openbaar Ministerie gemaakte verwijt wel een verzuim in het voorbereidende onderzoek betreft, geldt dat het hof in ieder geval vaststelt dat gedurende het strafproces in hoger beroep de door de verdediging opgeworpen vragen door de advocaten-generaal steeds zoveel mogelijk zijn beantwoord, dat nader onderzoek is gedaan naar de printlijsten en dat door opsporingsambtenaren (aanvullende) processen-verbaal zijn opgemaakt. Dat sommige vragen niet beantwoord zijn kunnen worden en dat sommige antwoorden niet naar tevredenheid van de verdediging waren, rechtvaardigt niet het oordeel dat beantwoording is afgehouden of dat deze misleidend, nalatig of onzorgvuldig is geweest.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van verzuimen in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Sv, geen sprake is. Evenmin is er grond voor het oordeel dat de verdediging op zodanige wijze is beknot in haar mogelijkheden de telecominformatie te controleren en te betwisten dat om die reden er geen sprake meer is geweest van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt derhalve verworpen. Noch voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging noch voor bewijsuitsluiting van de telecomgegevens, noch voor strafvermindering is aanleiding.

Korte samenvatting hoofdstuk 2.3

- De verdediging heeft betoogd dat er zodanige verzuimen zijn begaan met betrekking tot de telecomgegevens in de zogenoemde ’93-zaken’ dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Subsidiair zouden deze gegevens van het bewijs moeten worden uitgesloten, meer subsidiair zou strafvermindering dienen plaats te vinden.

- Het hof overweegt dat weliswaar in de betreffende telecomgegevens onvolledigheden, hiaten en onjuistheden te constateren zijn, maar dat van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv geen sprake is.

- Voor niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering naar aanleiding van dit verweer is daarom geen aanleiding.

2.4 “255

“255 Sv verweer” in de zaak Opa

2.4.1

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van [Mohamed R.] ter zake de moord op [slachtoffer 3] , omdat [Mohamed R.] in 2008 ten onrechte opnieuw in rechten is betrokken, nadat hem in de jaren ’90 een kennisgeving van niet-verdere vervolging was betekend. Daartoe is aangevoerd dat de in 2008 gepresenteerde bezwaren ten tijde van het betekenen van voornoemde kennisgeving reeds bekend waren bij het Openbaar Ministerie, zodat geen sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van art. 255 Sv. De verdediging heeft in dat verband het standpunt ingenomen dat de telecomgegevens niet als nieuwe bezwaren kunnen gelden, omdat het om oude, reeds onderzochte gegevens gaat. Ook de verklaringen van de getuige [Peter la S.] , [getuige 20] , [slachtoffer 15] , [getuige 31] , [getuige 32] , [getuige 33] en [getuige 34] leveren – om redenen zoals vermeld in de pleitnotitie – geen nieuwe bezwaren op, aldus de verdediging.

2.4.2

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen, omdat ten tijde van het opnieuw in rechten betrekken van de verdachte en het moment van dagvaarden wel degelijk sprake was van nieuwe bezwaren. De advocaat-generaal heeft ter adstructie van dit standpunt gewezen op de verklaringen van de getuige [Peter la S.] over de onderlinge relatie tussen [Jesse R.] en [Mohamed R.] en de betrokkenheid van [Jesse R.] en/of [Mohamed R.] in de met elkaar verband houdende zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra. De advocaat-generaal heeft voorts gewezen op verklaringen van de getuigen [getuige 31] , [getuige 20] en [slachtoffer 15] en op de nadere analyse van de telecomgegevens. Deze telecomgegevens zijn, hoewel niet nieuw, door de verklaringen van [Peter la S.] en het daaropvolgende onderzoek in een ander licht komen te staan en kunnen derhalve als nieuw bezwaar gelden, aldus de advocaat-generaal.

2.4.3

Beoordeling hof

2.4.3.1 Het toetsingskader

Artikel 255 (oud) Sv luidde op de dag waarop de dagvaarding ter zake de moord op [slachtoffer 3] is uitgebracht (29 januari 2009), voor zover van belang, als volgt:

  1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.

  2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.

  3. In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.

Het procedurevoorschrift van art. 255, derde lid, Sv, zoals dit destijds luidde, strekt tot waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder is afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard. Eerst diende de rechter-commissaris ter zake van die nieuwe bezwaren een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen, dat aldus kon dienen ter toetsing en zo nodig nadere onderbouwing van de door het Openbaar Ministerie aanwezig geachte nieuwe bezwaren.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, indien aan een verdachte een kennisgeving van niet-verdere-vervolging is betekend en hij daarna ter zake van hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, de zittingsrechter die over de strafzaak oordeelt uiteindelijk dient te beoordelen of er van nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255 Sv is gebleken, op grond waarvan de betrokkene opnieuw mocht worden gedagvaard. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging.

De door de zittingsrechter uit te voeren toets is, ingeval van ter terechtzitting aangevoerde bezwaren tegen een gestelde te lichtvaardige vervolging, een volle, in die zin dat deze niet met terughoudendheid wordt uitgevoerd. Dit laat onverlet dat het object van deze toets het bestaan van nieuwe bezwaren is, dat wil zeggen of is gebleken van nieuwe aanwijzingen van strafbare betrokkenheid. Bij de toets dient de zittingsrechter de resultaten die zijn voortgekomen uit het opsporingsonderzoek dat ná het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgevonden en die voorafgaand aan het moment van dagvaarden aan het dossier zijn toegevoegd, te betrekken. Voorts overweegt het hof dat de nieuwe bezwaren als geheel dienen te worden beoordeeld op hun bijdrage aan het vermoeden van schuld van de verdachte. Voor een geïsoleerde benadering en weging van elk door het Openbaar Ministerie als nieuw bestempeld bezwaar afzonderlijk biedt de regeling van artikel 255 Sv, bezien in samenhang met het stelsel van strafvordering, geen steun.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat onjuist is de opvatting dat nadere verklaringen van getuigen over de strafbare betrokkenheid van andere betrokkenen bij een strafbaar feit geen nieuwe bezwaren jegens een verdachte ten aanzien van datzelfde feit kunnen opleveren. Immers is denkbaar dat een verklaring over de betrokkenheid van een derde, ander, nieuw of méér licht werpt op de vraag welke personen of dadergroep bij het strafbare feit betrokken zijn, waardoor andere bewijsmiddelen aan betekenis winnen.

2.4.3.2 De feitelijke gang van zaken

Op 19 april 1993 is in Amsterdam [slachtoffer 3] doodgeschoten. De politie heeft vervolgens onderzoek verricht naar de toedracht van deze moord. Dat onderzoek heeft geresulteerd in de aanhouding van [Jesse R.] en [Mohamed R.] op 27 juli 1993.16 Op 5 oktober 1993 heeft de rechtbank Amsterdam de voorlopige hechtenis van [Mohamed R.] opgeheven.17 In het najaar van 1996 zijn kennisgevingen van niet-verdere vervolging aan [Mohamed R.] en [Jesse R.] betekend.18

Vanaf het najaar van 2006 heeft [Peter la S.] bij de politie (CIE en tactische recherche) en bij de rechter-commissaris vele verklaringen afgelegd over onder meer de betrokkenheid van [Jesse R.] bij de moord op [slachtoffer 3] , maar ook over de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Mohamed R.] bij andere moorden (zaaksdossiers Cobra en Opa). Het hof stelt vast dat de verklaring van [Peter la S.] over de moord op [slachtoffer 3] steun vindt in het dossier, in het bijzonder de technische bevindingen over het gebruikte vuurwapen en de verklaring van [getuige 4] over het Aziatische uiterlijk van één van de daders.

Naar aanleiding van deze verklaringen heeft de politie een groot aantal getuigen (opnieuw) gehoord en is in het kader van het onderzoek Opa nader onderzoek verricht naar de samenhang tussen telecomgegevens betreffende de moord op [slachtoffer 3] alsmede twee andere moordonderzoeken, te weten de zaaksdossiers Tanta en Cobra.

Op 18 december 2008 heeft de officier van justitie gevorderd dat een gerechtelijk vooronderzoek zal worden ingesteld ter fine van het toetsen van de nieuwe bezwaren ten aanzien van [Mohamed R.] . De vordering is door de rechter-commissaris toegewezen.19 Aan deze vordering is een proces-verbaal ten grondslag gelegd waarin diverse bezwaren tegen [Mohamed R.] staan opgesomd. Het betreft onder meer:

  • -

    een verklaring van de getuige [slachtoffer 15] dat [Cobra-betrokkene-1] hem heeft verteld dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] de daders zijn;

  • -

    een verklaring van de getuige [getuige 31] dat de getuige [getuige 32] haar heeft verteld dat een Marokkaantje hem op Ibiza heeft verteld dat [slachtoffer 3] door dat Marokkaantje zou worden omgelegd vanwege een conflict met een meisje dat in Amsterdam “achter de ramen” zat, alsmede een verklaring van [getuige 32] dat hij [Mohamed R.] kent en hem op Ibiza heeft ontmoet;

  • -

    een verklaring van de getuige [getuige 20] dat hij heeft gehoord dat Pinny [hof: [Pinny S.] ] “die boys had ingehuurd” en dat met die “boys” in elk geval [Mohamed R.] werd bedoeld;

  • -

    bevindingen betreffende de printgegevens van het aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toegeschreven mobiele telefoontoestel -1810 waaruit blijkt van betekenisvolle contacten tussen deze -1810 en telefoonnummers in gebruik bij [Pinny S.] althans haar familieleden.20

In het proces-verbaal zijn niet vermeld de hiervoor besproken verklaringen van [Peter la S.] . Gelet op het hiervoor vermelde toetsingskader dienen echter ook diens verklaringen over de betrokkenheid van [Jesse R.] bij de beoordeling te worden betrokken.

In een proces-verbaal van 7 januari 2009 is de samenhang tussen de telecomgegevens in de zaken Tanta, Cobra en Opa en de rol van de aan [Mohamed R.] , [Jesse R.] en de overige verdachten toegeschreven telefoonnummers en semafoonnummers uitgebreid geanalyseerd. Zoals het hof bij de bespreking van het bewijs van die zaken overweegt, blijkt hieruit dat de telefoonnummers welke bij [Mohamed R.] , [Jesse R.] en de overige verdachten in die periode in gebruik waren, betekenisvolle contacten met elkaar onderhouden. Het hof verwijst naar de bespreking van het bewijs over de samenhang tussen de betreffende zaaksdossiers en de in dat verband gebezigde bewijsmiddelen.

Bij dagvaarding van 29 januari 2009 is [Mohamed R.] gedagvaard voor onder meer de moord op [slachtoffer 3] .

2.4.3.3 De waardering door het hof

Uit de verklaringen die zijn vermeld in het proces-verbaal dat ten grondslag lag aan de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, bezien in samenhang met de verklaringen van [Peter la S.] , was sprake van nieuwe bezwaren op het moment dat [Mohamed R.] opnieuw in rechten werd betrokken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De overgebrachte verklaring van [slachtoffer 15] vormt evident een nieuw bezwaar. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gelet op de gebleken samenwerking tussen [Mohamed R.] en [Cobra-betrokkene-1] in de periode waarin de moorden van de zaaksdossiers Tanta, Cobra en Opa plaatsvonden, bepaald niet kon worden uitgesloten dat [Cobra-betrokkene-1] inderdaad beschikte over informatie over het daderschap van [Mohamed R.] . Voor zover in het verweer de stelling is betrokken dat het door [Cobra-betrokkene-1] ten overstaan van [slachtoffer 15] noemen van de naam van [Mohamed R.] als dader geen nieuw bezwaar kan opleveren omdat [Mohamed R.] al in 1993 verdachte was, miskent die stelling dat niet bepalend is of een persoon reeds als verdachte in beeld is geweest, maar of een verklaring die verdenking (verder) heeft versterkt. Dat laatste is hier het geval geweest.

Ook de verklaring van de getuige [getuige 31] vormt een nieuw bezwaar. Dat de getuige [getuige 32] nadien [getuige 31] heeft weersproken op het punt van de door hem aan haar gedane mededeling, maakt op zichzelf niet dat daarmee het bezwarende karakter van de verklaring van [getuige 31] is weggenomen, aangezien daarvoor andere redenen denkbaar kunnen zijn en de betrouwbaarheid van een verklaring uiteindelijk door de rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van de gehele inhoud van het dossier.

Aangaande de verkeersgegevens constateert het hof dat in het proces-verbaal dat in 2008 aan de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek ten grondslag is gelegd, is gerelateerd dat “uit de analyse van de printgegevens in 2008 [onderstreping hof] ”is gebleken van een relevant contactmoment tussen de aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toegeschreven telefoon -1810 en het adres van de moeder van [Pinny S.] . Uit deze formulering leidt het hof af dat deze verkeersgegevens in de jaren ’90 niet uitputtend zijn onderzocht. Dat blijkt ook uit het volgende. Nadat in 2008 een nieuw gerechtelijk vooronderzoek werd ingesteld, doch voordat [Mohamed R.] in 2009 ter zake de moord op [slachtoffer 3] werd gedagvaard, is de verdenking dat [Mohamed R.] betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer 3] bovendien versterkt door een uitgebreide analyse van de verkeersgegevens in de zaaksdossiers Opa, Tanta en Cobra. Uit het betreffende proces-verbaal blijkt van een voor die zaaksdossiers betekenisvolle samenhang tussen de verkeersgegevens van diverse aan [Mohamed R.] , [Jesse R.] , [N.P. de B.] , [Freek S.] en [Pinny S.] toe te schrijven telefoon- en semafoonnummers. Het hof verwijst naar hetgeen in de bewijsoverwegingen is overwogen ten aanzien van deze samenhang. Nu de hieraan ten grondslag gelegde gegevens niet eerder op een dergelijke veelomvattende wijze zijn onderzocht, kan ook dit proces-verbaal als nieuw bezwaar worden aangemerkt.

Met betrekking tot de getuige [getuige 20] geldt het volgende. Tijdens de behandeling van de zaak Passage is – ook op last van het hof – meermalen tevergeefs getracht [getuige 20] nader te doen horen. Het is derhalve niet mogelijk gebleken om door middel van een nader verhoor diens redenen van wetenschap te achterhalen. Dat maakt echter niet dat de verklaring van de getuige – voorafgaand aan het moment van dagvaarden – in het geheel niet bijdroeg aan de nieuwe bezwaren, nu de getuige specifiek personen noemt die juist ook anderszins uit het onderzoek als betrokkenen naar voren kwamen ( [Mohamed R.] en [Pinny S.] ) en de getuige ook overigens een zeer goed ingevoerde indruk ten aanzien van het Amsterdamse criminele milieu maakt, concrete details over [Pinny S.] benoemt en zijn sociale kring kennelijk raakt aan de familie van het slachtoffer. Zijn verklaring komt derhalve niet geheel uit de lucht vallen. In samenhang met de overige nieuwe bezwaren ziet het hof geen grond voor het oordeel dat zijn verklaring geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De slotsom luidt derhalve dat sprake is van nieuwe bezwaren op grond waarvan de hernieuwde vervolging van [Mohamed R.] kon plaatsvinden, zodat het verweer wordt verworpen.

Korte samenvatting hoofdstuk 2.4

- De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van [Mohamed R.] ter zake de moord op [slachtoffer 3] , omdat [Mohamed R.] in 2008 ten onrechte opnieuw in rechten is betrokken, nadat hem in de jaren ’90 een kennisgeving van niet-verdere vervolging was betekend.

- Het hof is van oordeel dat nieuwe bezwaren tegen [Mohamed R.] rechtvaardigden dat hij in 2008 opnieuw in rechten werd betrokken. Verklaringen van nieuwe getuigen, bezien in samenhang met elkaar en met reeds bekende onderzoeksresultaten, leverden die nieuwe bezwaren op.

3 Het bewijs

3.1

Verkenning van het bewijs in de zaak Passage

In het Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar zeven moorden en de berechting van (thans) tien verdachten.

Ook wanneer van dit zeer omvangrijke dossier slechts oppervlakkig wordt kennisgenomen springt – naast de ernst van de beschuldigingen – onmiddellijk de proceshouding van de verdachten in het oog. De onderlinge verschillen zijn niet groot. Met uitzondering van de twee verdachten die ook kroongetuigen zijn geworden, wijzen de andere acht verdachten met meer of minder woorden elke beschuldiging van betrokkenheid bij de aan ieder van hen ten laste gelegde moorden (inclusief pogingen en voorbereidingen daartoe) met klem van de hand.

Dat standpunt impliceert, dat het niet anders kan zijn dan dat de kroongetuigen niet naar waarheid hebben verklaard althans dat hun bronnen hen onjuist hebben geïnformeerd. Kortom, het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.

Dit betekent dat het voor het hof bij het nemen van bewijsbeslissingen werkelijk aankomt op het doorhakken van knopen. De opdracht aan het hof is om te onderzoeken of het op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaringen van die kroongetuigen – de overtuiging bekomt dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

In zoverre bestaat er geen verschil met andere strafzaken, waarin tegenover de meer of minder gemotiveerde ontkenning van de verdachte de belastende verklaringen van getuigen staan. Echter, gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten en de duur van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraffen, zijn de belangen in dit proces wel bijzonder groot.

De kennelijke context waarin de tenlastegelegde misdrijven zijn begaan compliceert de beantwoording van de voor het hof voorliggende bewijsvragen. Het hof releveert op deze plaats de in de inleiding in dit arrest aangebrachte categorisering: moorden op bestelling die zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Toegespitst op het bewijs betekent dit doorgaans voor het Openbaar Ministerie dat veel, zo niet alles, uit de strafvorderlijke en tactische kasten moet worden gehaald om een dossier te kunnen vormen waarvan de inhoud toereikend is voor het rekwireren tot bewezenverklaring.

Immers, in het bijzonder waar het gaat om de verdenking van het opdrachtgeven ontbreekt het in de regel aan direct bewijs. Opdrachten worden niet schriftelijk verstrekt en biologische sporen die leiden naar die opdrachtgevers of hun tussenpersonen zijn meestal niet voorhanden. En in de regel ontbreekt het in het dossier aan verslagen van afgeluisterde en opgenomen (telefoon)gesprekken waarin met opdrachtgevers wordt gesproken of waarin die opdrachtgevers met naam en toenaam ondubbelzinnig worden genoemd. En dat het afleggen van verklaringen met ernstige risico’s is omgeven blijkt uit het aantal getuigen ten aanzien van wie de noodzaak tot het treffen van beschermingsmaatregelen is aangenomen.

Dit betekent dat het bewijs vooral zal moeten worden ontleend – behoudens toevalstreffers – aan verklaringen van personen die om hun moverende redenen ervoor kiezen om te verklaren, over hun eigen gedragingen en die van (mede)verdachten. Maar ook dan is de bewijslevering niet zonder complicaties. In het algemeen is de veronderstelling niet gewaagd dat de verklaring (zowel het afleggen als de inhoud daarvan) kan zijn ingegeven door andere krachten en drijfveren dan alleen het verlangen om zonder aanzien des persoons frank en vrij te openbaren wat is gezien, gehoord en ondervonden. Daarbij komt, dat misdrijven van dit kaliber gepaard gaan met speculaties in het criminele milieu over de daders en hun achtermannen, met het gevolg dat die speculaties een eigen leven gaan leiden.

Kortom, het bewijs van daderschap van personen die belang hebben bij het op bestelling vermoorden van personen is voor het Openbaar Ministerie bepaald geen gemakkelijke opgave, ook niet nadat het kroongetuigen in stelling heeft gebracht.

Het licht dat door de verklaringen van die kroongetuigen op de zaken wordt geworpen heeft niet tot gevolg dat daarmee alle vragen die zich opdringen afdoende kunnen worden beantwoord. Uit het navolgende zal blijken dat de interactie in de lijn van opdrachtgevers, tussenpersonen en de feitelijke plegers van die moorden allerminst de vorm aanneemt van een gestructureerde, gedetailleerde en uitputtende uitwisseling van samenhangende informatie over de motieven, achtergronden en instructies. Dat laat zich goed verklaren door een ver doorgevoerd onderscheid tussen need to know en nice to know. Daarmee wordt onmiskenbaar ook en vooral het door opdrachtgevers nagestreefde belang om ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie gediend. Zo bezien is het even voorstelbaar als voorspelbaar dat de inhoud van de verklaringen van de naar justitie overgelopen tussenpersoon in de hiervoor bedoelde zin gemankeerd zal zijn. Deze vaststelling strekt er niet toe dat het hof in de onderhavige zaak de bewijsdrempel verlaagt. Wel markeert het hof hiermee dat met betrekking tot de gepleegde moorden niet alle vragen naar context, achtergrond en motieven steeds voor bevredigende en ondubbelzinnige beantwoording gereed zullen liggen. En als die antwoorden uitblijven is daarmee de (intrinsieke) onbetrouwbaarheid van hetgeen is verklaard nog niet gegeven. Wel kan in die omstandigheid een relevante bevestiging worden gevonden van de juistheid van het hiervoor geschetste beeld.

Zijn kroongetuigen bijzondere getuigen, vooral het gegeven dat zij in de kern ook normale getuigen zijn mag niet uit het oog worden verloren: personen die mededeling doen over feiten en omstandigheden, die zij volgens hun verklaring hebben waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv). Niet meer, maar ook niet minder. Met het door de verdediging van [Dino S.] verwoorde uitgangspunt dat een “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” wordt een maatstaf geformuleerd die de wet niet kent. Voor zover de verdediging met die stelling de rechter attendeert op de door hem te betrachten behoedzaamheid bij bewijsgebruik heeft de verdediging wél een punt. De opdracht van de wetgever aan de rechter om bij bewijsgebruik van de verklaring van de kroongetuige daarvoor “de bijzondere reden” te geven is ingegeven door het aan de figuur van kroongetuigen verbonden risico. Immers, de voordelen die hen uit hoofde van de met hen gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuigen in meer of mindere mate een loopje nemen met hun verplichting om naar waarheid mededeling te doen van die even bedoelde feiten en omstandigheden.

In dat verband verdient ook het volgende opmerking.

In het voorgaande is toegelicht dat en waarom kroongetuigen zowel bijzondere als gewone getuigen zijn. Zij zijn hoe dan ook en vooral criminele getuigen: getuigen die ook zelf verdachte zijn en die, door hun verklaren, bijdragen aan het (opsporings)onderzoek naar zeer ernstige misdrijven. De wetgever staat het bewijsgebruik van verklaringen van kroongetuigen slechts toe bij misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die in georganiseerd verband zijn gepleegd en die bovendien gezien hun aard, of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De andere categorie van misdrijven waarbij de wetgever de inzet van kroongetuigen toestaat wordt gevormd door misdrijven, waarop ten minste acht jaren gevangenisstraf is gesteld.

Deze wettelijke begrenzing werpt ook een andere schaduw vooruit van wat de rechter te wachten staat. Aangenomen mag worden dat de “verdachte getuige” die kan verklaren over die zeer ernstige misdrijven zich heeft opgehouden in een onderwereld, waar bepaald andere codes en gedragsregels gelden dan in de bovenwereld. Praten met politie en justitie is doorgaans om meer redenen een doodzonde. En als er wél een verklaring wordt afgelegd ligt het risico op de loer dat de getuige daarbij ook wordt gedreven door tot (drie)dubbele criminele agenda’s te herleiden belangen en motieven. En daarmee is er naast het risico van beloning voor de waarheidsvinding nog een ander risico verwoord.

Anders gezegd: deze getuigen zijn allesbehalve koorknapen en de rechter zal daarom extra alert dienen te zijn op het risico dat onware verklaringen worden afgelegd. Zo ligt het voor de hand dat verklaren over de criminele kompaan ook betekent dat over het eigen criminele gedrag moet worden verklaard. En het ligt evenzeer voor de hand dat de criminele getuige (mede) wordt gedreven door tot onderlinge criminele verhoudingen te herleiden motieven, die voor de rechter niet-kenbaar zijn. En als dat verklaren aanwijzingen oplevert dat door de criminele getuige de waarheid geweld wordt of is aangedaan, zal de rechter hebben na te gaan of reeds daarom alle door die criminele getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven, of dat er niettemin reden is om de betekenis van (de aanwijzing voor) die verklaarde onwaarheid voor de in de strafzaak te beantwoorden bewijsvragen te relativeren. In dat laatstbedoelde geval kan de uitkomst zijn dat een aanwijzing voor onwaarheid spreken toch geen betekenis heeft voor de in de voorliggende strafzaak te nemen bewijsbeslissingen.

Vanuit dit perspectief bezien lijkt de door de verdediging van [Dino S.] verwoorde maatstaf dat de “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” in zoverre van realiteitszin gespeend te zijn.

De wettelijke definitie van de getuigenverklaring in artikel 342 Sv blinkt uit door haar eenvoud. De praktijk wijst in het algemeen uit dat aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen al naar gelang de houding van procespartijen en de daarmee nagestreefde belangen – de strafrechter bewegen tot vrijspraak of tot bewezenverklaring – een enigszins voorspelbare gang van zaken voorafgaat. De onderhavige zaak vormt op die ervaringsregel bepaald geen uitzondering. Integendeel, gelet op het gewicht van de op het spel staande belangen heeft het patroon dat voor de strafrechter doorgaans herkenbaar is in het Passageproces soms karikaturale trekken gekregen.

Zo is ten overstaan van het hof door de ene getuige in antwoord op vragen in ernst verklaard dat hij zich zelfs niet kan herinneren wat hij de voorgaande avond heeft gegeten. De andere getuige daarentegen heeft het haast bovenmenselijke vermogen getoond om een mededeling die de kroongetuige hem vele jaren tevoren heeft gedaan met indrukwekkende precisie stellig, samenhangend en in detail te reproduceren. Het hof is voorts geconfronteerd met een breed scala aan (medische) redenen om opmerkelijk geheugenverlies van getuigen te verklaren. Daarbij heeft het hof ook een aantal malen ondervonden dat het geheugen van de getuige weer snel kon terugkeren na één of meer onderbrekingen van het verhoor (al dan niet na confrontatie van de getuige met mogelijke of zich realiserende strafvorderlijke consequenties).Meer dan eens hebben getuigen de vrijheid genomen om ongevraagd, onverholen en ongeremd hun ongepolijste, en zelden relevante, mening met het hof te delen over de figuur van de kroongetuige in het algemeen, en over de personen van de kroongetuigen [Peter la S.] en [Fred R.] in het bijzonder.

Veel getuigen zijn door het hof gehoord in de sleutel van het verifiëren en falsifiëren van de pas tijdens het geding in hoger beroep ingebrachte verklaringen van de kroongetuige (en terechtstaande verdachte) [Fred R.] . Met die exercitie is de lange duur van het geding in hoger beroep in de zaak van [Mohamed R.] overwegende mate verklaard en is aldus het processuele geduld onmiskenbaar op de proef gesteld. Een verzoek tot het afsplitsen is in deze gedingfase evenwel niet gedaan. Het hof neemt aan dat ook de (verdediging van) [Mohamed R.] op voorhand heeft onderkend dat de verwevenheid van zaken en onderwerpen aan toewijzing van zo’n verzoek in de weg zou hebben gestaan.

En dan is er nog het volgende.

Illustreert volgens de ene procesdeelnemer een gedetailleerde verklaring over een in een ver verleden gedane waarneming onmiskenbaar het vermogen tot oplichting door de getuige, de andere procesdeelnemer werpt de getuige die tot het aanbrengen van detaillering niet of minder in staat blijkt tegen dat hij slechts onware, ingestudeerde oneliners ten beste geeft. Wordt door de een de getuige om zijn geloofwaardigheid geprezen omdat hij ook na herhaald verhoren en verklaren door de jaren heen op het niveau van de inhoud van zijn verklaringen consistent blijft, de ander diskwalificeert diezelfde getuige omdat in die consistentie een belangrijke aanwijzing zou zijn gelegen voor een ingestudeerde inhoud en daarmee voor zijn leugenachtigheid. Waar verschillende getuigen over één en dezelfde gebeurtenis eensluidend verklaren, is dat de ene keer een aanwijzing dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl de andere keer juist verschillen tussen de verklaringen leiden tot het standpunt dat die verklaringen onbruikbaar zijn. En als de feiten of omstandigheden waarover de getuige verklaart al eerder voor het publiek kenbaar waren door kennisneming van de inhoud van een ander strafdossier of van pennenvruchten van misdaadjournalisten, dan kan het daarom niet anders zijn dan dat de getuige zijn kennis niet aan eigen waarneming of ervaring ontleent, maar dat door hem slechts is nagepraat wat hij eerder moet hebben gelezen. Vindt de inhoud van de verklaringen van een getuige verankering in het dossier, dan is dit vervolgens een aanwijzing dat hij zijn verklaringen daarop heeft afgestemd; tegelijkertijd leidt het ontbreken van een dergelijke verankering tot de conclusie dat de getuige maar wat verzint.

Deze thematiek bij de waardering van getuigenverklaringen in strafzaken is niet nieuw maar het heeft in het Passageproces grote proporties gekregen. Bovendien heeft het geleid tot sterk gepolariseerde standpunten.

Het voorgaande illustreert ook de lastige taak waarvoor het hof zich na de vele terechtzittingen gesteld ziet. Tegelijkertijd dient niet uit het oog te worden verloren dat, anders dan voor de procespartijen, er vanzelfsprekend voor het hof geen belang op het spel staat. Het hof zal zoals in elke strafzaak het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijs op zijn bruikbaarheid hebben te beoordelen, niet meer en ook niet minder.

Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is het bij uitstek aan het hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht.

Deze formule sluit in dat aan het hof op het terrein van bewijsbeslissingen een grote vrijheid toekomt, waarbij de verantwoording die ter zake door het hof wordt afgelegd door de Hoge Raad als cassatierechter doorgaans slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Waar in de wet noch in de rechtspraak van de Hoge Raad expliciete maatstaven zijn geformuleerd die in het algemeen voor het hof bij de beoordeling van potentiële bewijsmiddelen op hun bruikbaarheid leidend zijn, dringt zich in de onderhavige zaak aan het hof de vraag op naar de opportuniteit van het formuleren van ijkpunten.

Immers, in iedere strafzaak waar de beantwoording van bewijsvragen voorligt zal de feitenrechter zijn bewijsoordeel dienen te motiveren, waarmee – het zij herhaald – in zoverre de onderhavige zaak zich niet van andere strafzaken onderscheidt. In het algemeen geldt, dat waar de bruikbaarheid van gepresenteerd bewijs min of meer indringend voorwerp van debat is geweest de rechterlijke verantwoording van het bewijsgebruik met een zekere diepgang zal plaatsvinden.

In de onderhavige zaak is de waardering van de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige [Peter la S.] afgelegde verklaringen een kernpunt. De pijlen van de verdediging zijn onmiskenbaar ook gericht geweest op die betrouwbaarheid. Maar het is niet louter om die reden dat de betrouwbaarheid en daarmee de bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaringen centraal staat. Kroongetuigen zijn ook bijzondere getuigen, in zoverre dat op grond van de inhoud van de met ieder van hen gemaakte afspraken aan hen voordelen toevallen. Daarom heeft het hof ook ambtshalve de plicht zich ervan te vergewissen of hun verklaringen voor bewijsgebruik in aanmerking komen en is het in het voorkomende geval op grond van de wet (artikel 360, lid 2, Sv) gehouden in het bijzonder te verantwoorden op welke gronden het tot bewijsgebruik van door hen afgelegde verklaringen is overgegaan. Het hof heeft dit al eerder uiteengezet.

Het hof zal onderzoeken of de voor het bewijs relevante (onderdelen van) verklaringen van de kroongetuige [Peter la S.] de door het hof te verrichten betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Dit geschiedt primair ambtshalve als ook naar aanleiding van de gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Opmerking verdient, dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in het voorkomende geval heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen.

3.2

Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] in het algemeen leugenachtig en onbetrouwbaar zijn en daardoor niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg heeft de verdediging daartoe het navolgende aangevoerd:

1) de verslaglegging van de verhoren van [getuige 1] voldoet niet aan de vereisten en is onzorgvuldig, hetgeen afbreuk doet aan de toetsbaarheid;

2) de inhoud van de verklaringen is summier, feiten en omstandigheden ten aanzien van strafrechtelijk verwijtbaar handelen blijken niet;

3) de motieven voor [getuige 1] om over anderen te verklaren zijn ongeloofwaardig, hij wordt gedreven door eigenbelang;

4) [getuige 1] is evident beïnvloed door mediaberichtgeving;

5) de verhoorders van [getuige 1] hebben hem beïnvloed en gestuurd;

6) [getuige 1] herkent de personen over wie hij verklaart niet in levende lijve, bij herhaling;

7) de verklaringen houden zulke opmerkelijke details in, dat ze ongeloofwaardig zijn;

8) door een rechtspsychologische bril bekeken, passen de herinneringen en verklaringen van [getuige 1] binnen geen enkel wetenschappelijk kader.

Het hof overweegt als volgt.

ad 1) Met de verdediging en met de rechtbank (vonnis inzake [Mohamed R.] , p. 68-69) is het hof van oordeel dat het niet auditief registreren van hetgeen [getuige 1] op 10 en 12 mei 2011 tegenover de verhorende verbalisanten heeft verklaard, in strijd is met de regeling in de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ zoals die destijds gold. Dit verzuim is naar zijn aard onherstelbaar. Daarmee is een belangrijk vormvoorschrift – dat is gegeven met het oog op de toetsbaarheid van de afgelegde verklaringen gedurende het strafproces – in aanzienlijke mate geschonden. De ernst van het verzuim wordt mede bepaald door het belang van de betreffende verklaringen, de aard van de feiten waarover in die verklaringen wordt gesproken en de omstandigheid dat het openbaar ministerie – gelet op de destijds inmiddels opgedane ervaringen met de kluisverklaringen van [Peter la S.] – zich van het belang van registratie bewust had kunnen zijn.

Echter, dit verzuim heeft in casu geen nadeel voor [Mohamed R.] meegebracht. De inhoud van de verklaringen is immers vastgelegd in door [getuige 1] ondertekende en door verbalisanten op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. De betreffende verbalisanten zijn nadien als getuigen gehoord door de rechter-commissaris en ieder van hen heeft daarbij bevestigd dat in de processen-verbaal datgene is vastgelegd wat de getuige heeft verklaard. Ook [getuige 1] zelf heeft dit ter terechtzitting van de rechtbank van 24 oktober 2011 als getuige bevestigd en de verdediging heeft hem als getuige ter terechtzittingen van zowel de rechtbank als dit hof vragen kunnen stellen. Dit betekent dat controle op de betrouwbaarheid in voldoende mate heeft kunnen plaatsvinden. Tijdens die verhoren heeft [getuige 1] zijn eerder afgelegde verklaringen deels herhaald. Op onderdelen heeft hij andere bewoordingen gekozen. Die verschillen zijn kenbaar aan de hand van de telkens opgemaakte processen-verbaal en konden namens de verdachte in de standpuntbepaling bij pleidooi worden betrokken. Dat er desondanks nadeel voor de verdachte heeft geresteerd is niet concreet gemaakt.

Aldus beschouwd kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is opgetreden, doch dat daaraan geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden.

ad 2) Het hof zal bij de bespreking van de verschillende zaaksdossiers bezien of aan de verklaringen van de getuige [getuige 1] bewijswaarde toekomt en zo ja, op welke onderdelen. Dat de verklaringen volgens de verdediging summier zijn en onvoldoende belastende feiten en omstandigheden bevatten, is een kwestie die bij bedoelde bewijswaardering een rol kan spelen maar is geen reden om de verklaringen op voorhand van het bewijs uit te sluiten.

ad 3) Ook al zou juist zijn dat de getuige [getuige 1] niet uit altruïstische motieven doch vooral uit eigenbelang verklaringen over anderen heeft afgelegd, dan behoeft dit nog niet te betekenen dat die verklaringen daarmee ook leugenachtig of onbetrouwbaar zijn. Een eventuele onwaarachtigheid in de naar voren gebrachte motieven om te verklaren, is daarom geen aanleiding de inhoud van die verklaringen op voorhand van het bewijs uit te sluiten.

ad 4) De getuige [getuige 1] heeft ter zitting verklaard dat hij voorafgaand aan zijn kluisverklaringen slechts in beperkte mate kennis heeft genomen van mediaberichtgeving over de zaken waarin hij heeft verklaard. Nadat hij door zijn kluisverklaringen bij de zaak betrokken was geraakt, is hij de zaak meer gaan volgen.21 In dit licht is, bij gebrek aan concrete aanwijzingen, niet aannemelijk geworden dat hetgeen [getuige 1] heeft verklaard, niet zou voortkomen uit eigen wetenschap maar zou voortvloeien uit berichtgeving in de media. Het enkele bestaan van de mogelijkheid daartoe is onvoldoende.

ad 5) De verdediging heeft de stelling dat de politieambtenaren die de getuige [getuige 1] hebben gehoord hem hebben gestuurd en beïnvloed feitelijk slechts onderbouwd met de constatering dat dit mogelijk is geweest omdat de verhoorders over kennis van de betreffende zaaksdossiers beschikten. Dat levert echter, zeker nu zowel de verbalisanten als de getuige hierover gehoord zijn en hebben ontkend dat van sturing en beïnvloeding sprake is geweest, geen begin van aannemelijkheid van de juistheid van deze stelling op.

ad 6) Uit het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 11 oktober 2011 volgt dat de getuige [getuige 1] toen en daar de verdachten [Mohamed R.] en [Siegfried S.] heeft herkend. Dat [getuige 1] ter terechtzittingen van 11 en 24 oktober 2011 andere personen zou hebben herkend als [Siegfried S.] , kan uit de door de verdediging aangehaalde passages uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, niet volgen.

ad 7) Het enkele feit dat de verdediging het opmerkelijk vindt dat de getuige zich bepaalde details nog weet te herinneren, maakt nog niet dat de verklaringen waarin deze details voorkomen ongeloofwaardig zijn. Zoals hiervoor al is overwogen, zou immers op goede gronden het tegenovergestelde kunnen worden bepleit, namelijk dat juist het vermogen tot het reproduceren van opmerkelijke details aan de geloofwaardigheid bijdraagt. Het hof ziet in de door de verdediging genoemde details ook geen aanleiding om te oordelen dat deze ongeloofwaardig zijn.

ad 8) Deze stelling is dermate algemeen geformuleerd en de onderbouwing in de pleitnota in eerste aanleg is ook dermate algemeen dat deze in feite niet meer behelst dan de constatering dat het geheugen in het algemeen feilbaar is. Het hof verwijst naar wat het eerder heeft overwogen en volstaat hier met de conclusie dat die constatering – hoe juist wellicht ook – onvoldoende is om op voorhand de verklaringen van de getuige [getuige 1] van het bewijs uit te sluiten.

3.3

Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [Peter la S.]

Het hof heeft, naar aanleiding van een in de gelijktijdig behandelde strafzaak tegen de verdachte [Dino S.] gevoerd verweer, overwegingen en beslissingen gegeven over de betrouwbaarheid van de getuige [Peter la S.] . Waar de verdediging van [Mohamed R.] op basis van deels dezelfde argumenten de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] heeft betwist en de uitsluiting van die verklaringen van het bewijs heeft bepleit, zullen eerder bedoelde overwegingen en beslissingen hier worden overgenomen. Aansluitend daarop zal nog een aantal argumenten worden besproken die specifiek door de verdediging van [Mohamed R.] zijn aangevoerd.

3.3.1

Inleiding

“Ik was een crimineel die een deal wilde”, waren de woorden van de getuige [Peter la S.] tijdens de terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 200922. Deze wens van [Peter la S.] en de wijze waarop deze wens in de loop van het proces heeft vorm gekregen vormen een rode draad door het Passageproces.

De persoon van de kroongetuige [Peter la S.] en de talrijke door hem afgelegde verklaringen zijn gedurende het gehele proces in beide instanties voorwerp van intensief onderzoek en debat geweest. Tijdens de behandeling in eerste aanleg hebben zich bovendien regelmatig incidenten voorgedaan die telkens resulteerden in een krachtige dynamiek.

De meest in het oog springende incidenten zijn de volgende. Op enig moment is aan het licht gekomen dat de getuige vanaf de aanvang van het dealtraject te kennen had gegeven niet over [Willem H.] te willen verklaren. Dit heeft geleid tot de zogeheten [Willem H.] -weglatingen die in het voorgaande reeds aan de orde zijn geweest bij de bespreking van enkele formele verweren. Ook is hiervan het resultaat geweest dat de getuige tijdens verhoren bij politie, rechter-commissaris en zittingsrechter lange tijd op onderdelen onvolledig is geweest in zijn beantwoording. Bovendien heeft [Peter la S.] in een vroeg stadium, tijdens een van de eerste oriënterende gesprekken, gezegd dat hij kennis droeg van de betrokkenheid van [Willem H.] bij de moord op Van Hout. Enkele maanden later, nog steeds in het voortraject, heeft [Peter la S.] meegedeeld dat dit in strijd met de waarheid was en dat hij dit had verklaard omdat hij wilde aftasten hoever hij kon gaan in zijn verklaringen over de rol van [Willem H.] .23

De getuige heeft daarnaast gezegd dat hij aanvankelijk “zekerheidjes” in zijn verklaringen had ingebouwd. Hij doelde daarmee op bewust ingebouwde feitelijke onjuistheden die in zijn beleving voor hem als verdachte een terugvaloptie zouden kunnen vormen in het geval er geen afspraak met het Openbaar Ministerie tot stand zou komen.24

Een kwestie die geruime tijd het proces in eerste aanleg heeft gedomineerd is de vraag of [Peter la S.] een moord heeft gepleegd die hij buiten zijn verklaringen zou hebben gehouden. Meer getuigen, die zijn gehoord op initiatief van de verdediging, hebben verklaringen van die strekking afgelegd.

Voorts is de getuige gedurende de gedingfase bij de rechtbank in conflict gekomen met het Team Getuigenbescherming. Hij heeft de zittingen van de rechtbank meermalen aangegrepen als podium om dit conflict te etaleren en zijn standpunten kracht bij te zetten. Daarbij heeft hij ook inhoudelijke aanvullingen en wijzigingen op zijn verklaringen ingebracht, waarmee politie en justitie in diskrediet werden gebracht. Hierop is hij later, onder verwijzing naar zijn tactische manoeuvres in dit conflict, teruggekomen.

In een late fase van de behandeling in eerste aanleg is onder de getuige een laptop in beslag genomen waarop door hem geschreven documenten stonden die op belangrijke onderdelen een andere weergave van relevante gebeurtenissen inhouden dan de door hem als getuige afgelegde verklaringen. Daarbij ging het in het bijzonder om het levensdelict ten aanzien waarvan de getuige zijn strafbare betrokkenheid aanvankelijk op eigen initiatief had erkend, te weten de moord op Houtman. Het waren ook hier tactische motieven, zo heeft de getuige verklaard, die hem tot het schrijven van deze stukken hadden gebracht. De documenten zouden alleen een rol kunnen gaan spelen als zijn strafzaak niet het door hem gewenste verloop zou hebben.

Tot slot is in dit verband nog relevant dat de getuige in de jaren voorafgaand aan de in 2007 gemaakte afspraak regelmatig contact met justitie heeft gezocht om tot een afspraak te komen. Daarbij heeft hij telkens meegedeeld over informatie te beschikken die hij, tegen door hem als gunstig beschouwde voorwaarden, wilde prijsgeven. Dit is in alle gevallen zonder resultaat gebleven.

Dat de verdediging op de genoemde en andere aspecten vele pijlen heeft gericht wekt geen verwondering. De betrouwbaarheid van de verklaringen is op tal van onderdelen aangevochten. Opvallend zijn daarbij het grote aantal inconsistenties en tegenstrijdigheden waarop is gewezen en de vrijwel onbegrensde mate van detaillering waarmee deze betrouwbaarheidsverweren gepaard zijn gegaan.

Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het samenhangende geheel van alle problematische aspecten van de verklaringen en van de totstandkoming ervan tot de conclusie dwingen dat in het geheel niet kan worden afgegaan op wat de getuige [Peter la S.] heeft verklaard.

Het hof heeft kennis genomen van de verklaringen van de getuige en van het procesverloop in eerste aanleg en heeft de getuige ter terechtzitting in hoger beroep in meer rondes uitgebreid gehoord. Het beeld van een strategisch opererende getuige dringt zich tegen deze achtergrond sterk op. De getuige heeft zich van meet af aan laten leiden door een door hem beoogd resultaat. “Ik heb ingezet op 3 miljoen”, was een opmerking van de getuige ter terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 200925, daarmee doelend op een hoog niveau van veiligheid dat hij gerealiseerd wilde zien.

In zekere mate heeft [Peter la S.] niet vrijuit verklaard. Veelal heeft hij naar eigen zeggen spontaan antwoorden gegeven; de getuige noemde dat “verklaren vanuit de bron”. Maar de weglatingsafspraak heeft gedurende lange tijd een rol van tactische betekenis gespeeld.

[Peter la S.] heeft voorts, op momenten waarop hij dacht dat het hem goed uitkwam, het procesverloop naar zijn hand gezet en daarbij zowel zijn verklaringsbereidheid als de inhoud van zijn verklaringen als instrument ingezet. Daarbij heeft hij in veel gevallen gepoogd een toelichting op dit gedrag te geven waarmee hij niet steeds blijk gaf van een volledig navolgbare belangenperceptie. Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aan [Peter la S.] in dat verband meermalen te kennen gegeven dat hij grenzen overschreed en grote risico’s nam. Deze betroffen zowel zijn belangen in zijn eigen strafzaak als de belangen die samenhingen met zijn positie als bijzondere getuige.

Het hof zal hebben te beoordelen of de verklaringen van de getuige [Peter la S.] zich lenen voor gebruik voor het bewijs. Naast de beoordeling van de formele aspecten die in het voorgaande reeds heeft plaatsgehad gaat het hierbij bovenal om de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaringen. Bij die beoordeling zullen de hoofdpunten die in het pleidooi zijn besproken worden betrokken. Kritiek die is toegespitst op details zal in een meer algemeen kader worden geplaatst en besproken. Waar dit relevant is voor de toetsing dan wel nodig is gelet op de mate van de aan het verweer gegeven onderbouwing, zal met een zekere fijnmazigheid op de gevoerde verweren worden ingegaan.

De kernvraag die bij de verschillende onderdelen van de gevoerde betrouwbaarheidsverweren steeds moet worden beantwoord luidt: wat is het verband tussen de gestelde tekortkoming, onjuistheid of, zo men wil, onwaarachtigheid enerzijds en de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaringen anderzijds? In zoverre wijkt de beoordeling in de kern niet af van de toetsing van enige andere getuigenverklaring, met dien verstande dat aan het hof is opgedragen extra behoedzaam te zijn nu het om verklaringen van een kroongetuige gaat.

3.3.2

Enkele relevante bijzonderheden

De getuige [Peter la S.] heeft gedurende een periode van in totaal bijna tien jaren zijn verklaringen afgelegd. Eerst ging het om zogeheten kluisverklaringen die werden afgelegd bij politieambtenaren van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak met de officier van justitie. Daarna heeft hij verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de voorgenomen afspraak. Vervolgens zijn er tientallen verhoren gevolgd bij de rechter-commissaris waarbij de raadslieden van de verdachten in wisselende samenstelling de getuige konden ondervragen. In diezelfde periode is de getuige ook vele malen intensief verhoord door de politie. Tot slot is hij, van 2009 tot 2016, bij tal van gelegenheden ter terechtzitting gehoord. Daarbij ligt het accent op de behandeling in eerste aanleg, bij de rechtbank. In die fase is de getuige met regelmaat gelijktijdig in zijn hoedanigheid van verdachte ondervraagd, wat overigens niet geheel zonder strafvorderlijke complicaties is. Maar ook in hoger beroep zijn toch nog acht dagen besteed aan verhoren van deze kroongetuige.

Het is tijdens deze verhoren met enige regelmaat voorgekomen dat de getuige zich eerder door hem gemaakte opmerkingen niet meer kon herinneren. Ook heeft hij niet steeds eensluidend verklaard over sommige onderwerpen. Soms ging het daarbij om details, maar enkele malen betrof het punten die van grotere betekenis waren. Mede aan de hand van dit onderscheid zullen de verklaringen door het hof nader worden besproken en onderzocht.

Het vergt geen bijzondere deskundigheid om het ontstaan van dergelijke verschillen te begrijpen. Herinneringen worden vager en verdwijnen soms zelfs geheel. Ook het spreken over die herinneringen is van invloed op de inhoud ervan. Zeker als de ondervraging daarover zeer gedetailleerd wordt. De getuige heeft ook diverse keren gezegd dat het gegeven dat hij vele malen is gehoord van invloed is geweest op de wijze waarop hij informatie “opnieuw had opgeslagen”.

De getuige zijn ook meermalen dezelfde vragen gesteld. Veelal met als doel om nog enige opheldering te krijgen. Maar regelmatig waren de vragenstellers ook op zoek naar aanvulling, nieuwe details, een preciezere plaatsing in de tijd of op een locatie.

Het verloop van de verhoren door de jaren heen laat zich kenmerken als een beweging van grof naar fijn. Tijdens de vijftien kluisverklaringen, afgelegd in het najaar van 2006, vertelde [Peter la S.] over zijn wetenschap aangaande diverse levensdelicten. De verhorende CIE-ambtenaren beschikten daarbij niet of nauwelijks over kennis van onderzoekdossiers. Er werd een enkele vraag gesteld met het oog op verduidelijking. Dat was ook nog het geval toen de getuige zijn toetsverklaringen bij de rechter-commissaris aflegde. Pas daarna is meer verdieping en verbreding aangebracht door de inbreng van resultaten van opsporingsonderzoek en door het perspectief van de verdachten van waaruit vragen werden gesteld.

In dit verband is relevant dat [Peter la S.] zeer veel informatie heeft gegeven over een groot aantal misdrijven. Daarbij ging het telkens om gegevens die varieerden van de namen van betrokken personen tot details van de uitvoering. Op vrijwel alle punten is diepgaand doorgevraagd. Zo is hem op verschillende momenten gevraagd om de chronologie van ontmoetingen of gebeurtenissen, die dan al enkele jaren tevoren hebben plaatsgevonden, gedetailleerd weer te geven. In andere gevallen is gevraagd naar opsommingen van handelingen of uitlatingen van personen. Onderlinge vergelijking van de antwoorden heeft meermalen geresulteerd in de vaststelling van verschillen. Ook daarmee is [Peter la S.] vele malen geconfronteerd. In diverse gevallen was zijn antwoord dat hij iets over het hoofd had gezien.

Een voorbeeld hiervan vormen de antwoorden die [Peter la S.] heeft gegeven op vragen over het moment waarop hij [Ali A.] voor het eerst heeft ontmoet c.q. heeft leren kennen. Hij heeft daarbij zowel de ontmoeting in een café in Alkmaar bij het station genoemd als het pannenkoekenhuis in Leiderdorp. Tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris op 10 mei 2007 herstelt [Peter la S.] zijn antwoord na de pauze met de mededeling dat bij het pannenkoekenhuis de eerste ontmoeting plaatsvond maar even daarna vergeet hij in een opsomming toch weer het pannenkoekenhuis.26 Anders dan de verdediging kan het hof hierin geen aanwijzingen lezen voor iets anders dan een vergissing. Zo heeft [Peter la S.] het zelf ook aangemerkt.27

Een ander hiermee samenhangend voorbeeld betreft de opdracht om [slachtoffer 10] te vermoorden, die volgens [Peter la S.] afkomstig zou zijn geweest van [Ali A.] en waarvan [Peter la S.] kennis heeft gekregen in november 2004. Volgens de raadsman is hier sprake van betekenisvolle discrepanties. In de toetsverklaring van 16 maart 2007 heeft [Peter la S.] verklaard dat [Jesse R.] hem direct na een ontmoeting met [Ali A.] in het pannenkoekenhuis heeft verteld dat hij een opdracht had aangenomen om [slachtoffer 10] te vermoorden.28 Op 10 mei 2007 heeft [Peter la S.] verklaard dat [Jesse R.] vóór het bezoek aan het pannenkoekenhuis al wist dat het om een opdracht tot moord ging. [Peter la S.] wist toen niet meer of [Jesse R.] in de auto of pas in Abcoude bij de woning van het beoogde slachtoffer vertelde wat ze in Abcoude gingen doen.29 Bij de politie op 20 juni 2007 heeft [Peter la S.] gezegd dat hem achteraf was gebleken dat [Jesse R.] een afspraak had in het pannenkoekenhuis over een moordopdracht.30 In kluisverklaring 15 van 2 november 2006 is “Abcoude” en passant vermeld in het relaas over de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] , waarbij [Peter la S.] het pannenkoekenhuis niet heeft genoemd.31 Op het eerste gezicht zijn er verschillen ten aanzien van het moment waarop de opdracht voor het eerst is verstrekt en ten aanzien van het moment waarop [Peter la S.] er van op de hoogte is geraakt. Bij nauwkeuriger lezing blijkt [Peter la S.] tijdens de verschillende verhoren te spreken over momenten waarop hijzelf respectievelijk [Jesse R.] wist dat het om een opdracht tot moord ging, respectievelijk zou gaan. Daarnaast gaat het om accentverschillen waarbij, anders dan door de verdediging betoogd, niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van tegenstrijdigheden.

De persoon van de kroongetuige heeft zich ook doen gelden. [Peter la S.] heeft op verschillende momenten gezegd dat hij soms te stellig is. Het hof heeft aan de hand van de processen-verbaal waarin de verhoren zijn gerelateerd kunnen vaststellen dat dit inderdaad soms het geval lijkt te zijn geweest. Die stelligheid kenmerkt ook de wijze van verklaren tijdens het afleggen van de kluisverklaringen. Er worden, op het oog met een zeker gemak, tal van namen, locaties en tijdsaanduidingen gegeven die in enkele gevallen reeds binnen de context van de kluisverklaringen zelf vragen oproepen. Als daarbij betrokken wordt de inhoud van de vele daarna afgelegde verklaringen dringt de spanningsvolle verhouding tussen, soms zeer relevante, elementen zich nog meer op.

Dit wordt verder gecompliceerd doordat uit de woordelijke weergave van de verklaringen ook regelmatig blijkt dat [Peter la S.] juist voorzichtig en zoekend formuleert. Hij denkt soms hardop, vermoedt een onjuistheid, stelt zichzelf een vraag en komt dan tot een antwoord. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn de verklaringen die [Peter la S.] heeft afgelegd bij de politie op 24 mei 200732 en 15 augustus 200733. In de eerste verklaring geeft hij op pagina 11 van het proces-verbaal blijk van twijfel over de momenten waarop informatie over beoogde slachtoffers voor het eerst is gegeven, in de tweede op pagina 3 van het proces-verbaal over de precieze rolverdeling tussen [Dino S.] en [Ali A.] . De stelligheid komt daarmee in een ander licht te staan. Het uiteindelijk gegeven antwoord hoeft daarmee nog niet zonder betekenis te zijn maar het kan dan niet worden begrepen zonder daarbij de gezette tussenstappen te betrekken.

Veel verhoren zijn woordelijk uitgewerkt. Daarmee is voorkomen dat slechts de selectie van de verhorend politieambtenaar of rechter ter kennis van de zittingsrechter komt. Dat is een voordeel. Maar ook de nadelen, onder meer voortkomend uit de veelheid aan irrelevante opmerkingen, zijn evident. Een valkuil is dat aan een enkele zinswending betekenis wordt toegekend. Een hapering of aarzeling is zo al snel geëtiketteerd als de opmaat voor een geconstrueerde leugen of voor een onvolledig antwoord die iets meer bedenktijd vergen. Wellicht is dat soms het geval geweest, zoals hierna nog uitgebreider aan de orde zal komen, maar dat vraagt een beoordeling in een zeer ruime context van het verhoor als geheel.

De conclusie van deze beschouwing moet zijn dat enige relativering van inconsistenties of tegenstrijdigheden aangewezen is. Het hoeft in het licht van het voorgaande geen enkele verbazing te wekken dat deze er zijn. En de inhoud ervan, hoe onbegrijpelijk of onnavolgbaar ook, kan zonder betekenis zijn.

Daarmee zijn vanzelfsprekend niet alle merkwaardige en in het oog springende punten in de verklaringen van [Peter la S.] die vragen oproepen ontdaan van hun kwestieuze karakter. Wel is hiermee gezegd dat niet elk verschil, hoe relevant of zelfs cruciaal voor de beantwoording van de bewijsvraag ook, berust op een leugen of een bewust uitgezet dwaalspoor.

Telkens zal bij deze punten de vraag aan de orde zijn of de totstandkoming ervan kan worden gereconstrueerd en begrepen. Daarbij speelt het geheel van de door [Peter la S.] zelf afgelegde verklaringen een rol. Ook de overige inhoud van het procesdossier kan daarbij relevant zijn.

Ditzelfde geldt voor een punt dat in deze inleidende beschouwing niet onvermeld kan blijven. [Peter la S.] heeft veel kennis waarover hij heeft verklaard van horen zeggen. De persoon van [Jesse R.] is daarbij veruit de belangrijkste bron. [Jesse R.] heeft volgens [Peter la S.] tijdens hun detentie in de jaren 1994 en 1995 verteld over door hem in 1993 gepleegde moorden. En in de periode waarin de moorden op Houtman en Van der Bijl zijn voorbereid en gepleegd trok [Peter la S.] voortdurend met [Jesse R.] op en hoorde hij van hem waar en met wie hij contact had. [Peter la S.] zat er weliswaar dicht op maar heeft zelf weinig tot geen directe ervaringen met die contactpersonen van [Jesse R.] . Daar komt bij dat [Peter la S.] zelf over [Jesse R.] heeft gezegd dat deze met “desinformatie” kon “strooien”. 34

Het hof betrekt hierbij de inhoud van het proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie 3] van 9 april 2015 waarin verloop en inhoud van de contacten van [Jesse R.] met de CIE worden beschreven.35 Daaruit blijkt van het “schaakspel” met de CIE waarover [Peter la S.] meermalen heeft verklaard. [Jesse R.] en [Peter la S.] waren verwikkeld in een complexe strijd die door hen in zeer uiteenlopende arena’s werd uitgevochten. Zij hadden kennelijk minachting voor elkaars intelligentie en probeerden elkaar af te troeven over het juiste begrip van de leer van “Scientology”.36 Van geheel andere orde is dat zij er daarnaast beiden vanuit gingen dat zij contacten onderhielden met de CIE en dat zij elkaar hierin over en weer beschouwden als een groot risico. 37

In dat schaakspel manipuleerden zij onafhankelijk van elkaar met informatie in de richting van de politie. Dat relativeert vooral de waarde van de informatie die zij elk aan de CIE aanboden. [Jesse R.] gaf een geheel eigen persoonlijke inkleuring aan personen en gebeurtenissen. Onder strikte voorwaarden werd informatie aangeboden. Daarnaast claimde hij de verantwoordelijkheid voor bereikte resultaten in de opsporing. Uit de processtukken38 is gebleken dat [Peter la S.] volgens een vergelijkbaar patroon reeds in 2003 CIE-contacten onderhield. Het gaat hier om een handelwijze die zich vooral voordeed in het contact tussen de CIE enerzijds en [Jesse R.] en [Peter la S.] anderzijds. Maar, uitgaand van de verklaringen van [Peter la S.] , mag niet worden uitgesloten dat dit heeft doorgewerkt in hun onderlinge relatie.

Tegen deze achtergrond dient de conclusie dezelfde te zijn. Ook waar het informatie van [Peter la S.] betreft die afkomstig is van [Jesse R.] moet toereikende bevestiging worden geboden door de overige onderzoeksbevindingen.

De wijze waarop [Peter la S.] zegt aan zijn informatie te zijn gekomen heeft nog in een ander opzicht de beoordeling van zijn verklaringen gecompliceerd. [Peter la S.] trok intensief met [Jesse R.] op. Hij begeleidde hem naar zijn afspraken, doorgaans als chauffeur. Dat waren soms vele ontmoetingen per dag. [Jesse R.] vertelde hem over de personen met wie hij sprak, wat hun rol was en wat de inhoud van de besprekingen was. Intussen deed [Peter la S.] ook op andere manieren waarnemingen van de sociale omgeving waarin [Jesse R.] zich bewoog. De informatie die [Peter la S.] kreeg was doorgaans gefragmenteerd.

[Peter la S.] heeft hieraan, zoals hij dat zelf heeft verwoord, “overtuigingen” ontleend waarbij “logica” hem mede ten dienste heeft gestaan. Waar hij stukken informatie onderling heeft verbonden tot zo’n overtuiging heeft [Peter la S.] dat telkens gezegd. De rol en positie van [Peter la S.] brachten mee dat hij op deze gefragmenteerde wijze kennis nam van de criminele werkelijkheid waarin [Jesse R.] en hijzelf zich bevonden. Dat noopt tot een kritische beoordeling van die informatie. Maar het enkele gegeven dat [Peter la S.] termen als logica en overtuiging heeft gehanteerd om de manier waarop hij het geheel van bevindingen en ervaringen heeft verwerkt te typeren, diskwalificeert hem nog niet als getuige.

3.3.3 “

“Zekerheidjes”

[Peter la S.] heeft op diverse momenten verklaard dat hij in de verkennende fase van zijn contacten met de CIE terughoudend is geweest. Zijn vertrouwen in de politie moest nog groeien.39 Ook kan uit zijn verklaringen worden opgemaakt dat er een mentale barrière ten aanzien van de moord op Houtman bestond.40 [Peter la S.] heeft pas een kleine twee maanden nadat hij was begonnen kluisverklaringen af te leggen, zijn betrokkenheid bij deze moord bekend. Veelzeggend is hetgeen [Peter la S.] hierover ter terechtzitting van 28 november 2011 heeft gezegd: “.. dat in de wet staat dat een getuige de waarheid moet spreken, dat zal zo zijn en dat betreft een getuige die ter terechtzitting moet verklaren. Maar een getuige die gesprekken met CIE-ers moet voeren, waarbij jarenlange gevangenisstraffen in het spel zijn, laat niet in één keer het achterste van zijn tong zien.“ 41 Wat er zij van de juistheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid van deze opvatting, [Peter la S.] heeft hiermee getypeerd wat zijn houding was in de vroege fase van contact met de politie waarin hij al wel inhoudelijk verklaarde.

In deze context heeft [Peter la S.] zijn zogeheten “zekerheidjes” bedacht. Hiermee heeft hij willen afwijken van de feiten zoals hij ze zich herinnerde. [Peter la S.] heeft de zekerheidjes alleen verwerkt in zijn laatste kluisverklaring (nummer 15) van 2 november 2006, waarin hij over de moord op Houtman en zijn eigen betrokkenheid daarbij heeft verklaard.42 Daarna is [Peter la S.] in maart 2007 gehoord bij de rechter-commissaris in het kader van toetsing van de afspraak. Vanaf de eerste verklaring bij de rechter-commissaris heeft hij, zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] uitgezonderd, volledig naar waarheid verklaard, aldus de getuige.43 [Peter la S.] was in de veronderstelling dat verificatieonderzoek de ingebouwde onjuistheden van zijn verklaringen aan het licht zou brengen. In het geval het dealtraject zou worden afgebroken, zouden de geconstateerde discrepanties tussen de verklaringen van [Peter la S.] en de onderzoeksbevindingen een succesvolle vervolging van hem voor zijn betrokkenheid bij de moord op Houtman alsnog bemoeilijken. 44

[Peter la S.] is vele malen gehoord over de zekerheidjes. Gevraagd naar concrete voorbeelden heeft hij er slechts één kunnen noemen: de looproute op de plaats delict van de moord op Houtman.45 Wat opvalt is dat [Peter la S.] reeds tijdens het verhoor van 10 mei 2007 bij de rechter-commissaris, als hij voor het eerst over de zekerheidjes spreekt, geen andere voorbeelden kan noemen en dat hierin geen verandering is gekomen.46 Onder meer ter terechtzitting van het hof heeft [Peter la S.] opnieuw verklaard dat hij niet meer zekerheidjes kan terughalen.47 Geconfronteerd met vele onderdelen van kluisverklaring 15 heeft [Peter la S.] daar nooit van kunnen zeggen of het om een zekerheidje ging.

Het hof is van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat [Peter la S.] onwaarheden in zijn verklaring over de moord op Houtman heeft verwerkt. Hiervan kan in één geval worden vastgesteld wat de inhoud ervan is. Overigens zijn de zekerheidjes zowel naar aard, omvang als inhoud ongrijpbaar gebleven. De antwoorden van [Peter la S.] op 10 mei 2007 doen, gezien het korte tijdverloop na het afleggen van kluisverklaring 15, vermoeden dat het niet om majeure inhoudelijke punten kan zijn gegaan. Gelet op het motief dat [Peter la S.] telkens heeft genoemd hoeft niet te worden getwijfeld aan de mededeling van [Peter la S.] dat er buiten kluisverklaring 15 geen andere verklaringen zijn waarin onwaarheden van dit type zijn opgenomen.

Dit leidt tot de slotsom dat in het fenomeen “zekerheidjes” onvoldoende aanleiding kan worden gevonden om te oordelen dat dit bijdraagt aan de bepleite conclusie dat de verklaringen van [Peter la S.] vanwege onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De betrouwbaarheidstoets zal, juist gelet op de intenties van [Peter la S.] bij introductie van de zekerheidjes, gericht dienen te zijn op beantwoording van de vraag of voor de inhoud van de verklaringen bevestiging kan worden gevonden in overige onderzoeksbevindingen.

3.3.4

[Willem H.] -weglatingen

Het procesverloop in de strafzaken onder de noemer Passage laat zich op tal van manieren kenschetsen. Eén daarvan is ongetwijfeld het ontstane rijke jargon. De term “ [Willem H.] -weglating” is een beeldbepalend onderdeel van die terminologie.

Het gaat bij de [Willem H.] -weglatingen om delen van de door [Peter la S.] afgelegde kluisverklaringen waarin hij spreekt over [Willem H.] . Deze passages zijn op gezag van de CIE-officier van justitie uit de processen-verbaal gehouden voordat deze werden toegevoegd aan de processtukken. Deze processen-verbaal, die als bijlage deel uitmaakten van de verklaringsafspraak, bevatten een zakelijke weergave van hetgeen [Peter la S.] tot dan toe had verklaard. Later zijn verbatim uitwerkingen van de meeste kluisverklaringen in het geding gebracht. Hierin zijn de weggelaten passages, onder aanduiding van een W met een volgnummer, gemarkeerd. De weglatingen hebben voor een deel betrekking op mededelingen van de getuige over [Willem H.] maar betreffen voor een ander deel ook opmerkingen die zijn weggelaten op grond van overwegingen inzake bescherming en persoonlijke veiligheid van betrokken personen.

Op 3 oktober 2011 heeft [Peter la S.] , ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld.48 In een proces-verbaal van 10 oktober 2011 heeft CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 1] dit bevestigd.49 Vervolgens zijn de weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd en is [Peter la S.] ter terechtzitting door de rechtbank uitgebreid hierover gehoord. In het verlengde van de weglatingen ligt de door de CIE-officier van justitie op 22 november 2006 aan [Peter la S.] gegeven toestemming om tijdens verhoren over de dealfeiten niet over [Willem H.] te verklaren.50 Deze toestemming, gegeven tijdens de onderhandelingen over de afspraak, was tot het moment van onthulling ervan niet kenbaar, noch voor procespartijen, noch voor de rechter.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de weglatingen als zodanig het geheel of onderdelen van de door [Peter la S.] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar maken of hebben gemaakt. In dit verband is het volgende van belang.

Allereerst dient te worden vastgesteld dat alle [Willem H.] -weglatingen in de vorm van een woordelijke weergave zijn teruggeplaatst in de processen-verbaal waarin de verbatim versies van de kluisverklaringen waren opgenomen. Al hetgeen [Peter la S.] in het traject dat tot de afspraak heeft geleid over [Willem H.] heeft gezegd maakt derhalve deel uit van de processtukken. Daar komt bij dat in eerder genoemd proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie 1] van 10 oktober 2011 is gerelateerd dat en op welke momenten de getuige uiting had gegeven aan zijn angst voor de persoon [Willem H.] en aan zijn wens om over hem niet te verklaren.51

Dit betekent dat er een volledig beeld is van alles wat [Peter la S.] over [Willem H.] heeft verklaard en van de context waarin op zijn aandringen aanvankelijk is besloten onderdelen daarvan niet toe te voegen aan het dossier.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de door [Peter la S.] in en na maart 2007 afgelegde verklaringen gemankeerd zijn als gevolg van zijn veronderstelling dat hij niet over [Willem H.] hoefde te verklaren. De verdediging heeft gesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat feiten zich op een alternatieve wijze in het geheugen van [Peter la S.] hebben genesteld en dat dit de inhoud van zijn verklaringen wezenlijk heeft beïnvloed.

Het hof kan begrijpen dat dit vermoeden is opgekomen maar de stelligheid van de verdediging vereist een mate van introspectie die, naar het hof veronderstelt, niet door de verdediging is toegepast. Niet valt vast te stellen wat de uitwerking op het geheugen van [Peter la S.] is geweest van zijn inspanningen om, nadat hij eerst in de kluisverklaringen over [Willem H.] had verklaard, gedurende vijf jaar deze persoon buiten zijn verklaringen te houden en of dit heeft geleid tot blijvende aanpassingen in zijn herinneringen waar hij zelf de controle over is kwijt geraakt.

Het hof dient, zoals hiervoor reeds overwogen, de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] te beoordelen. Object van onderzoek zijn daarbij de verklaringen van de getuige en wat over de inhoud van die verklaringen uit de processtukken blijkt.

Met de verdediging merkt het hof onder meer de volgende, hierna zakelijk weergegeven, antwoorden aan als onvolledig.

- Jessie is vrij stil over Willem geweest, ik weet niet waar de druk voor Van der Bijl vandaan kwam (politie 20 juni 2007), 52

- Jesse en ik hebben het niet zo vaak over Willem gehad, Willem was niet in onze directe leefwereld (politie 6 september 2007),53

- ik heb [Willem H.] in totaal drie keer ontmoet, te weten bij [restaurant 1] en 2 keer op de dag toen de auto gehuurd werd bij Avis (RC 6 juni 2007),54

- [Willem H.] achter liquidaties; daarover heb ik geen verklaringen afgelegd dus is het voor mij niet zo (RC 18 juni 2007),55

- [Willem H.] beschouw ik als opdrachtgever, hoewel ik dat niet zeker weet (RC 7 april 2008),56

- [Willem H.] is voor mij een opdrachtgever (..) maar ik kan niet zeggen per definitie van in die zaak is hij de opdrachtgever, (RC 24 april 2008),57

- ik heb Dino en Willem nooit direct horen zeggen, die en die moet dood (RC 14 november 2008),58

- nadere afspraken met het OM over het thema naar waarheid verklaren? nooit over gesproken (zitting rechtbank 30 maart 2009),59

- ik weet niet meer waarom Houtman prioriteit had (zitting rechtbank augustus 2009),60

- [Willem H.] is bij één zaak betrokken, namelijk Van Hout. Er schiet mij desgevraagd hierover nu niets extra’s te binnen. (zitting rechtbank 1 februari 2010, na kort overleg met de advocaat voorafgaand aan beantwoording van de vraag).61

Vastgesteld kan worden dat bij deze gelegenheden, gelet op de inhoud van de kluisverklaringen, een uitgebreider antwoord over [Willem H.] voor de hand had gelegen. Dit betekent dat [Peter la S.] in deze onderdelen van zijn verklaringen niet alles heeft verklaard over zijn wetenschap aangaande de rol van [Willem H.] als opdrachtgever bij strafbare feiten terwijl hij daartoe op grond van de afspraak wel was gehouden.

Geïsoleerd beschouwd houden deze uitlatingen van [Peter la S.] evenwel geen verdere verdraaiingen ten opzichte van zijn kluisverklaringen in. De uitlatingen laten zich begrijpen als een direct en volledig gevolg van de weglatingsafspraak waarbij de rol van [Willem H.] op onderdelen is weggelaten, beperkt of geminimaliseerd. Enige uitstraling, meer in het bijzonder in belastende zin, naar de rol of bijdrage van de verdachte kan niet worden vastgesteld. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de bredere context van de verklaringen waarin de betreffende uitlatingen zijn gedaan.

Het hof stelt voorts vast dat uit de kluisverklaringen, gelezen in samenhang met de teruggeplaatste weglatingen, blijkt dat [Peter la S.] , waar het om contact met [Willem H.] gaat, melding heeft gemaakt van slechts een beperkt aantal relevante momenten en locaties. Het gaat om de afspraak met [Willem H.] in Naarden-Vesting in november 2004, gevolgd door een ontmoeting de volgende dag bij autoverhuurbedrijf Avis in Amsterdam, en de toevallige ontmoeting op het Gelderlandplein in Amsterdam in oktober 2005.

In de loop der jaren is gebleken dat [Peter la S.] uiteenlopend heeft verklaard over wat bij die gelegenheden is gezegd. Daarnaast heeft hij wisselend verklaard over het doel van de ontmoeting in Naarden-Vesting, waarop hierna nog nader zal worden ingegaan. Maar dit alles neemt niet weg dat deze locaties een constante vormen in alle verklaringen. Daar is niets aan toegevoegd en niets aan afgedaan door de getuige. Ook wat betreft de aanwezige personen is de getuige volledig consistent gebleven. Dit geldt ook voor de aanwezigheid en rol van [Willem H.] . Nadat de weglatingen waren onthuld en [Peter la S.] hierover ter terechtzitting van de rechtbank intensief werd ondervraagd heeft hij [Willem H.] opnieuw met deze locaties in verband gebracht op de wijze zoals hij eerder in zijn kluisverklaringen had gedaan.

Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat de weglatingsafspraak heeft doorgewerkt in de verklaringen van [Peter la S.] waar het zijn eigen ervaringen met [Willem H.] betreft. Evenmin bestaan aanwijzingen voor vervorming van herinneringen anders dan door de factor tijdverloop.

3.3.5

[Dino S.] ten onrechte belast?

Namens de raadsman van de verdachte [Dino S.] (wiens argumenten zijn onderschreven door de verdediging van [Mohamed R.] ) is voorts zeer uitgebreid en met veel klem betoogd dat de weglatingsafspraak erin heeft geresulteerd dat [Peter la S.] over [Dino S.] heeft verklaard waar hij [Willem H.] heeft bedoeld. Dit betekent dat [Dino S.] als opdrachtgever voor moorden is genoemd terwijl in werkelijkheid deze opdrachten van [Willem H.] afkomstig waren. Door de verdediging is dit fenomeen gelabeld als een samenstel van “indeplaatsstellingen”. Met iets minder stelligheid is ook naar voren gebracht dat [Peter la S.] over de, overleden, verdachte [Ali A.] heeft verklaard terwijl hij sprak over gedragingen en handelingen die aan [Willem H.] moeten worden toegeschreven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[Peter la S.] is in contact getreden met de CIE in augustus 2006. Dat is ongeveer een jaar na de periode waarin hij, naar zijn zeggen, intensief omging met medeverdachte [Jesse R.] . Deze laatste onderhield in die periode contact met opdrachtgevers voor moorden dan wel met handlangers of tussenpersonen van die opdrachtgevers. Uit de kluisverklaringen, afgelegd in de periode 11 september tot en met 2 november 2006, komt een beeld naar voren van een veelheid aan afspraken en ontmoetingen met die opdrachtgevers of met personen die zich voor hen in een vooruitgeschoven positie bevonden. [Jesse R.] voerde de gesprekken. [Peter la S.] bleef op de achtergrond en werd na afloop door [Jesse R.] geïnformeerd over wat er was besproken. In de meeste gevallen heeft [Peter la S.] de persoon met wie was afgesproken zelfs niet gezien. [Dino S.] , met wie ook werd afgesproken volgens [Peter la S.] , heeft hij nooit gezien. In deze stroom van ontmoetingen heeft [Peter la S.] zich indrukken gevormd van de hoofdrolspelers bij de opdrachtverstrekking en de voortgangsbewaking van de moorden op Houtman (gepleegd 2 november 2005) en Van der Bijl (gepleegd 20 april 2006). Hiervoor is reeds overwogen dat het enkele gegeven dat de getuige ook spreekt over indrukken of een “overtuiging” hem nog niet diskwalificeert, noch zijn verklaringen op die grond minder bruikbaar voor het bewijs maakt.

Enkele van die eerste contacten met de CIE betreffen twee ontmoetingen, aanvankelijk in het dossier aangeduid als oriënterende gesprekken. Na een daartoe strekkende opdracht van de rechtbank van 21 november 2011 is de inhoud hiervan in de vorm van een woordelijke weergave aan het dossier toegevoegd. Het gaat om de kluisverklaringen 1 en 2 van respectievelijk 11 en 12 september 2006.62

In de eerste kluisverklaring heeft [Peter la S.] , gevraagd naar de moord op Van der Bijl, onder meer gezegd dat hij weet dat de opdrachtgevers [Dino S.] en [Ali A.] waren.63 Kort daarvoor heeft hij ook verklaard: “ik wist dat het voor [Willem H.] was”.64 Over deze moord heeft [Peter la S.] in de tweede kluisverklaring gezegd dat [Ali A.] rond Kerstmis 2005 een afspraak wilde met [Jesse R.] en [Fred R.] . Tijdens die ontmoeting bij een Chinees restaurant in Amsterdam Buitenveldert dat men “Ping” noemde, zou zijn besloten dat Van der Bijl als eerste vermoord diende te worden.65 [Peter la S.] heeft die dag ook verklaard dat [Willem H.] had gezegd dat Van der Bijl als eerste om het leven moest worden gebracht.66

In de derde kluisverklaring van 10 oktober 2006 komt [Willem H.] niet aan de orde. [Dino S.] en [Ali A.] worden wel als opdrachtgevers genoemd. Zij verstrekten volgens [Peter la S.] ook de namen en de adressen.67

De vierde kluisverklaring, afgelegd op 16 oktober 2006, is voorwerp van debat en voortdurend onderzoek geweest. Op last van het hof is de weglating bekend onder de aanduiding W04-03 nader onderzocht. Na verbetering van de kwaliteit van de geluidsopname is bij proces-verbaal opnieuw een woordelijke uitwerking gemaakt van wat er is gezegd.68

Bij de beoordeling is van belang op te merken dat in deze kluisverklaring de getuige op diverse momenten zoekend formuleert, dat zinnen regelmatig onvolledig zijn, ook waar namen worden genoemd, en dat delen als niet te verstaan zijn gemarkeerd waarbij niet duidelijk is wat de omvang is van hetgeen niet is verstaan. Ook lijken sommige inhoudelijke opmerkingen van [Peter la S.] te zijn gemaakt tussen allerlei “small talk” door. Dit noopt tot enige terughoudend bij de uitleg van de gedane mededelingen.

In deze vierde kluisverklaring, gelezen als één geheel met de teruggeplaatste weglatingen, wordt [Ali A.] genoemd als opdrachtgever voor de moord op Van der Bijl. Met hem heeft [Jesse R.] veel afspraken gehad. Hij was “makkelijker voor afspraken”.69 Over [Dino S.] heeft [Peter la S.] gezegd dat wat hij zegt belangrijker is dan wat [Ali A.] zegt en dat de mededeling dat de prioriteit bij de moord op van der Bijl lag bij [Dino S.] vandaan kwam.70 Ook heeft hij over [Dino S.] gezegd dat de opdrachten “via” hem kwamen.71 Er worden aantallen genoemd ten aanzien van de ontmoetingen met [Ali A.] en [Dino S.] , met eerstgenoemde werd vaker afgesproken dan met [Dino S.] .72 Daarnaast heeft [Peter la S.] ook uitlatingen gedaan over [Willem H.] : “Ja dat was de man! ( .. ) Niet alleen in deze liquidatie. Willem was ehh in Jessies ogen, laat ik het zo zeggen, was Willem de man. Hij heeft het verstrekt.”73

In hoger beroep zijn op 28 augustus 2014 na een daartoe strekkende opdracht van het hof van 4 juli 2014 de journaals van de overige oriënterende gesprekken ingebracht. Daarbij heeft de rechter-commissaris getoetst of er onderdelen buiten de stukken dienden te blijven wegens veiligheidsbelangen. Uit deze selectie blijkt onder meer dat [Peter la S.] op 14 augustus 2006 heeft gezegd dat hij niet direct over [Willem H.] kan verklaren maar, zo heeft de CIE-ambtenaar genoteerd, “als we Dino (het hof begrijpt: [Dino S.] ) kunnen pakken hebben we [Willem H.] ook”.74 Op 18 augustus 2006 heeft [Peter la S.] [Fred R.] genoemd als betrokkene bij de moord op Van der Bijl en [Dino S.] als de opdrachtgever.75

In kluisverklaring 15, afgelegd op 2 november 2006, heeft [Peter la S.] verklaard over de moord op Houtman. Bij deze moord was hij zelf strafbaar betrokken. Als opdrachtgever voor deze moord wijst [Peter la S.] [Dino S.] aan. Er was een lijst met beoogde slachtoffers, afkomstig van [Ali A.] en [Dino S.] . Beide mannen waren 10 tot 12 dagen vóór de moord aanwezig in een horecagelegenheid in Rotterdam, door [Peter la S.] de oude Baja genoemd, waar [Jesse R.] informatie ontving.76 Een dag later heeft [Jesse R.] in Diemen van [Dino S.] nadere informatie gekregen. [Peter la S.] heeft dit van [Jesse R.] gehoord. Hij heeft [Jesse R.] naar Diemen gebracht met de auto maar hij heeft zelf [Dino S.] niet gezien.77

Uit een aanvankelijk weggelaten passage van dit verhoor, W15-11, blijkt dat [Peter la S.] heeft verklaard over een toevallige ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein in Amsterdam. Deze vond plaats in de periode van de voorbereidingen van de moord op Houtman. [Jesse R.] was hierbij ook aanwezig. Bij die gelegenheid zou [Willem H.] hebben gezegd: “als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie”.78

Uit deze verklaringen en mededelingen komt een diffuus beeld van opdrachtgevers en belanghebbenden naar voren waarin telkens [Ali A.] , [Willem H.] en [Dino S.] figureren. Op de onderlinge verhoudingen wordt niet al teveel zicht geboden. Dat zicht had [Peter la S.] , gezien zijn bronnen, ook maar in beperkte mate. De accenten die [Peter la S.] legt lopen soms uiteen. Bovendien worden niet steeds alle drie personen in een samenhangend geheel door de getuige gepresenteerd. Ook lopen de initiële verstrekking van de opdracht voor de moorden en de tussentijdse aansporingen om prioriteit te geven aan bepaalde moorden deels door elkaar. Maar de drie genoemde personen vormen echter onmiskenbaar de constanten bij de opdrachtverstrekking en prioriteitsstelling.

Het gewicht van enkele door de verdediging gelegde accenten kan hierdoor aanmerkelijk worden gerelativeerd. [Peter la S.] weet zich na de onthulling van de [Willem H.] -weglatingen tijdens verhoren ter terechtzitting van de rechtbank in 2011 de door hem op 2 november 2006 weergegeven opmerking van [Willem H.] niet te herinneren. Wel herinnert hij zich dan de opmerking: “Osdorp eerst” 79. Dit is de wijk in Amsterdam waar Houtman woonde. Het hof merkt op dat bij beide opmerkingen de achtergrond wordt gevormd door plannen voor meer dan één moord en dat er kennelijk een bij de uitvoering te hanteren volgorde wordt bedoeld. Opmerking verdient voorts dat [Peter la S.] ruim één jaar respectievelijk ruim zes jaar na de ontmoeting verklaart over wat precies is gezegd. Reeds voor de eerste termijn geldt dat de herinnering aan exact gebezigde woorden kan zijn vervaagd. Gelet hierop zijn er geen aanknopingspunten om een vervorming van het geheugen van [Peter la S.] als gevolg van de weglating aan te nemen. Evenmin bestaat grond om aan te nemen dat [Peter la S.] hiermee in 2011 alsnog heeft geprobeerd de rol van [Willem H.] kleiner te maken ten koste van [Dino S.] , zoals de verdediging heeft beoogd te betogen.

Hetzelfde geldt voor de locatie die [Peter la S.] heeft genoemd in kluisverklaring 4. In de “Baha” (bedoeld is de oude Baja in Rotterdam, lokaal bekend als BED) zou gezegd zijn dat Van der Bijl “prioriteit had”. Blijkens de teruggeplaatste weglating W04-03 is dit een geïsoleerde, door [Peter la S.] , gemaakte opmerking. Er is geen vraag aan voorafgegaan.80 Bovendien was BED, zo blijkt uit andere verklaringen van [Peter la S.] , een locatie waar veel afspraken werden gemaakt. Ook met [Dino S.] werden vaker afspraken gemaakt, heeft [Peter la S.] verklaard.81 Tot slot kan door het ontbreken van context niet worden opgemaakt of [Peter la S.] hier het oog had op de verstrekking van de opdracht of op een moment waarop gezegd is dat de moord op Van der Bijl voorrang diende te krijgen. Dit betekent dat hierin, anders dan de verdediging heeft gesteld, niet kan worden gelezen dat [Peter la S.] door het noemen van deze locatie, in strijd met zijn wetenschap daaromtrent, [Dino S.] dichter bij de moord op Van der Bijl heeft proberen te brengen ten gunste van [Willem H.] .

Een ander punt is de opmerking van [Peter la S.] in W04-03 dat in november 2004 een huis in Limburg en een busje met geblindeerde ramen voor de voortvluchtige [Jesse R.] moesten worden geregeld. Volgens de verdediging van [Dino S.] zou [Peter la S.] dit plan aan [Willem H.] hebben toegeschreven in kluisverklaring 4 en later, ter terechtzitting van 28 november 2011, aan [Dino S.] . Het hof merkt op dat [Willem H.] niet is genoemd in deze context; [Peter la S.] spreekt over “ze”.82 Reeds daarom kan niet van een indeplaatsstelling, zoals gedefinieerd door de verdediging, sprake zijn geweest. Bovendien valt het ook niet te begrijpen omdat in november 2011 de [Willem H.] -weglatingen reeds waren onthuld en bij [Peter la S.] , voor zover daarvan sprake zou zijn geweest, geen behoefte bestond [Dino S.] nog in plaats van [Willem H.] te belasten.

Door de verdediging is geconstateerd dat [Peter la S.] op 2 november 2006 (in kluisverklaring 15) slechts heeft gesproken over één nieuwe klus die door [Dino S.] in BED aan [Jesse R.] zou zijn verstrekt. Die constatering is op zichzelf juist. Het hof neemt evenwel in aanmerking dat dit verhoor primair ging over de aanloop naar de moord op Houtman en de betrokkenheid van [Peter la S.] bij de uitvoering van die moord. Het onderwerp van verhoor was niet de moord op Van der Bijl. Het hof constateert voorts dat [Peter la S.] vanaf het eerstvolgende verhoor (bij de rechter-commissaris) heeft verklaard dat in BED drie opdrachten zijn verstrekt. Bij deze verklaring is [Peter la S.] vervolgens gebleven. Dat [Peter la S.] bij gelegenheid van het verhoor op 2 november 2006 kennelijk nog niet uitputtend is geweest over het aantal in BED verstrekte opdrachten acht het hof in dit licht niet onbegrijpelijk. Het hof acht niet aannemelijk de conclusie dat [Peter la S.] bij nadere verhoren heeft geprobeerd om – in strijd met de waarheid en met de bedoeling om de betrokkenheid van [Willem H.] te maskeren – het verstrekken van de opdracht voor de moord op Van der Bijl alsnog in BED te situeren.

Tot slot zouden de verklaringen van [Peter la S.] over een ontmoeting in Naarden-Vesting op 8 november 2004 een aanwijzing vormen dat [Peter la S.] in strijd met de waarheid [Dino S.] heeft belast, in het bijzonder als opdrachtgever van de moord op Houtman. Volgens [Peter la S.] ging het hierbij om een ontmoeting van [Jesse R.] , [Willem H.] , de journalist [journalist 3] en [Peter la S.] zelf.

Op 2 november 2006 heeft [Peter la S.] de moord op Houtman bekend. Kort voor het einde van dat verhoor heeft hij gevraagd de opnameapparatuur uit te schakelen. Uit een proces-verbaal van 7 november 2006 blijkt dat [Peter la S.] toen heeft gezegd: “Jessie vertelde mij dat hij enige tijd voor de liquidatie op Kees Houtman naar [Willem H.] is gegaan om te vragen of deze “een klus” voor hem had. [Willem H.] heeft hem toen verwezen naar Dino, waarna hij de klus kreeg om Houtman te liquideren.”83Op 22 november 2006 heeft [Peter la S.] een gesprek gehad met onder anderen de officier van justitie [officier van justitie 1] . Er is hem toen gevraagd naar – wat is gaan heten – het “Naardenvestingverhaal”. [Peter la S.] heeft geantwoord dat [Jesse R.] daar om een klus heeft gevraagd aan [Willem H.] en dat deze hem verwees naar [Dino S.] . Uit het antwoord kan worden opgemaakt dat [Peter la S.] hierbij aanwezig was. De moord op Houtman heeft hij daarbij niet genoemd. 84

Het “Naardenvestingverhaal” waarnaar tijdens het gesprek van 22 november 2006 is gevraagd betreft een ontmoeting met de journalist [getuige 33] en [Willem H.] waarover [Peter la S.] had verklaard in de eerste kluisverklaring op 11 september 2006. In deze verklaring spreekt [Peter la S.] over Hilversum als ontmoetingsplaats.85 De bedoeling was dat er van [Peter la S.] filmopnames zouden worden gemaakt. Er is opnieuw over gesproken op 2 november 2006. De woordelijke weergave van de opmerkingen van [Peter la S.] houdt in dat er een ontmoeting in [restaurant 1] is geweest waarbij [Jesse R.] , [Willem H.] en [getuige 33] aanwezig waren met als doel filmopnamen van [Peter la S.] te maken.86 Hierin maakt [Peter la S.] melding van de doorverwijzing door [Willem H.] naar [Dino S.] voor een vervangende auto.87 Tijdens dit deel van het verhoor wordt er nog niet gesproken over de moord op Houtman, maar over gebeurtenissen in november 2004. Pas aan het eind van het verhoor88 is de opnameapparatuur uitgeschakeld (dit blijkt uit W15-11)89 en heeft [Peter la S.] de mededeling gedaan als weergegeven in het proces-verbaal van 7 november 2006.

Deze uitlatingen van [Peter la S.] , in samenhang gelezen, leiden geenszins tot de conclusie dat hij de opdrachtverlening voor de moord op Houtman heeft geplaatst in Naarden-Vesting waar hij aanwezig was. Immers, hij heeft op 2 november 2006 de locatie van de opdrachtverstrekking niet genoemd en hij heeft toen verklaard dat hij [Jesse R.] over de verstrekking van die opdracht heeft horen spreken. Bovendien heeft hij de plaats Naarden-Vesting verbonden met een doorverwijzing voor een niet nader bepaalde klus. Bij latere verhoren90 heeft [Peter la S.] telkens op vragen hierover geantwoord dat hij [restaurant 1] in Naarden-Vesting alleen in verband brengt met “liquidaties in het algemeen” en dat hij en [Jesse R.] in die tijd druk bezig waren met de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] . Er kan daarom ook geen poging van [Peter la S.] om [Dino S.] te belasten in verband met Houtman in worden gelezen.

De voorgaande constateringen en relativeringen worden verder ondersteund door de opmerking die [Peter la S.] heeft gemaakt in een oriënterend gesprek op 9 november 2006: “Nou ja ik zeg over Dino dat heb ik alleen maar van Jes gehoord dus dat is vrij zacht. Maar over Willem dat kan hem nog wel eens zwaar aangerekend worden.”91 [Peter la S.] heeft dit gezegd op het moment dat hij zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] al meermalen kenbaar had gemaakt. Blijkens een proces-verbaal van 7 november 2006 is op 2 november 2006 de opnameapparatuur uitgeschakeld en heeft [Peter la S.] verklaard over de ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein. Wat er zij van de taxatie die [Peter la S.] op 9 november 2006 geeft, er kan in elk geval niet uit worden opgemaakt dat [Peter la S.] bewust en gericht de onderlinge verhouding tussen [Dino S.] en [Willem H.] anders wilde voorstellen dan hij tot dan toe in de vijftien kluisverklaringen had gedaan. Evenmin biedt het steun voor de veronderstelling dat [Peter la S.] [Dino S.] “erin heeft willen leggen”. Het globale beeld had hij op dat moment al gepresenteerd en dat is in grote lijnen in latere verklaringen ongewijzigd gebleven.

Tot slot komt ook betekenis toe aan de antwoorden van [Peter la S.] , op 10 oktober 2011 ter terechtzitting gegeven op vragen van de raadsman van [Dino S.] , waarin hij stellig heeft ontkend [Dino S.] te hebben gesteld in de plaats van [Willem H.] .92 Op 16 april 2012, tijdens het afsluitende verhoor ter terechtzitting, heeft [Peter la S.] dit nog eens herhaald: “ Ik kan alleen zeggen dat ik niemand expres heb belast waar het niet het geval was. Ik heb niet gezegd: Dino is schuldig, terwijl dat niet waar was.”93

Al hetgeen in het voorgaande is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat de [Willem H.] -weglatingen mede tot resultaat hebben gehad dat [Peter la S.] over [Dino S.] heeft verklaard waar hij [Willem H.] bedoelde.

3.3.6

De moorden op Houtman en [slachtoffer 13]

Door de verdediging is aangesloten bij de kritische beschouwingen die de rechtbank in het vonnis heeft gewijd aan de verklaringen van [Peter la S.] over diens eigen rol bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] rond 25 april 2002 en bij de moord op Houtman op 2 november 2005. Er moet serieus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat bij beide zaken de bijdrage van [Peter la S.] anders en groter is geweest dan hij zelf heeft verklaard, aldus de rechtbank. De verdediging gaat, in navolging van de door andere raadslieden naar voren gebrachte standpunten, nog een stap verder en gaat ervan uit dat de getuige over de gang van zaken bij beide moorden niet de waarheid heeft gesproken wat negatief afstraalt op de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in het algemeen.

Dit betekent dat hij opzettelijk zou hebben gelogen om tot een afspraak met justitie te komen.

Het hof stelt vast dat het bij beide moorden – in het spoor van de verdediging bezigt het hof in het navolgende dit woordgebruik, ook al staat ten aanzien van [slachtoffer 13] in het geheel niet vast dat hij het slachtoffer is geworden van een moord – om een zogeheten dealfeit gaat.94 [Peter la S.] is in de afspraak met de officier van justitie de verplichting aangegaan om over deze feiten volledig en naar waarheid te verklaren. Over de moord op [slachtoffer 13] kon [Peter la S.] als getuige verklaren in die zin dat hij [Jesse R.] en [betrokkene 15] heeft horen spreken over de moord. Bij de moord op Houtman was hij zelf strafbaar betrokken geweest.

Overigens bevat het dossier geen aanwijzingen dat [Peter la S.] in het kader van de opsporing voor één van beide moorden als verdachte in beeld was gekomen noch dat hem door wie dan ook mededelingen of suggesties in die zin waren gedaan. Op vragen daarover heeft [Peter la S.] ter terechtzitting van 12 maart 2009 verklaard nooit aanwijzingen te hebben gehad dat de politie hem in verband bracht met de moord op Houtman.95

Bij die stand van zaken valt de veronderstelling van de verdediging niet te begrijpen. Uitgaande van een rol van [Peter la S.] als mededader of medeplichtige bij de moord op [slachtoffer 13] kan niet worden ingezien dat hij ook de moord op Houtman nog in de afspraak wilde betrekken. Hij had het kunnen laten bij een bekennende verklaring in de zaak- [slachtoffer 13] zonder het risico te nemen dat later zou blijken dat hij bij die moord een grotere betrokkenheid zou hebben gehad. Eén van de twee andere personen die volgens [Peter la S.] als mededader betrokken was, [betrokkene 15] , was reeds in 2003 vermoord. De andere bij de moord op [slachtoffer 13] betrokken dader, [Jesse R.] , die door [Peter la S.] ook werd genoemd als de persoon die Houtman heeft doodgeschoten, zou bij een beschuldiging van actieve betrokkenheid bij twee moorden een grote risicofactor voor [Peter la S.] kunnen gaan vormen.

En omgekeerd, uitgaand van de actieve rol van [Peter la S.] bij de moord op Houtman, valt niet te begrijpen waarom [Peter la S.] van beperkte, indirecte, kennis over de moord op [slachtoffer 13] melding zou maken en in dat verband [Jesse R.] zou noemen, als zijn betrokkenheid bij die moord veel groter zou zijn. Ook in dat geval zou het risico van ontmaskering zeer groot zijn geweest.

3.3.7

De moord op [slachtoffer 13]

Meer in het bijzonder overweegt het hof met betrekking tot de moord op [slachtoffer 13] als volgt.

[slachtoffer 13] is voor het laatst in leven gezien op 25 maart 2002. Zijn ontzielde lichaam is gevonden in het water van het Amsterdam-Rijnkanaal op 9 april 2002. Hij was doodgeschoten.96

In zijn negende kluisverklaring van 31 oktober 2006, die geheel gewijd is aan de moord op [slachtoffer 13] , heeft [Peter la S.] verklaard over de aanleiding voor de moord, die gelegen zou zijn in onenigheid over een partij hasj. Van [betrokkene 15] en [Jesse R.] heeft hij gehoord dat [slachtoffer 13] om het leven was gebracht. Verder heeft [Peter la S.] gezegd dat hij denkt dat [Jesse R.] [slachtoffer 13] heeft gedood maar dat hij dit niet zeker weet.97 Bij de politie op 25 oktober 2007 heeft hij verklaard dat hij in de loop der tijd fragmenten over de gebeurtenissen heeft gehoord en heeft hij met zoveel woorden nog eens herhaald dat hij er niet zoveel van weet.98

De stelling van de verdediging luidt dat [Peter la S.] het heel goed weet. Hij zou namelijk zelf de moord hebben gepleegd. Daartoe zijn op verzoek van de verdediging in eerste aanleg diverse getuigen ter terechtzitting gehoord en zijn zelfs anonieme bedreigde getuigen (op de voet van artikel 226a Sv) op initiatief van de verdediging geïntroduceerd. Zij hebben allen in meer of mindere mate belastend over [Peter la S.] verklaard.

Het hof merkt op dat de moord op [slachtoffer 13] niet aan de verdachte ten laste is gelegd.

Daardoor staat niet ter beoordeling of het feit bewezen kan worden verklaard. Dit betekent dat evenmin in die sleutel ter beantwoording voorligt de vraag of de getuige de waarheid heeft gesproken over dit feit.

Niettemin wordt het hof geroepen om buiten het verband van het bewijs van de tenlastelegging een oordeel te geven over het waarheidsgehalte van de verklaringen van de getuige over dit feit. Het oordeel met betrekking tot de verklaring over de moord op [slachtoffer 13] staat in de sleutel van een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] in het algemeen. In dat verband zal het hof de vraag beantwoorden of er aanwijzingen bestaan op grond waarvan moet worden aangenomen dat de getuige onwaarheid heeft gesproken. Bij een positieve beantwoording van die vraag komt immers ook de waarachtigheid van hetgeen hij overigens heeft verklaard ter discussie te staan.

Door de verdediging is gewezen op de verklaringen van de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , “NN1 hollow point”, F1 en F3. De laatstgenoemde getuige is later alsnog ter terechtzitting van de rechtbank achter gesloten deuren gehoord, waarbij de identiteit van de bedreigde getuige is onthuld aan procespartijen en de zittingsrechter. Daarnaast heeft de medeverdachte [Jesse R.] als getuige ter terechtzitting van 9 december 2010 een voor de getuige [Peter la S.] belastende verklaring afgelegd.

Namens de verdachte zijn in de kern de volgende aspecten uit de verklaringen gelicht.

F1 en F3 hebben beiden verklaard van [Peter la S.] zelf te hebben gehoord dat hij een man heeft doodgeschoten in een loods. Ook NN1 hollow point (gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 januari 2012) heeft [Peter la S.] hierover horen spreken. Dit kan volgens de verdediging over niemand anders dan [slachtoffer 13] zijn gegaan. [Jesse R.] heeft op 9 december 2010 ter terechtzitting verklaard hoe [Peter la S.] [slachtoffer 13] heeft doodgeschoten. De getuige [getuige 4] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 15 maart en 5 april 2011 verklaard over een gesprek dat hij heeft gehad met [Peter la S.] bij de duikersplas in Vinkeveen waarin deze, sprekend over [slachtoffer 13] , vertelde dat “het uit de hand was gelopen”. [Jesse R.] was mogelijk ook betrokken. De getuige [getuige 5] (gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 mei 2011 en op 7 juni 2011) heeft verklaard [Peter la S.] en [Jesse R.] te hebben ontmoet bij [restaurant 2] op de dag van de moord. Deze vertelden dat ze zojuist iemand hadden doodgeschoten en het lijk in het water hadden gegooid. [Peter la S.] had geschoten, hij was er trots op.

Hiertegenover staat de ontkenning van [Peter la S.] dat hij bij de uitvoering van de moord betrokken is geweest. Hij is zelfs niet op de plaats van het delict geweest, zo heeft hij verklaard.

Het hof betrekt het volgende in de beoordeling.

Het aantal getuigen dat over betrokkenheid van [Peter la S.] bij een levensdelict heeft verklaard is aanzienlijk. Opmerkelijk is dat [Peter la S.] van meet af aan kenbaar heeft gemaakt wel iets van de moord op [slachtoffer 13] te weten maar dat dit van geheel andere orde is dan wat de getuigen hebben verklaard.

Wat F3 betreft springt in het oog dat deze getuige ook op naam bij de rechter-commissaris is gehoord op 6 februari 2009. Dit is ongeveer een jaar vóór het moment waarop ten aanzien van deze getuige het verzoek tot verlening van de status van bedreigde getuige werd gedaan. Bij die gelegenheid heeft de getuige onder meer over [Peter la S.] gezegd: “In elk geval heeft hij mij nooit iets verteld over ernstig geweld in de richting van anderen”.99

Uit de verklaringen van de getuige NN1 blijkt dat hij, buiten het punt dat de moord in een loods zou zijn gepleegd, geen verdere details of kenmerkende elementen kan noemen van hetgeen [Peter la S.] tegen hem zou hebben gezegd. Hij heeft slechts een zeer globale herinnering.

Daarnaast dringt één kwestieus aspect in het bijzonder zich op. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris van de getuige op 1 september 2011 komt aan de orde dat de getuige pas bij deze gelegenheid voor het eerst over de loods spreekt en dat hij dit niet eerder tegen de advocaten met wie hij contact had gehad, had verteld.100 De getuige heeft ter terechtzitting van 19 januari 2012 toegelicht dat de aanleiding om de loods als locatie te noemen was gelegen in wrevel die bij hem was ontstaan in de richting van [Peter la S.] .101 De getuige NN1 bleek tijdens genoemd verhoor bij de rechter-commissaris op de hoogte te zijn van de inhoud van de verklaringen van de F-getuigen die onder meer over een loods als locatie van de moord hebben verklaard.102 Het voorgaande betekent dat (de totstandkoming van) het enige onderscheidende element in de verklaring van NN1 zoveel vragen oproept dat hierin geen ondersteuning kan worden gelezen voor de door de verdediging geopperde suggestie.

Wat de getuige [getuige 4] betreft valt op dat hij zich blijkens de verklaringen van de getuige [slachtoffer 15] sr heeft uitgelaten over de moord op [slachtoffer 13] . Op 26 januari 2009 heeft [slachtoffer 15] bij de rechter-commissaris verklaard van [getuige 4] te hebben gehoord dat [slachtoffer 13] [Jesse R.] uit zijn woning in Spanje had verwijderd. [Jesse R.] heeft toen aan [betrokkene 15] gevraagd om [slachtoffer 13] “om zeep te helpen” maar hij heeft het niet gedurfd. Het is later ergens in een zijkamertje alsnog gebeurd, heeft [getuige 4] aan [slachtoffer 15] verteld.103 [getuige 4] heeft aan [slachtoffer 15] nooit iets gezegd over de rol van [Peter la S.] hierin.104 Op 2 juli 2009 heeft [slachtoffer 15] sr deze verklaring in grote lijnen herhaald en daaraan toegevoegd dat het volgens [getuige 4] [Jesse R.] was die [slachtoffer 13] heeft doodgeschoten.105

[getuige 4] zelf is op 31 januari 2008 gehoord. Hij noemde bij die gelegenheid [Peter la S.] een hond, die ook Van Hout wilde omleggen.106 Ondanks deze opvatting en wetenschap heeft de getuige niet gesproken over de moord op [slachtoffer 13] . [getuige 4] heeft voorts ongeveer in het jaar 2008 aan de misdaadjournalist [journalist 1] verteld dat [Jesse R.] of [betrokkene 15] de moord heeft gepleegd. [journalist 1] heeft in die lijn ook een artikel geschreven. Dit is door [journalist 1] als getuige verklaard onder meer ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2014.107

Uit de uitlatingen van [getuige 4] zoals gedaan tegenover [slachtoffer 15] en [journalist 1] en, in mindere mate, uit diens verklaringen kan worden afgeleid dat [Jesse R.] mogelijk een actieve rol bij de moord heeft gehad. De wijze waarop [getuige 5] verslag heeft gedaan van de ontmoeting bij het wegrestaurant wijst in de richting van betrokkenheid van zowel [Jesse R.] als [Peter la S.] , in elk geval bij het wegmaken van het lijk. Dit alles verdraagt zich moeilijk met de verklaring van [Jesse R.] zelf dat hij aanwezig was als mediator en dat [Peter la S.] , nadat [betrokkene 15] bewust niet gericht op [slachtoffer 13] had geschoten, als enige [slachtoffer 13] met door hem afgevuurde kogels dodelijk heeft verwond.

Verder is het hof opgevallen dat de getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een afspraak had met [Jesse R.] en dat hij [betrokkene 15] niet kende.108 [Jesse R.] daarentegen heeft op 7 juni 2011 als getuige ter terechtzitting verklaard dat [getuige 5] een afspraak had met [betrokkene 15] en dat hij, [Jesse R.] , deze afspraak slechts heeft aangegrepen om [betrokkene 15] te ontmoeten. [Jesse R.] zou namelijk nog de sleutel van de loods waarin het lichaam van [slachtoffer 13] had gelegen, uit handen van [betrokkene 15] terugkrijgen.109 Dit is een opmerkelijk verschil, met name in het licht van het gegeven dat [betrokkene 15] mogelijk één van de personen op de plaats delict is geweest.

Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat van diverse getuigen niet kan worden vastgesteld of dan wel wanneer zij de waarheid hebben gesproken. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag reeds grotendeels aan de stelling van de verdediging over de betrokkenheid van [Peter la S.] bij de moord op [slachtoffer 13] .

Indien de inhoud van de afgelegde verklaringen toch als vertrekpunt wordt genomen, moet naar het oordeel van het hof met een veelheid aan mogelijke scenario’s rekening worden gehouden. Zo kan niet worden uitgesloten dat [Jesse R.] de dodelijke schoten heeft gelost. Evenmin kan het voor onmogelijk worden gehouden dat [Peter la S.] de schutter is geweest. Een gang van zaken waarbij [Peter la S.] en [Jesse R.] door hun respectieve bijdragen beiden als medeplegers hebben te gelden is eveneens denkbaar. Een actieve rol van [betrokkene 15] is in aanvulling daarop of wellicht zelfs in plaats daarvan ook niet denkbeeldig. Deze scenario’s sluiten elkaar voor een niet onbelangrijk deel uit.

Tot slot betrekt het hof de afwegingen van [Peter la S.] om uiteindelijk over Houtman te verklaren in de beoordeling van de vraag naar zijn mogelijke betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] . Op 12 maart 2009110 heeft hij hierover ter terechtzitting uitgebreid verklaard. Onder meer als volgt:

“Ik heb in Engeland nagedacht over de mogelijkheid om een deal met justitie te sluiten zonder Houtman te bekennen. Ik realiseerde mij dat de kans heel klein was dat dit kon. Bij de eerste oriënterende gesprekken met justitie in Nederland werd dat gevoel steeds sterker. Toen heb ik besloten de knoop door te hakken. Ik had begrepen dat ik volledige openheid van zaken moest geven als ik tot een deal wilde komen. (..) Ik vreesde dat ik met minimale veiligheid zou worden weggezet als ik niet alles zou vertellen. Ik dacht inderdaad dat de omvang van de bescherming minder zou zijn als ik Houtman niet zou bekennen. (..)

De voorzitter merkt op dat mij eerder is gevraagd of ik Houtman in de deal heb betrokken om mezelf interessanter te maken, en dat ik toen heb verklaard dat ik Houtman helemaal niet nodig had omdat er al genoeg was om tot een deal te komen. Zo heb ik het niet helemaal gezegd. Ik heb gezegd dat de zaken die tot dan toe besproken waren, interessant genoeg waren voor een deal, en dat ik op dat moment dacht dat het makkelijker zou zijn om zonder verklaring over Houtman tot een deal te komen. Maar dat had natuurlijk aan het licht kunnen komen in de rechtszaal. (..)

Voordat ik besloot over Houtman te verklaren heb ik nagedacht over hoe lang ik in dat geval zou moeten zitten. Ook heb ik nagedacht over de consequenties als ik niet over Houtman zou verklaren en dit zou uitkomen. Dan zou de halvering van de strafeis van de baan zijn. Ik heb alle voors en tegens tegen elkaar afgewogen en een beslissing genomen.”

Tegen de achtergrond van al deze afwegingen valt niet te begrijpen dat [Peter la S.] de aandacht vestigt op zijn beperkte wetenschap van de moord op [slachtoffer 13] terwijl hij daar een grotere betrokkenheid bij zou hebben gehad en [Jesse R.] , op zijn minst als getuige, daarvan kennis zou dragen. Er mag van worden uitgegaan dat [Peter la S.] zou hebben stilgestaan bij alle risico’s die zijn verbonden met achtergelaten sporen en geïnformeerde getuigen op een wijze die nog veel indringender is dan bij zijn afwegingen ten aanzien van de beslissing om over de moord op Houtman te verklaren.

Bij deze stand van zaken dient de conclusie te zijn dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om er rekening mee te moeten houden dat [Peter la S.] onwaarheid heeft gesproken in zijn verklaringen over de zaak- [slachtoffer 13] . Dat betekent eveneens dat deze verklaringen hierover geen aanknopingspunt bieden voor twijfel aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in het algemeen.

In voorgaande beschouwingen heeft het hof de totstandkoming van en gang van zaken bij het contact tussen de betrokken advocaten en de getuigen ten aanzien van de zaak- [slachtoffer 13] buiten beschouwing gelaten. Datzelfde geldt voor de positie die de getuigen zouden hebben ten opzichte van [Jesse R.] en zijn familie en [Peter la S.] . Door de advocaat-generaal zijn hierbij diverse kritische kanttekeningen geplaatst. Ook kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of voldoende vaststaat dat de getuigen in alle gevallen specifiek over de moord op [slachtoffer 13] hebben gesproken.

3.3.7.1 De moord op Houtman

Houtman is op 2 november 2005 rond 20.00 uur, gezeten op de bestuurdersstoel van zijn auto, voor de ingang van zijn woning beschoten. Hij had kort tevoren de woning verlaten. Ondanks zijn verwondingen is Houtman nog uit de auto gestapt en naar de woning gelopen waar hij kort daarna is overleden.

[Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] met een vuurwapen van het merk Glock Houtman van dichtbij heeft doodgeschoten, terwijl deze in de auto zat of aan het instappen was. [Peter la S.] zelf heeft op enige afstand gestaan.111 Hij was gewapend met een Kalashnikov-geweer en heeft daarmee “dekkingsvuur” gegeven dat tot doel had mensen op afstand te houden.112

Namens eerdergenoemde verdachten is het standpunt ingenomen dat [Peter la S.] aantoonbaar heeft gelogen over de gang van zaken op de plaats delict. De verdediging heeft tijdens het pleidooi een hiervan afwijkend scenario onderbouwd. Voorts is aangesloten bij nog een ander scenario dat door de raadslieden van één van de medeverdachten naar voren is gebracht. Deze scenario’s houden in dat [Peter la S.] en zijn mededader een andere rolverdeling hebben gehad waarbij [Peter la S.] zelf op Houtman heeft geschoten respectievelijk dat [Peter la S.] in het geheel niet op de plaats van het delict aanwezig is geweest. Voor beide alternatieven is in de kern ter ondersteuning aangevoerd dat de verklaring van [Peter la S.] vrijwel geen bevestiging vindt in objectieve onderzoeksgegevens en dat er uit het opsporingsonderzoek sterke contra-indicaties voor de door hem geschetste gang van zaken zijn gebleken. Met andere woorden, [Peter la S.] beschikt niet over daderkennis, althans niet over daderkennis die overeenkomt met de rol die hij bij de moord heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Vooraf verdient opmerking dat rekening dient te worden gehouden met de eerder besproken “zekerheidjes” die door [Peter la S.] in zijn eerste verklaring over de moord op Houtman zijn verwerkt. Deze betreffen in elk geval de looproute. Voor het overige zijn ze door [Peter la S.] inhoudelijk niet geduid.

3.3.7.1.1 Invloed vanuit mediaberichtgeving?

De suggestie is namens de verdachte gedaan dat [Peter la S.] zijn informatie over de gebeurtenissen op de plaats delict zou hebben verkregen via berichtgeving in de media. Meer in het bijzonder is daarbij genoemd het artikel “De fatale deal” in Nieuwe Revu, nummer 41 van oktober 2006.113

De advocaat-generaal heeft naar het oordeel van het hof in repliek met juistheid gewezen op enkele feiten die gedurende het onderzoek zijn komen vast te staan en waarover het artikel evidente onjuistheden bevat. Zo vermeldt het artikel in afwijking van de onderzoekresultaten dat Houtman in zijn auto aankwam bij zijn woning; dat hij bij aankomst bij zijn woning geroepen werd door twee mannen van achter een heg; dat Houtman is doodgeschoten met een

automatisch wapen en geraakt werd door zes kogels; dat Houtman vier of vijf keer

teruggeschoten heeft. Geen van deze, onjuiste, elementen komt voor in de verklaringen van [Peter la S.] . Integendeel, [Peter la S.] heeft verklaard dat Houtman is doodgeschoten nadat hij vanuit de woning naar de auto was gelopen en dat gebruik is gemaakt van een halfautomatisch wapen, te weten een Glock van waaruit ongeveer tien patronen zijn verschoten. Van terugschieten door Houtman heeft [Peter la S.] geen melding gemaakt.

Overigens worden in het artikel weinig tot geen opvallende details genoemd. Er is dus geen serieuze aanwijzing dat [Peter la S.] zich in zijn verklaringen op de inhoud ervan heeft gebaseerd.

3.3.7.1.2 Gelogen over de Fiat?

Volgens [Peter la S.] is Houtman die avond rond 19.45 uur in een bestelauto, door hem “Combo” genoemd, komen aanrijden.114 Gebleken is later dat het een Fiat Doblo betrof. Houtman zou de woning zijn ingegaan en later, toen hij weer buitenkwam te hebben plaatsgenomen in de Mercedes, waarna hij direct is doodgeschoten. Deze gang van zaken heeft [Peter la S.] in de loop der jaren telkens op deze wijze weergegeven.115 Als vaststaand kan worden aangenomen dat [Peter la S.] het hier niet bij het rechte eind heeft gehad. Uit diverse getuigenverklaringen is gebleken dat de Doblo de hele dag voor de woning heeft gestaan.116 Ook de bevinding dat het wegdek onder de Doblo droog was bij de start van het forensisch onderzoek wijst in die richting.117 Houtman is eerder die avond in de Mercedes komen aanrijden. Volgens [Peter la S.] is dat “absoluut niet waar”.118 [Peter la S.] heeft op vragen hierover steeds gezegd dat hij niet weet of dit een zekerheidje kan zijn geweest.119

Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien wat redelijkerwijs de winst voor [Peter la S.] zou kunnen zijn geweest om hierover bewust in strijd met de waarheid te verklaren. Zeker niet waar het gaat om eventuele steun voor de veronderstelling dat [Peter la S.] hiermee zou hebben kunnen verhullen dat hij de Glock heeft gehanteerd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat hij zich heeft vergist.

3.3.7.1.3 Kernpunten betreffende de PD Houtman: de hulzen en de looproute

Eén van de omstreden onderdelen van de verklaringen van [Peter la S.] is de vraag wat er met de hulzen die door de Kalashnikov zijn uitgeworpen is gebeurd. Hij heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. In kluisverklaring 15 heeft [Peter la S.] verklaard dat hij en [Jesse R.] zich niet druk hebben gemaakt om de hulzen die op de PD achterbleven.120 De hulzen uit de Kalashnikov waren nieuw uit het doosje en de Glock kwam van [Sjaak B.] . [Jesse R.] had er veel vertrouwen in dat de wapens “schoon” waren.121 Opmerkelijk in dit verband, met name in het licht van het vervolg, is dat tijdens dat verhoor op een vraag over het mogelijk gebruik van een hulzenzakje door [Peter la S.] niet wordt ingegaan.

De kwestie van de hulzen hield [Peter la S.] kennelijk bezig. In een gesprek met officier van justitie [officier van justitie 4] op 16 mei 2007 is hij hierop zelf teruggekomen en heeft hij gezegd dat hij heeft nagedacht over de hulzen. Hij herinnert zich dan dat hij iets in zijn handen heeft gehad dat hem hinderde bij het starten van de vluchtauto na de moord. Wat hij in zijn handen had, heeft

hij toen aan [Jesse R.] gegeven. [Peter la S.] acht het mogelijk dat [Jesse R.] deze voorwerpen onderweg uit het raam heeft gegooid. Diezelfde dag heeft [Peter la S.] een locatie aangewezen waar dit zou kunnen zijn gebeurd.122

Bij aanvang van het daaropvolgend verhoor van 24 mei 2007 vroeg [Peter la S.] direct aan de verhoorders of de hulzen waren gevonden.123 In dit verhoor van 24 mei 2007 heeft [Peter la S.] verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij hulzen in zijn handen had bij het starten van de auto, maar dat hij zich niet kan herinneren dat hij ze geraapt had. [Peter la S.] heeft verklaard dat

[Jesse R.] onderweg de hulzen heeft weggegooid, bij een talud. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit relaas tot stand is gekomen door terug te redeneren en door reconstructie.124

Tijdens een politieverhoor op 20 juni 2007 heeft [Peter la S.] opnieuw aangedrongen op het zoeken naar de hulzen. Daarbij is nog over een tweede mogelijke locatie gesproken.125

Tijdens een zeer uitgebreid politieverhoor van 15 augustus 2007 kan [Peter la S.] zich niet herinneren dat er maatregelen zijn genomen om de hulzen op te vangen.126

In zijn verhoor van 4 oktober 2007 heeft [Peter la S.] verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij de hulzen heeft overgedragen aan [Jesse R.] , maar dat hij inmiddels niet meer weet of het losse hulzen waren of dat het om een hulzenzakje ging. [Peter la S.] voegde hieraan toe dat zijn geheugen “niet meer schoon” is maar teveel is aangevuld met later gegeven informatie.127

Uit de processtukken blijkt dat op 4 en 11 oktober 2007 bij nader onderzoek van de plaats delict (verder: PD) tweemaal drie hulzen zijn gevonden.128 Deze zijn afkomstig van patronen van het kaliber dat is bestemd voor een Kalashnikov aanvalsgeweer. Twee hiervan zijn waarschijnlijk, de andere vier mogelijk, verschoten met de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov.129 De hulzen zijn gevonden in de tuin van de overburen van Houtman, achter de heg, ter hoogte van een lantaarnpaal.

Tot slot blijkt dat in de tas met de gebruikte Kalashnikov (waarover hierna meer) stukken textiel zijn aangetroffen die als hulzenzakje kunnen worden gebruikt.130 Tijdens het verhoor van 19 december 2007131 kon [Peter la S.] zich het gebruik ervan herinneren.

Het hof stelt vast dat [Peter la S.] er aanvankelijk geen herinneringen aan heeft dat enige zorg is besteed aan de hulzen. Het was niet nodig, luidde zijn verklaring.132 Zoals uit eerdere beschouwingen al naar voren kwam was [Peter la S.] zich voortdurend bewust van het belang van technische en objectieve bevestiging van zijn verklaringen. Het eerste resultaat van die sensitiviteit was een uitleg over een hand vol voorwerpen die hem hebben gehinderd bij het wegrijden met de vluchtauto. In latere instantie werden deze voorwerpen door hem geduid als hulzen. De vraag of [Peter la S.] deze ook heeft geraapt blijft onbeantwoord. Verder dan speculatie over de vraag of en hoe de hulzen in alle hectiek zouden kunnen zijn geraapt, komt hij niet. Op een bepaald moment, ongeveer een jaar na het afleggen van kluisverklaring 15 moet [Peter la S.] dan zelf constateren dat zijn herinnering niet meer is te onderscheiden van de informatie waarmee hij is gevoed. Aangenomen moet worden dat de uiteindelijke vondst van de hulzen aan die vermenging alleen maar kan hebben bijgedragen. Dit alles relativeert de betekenis van alle verklaringen die [Peter la S.] over de hulzen heeft afgelegd in zeer aanzienlijke mate. Dat geldt ook voor de kluisverklaring van 2 november 2006, die door de procespartijen nog wel eens als “fris van de lever” is getypeerd. Deze verklaring is evenwel afgelegd nadat reeds een jaar sinds de moord was verstreken en is gebaseerd op ervaringen die zijn opgedaan tijdens zeer gecomprimeerde gebeurtenissen onder ongetwijfeld stressvolle omstandigheden. Bovendien heeft [Peter la S.] lang geaarzeld voordat hij zijn bekennende verklaring over de moord op Houtman aflegde.133 De tactische inzet van met de waarheid schurende details kan niet worden uitgesloten. Daarnaast heeft de behoefte om een sluitende en verifieerbare verklaring af te leggen een mechanisme bij [Peter la S.] in werking gezet waarover hij vrijwel direct zelf al niet meer de controle had.

Bij deze stand van zaken kan alleen een voor de bewijslevering zinvol verband worden gezocht tussen de vindplaats van de hulzen en de globale aanduiding van de locatie(s) waarvan [Peter la S.] heeft gezegd dat hij daar schoten heeft gelost.

Daarvoor is eerst een nadere verkenning nodig van hetgeen [Peter la S.] over de looproute op de PD heeft verklaard.

3.3.7.1.4 De looproute

[Peter la S.] heeft op 2 november 2006 verklaard dat rond 19.15 uur hij en [Jesse R.] aankwamen bij de woning van Houtman. [Jesse R.] had onderweg de wapens geprepareerd en doorgeladen.134 De Mercedes van Houtman stond voor de deur met de achterzijde richting het park. Ze zijn in de bosjes gaan zitten bij de buren. Er kwam een Combo aanrijden en de bestuurder parkeerde deze auto met de achterkant in de richting van het park, stapte uit en ging naar binnen. Volgens [Jesse R.] was het Houtman.135

Na enige tijd kwam Houtman naar buiten; hij liep naar de Mercedes. Hij opende de deur aan de bestuurderskant. [Jesse R.] liep toen op Houtman af, de afstand tot de auto was een meter of tien. [Peter la S.] denkt dat Houtman nog niet helemaal ingestapt was. [Jesse R.] schoot zonder onderbreking, twee handen geklemd om het wapen.

Over zijn looproute heeft [Peter la S.] gezegd:

“Ik ben naar de andere kant van de auto gelopen. […] Jesse liep weg vanaf de bestuurderszijde en liep in mijn richting en liep door. Ik zag plotseling lichtsporen. Rood van kleur. Ik heb geen idee wat het was maar het kwam in mijn beleving vanuit de richting van het huis. […] Ik schoot. Ik had mijn rechterhand aan de trekker en vuurde een salvo. Ik denk ongeveer 6 schoten.” 136

Bij het proces-verbaal van het verhoor is een situatietekening gevoegd die [Peter la S.] op diezelfde dag heeft gemaakt.

Over deze route heeft [Peter la S.] later gezegd dat dit een zekerheidje was. Bij diverse gelegenheden, bijvoorbeeld ter terechtzitting van 15 juni 2009 maar ook al bij de rechter-commissaris op 10 mei 2007 heeft hij gezegd dat hij op dit punt bewust niet naar waarheid heeft verklaard.137

Opmerking verdient dat [Peter la S.] in kluisverklaring 15 slechts zeer summier heeft verklaard over de looproute. Bij de rechter-commissaris, op 15 maart 2007, is hier maar weinig bij gekomen.138 Dat wekt geen verwondering want het ging hierbij om een zogeheten toetsverklaring. Deze is afgelegd in een verhoor met als doel de toetsing van de rechtmatigheid van de afspraak met justitie. Dit verhoor is van relatief korte duur en van beperkte diepgang geweest.

Op 24 mei 2007 is [Peter la S.] uitgebreid gehoord door de politie over de looproute. In de processen-verbaal van dit verhoor wordt verwezen naar een plattegrond maar het bijgevoegde exemplaar is niet ingetekend. [Peter la S.] toonde zich in dit verhoor onzeker over de richting waarin hij is gelopen toen [Jesse R.] schoot: doorgelopen langs de steeg tegenover de woning van Houtman, op de stoep, misschien iets verder nog.139 Volgens [Peter la S.] heeft hij twee salvo’s afgevuurd. Bij de eerste raakte hij de controle over het wapen kwijt. Rond het tweede salvo (over het precieze moment twijfelt hij en doet hij verschillende uitspraken) kwam [Jesse R.] hem voorbijgelopen op weg naar de auto. Over de plaats van het tweede salvo heeft [Peter la S.] verklaard, dat deze op de stoep maar misschien “wel iets verder nog” was gelegen. Hij heeft verklaard dat hij op die plek heeft “rondgelopen”.140

Op 15 augustus 2007 is [Peter la S.] opnieuw gehoord door de politie over de moord op Houtman. [Peter la S.] zegt dat hij tussen de bosjes en de Mercedes een salvo heeft afgevuurd waarbij het huis naast dat van Houtman is geraakt. Daarna is hij voor dan wel achter [Jesse R.] langs gelopen (die bij de openstaande deur van de Mercedes stond) en op de hoek bij de steeg aan de overkant van de straat gaan staan. Daar heeft hij in de lucht en in de Doblo geschoten.141

Op 4 oktober 2007 is [Peter la S.] weer door de politie gehoord. Er is een tekening gemaakt door [Peter la S.] tijdens dit verhoor. Daarop staat het eerste kruisje op de stoep en het tweede kruisje bij de knik in de heg bij de ingang van de steeg.142 Op deze tweede plek zijn zeer korte tijd na dit verhoor de hulzen gevonden. Overigens blijkt uit het proces-verbaal van dit verhoor niet ondubbelzinnig of met het kruisje ook de plaats van schieten is bedoeld. Dit moet worden afgeleid uit de samenhang met de verklaring van 15 augustus 2007.

Op 19 december 2007, nadat de vondst van de hulzen heeft plaatsgehad, heeft [Peter la S.] gezegd dat het een “vrij groot stuk” is waar hij heeft rondgelopen en dat hij niet kan zeggen waar hij precies heeft geschoten.143

Uit dit overzicht kan de conclusie worden getrokken dat [Peter la S.] niet met al te veel scherpte heeft gesproken over de locaties waar hij heeft gestaan tijdens de moord. Zijn herinneringen zijn ook niet zo scherp omlijnd. Soms zegt hij met zoveel woorden dat hij het niet precies weet. In het politieverhoor van 24 mei 2007 is onmiskenbaar sprake van invulling, op basis van niet meer dan een globale herinnering.

Door de advocaat-generaal is voorts nog gewezen op de animatie van de gebeurtenissen op de PD Houtman, waarover door de deskundige Lucas ter terechtzitting van de rechtbank op 2 juli 2009 een verklaring is afgelegd. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in. Alle kogels uit de Glock moeten Houtman hebben geraakt terwijl hij op de bestuurdersstoel zat. Bij het schieten richting de Doblo en de woning moet de schutter met de Kalashnikov, gelet op het sporenbeeld, in de steeg naast de heg hebben gestaan. Alleen vanuit deze positie kunnen de doorschotopeningen in de Doblo worden verklaard.144

Het hof betrekt voorts in de overwegingen dat uit het onderzoek naar de Kalashnikov (waarvan hierna zal worden vastgesteld dat deze gebruikt is door [Peter la S.] ) is gebleken dat deze de hulzen rechts uitwerpt. Deze komen verspreid op de grond terecht op een afstand van 4,5 tot 7,7 meter vanaf de vuurplek, zo is gebleken uit onderzoek verricht op 12 september 2007 door de politie en het NFI.145 Tot slot vereist het geen bijzondere deskundigheid om te concluderen dat de vindplaats van de hulzen (in de tuin van de overburen van het slachtoffer, nabij de heg op een diepte van 2 tot 4 centimeter)146 niet exact de plek hoeft te zijn geweest waar deze twee jaar eerder op de grond zijn gevallen. Dit alles impliceert dat ook bij de uitleg van deze gegevens van een onzekerheidsmarge moet worden uitgegaan.

Door de verdediging is gewezen op de verklaringen van diverse ooggetuigen. Deze zouden op onderdelen sterk verschillen van de verklaringen van [Peter la S.] en daarom de betrouwbaarheid ervan ondermijnen.

De heer [getuige 15] , overbuurman, is op de dag van de moord zeer summier gehoord. Daarna pas weer op 4 juni 2007 en 13 januari 2009.

Op 4 juni 2007147 heeft hij verklaard dat hij 3 tot 6 knallen hoorde en toen naar het raam liep. Daar zag hij dat een persoon kennelijk vanuit de steeg de straat opliep en schoten afvuurde tijdens het rennen, met het wapen op heuphoogte. Hij vuurde in de richting van de Mercedes. Hij zegt ook dat deze man naar de Mercedes liep en daar leek te willen schuilen.

Hij heeft verklaard op 13 januari 2009148 dat hij en zijn gezinsleden tussen 19.00 en 20.00 aan het eten waren en knallen hoorden. Hij zag een man in donkere kleding die een lang voorwerp op heuphoogte vasthield. Daar kwamen flitsen uit en hij hoorde knallen. De schutter met het lange wapen liep vanuit de richting van de steeg.

[getuige 16] en [getuige 17] (moeder en dochter van het slachtoffer) hebben blijkens hun eerste verklaringen de moord niet gezien. Na het horen van de schoten zijn zij naar het keukenraam gelopen. [getuige 16] heeft op 3 november 2005 gezegd dat ze mannen heeft zien wegrennen vóórdat er door haar man werd gebonsd op de deur. Ze speculeert op dat moment over de richting vanwaar de daders kwamen.149

Later, op 6 april 2007 heeft [getuige 16] verklaard dat ze twee mannen ‘vanaf het busje’ vanaf de rechterkant had zien komen rennen. Ze zag vanuit het keukenraam dat ze schietend kwamen aanrennen. Ze hadden allebei een geweer.150

[getuige 17] (gehoord op 3 november 2005) hoorde schoten en zag twee mannen die zich nog even omdraaiden en daarna de steeg in renden. Over de plaatsen vanwaar is geschoten en of 1 dan wel 2 personen hebben geschoten, is ze niet zeker. Zij heeft niet op de daders gelet.

Volgens haar ‘had er maar een geschoten’.151

Als zij weer wordt gehoord op 31 mei 2007 zegt ze dat ze al naar buiten keek en toen lichtflitsen heeft gezien tegenover de straat, dat ze de mannen samen heeft gezien bij het huis en dat deze kwamen uit de richting van de steeg die gelegen is aan de overkant van de straat.152 Zij heeft ook haar vader zien rennen. Bij de rechter-commissaris op 15 januari 2009 heeft zij een nog concreter beschrijving gegeven. Ze heeft mannen uit de richting van de steeg zien rennen die om de Doblo heen renden.153

Uit dit overzicht van PD-getuigen blijkt op de eerste plaats dat zij kort na de moord slechts zeer summier zijn gehoord. Zij zijn pas anderhalf jaar later uitgebreider gehoord. Uit de eerste verklaringen blijkt dat de getuigen niet alles hebben gezien. Dat is niet vreemd. Ze hebben immers gereageerd op de schoten die zij hoorden. Verder mag worden aangenomen dat dit voor hen ook een zeer spanningsvolle situatie is geweest. Dat de spanning de waarnemingen van getuigen en de reproductie daarvan beperkt kan ook blijken uit de verklaring van de overbuurvrouw [getuige 18] . Zij heeft op 7 februari 2006 verklaard dat zij Houtman aan de rechterzijde van de auto heeft gezien, hetgeen op grond van de processtukken kan worden uitgesloten.154

Voorts is opmerkelijk dat [getuige 16] en [getuige 17] in de loop der tijd hun verklaringen verder hebben ingevuld en aangevuld. Dit past in het evoluerende beeld dat ook zichtbaar is bij de verklaringen van [getuige 16] over de opdrachtgevers van de moord, waarvoor door de verdediging op goede gronden aandacht is gevraagd.

3.3.7.1.5 Conclusie ten aanzien van de hulzen en de looproute in samenhang

Dit alles leidt het hof tot de slotsom dat voor de stelling van de verdediging dat de verklaringen van de ooggetuigen de juistheid van de verklaringen van [Peter la S.] over de gebeurtenissen op de plaats delict ontzenuwen, de feitelijke grondslag ontbreekt.

Voor het geopperde alternatieve scenario dat de daders beiden schietend zijn komen aanrennen uit de steeg is geen steun aanwezig.

Evenmin bieden de verklaringen aanknopingspunten voor twijfel aan hetgeen [Peter la S.] heeft verklaard over de plekken waar hij (ongeveer) heeft gestaan tijdens de moord op Houtman.

De aanduiding die [Peter la S.] van één van die plekken heeft gegeven vindt bevestiging in de plaatsen waar de hulzen afkomstig uit de Kalashnikov zijn aangetroffen en in de resultaten van het forensisch onderzoek naar de mogelijke kogelbanen. Bovendien sluit het gegeven dat er hulzen op de plaats delict zijn gevonden aan bij de eerste verklaringen van [Peter la S.] dat hij en [Jesse R.] zich geen zorgen maakten om de hulzen.

3.3.7.1.6 Vluchtroute

[Jesse R.] en [Peter la S.] zijn gevlucht via de tegenover de woning van Houtman gelegen steeg. Aan het eind daarvan stond de vluchtauto, een Citroën C5, klaar. Volgens [Peter la S.] stond aan het eind van de straat waardoor zij wegreden een “woning” waar twee mensen voor een groot, helder verlicht raam stonden.155 Op het door [Peter la S.] beschreven punt op de vluchtroute bevindt zich blijkens het onderzoek het gebouw van de Nieuwe Apostolische kerk. Uit onderzoek is gebleken dat daar op het genoemde moment in de deuropening twee personen hebben staan wachten.156 Het hof acht dit een sterke vorm van bevestiging. Dat [Peter la S.] het kruis op het gebouw niet heeft gezien en niet heeft onderkend dat het geen woning is, kan daar, mede gelet op het gegeven dat het een waarneming van zeer korte duur moet zijn geweest, niet afdoen.

Het hof betrekt daar ook bij dat het betreffende gebouw, blijkens de daarvan door de advocaat-generaal overgelegde foto’s,157 qua architectuur niet aanstonds als een kerk te herkennen is en weinig afwijkt van de woningen in dezelfde straat.

3.3.7.1.7 De gebruikte Kalashnikov

In kluisverklaring 15 heeft [Peter la S.] gezegd dat de Kalashnikov is opgehaald bij [betrokkene 9] in Limburg. Het wapen zat in een grote, sterke Albert Heijn-tas. In de tas lagen ook heel veel patronen, in doosjes, met elk 10 patronen erin.158 De gebruikte wapens, de Kalashnikov en de Glock, heeft [Peter la S.] na afloop in de Amstel heeft gedumpt. Op een plek gelegen voorbij het Kalfje.159 De Kalashnikov zat in de stevige Albert Heijn-tas met daarin alle patronen. De tas was nogal zwaar waardoor deze langs de walkant ligt. Het pistool zou hij een zwieper hebben gegeven, die ligt in het midden.

Op woensdag 29 november 2006 is de recherche op aanwijzen van [Peter la S.] naar een plek aan de Amstel gereden.160 Ter hoogte van deze locatie is op 20 maart 2007 uit de Amstel op ongeveer 4 meter uit de kant een tas opgedoken.161 Het betrof een zogenaamde “Big Shopper” tas van Albert Heijn. In deze tas zat een Roemeens kogelgeweer, afgeleid van de Russische Kalashnikov, model AK 47. Het wapen was schietklaar. Daarnaast bevonden zich in de tas onder meer ruim 400 patronen, een deel in 45 munitiedoosjes en een deel los in de tas.162

De in de tas en het wapen aangetroffen patronen waren van het kaliber 7,62x39 (Kalashnikov) type lichtspoor.163 Aan de hand van de mosselaangroei op de tas heeft de deskundige geconcludeerd dat het meest waarschijnlijk is dat de tas tussen september 2005 en augustus 2006 te water is geraakt.164

Tijdens nader onderzoek op de plaats delict op 4 en 11 oktober 2007 zijn in de tuin van perceel [adres 1] (de overburen van Houtman) nabij de heg die de grens vormt tussen de tuin en de stoep die leidt naar de eerder genoemde steeg in totaal zes hulzen aangetroffen. Deze zijn afkomstig van patronen van kaliber 7,62x39 Kalashnikov.165 De zes hulzen zijn gelijk aan de hulzen van de (lichtspoor)patronen uit de in de Amstel aangetroffen plastic tas. De sporen in de slaghoedjes van de hulzen zijn bij 4 van deze hulzen mogelijk en bij 2 van deze hulzen waarschijnlijk veroorzaakt door de afsluiter van de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov.166 Uit een vergelijking van de samenstelling van de op de plaats delict aangetroffen kogelfragmenten met de in de plastic tas aangetroffen (lichtspoor)patronen blijkt dat er ten aanzien van de meeste onderzochte (lichtspoor)patronen een overeenkomst is vastgesteld in de chemische samenstelling voor zowel de mantels als het kogellood.167

Over het gebruik van de Kalashnikov heeft [Peter la S.] onder meer het volgende verklaard. Details ten aanzien van de looproute blijven hierbij onvermeld omdat deze eerder aan de orde zijn geweest.

[Peter la S.] heeft meermalen verklaard dat [Jesse R.] het wapen telkens heeft geprepareerd. Dit is gebeurd voorafgaand aan proefschieten en in de voorbereiding voor de eerdere keren dat zij beiden gewapend naar de woning van Houtman waren gegaan.168

In kluisverklaring 15 heeft [Peter la S.] onder meer verklaard dat hij lichtsporen in de lucht zag toen hij om de Mercedes heen liep. Daarna heeft hij zelf geschoten in de richting van het huis.169

Het was één salvo met de rechterhand aan de trekker. Er werden vier, vijf of zes kogels afgevuurd.170 Toen [Peter la S.] de trekker overhaalde begon het wapen gelijk te lopen. Hij raakte de controle kwijt waardoor het van richting veranderde.171

Bij de rechter-commissaris op 15 maart 2007, als er nog niet is gezocht naar de Kalashnikov, heeft [Peter la S.] onder meer verklaard dat hij [Jesse R.] zag schieten en dat hij is doorgelopen.172

Tijdens dit verhoor spreekt [Peter la S.] over meer salvo’s. Hij heeft zelf 6 à 7 keer in de Combo (Doblo) geschoten, puur van spanning. Hij houdt het voor mogelijk dat hij het huis van Houtman en/of dat van diens buren heeft geraakt.173

Op 24 mei 2007 heeft [Peter la S.] nog eens duidelijk geantwoord dat hij de trekker maar één keer hoefde over te halen. Hij zegt twee keer te hebben geschoten. De eerste keer kort, waarbij hij de greep op het wapen verloor, hij verschoot daarbij 3 tot 5 patronen. De tweede keer langer, een salvo bestaand uit ongeveer 15 patronen.174 Tijdens dit verhoor en het verhoor op 15 augustus 2007 maakt [Peter la S.] wel onderscheid met een Uzi. Anders dan bij dit wapen geeft de Kalashnikov het gevoel dat elk patroon afzonderlijk wordt geladen. Ook verschillen de wapens wat betreft het geluid tijdens het schieten.175

Tijdens verhoren op 24 mei 2007 en 31 juli 2007 uit [Peter la S.] zijn onzekerheid of hij de lichtsporen heeft gezien voordat hij schoot of dat hij op dat moment zelf al had geschoten.176

Op 15 augustus 2007 is [Peter la S.] door de politie gehoord over Houtman. Daarbij wordt de gevonden AK aan hem getoond. [Peter la S.] weet dan niet hoe hij de inklapbare kolf van de AK moet bedienen. Hij zegt dat de kolf niet uitgeklapt is geweest.177

Het “weglopen” van het wapen is een constante in de herinnering van [Peter la S.] gebleken. Ter terechtzitting van 15 juni 2009 heeft hij gezegd dat hij zich dit nog steeds, ondanks de vele verhoren die zijn geheugen hebben beïnvloed, herinnert.178 Bij welk salvo en op welke plek het wapen wegliep weet hij niet meer.179 Tijdens diverse verhoren bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat het tijdens het tweede salvo gebeurde. Ook heeft hij wel gezegd dat het (vermoedelijk) bij het eerste salvo het geval was.180

In het debat ter terechtzitting is voor de volgende aspecten in het bijzonder aandacht gevraagd. [Peter la S.] wist niet zoveel van het wapen, onder meer waar het ging om het uitklappen van de kolf.

Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat het niet mogelijk is om volautomatisch te schieten met de gevonden AK, maar slechts semiautomatisch.181 De trekker moet telkens worden overgehaald om een patroon te verschieten. Daarbij verdient wel vermelding dat ook bij semiautomatisch gebruik de vuursnelheid hoog kan liggen: 240-360 schoten per minuut.182

Uitgaande van het gegeven dat de trekker bij het verschieten van elke patroon opnieuw diende te worden overgehaald roept de verklaring van [Peter la S.] dat het wapen “wegliep” vragen op.

Wat de kolf van de Kalashnikov betreft overweegt het hof als volgt. [Peter la S.] heeft van meet af aan verklaard dat hij het wapen onder zijn halflange jas heeft gedragen.183 Verder heeft hij telkens gezegd dat [Jesse R.] zich met de technische kanten van het wapen bezig hield. [Jesse R.] prepareerde het wapen, laadde het met de patronen en gaf het op de diverse momenten dat zij gewapend naar het huis van Houtman zijn gegaan gebruiksklaar aan [Peter la S.] . Daarnaast werd [Peter la S.] ten tijde van de moord overvallen door het gedrag van het wapen. In latere verklaringen heeft hij bovendien gezegd dat hij vanaf heuphoogte schoot.184 In dit licht kan aan het gegeven dat [Peter la S.] de inklapbare kolf van de Kalashnikov niet kan bedienen, naar het oordeel van het hof weinig onderscheidende betekenis worden toegekend.

Het hof merkt op dat [Peter la S.] tijdens de verhoren zijn gemoedstoestand ten tijde van de moord heeft getypeerd. Hij heeft deze onder meer omschreven als: paniek, niet weten wat hij moest doen, een staat van bewustzijnsvernauwing, niet meer in staat tot rationele overwegingen.185 In die toestand heeft hij ook gehandeld. Bovendien hebben de gebeurtenissen tijdens de moord elkaar snel opgevolgd en zich in ten hoogste enkele minuten afgespeeld.

Het kan niet anders dan dat dit zowel de beleving ter plekke als de herinnering mede heeft bepaald. Diverse vergissingen, al dan niet als direct gevolg hiervan, zijn al gebleken. Hierbij gaat het om herinneringen waaraan [Peter la S.] is blijven vasthouden en waarvan niet goed valt in te zien wat zijn belang bij een volgehouden leugen zou zijn. Hiervoor kwam al aan de orde dat [Peter la S.] zich moet hebben vergist ten aanzien van de auto waarin Houtman kwam aanrijden. Hij lijkt zich ook te hebben vergist waar hij stellig is blijven verklaren dat hij de woning van de buren op nummer 23 heeft geraakt. Aan deze woning is geen schade als gevolg van kogelinslagen waargenomen, in tegenstelling tot de woning van Houtman zelf. Daarvan zijn de tuinmuur en de voorgevel geraakt.186 Overigens laat [Peter la S.] op 15 maart 2007 bij de rechter-commissaris nog in het midden welke woning hij zou hebben geraakt.187

Wat de plaatsen waar [Peter la S.] heeft gelopen en gestaan betreft geldt hetzelfde. In globale zin heeft hij daarover uitspraken gedaan die onderling verschillen vertonen waarbij hij heeft verwezen naar zijn mentale toestand. Vertroebeling door het aanvankelijk ingebouwde zekerheidje heeft naar alle waarschijnlijkheid ook een rol gespeeld. Maar desondanks worden de grote lijnen bevestigd zowel door de vindplaats van de hulzen als door de inschoten in de woning en in de Doblo.

Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het hof ook de opmerking over het weglopen van het wapen worden begrepen. Hiermee lijkt de beleving van controleverlies tot uitdrukking te zijn gebracht die bij [Peter la S.] onder de stressvolle omstandigheden werd veroorzaakt door het naar rechts trekken van het wapen (waarvan door onderzoek is gebleken dat dit ook bij semi-automatisch schieten met dit wapen in zekere mate gebeurt).188 Het is juist de vasthoudendheid waarmee hij deze herinnering telkens heeft verwoord die dit vermoeden bevestigt. Ook nadat [Peter la S.] , geconfronteerd met onderzoeksresultaten, is gaan twijfelen of hij wellicht toch vaker de trekker heeft moeten overhalen, is dit onderdeel van zijn verklaringen onveranderd gebleven.

Over de vraag hoe het kan dat [Peter la S.] zo stellig en bestendig heeft verklaard dat hij de trekker slechts éénmaal diende over te halen kan geen nadere duidelijkheid worden verkregen.

In het licht van het geheel aan onderzoeksresultaten waarin op tal van significante en relevante onderdelen bevestiging wordt geboden voor de verklaringen van [Peter la S.] , kan aan dit aspect echter niet zoveel betekenis toekomen dat het de waarde van die bevestiging wezenlijk aantast.

3.3.7.1.8 Verankering PD Houtman

Uit de voorgaande bespreking kan worden afgeleid dat de verklaringen van [Peter la S.] enkele onbeantwoorde vragen overlaten waar het gaat om de gang van zaken bij de moord op Houtman. Daartegenover staat een groot aantal onderzoeksbevindingen dat bevestiging biedt voor zijn verklaringen. Dit kan blijken uit het volgende overzicht.

- [Peter la S.] heeft in kluisverklaring 15 en in zijn verklaring bij de politie van 15 augustus 2007 de tuin van de buren van Houtman en ook overigens de situatie ter plaatse beschreven op een wijze die overeenstemt met de werkelijkheid.189

- [Peter la S.] heeft verklaard dat op de garagedeur van Houtman een Looney Tunes-tekening zit.190 Dit klopt.191

- [Peter la S.] heeft in kluisverklaring 15 het uiterlijk van Houtman (donker haar, brildragend) en diens auto (nieuw type donkere Mercedes) beschreven. Dit is correct.192

- [Peter la S.] heeft verklaard dat het aantal schutters twee was. Hiervoor is bevestiging in de besproken forensische gegevens, in het bijzonder betreffende de aangetroffen kogels en hulzen en in verklaringen van ooggetuigen.

- Volgens [Peter la S.] heeft [Jesse R.] vanaf korte afstand, ongeveer twee meter) geschoten op Houtman. Dit komt overeen met de vastgestelde schootsafstand (0,5 tot 2 meter). 193

- Het door [Jesse R.] gebruikte wapen was volgens [Peter la S.] een Glock 45. De negen op de plaats delict aangetroffen hulzen zijn afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber .45 ACP en zijn zeer waarschijnlijk verschoten uit één en hetzelfde vuurwapen, vermoedelijk een semiautomatisch werkend pistool van het merk Glock. De in totaal acht gevonden kogels zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber .45 ACP. De sporen in de kogels passen bij een pistool van het merk Glock.194

- Het gevonden aantal hulzen en kogels afkomstig uit het moordwapen en de verwondingen van Houtman stemmen overeen met hetgeen [Peter la S.] daarover heeft verklaard.195 [Jesse R.] zou het magazijn hebben leeggeschoten, tien patronen ongeveer.

- [Peter la S.] heeft verklaard dat de gebruikte Glock een bijzonder wapen was, een collectors item. Dit klopt. In afwijking van het standaardkaliber 9 mm was het kaliber munitie dat met het wapen verschoten wordt .45.196

- [Peter la S.] heeft verklaard dat Houtman in zijn auto zat cq. aan het instappen was. Dat correspondeert met het aantreffen van kogels in de auto en inschoten en bloed op de bestuurdersstoel.197

- [Peter la S.] heeft gehoord dat Houtman nog een krachtterm als “kankerhonden/kankerlijers” heeft geroepen. Dit is bevestigd door diens vrouw en dochter.198

- [Peter la S.] heeft tijdens het schieten lichtsporen gezien. Tal van onderzoeksbevindingen zoals eerder aangehaald bevestigen het gebruik van lichtspoormunitie door de schutter met de Kalashnikov.

- De gebruikte Glock is niet teruggevonden in de Amstel, mogelijk als gevolg van verplaatsing door het scheepvaartverkeer. Dit is weliswaar een gebrek aan verankering maar het houdt ook in dat dit tweede wapen niet in de tas van de AK zat, hetgeen overeenstemt met de verklaringen van [Peter la S.] .

- [Peter la S.] heeft met juistheid verklaard dat er een Kalashnikov is gebruikt. Op zijn aanwijzen is deze teruggevonden in de Amstel. In een tas met een zeer grote hoeveelheid patronen. Dat klopt ook.199

- De mosselgroei op de tas sluit aan bij de periode waarin [Peter la S.] de tas in de Amstel zegt te hebben gegooid.200

- [Peter la S.] heeft in zijn verklaringen in globale termen gesproken over de plaats van waar met de AK is geschoten. Dit is bevestigd door de resultaten van het forensisch onderzoek.201

- [Peter la S.] herinnert zich dat hij in de Doblo heeft geschoten. In deze auto zijn in- en uitschotopeningen aangetroffen.202 Ook is een kogeldeel gevonden, dat vermoedelijk van het kaliber is dat met een Kalashnikov wordt verschoten.203

- [Peter la S.] herinnert zich ook een woning te hebben geraakt. Ook dat wordt door de resultaten van het opsporingsonderzoek bevestigd.204

- [Peter la S.] heeft verklaard dat hij en [Peter la S.] via de steeg zijn gevlucht. Hierover hebben getuigen205 verklaard en het past ook in de waarneming van [Peter la S.] tijdens de vlucht.

- [Peter la S.] heeft verklaard over de door de vluchtauto gevolgde route. In de straat aan het einde van de steeg, de Funke Küpperstraat, moet men linksaf. Op dat punt heeft [Peter la S.] personen bij de deur van de Nieuw-Apostolische kerk gezien die daar inderdaad hebben gestaan.206

Voorts zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

- De financiën van mevrouw [betrokkene 10] , toenmalige partner van [Peter la S.] , zijn onderzocht.207 Van 1 oktober 2005 t/m 31 december 2005 werd er in negen tranches bijna 25.000 euro aan contanten op haar rekening gestort. Daarvan is het grootste gedeelte zeer kort na de moord gestort. Met het geld zijn gokschulden afbetaald. [Peter la S.] heeft verklaard dat hij haar geld heeft gegeven uit de opbrengst.

Al het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de algehele betrouwbaarheid van hetgeen [Peter la S.] over de gebeurtenissen op de PD Houtman heeft verklaard. Dat betekent dat in de inhoud van zijn verklaringen hierover evenmin grond is gelegen om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] in het algemeen aangetast te achten.

3.3.7.1.9 De documenten op de laptop van [Peter la S.]

In de slotfase van de behandeling van de zaak door de rechtbank, ter terechtzitting van 24 september 2012, heeft de officier van justitie stukken ingebracht. Deze waren aangetroffen op de laptop van [Peter la S.] na een onderzoek door het Team Getuigenbescherming (TGB).

Eén deel208 bevat diverse ‘ontboezemingen’ van [Peter la S.] . Hierin wordt onder meer een nieuwe versie van de ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein gegeven die inhoudt dat er geen contact is geweest op dat moment. Daarnaast is er een document getiteld “D-fense Houtman”.209 Het bevat tactische overwegingen die betrekking hebben op de gang van zaken tijdens de moord op Houtman en op wat [Peter la S.] hierover had verklaard. Een lijst met punten die zijn verklaringen ondersteunen respectievelijk ontkrachten maakt hier deel van uit.

Verder is er een document210 gevonden waarin [Peter la S.] schrijft dat hij is gestuurd door de CIE. Details zouden hem zijn ingefluisterd tijdens de verhoren. Ten aanzien van de zekerheidjes heeft hij geschreven dat het punten betrof waar hij in het geheel niet zeker van was. Ook hierin is hij gestuurd door de CIE. Ten tijde van de moord op Houtman was [Peter la S.] niet op de plaats delict.

[Peter la S.] heeft hierop ter terechtzitting van 24 en 27 september 2012 gereageerd. Hij heeft verklaard dat de stukken zijn geschreven vanwege de problemen met het TGB. Ze zouden moeten dienen als breekijzer in de onderhandelingen. “Het was oorlog” in de beleving van [Peter la S.] .211 Een deel van de stukken was al geschreven in juni 2009, omdat [Peter la S.] ook toen naar eigen zeggen al overhoop lag met het TGB. Er is geen inhoudelijke sturing geweest zoals in de documenten is gesteld. De alternatieve verklaring inzake de moord op Houtman is feitelijk onjuist en was opgesteld voor het geval de afspraak door het OM zou worden opgezegd.212

Het hof maakt uit deze gang van zaken op dat hierdoor de persoon van [Peter la S.] verder wordt gekleurd. Hij heeft in zijn eigen strafzaak strategisch geopereerd en is dat blijven doen. De creativiteit die hij daarbij aan de dag heeft gelegd is aanzienlijk. Bovendien kan uit de vele incidenten tijdens de zittingen van de rechtbank worden opgemaakt dat het zoeken van de dialoog en het aannemen van het perspectief van de wederpartij geen deel hebben uitgemaakt van het gedragsrepertoire van [Peter la S.] . Conflicten vormden diens “levenswater”, aldus de officier van justitie belast met getuigenbescherming, mr. [officier van justitie 2] .213

Anders dan de rechtbank gaat het hof niet zover dat de door [Peter la S.] gevolgde werkwijze vraagtekens oproept ten aanzien van zijn eerder afgelegde verklaringen. Het gaat allereerst niet om door [Peter la S.] afgelegde verklaringen maar om documenten die zo nodig in zijn eigen strafzaak, meer in het bijzonder met het oog op de vormgeving van de beschermingsmaatregelen, konden worden ingezet. Bovendien had [Peter la S.] een aanzienlijk deel van zijn verklaringen al afgelegd. Ook in juni 2009, toen [Peter la S.] “D-fense Houtman” schreef, was hij al vele malen bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De overige documenten waren van nog (iets) latere datum.214 Er is niet gebleken dat de onder [Peter la S.] aangetroffen documenten diens verklaringen hebben beïnvloed.

3.3.7.2 Specifiek namens [Mohamed R.] gevoerde verweren

Namens [Mohamed R.] is specifiek ten aanzien van hetgeen [Peter la S.] over de aan [Mohamed R.] tenlastegelegde zaken heeft verklaard, nog het navolgende aangevoerd. De verklaringen van [Peter la S.] over deze zaken zijn stuk voor stuk verklaringen van horen zeggen. Daarbij zal altijd inkleuring plaatsvinden en bij [Peter la S.] is die kleuring zeer uitgesproken te noemen. [Peter la S.] heeft verklaard alle verhalen omtrent deze feiten van [Jesse R.] in de PI Wolvenplein te hebben vernomen. Dit is nauwelijks te verifiëren of te falsificeren; wel heeft het verhoor van voormalige medewerkers van de betreffende PI duidelijk gemaakt dat het helemaal niet mogelijk is geweest dat [Jesse R.] en [Peter la S.] toen urenlang met elkaar zaken hebben besproken.

Niet altijd is duidelijk welke informatie [Peter la S.] van [Jesse R.] heeft gehoord of wat hij in dossiers heeft gelezen. Bovendien is niet zeker of [Jesse R.] aan [Peter la S.] wel altijd de waarheid heeft verteld.

Ook kunnen er vraagtekens worden gesteld bij het geheugen van [Peter la S.] en is – zeker waar het hier in 2006 weergegeven herinneringen uit 1994/1995 betreft – onvermijdelijk dat interne en externe factoren die herinneringen hebben beïnvloed. Tenslotte blijkt dat [Peter la S.] inhoudelijke discrepanties tussen zijn verklaringen niet kan uitleggen; in ieder geval is zijn uitleg niet-verifieerbaar.

Het hof overweegt dat het juist is dat de verklaringen van [Peter la S.] over de aan [Mohamed R.] tenlastegelegde “93-zaken” gebaseerd zijn op hetgeen [Jesse R.] hem over die zaken in de periode 1994/1995 in de PI Wolvenplein heeft verteld. Het is eveneens juist dat dat tussen die periode en de periode waarin [Peter la S.] verklaringen is gaan afleggen (2006) geruime tijd is gelegen. Met betrekking tot door de verdediging geconstateerde verschillen en inconsistenties in de jaren vanaf 2006 verwijst het hof naar hetgeen eerder al is overwogen; die verschillen hoeven aan bruikbaarheid van de verklaringen in het algemeen niet in de weg te staan. Het hof stelt vast dat [Peter la S.] in zijn verklaringen – in ieder geval na daarnaar te zijn gevraagd – heeft getracht onderscheid te maken tussen wat hij van [Jesse R.] heeft gehoord, wat hij in een dossier kan hebben gelezen en wat hij op basis van zijn kennis en ervaringen heeft geconcludeerd en/of ingekleurd. Waar hij tot dit onderscheid niet in staat bleek, heeft hij dit ook aangegeven. Dat [Jesse R.] tegen [Peter la S.] mogelijk niet altijd de waarheid heeft gesproken, kan niet worden uitgesloten. Hier staat tegenover dat niet gebleken is dat ook in de periode 1994/1995 al sprake was van het eerdergenoemde “schaakspel” tussen [Jesse R.] en [Peter la S.] , zodat niet aannemelijk is dat [Jesse R.] toen ‘desinformatie’ aan [Peter la S.] heeft gegeven. De verklaringen van [Peter la S.] over de situatie in PI Wolvenplein vinden steun in het dossier. Gebleken is immers dat inderdaad [Jesse R.] en [Peter la S.] toen daar samen op de door [Peter la S.] genoemde cellen gedetineerd waren en dat zij contacten met elkaar onderhielden.215 Anders dan de verdediging, maakt het hof uit de verhoren van getuigen ( [getuige 35] , [getuige 44] , [Opa-getuige-4]216) op dat het door [Peter la S.] geschetste contact niet onmogelijk is geweest. Immers, uit hun verklaringen volgt dat gedetineerden gedurende de zogenaamde toiletrondes bij elkaar op de cel konden komen, dat controle daarop niet goed mogelijk was en dat toezicht daarop ook afhankelijk was van de persoon van de bewaarder.

Tenslotte overweegt het hof dat de verklaringen van [Peter la S.] over de aan [Mohamed R.] tenlastegelegde feiten op belangrijke punten worden ondersteund door andere getuigenverklaringen en bevindingen, zoals hierna zal blijken.

3.4

Conclusie

De slotsom van het voorgaande is dat het hof de verweren die strekken tot het uitsluiten van de processen-verbaal, houdende de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [Peter la S.] verwerpt, zodat er in zoverre geen belemmering bestaat voor bewijsgebruik.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.2, 3.3 en 3.4

- De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [Peter la S.] en [getuige 1] op grond van de onbetrouwbaarheid ervan moeten worden uitgesloten van het bewijs.

- Het hof heeft aan de hand van een aantal in het oog springende onderwerpen de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter la S.] en [getuige 1] bezien. De slotsom van deze zeer uitgebreide beschouwing is dat de verklaringen van [Peter la S.] en [getuige 1] voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

3.5

Ten aanzien van het bewijs: algemene overwegingen

3.5.1

Juridische kaders

Waar in dit arrest overwegingen en beslissingen omtrent medeplegen en voorbedachte raad zullen volgen, gelden daarvoor de navolgende kaders.

3.5.1.1 Medeplegen

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, komt betekenis toe aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.

3.5.1.2 Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 (https://www.navigator.nl/document/idf48818d0aa394ac8a06032def3a8ebd3?anchor=id-ab23e79c-dbbc-487b-81a0-eaad72e5ed53), NJ 2014/156 (https://www.navigator.nl/document/id8e79a92d868c4d2db6895f7e06eee5d2)).217

3.5.2

Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing

3.5.2.1 Inleiding

Aan [Mohamed R.] wordt – kort gezegd – deelneming (primair als medepleger, subsidiair dan wel meer subsidiair als uitlokker dan wel medeplichtige) verweten aan de moorden op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 1 april 1993 (ook aangeduid als de zaak “Tanta”), aan de moord op [slachtoffer 3] op 19 april 1993 (ook aangeduid als de zaak “Opa”) en aan de moorden op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op 9 mei 1993 (ook aangeduid als de zaak “Cobra”). Van strafbare betrokkenheid bij deze drie zaken (samen ook aangeduid als ‘de 93-zaken’) wordt ook [Jesse R.] verdacht.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van [Mohamed R.] in deze zaken bewezenverklaring van het primaire tenlastegelegde medeplegen gevorderd. Namens [Mohamed R.] is steeds vrijspraak bepleit.

Het hof ziet aanleiding om eerst de in deze drie zaaksdossiers neergelegde onderzoeksresultaten aan een overkoepelende beschouwing te onderwerpen. Dit in de eerste plaats omdat alle genoemde moorden binnen een korte periode zijn gepleegd, in de tweede plaats omdat [Mohamed R.] en [Jesse R.] van betrokkenheid bij al deze moorden worden verdacht, in de derde plaats omdat de getuigen [Peter la S.] en [getuige 1] omtrent alle drie zaaksdossiers verklaringen hebben afgelegd en tenslotte omdat bepaalde telecomgegevens in alle betreffende zaaksdossiers van belang zijn. Gelet daarop kan een vaststelling in de ene zaak betekenisvol zijn in een andere zaak.

De feiten en omstandigheden waarvan in deze beschouwing zal worden uitgegaan volgen deels uit de hiervoor genoemde, in bijlagen III, IV en V opgenomen bewijsmiddelen; voor het overige zal door middel van voetnoten worden verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan deze worden ontleend.

Na deze voorafgaande algemene beschouwing zullen bewijsoverwegingen volgen die specifiek op de bewezenverklaring ten aanzien van [Mohamed R.] in de drie afzonderlijke zaaksdossiers betrekking hebben en zullen de namens [Mohamed R.] gevoerde bewijsverweren worden besproken. Afgesloten zal worden met de conclusie en met de beslissingen omtrent het bewijs.

3.5.2.2 Algemene vaststellingen

Op 1 april 1993, omstreeks 00.45 uur, zijn aan de Ouderkerkerplas te Ouderkerk aan de Amstel twee mannen, [slachtoffer 2]218 en [slachtoffer 1]219 door afgevuurde kogels om het leven gebracht.220 Eén slachtoffer werd aangetroffen in een auto, het andere slachtoffer ernaast. Zowel de auto als de lichamen van de slachtoffers waren in brand gestoken. Op de plaats delict zijn hulzen en kogeldelen aangetroffen, waaruit blijkt dat er met een pistool en een revolver is geschoten.221 De betreffende auto was op 31 maart 1993 tussen 21.55 uur en 23.55 uur gestolen vanaf de Karel Lotsylaan te Amsterdam.222 In de nacht van 30 op 31 maart 1993, omstreeks 23.40 uur zijn schoten gehoord bij een viaduct nabij de Ouderkerkerplas en zijn hulzen aangetroffen.223 De onderzochte hulzen bleken afkomstig uit hetzelfde wapen als de hulzen die waren aangetroffen op de plaats delict.224

Op maandag 19 april 1993, omstreeks 21.45 uur, is aan de Joan Muyskenweg te Amsterdam (ter hoogte van het toenmalige [hotel 1] ) een man, [slachtoffer 3] , zittend in een auto door afgevuurde kogels om het leven gebracht.225

Op 9 mei 1993, omstreeks 00.03 uur, zijn aan de Plantin en Moretuslei te Antwerpen (België) een man en een vrouw, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , zittend in een auto met kogels beschoten, ten gevolge waarvan zij zijn overleden.226

In de betreffende periode (april-mei 1993) kenden [Jesse R.] en [Mohamed R.] elkaar en gingen zij regelmatig met elkaar om.227

[Freek S.] ging in die periode frequent om met [Jesse R.]228 en hij kende [N.P. de B.] en [Mohamed R.]229.

[N.P. de B.] is de neef van [Jesse R.] en ging in de betreffende periode met hem om.230

[N.P. de B.] ging ook om met [Mohamed R.] en [Freek S.] .231

[Pinny S.] kende [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [N.P. de B.] en [Freek S.] .232

[Siegfried S.] , [Jesse R.] en [Mohamed R.] kenden elkaar.233

De slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren ten tijde van hun moord bekenden van [Mohamed R.] . [Mohamed R.] heeft hen leren kennen via [Raymond V.] , de broer van zijn toenmalige vriendin [betrokkene 16] .234 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verbleven in de periode voorafgaand aan de op hen gepleegde moord in een woning van de familie [V. 1] aan de [adres 2] te Den Haag. Ook [Mohamed R.] woonde daar.235

[Mohamed R.] kende het slachtoffer [slachtoffer 3] .236 [slachtoffer 3] had een relatie met [Pinny S.] , die in de betreffende periode als prostituee in de Stoofsteeg in Amsterdam werkte.237

Het slachtoffer [slachtoffer 4] was een bekende van [Cobra-betrokkene-1] .238 [Mohamed R.] en [Jesse R.] waren in die periode bekenden van [Cobra-betrokkene-1] en gingen met hem om.239 [Siegfried S.] kende [Cobra-betrokkene-1] ook.240 [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] waren bekenden van elkaar.241

3.5.2.3 Verklaringen getuigen in jaren ‘90

Door verschillende personen zijn in de verschillende zaken in de periode (relatief) kort na de moorden verklaringen afgelegd.

In het zaaksdossier Tanta is door de getuige [Tanta-getuige-1] in 1996 aan politieambtenaren van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) verteld dat zij omstreeks april 1993 van [Raymond V.] heeft gehoord dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou gaan doodschieten, dat hij dat samen met [Mohamed R.] zou gaan doen en dat [Jesse R.] erbij betrokken is. Zij was erbij toen [Raymond V.] en [Mohamed R.] thuis kwamen en vertelden hoe een en ander gebeurd was.242

In het zaakdossier Opa is door de getuige [Opa-getuige-1] in 1993 verklaard dat [Pinny S.] haar heeft verteld dat zij het plan had om [slachtoffer 3] dood te laten schieten, dat zij daartoe [Mohamed R.] een geldbedrag had betaald, dat het op een zondag in Breukelen zou moeten gebeuren maar dat het op maandag bij het [hotel 1] was gebeurd.243

In het zaaksdossier Cobra is in 1993 en 1994 door verscheidene getuigen verklaard dat [slachtoffer 4] een groot geldbedrag tegoed had van [Cobra-betrokkene-1] en dat hij op de avond van de moord geld van [Cobra-betrokkene-1] zou ontvangen.244 Ook is door ooggetuigen verklaard dat de moorden zijn gepleegd door een tweetal (donker gekleurde) mannen.245 In 1994 is door de getuige [Cobra-betrokkene-2] verklaard dat hij in de avond van 8 mei 1993 op verzoek van [Jesse R.] met zijn auto richting Antwerpen is gereden, dat [Jesse R.] in een auto met (een) andere inzittende(n) naar Antwerpen is gereden, en dat hij [Jesse R.] rond middernacht aan de Keizerlei in Antwerpen weer heeft opgepikt.246 Door de getuige [slachtoffer 10] is in 1996 verklaard dat [Mohamed R.] tegen hem gezegd heeft dat hij betrokken was geweest bij de moord op die man en die vrouw in Antwerpen en dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] hen hadden doodgeschoten.247

Aldus kan worden vastgesteld dat reeds in de jaren 1993 – 1996 door personen die elkaar niet kennen en in zaken die voor het overige niet aan elkaar gerelateerd zijn, verklaard wordt over betrokkenheid van [Raymond V.] , [Jesse R.] en [Mohamed R.] in de zaak Tanta, van [Pinny S.] en [Mohamed R.] in de zaak Opa en van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] in de zaak Cobra.

3.5.2.4 Verklaringen getuigen [Peter la S.] en [getuige 1]

Vele jaren later verklaren de getuigen [Peter la S.] en [getuige 1] over hun wetenschap met betrekking tot de drie zaken.

[Peter la S.] heeft verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] betrokken waren geweest bij de liquidatie van twee Joegoslaven en dat de slachtoffers in brand waren gestoken.248

[getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Mohamed R.] heeft gehoord dat deze samen met [Jesse R.] betrokken was geweest bij het doodschieten van twee mannen, die daarna in brand waren gestoken.249

[Peter la S.] heeft verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord dat hij [slachtoffer 3] met een machinepistool had doodgeschoten en dat [Freek S.] daarbij had gereden. Ook heeft hij verklaard dat een neefje van [Jesse R.] bij één van de liquidaties betrokken was en dat [Jesse R.] had gevraagd of hij, [Peter la S.] , dit neefje geestelijk bij kon staan; dit omdat deze aan het praten was en niet met zijn betrokkenheid bij de liquidatie om kon gaan. [Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem dit neefje een keer heeft aangewezen en hij heeft later [N.P. de B.] herkend als dit neefje.250

[getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Mohamed R.] heeft gehoord dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] de vriend van een prostituee hadden geliquideerd.251

[Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat hij in de organisatie van de liquidatie van twee mensen in Antwerpen had gezeten, dat de opdracht van [Cobra-betrokkene-1] kwam en dat het schieten door negers was gedaan.252 [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Mohamed R.] had gehoord dat [Cobra-betrokkene-1] de opdrachtgever was van de liquidatie van een man en een vrouw in Antwerpen en dat “Oompje, wiens naam Sieg of Siefried was” de liquidatie had uitgevoerd.

[getuige 1] heeft als getuige ter terechtzitting [Siegfried S.] herkend als de “Oompje” waarover hij sprak.253

Aldus kan worden vastgesteld dat door deze getuigen, onafhankelijk van elkaar en ook onafhankelijk van de getuigen die reeds in de jaren ’90 hadden verklaard, wordt verklaard over de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Mohamed R.] in de zaak Tanta, [Jesse R.] , [Freek S.] en [Mohamed R.] in de zaak Opa, van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Mohamed R.] en [Siegfried S.] in de zaak Cobra en van [N.P. de B.] bij één van deze liquidaties.

3.5.2.5 Telecomgegevens

Met betrekking tot telefoonnummers in de betreffende periode (maart-mei 1993) kan het volgende worden vastgesteld:

De autotelefoon met nummer [*1810] (hierna: de *1810) werd gebruikt door [Jesse R.] en [Mohamed R.] .254

De autotelefoon met nummer [*2533] (hierna: de *2533) werd gebruikt door [Jesse R.] .255

De semafoon met nummer [*5405 1] (hierna: de *5405) werd gebruikt door [Mohamed R.] . Het hof leidt dit af uit het aantreffen van een briefje in de woning van [Mohamed R.] aan de [adres 2] in Den Haag waarop stond vermeld “Maup [...] pieper [*5405 1] .”, in samenhang met het gegeven dat deze semafoon in korte tijd 227 keer vanaf de woning van [Mohamed R.] wordt aangeroepen en met het feit dat uit het dossier blijkt dat [Mohamed R.] regelmatig kort na dergelijke oproepen inbelt naar de aansluiting van de [adres 2] .256

De autotelefoon met nummer 06- [*9952] (hierna: de *9952) werd gebruikt door [Freek S.] .257

De autotelefoon met nummer 06- [*2004] (hierna: de *2004) werd gebruikt door [Cobra-betrokkene-2] .258

Het telefoonnummer [*9784] (hierna: de *9784) betrof de huislijn van [Pinny S.] . Het telefoonnummer [*2618] (hierna: de *2618) betrof de huislijn van de ouders van [Pinny S.] .259

Het telefoonnummer [*5007] (hierna: de *5007) betrof de huislijn van de familie [V. 1] aan de [adres 2] te Den Haag tot 7 april 1993.260

Het telefoonnummer [*1034] (hierna: de *1034) betrof de huislijn van de familie [V. 1] aan de [adres 2] te Den Haag vanaf 7 april 1993.261

Het telefoonnummer [*4087] (hierna: de *4087) betrof de huislijn van de ouderlijke woning van [N.P. de B.] .262

Het telefoonnummer [*3664] (hierna: de *3664) betrof de huislijn van [Cobra-betrokkene-1] in Maarssen.263

De semafoon met nummer [*0555] (hierna: *0555) werd gebruikt door [Cobra-betrokkene-1] .264 Het hof leidt dit af uit het aantreffen van deze semafoon in de slaapkamer van [Cobra-betrokkene-1] in samenhang met een notitie in de agenda van de partner van [Cobra-betrokkene-1] van dit nummer onder de aanduiding “HOR”, naar het hof begrijpt: [Cobra-betrokkene-1] .

Met betrekking tot de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat de *1810 en de *2533 beide voorafgaand aan het schieten op 30 maart 1993 te 23.40 uur bij de Ouderkerkerplas zendmasten aanstraalden in Amsterdam, dat zij contact met elkaar hadden en dat zij ná het schieten tegelijkertijd dezelfde zendmast in Vinkeveen aanstraalden 265; de Ouderkerkerplas is gelegen tussen Amsterdam en Vinkeveen. Voorts straalden beide telefoons rond de diefstal van de Opel Kadett (op 31 maart tussen 21.55 en 23.55 uur op de Karel Lotsylaan te Amsterdam) zendmasten aan, binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Tenslotte straalde de *1810 kort voor het tijdstip van de moord op 1 april 1993 te 00.45 uur bij de Ouderkerkerplas (te weten om 00.11 uur) een zendmast aan binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Voorts zocht de *1810 op dat moment contact met de huistelefoon van de familie [Raymond V.] .266

Met betrekking tot de zaak Opa kan worden vastgesteld dat rond het tijdstip van de moord op 19 april 1993 te 21.45 uur aan de Joan Muyskenweg te Amsterdam, de *1810 en de *9952 zendmasten aanstraalden binnen het bereik waarvan ook de betreffende locatie gelegen was. Ook hadden beide telefoonnummers rond die tijd regelmatig onderling contact.267

De *1810 en de *9952 bevonden zich voorts op 18 april 1993 rond 18.00 uur beide binnen het bereik van een zendmast te Breukelen en hadden toen ook contact met elkaar. De *1810 had voorts op 18 april, 19 april en in de ochtend van 20 april 1993 contact met de huislijnen van [Pinny S.] en van de ouders van [Pinny S.] . De *9952 had op 18 april 1993 contact met de huislijn van [N.P. de B.] . De *9952 had kort voor het tijdstip van de moord op 19 april 1993 contact met de semafoon van [Mohamed R.] , de *5405.268

Met betrekking tot de zaak Cobra kan worden vastgesteld dat met de *1810 op 15 april 1993 is uitgebeld naar het Belgische telefoonnummer van het slachtoffer [slachtoffer 5] .269 Voorts kan worden vastgesteld dat in de avond van 8 mei 1993 de *1810 contact had met de *2004. Ook kan worden vastgesteld dat de *1810 op 8 mei 1993 om 21.48 uur voor het laatst een zendmast aanstraalde en wel te Mijnsheerenland, ten zuiden van Rotterdam. De *2004 straalde op 8 mei 1993 voor het laatst een zendmast aan om 22.44 uur en wel te Breda. De *2004 straalde op 9 mei 1993 voor het eerst om 00.32 uur een zendmast aan en wel te Breda. Dit contact was met een semafoon, die wordt toegeschreven aan [Cobra-betrokkene-1] . De *1810 straalde op 9 mei 1993 voor het eerst om 00.37 uur een zendmast aan en wel te Breda. Zowel in de avond van 8 mei 1993 als in de vroege ochtend van 9 mei 1993 was er meermalen contact tussen de *1810 en de *2004 met de huislijn *1034 van de familie [V. 1] en de semafoon *5405.

De *1810 belde in de avond van 8 mei 1993 met verschillende telefoonnummers die in gebruik zijn bij personen die contacten van [Siegfried S.] en/of [Cobra-betrokkene-3] bleken te zijn.270

Ook zonder dat de precieze locaties van de gebruikte autotelefoons (ATF) kan worden vastgesteld, zonder dat de precieze identificatie van de bellers en/of gebelden mogelijk is, en zonder dat de inhoud van de contacten bekend is, rechtvaardigt het bovenstaande in ieder geval de navolgende conclusies:

  • -

    het gebruik van de ATF *1810 die in de betreffende periode door [Jesse R.] en [Mohamed R.] werd gebruikt is steeds zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband te brengen met alle drie de zaken;

  • -

    in de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] en [Raymond V.] ;

  • -

    in de zaak Opa kan ook het gebruik van de in die periode door [Freek S.] gebruikte ATF *9952 zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband worden gebracht met die zaak;

  • -

    in de zaak Opa kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moord contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Freek S.] , [Pinny S.] en [N.P. de B.] ;

  • -

    in de zaak Cobra kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Cobra-betrokkene-1] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] .

3.5.2.6 Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande kan vastgesteld worden dat uit de getuigenverklaringen de namen van [Mohamed R.] en [Jesse R.] als betrokkenen in alle drie de “93-zaken” naar voren komen. Ook kan worden vastgesteld dat beiden in de betreffende periode regelmatig met elkaar omgingen en dat de door hen beiden gebruikte autotelefoon *1810 met alle drie de zaken in verband kan worden gebracht. Ook kan worden vastgesteld dat [Mohamed R.] in de betreffende periode met andere personen, die in getuigenverklaringen als strafbaar betrokkenen worden genoemd (in het bijzonder [Raymond V.] , [Pinny S.] , [Cobra-betrokkene-1] en [Siegfried S.] ), omging en dat er in alle drie de zaken rondom de tijdstippen van de verschillende moorden contacten kunnen worden vastgesteld tussen telefoonnummers die met al deze personen in verband kunnen worden gebracht.

Er is derhalve sprake van een patroon in de telecomgegevens dat de betrouwbaarheid en de bewijskracht van de door getuigen afgelegde verklaringen versterkt. Ook draagt dit zojuist vastgestelde patroon in versterkende zin bij aan de bewijswaarde van de telecomgegevens zoals die per feit tot het bewijs worden gebezigd. Daarbij worden de hiervoor reeds omschreven beperkingen van historische verkeersgegevens in het algemeen door het hof onderkend.

De hiervoor weergegeven vaststellingen dragen aldus bij aan het bewijs ten aanzien van [Mohamed R.] in de afzonderlijke zaakdossiers Tanta, Opa en Cobra. Ook zijn zij van belang bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van hetgeen de getuigen [Opa-getuige-1] , [Peter la S.] en [getuige 1] omtrent [Jesse R.] en/of [Mohamed R.] hebben verklaard.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.5.2

- Een gezamenlijke verkenning van de zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra (de zogenaamde ’93 zaken) leert het volgende:

- Reeds in de jaren ’90 wordt door getuigen verklaard over de betrokkenheid van [Raymond V.] , [Jesse R.] en [Mohamed R.] in de zaak Tanta, van [Pinny S.] en [Mohamed R.] in de zaak Opa en van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] in de zaak Cobra.

- Door de getuigen [Peter la S.] en [getuige 1] wordt vele jaren later, onafhankelijk van elkaar en ook onafhankelijk van de getuigen die reeds in de jaren ’90 hadden verklaard, verklaard over de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Mohamed R.] in de zaak Tanta, [Jesse R.] , [Freek S.] en [Mohamed R.] in de zaak Opa, van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Mohamed R.] en [Siegfried S.] in de zaak Cobra en van [N.P. de B.] bij één van deze liquidaties.

- In alle drie de zaaksdossiers kan op grond van telecomgegevens een verband worden gelegd tussen een door [Jesse R.] en [Mohamed R.] gebruikte autotelefoon en de delicten. Ook kunnen daaruit onderlinge contacten tussen aan de verschillende verdachten toegeschreven telefoonnummers op relevante tijdstippen worden vastgesteld.

3.6

Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Tanta

3.6.1

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van [Mohamed R.] zijn in de zaak Tanta in het bijzonder de navolgende elementen uit de bewijsmiddelen van belang.

- de getuige [Peter la S.]

De getuige [Peter la S.] heeft verklaard met [Jesse R.] te hebben gesproken over de liquidatie van twee Joegoslaven. [Jesse R.] vertelde dat ze met die Joegoslaven hadden afgesproken op een parkeerplaats en daar die jongens geen kans meer hadden gegeven. Hij vertelde dat [Mohamed R.] daar ook bij was betrokken. [Jesse R.] vertelde dat hij, [Jesse R.] , had geschoten en dat ze daarna de slachtoffers in brand hadden gestoken.

- de getuigen [Tanta-getuige-1] en [Tanta-getuige-2]

De getuige [Tanta-getuige-1] heeft verteld dat [Raymond V.] haar in april 1993 heeft gezegd dat hij samen met [Mohamed R.] twee Joegoslavische mannen, [voornaam 1] en [voornaam 2] , zou gaan doodschieten. Volgens Raymond zou daar ook een Jessie bij betrokken zijn. Op een dag in april 1993 vertrokken [Raymond V.] , [Mohamed R.] , [voornaam 1] en [voornaam 2] in een auto. Later die nacht kwamen [Raymond V.] en [Mohamed R.] weer thuis en vertelden toen lacherig dat ze de Joegoslaven in de buurt van Amstelveen gedood hadden en in brand hadden gestoken.

De getuige [Tanta-getuige-2] heeft verklaard dat [Tanta-getuige-1] hem in 1996 in grote lijnen ditzelfde verhaal heeft verteld.

- de getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hem, in een auto onderweg van Amsterdam naar Abcoude, door [Cobra-betrokkene-1] en [Mohamed R.] was verteld dat op een plek in die omgeving twee mannen waren doodgeschoten waarna hun lijken in brand waren gestoken. [Mohamed R.] vertelde dat hij daarbij aanwezig was geweest.

- het OVC-gesprek tussen [Mohamed R.] en zijn broer

In een afgeluisterd en opgenomen gesprek van 12 december 2007 van [Mohamed R.] met zijn broer spreekt [Mohamed R.] over ‘die gozer die heeft bekend dat ie het alleen gedaan heeft’ over ‘5 ruggen die naar die kankerhoer moeten worden gebracht zodat ze d’r bek dicht houdt’ dat ‘het voor die ex is’ dat ‘die andere dood gaat’ en dat hij hoopt ‘dat ie morgen dood gaat’. Gelet op de omstandigheden dat [Raymond V.] in november 2007 tegen de politie had verklaard dat hij de moorden in zijn eentje had gepleegd en dat [Raymond V.] toen al lijdende was aan een dodelijke ziekte, gaat het hof er van uit dat [Mohamed R.] hier heeft bedoeld dat er geld moest worden betaald aan [betrokkene 16] of [Tanta-getuige-1] opdat zij niet zouden verklaren wat zij wisten over de moorden. Het kennelijke belang dat [Mohamed R.] had bij het onbekend blijven van die wetenschap draagt bij aan de overtuiging dat hij betrokkenheid had bij de zaak.

- - de telecomgegevens

Uit de telecomgegevens blijkt dat het nummer *1810, dat in die periode in gebruik was bij [Jesse R.] en/of [Mohamed R.] op drie verschillende in deze zaak relevante momenten zendmasten aanstraalt die in verband kunnen worden gebracht met in de zaak relevante locaties. Ook blijkt dat er contacten zijn tussen aan [Jesse R.] , [Mohamed R.] en [Raymond V.] als de gebruikers daarvan toegeschreven nummers. Het hof acht hier voorts van belang de vaststellingen met betrekking tot het nummer *2533. Waar [Jesse R.] heeft verklaard dat dit nummer bij hem in gebruik was ligt het voor de hand dat, nu ook contacten tussen de *2533 en de *1810 zijn vastgesteld, de *1810 op die momenten in gebruik was bij [Mohamed R.] .

3.6.2

Bewijsverweren

Ten aanzien van het bewijs in de zaak Tanta zijn door de verdediging de navolgende te bespreken verweren gevoerd.

- het één-dader-scenario van [Raymond V.] is plausibel

De verdediging heeft erop gewezen dat door de – inmiddels overleden – verdachte [Raymond V.] is verklaard dat hij het is geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten, en dat daarbij niet ook anderen betrokken zijn geweest. Dit scenario kan, ook in het licht van de bevindingen van de deskundige Van Koppen die onderzoek naar de verklaringen van [Raymond V.] heeft gedaan, niet worden uitgesloten.

Het hof overweegt dat dit ‘één-dader-scenario’ wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en daarom geen verdere bespreking behoeft.

- de getuige [Tanta-getuige-1] is onbetrouwbaar

De verdediging heeft aangevoerd dat de getuige [Tanta-getuige-1] in haar verschillende verklaringen dermate inconsistent en tegenstrijdig heeft verklaard, dat haar verklaringen als onbetrouwbaar zijnde terzijde moeten worden geschoven.

Het hof overweegt dat de getuige [Tanta-getuige-1] over de gebeurtenissen in maart/april 1993 voor het eerst in 1996 heeft gesproken met medewerkers van de CIE. Nadien, vanaf 2005, heeft zij nog verschillende malen verklaringen afgelegd tegenover ambtenaren van politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting. Het hof heeft haar op 10 maart 2014 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord. Het hof heeft kunnen vaststellen dat [Tanta-getuige-1] zich een enigszins emotionele getuige heeft betoond, die soms impulsief en zonder zorgvuldig nadenken reageerde, en van wie het geheugen haar op een aantal momenten in de steek liet. Het hof stelt echter ook vast dat de getuige, ook in 2014, in de kern bleef bij hetgeen zij reeds in 1996 – toen nog relatief kort na de gebeurtenissen - tegenover de CIE heeft verklaard. Die kernelementen in haar verklaring heeft zij destijds ook gedeeld met de getuige [Tanta-getuige-2] . Ook hebben elementen van haar verklaring (in het bijzonder ten aanzien van de betrokkenheid van [Mohamed R.] ) nadien bevestiging gevonden in de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] en [getuige 1] . Hoewel er aanleiding is om delen van haar verklaringen met behoedzaamheid te bezien (zo zal het hof voorbijgaan aan het deel waarin zij verklaart over de aanwezigheid van [Jesse R.] bij de ‘nabespreking’) is er geen reden om haar verklaringen als integraal onbetrouwbaar terzijde te schuiven.

- door het tijdsverloop kan [Mohamed R.] zijn alibi niet meer aantonen

[Mohamed R.] heeft verklaard dat hij een alibi heeft voor de avond van de moord; hij was namelijk in de avond van 31 maart 1993 aanwezig bij een voetbalwedstrijd Feijenoord-Ajax in Rotterdam. Weliswaar begon deze wedstrijd al om 17.00 uur, maar door ongeregeldheden na afloop van deze wedstrijd en aansluitend bezoek aan een sexclub, kan hij niet op tijd in Den Haag zijn geweest (het hof begrijpt: om vandaar met [Raymond V.] en de slachtoffers richting de plaats van het delict te kunnen zijn gereden). Door het tijdsverloop is [Mohamed R.] niet meer in staat dit alibi, door het horen van getuigen of onderzoek in de administratie van de sexclub, aan te tonen.

Het hof overweegt dat het bezoek aan de voetbalwedstrijd, die immers al rond 19.00 uur zal zijn afgelopen, geen sluitend alibi oplevert, zoals [Mohamed R.] zelf heeft erkend. Voor het overige is zijn alibi niet aannemelijk geworden; dat hij dit slechts door het tijdsverloop niet kan aantonen, is evenmin aannemelijk.

- de telecomgegevens leveren onvoldoende bewijs op

De verdediging heeft gesteld dat de verkeersgegevens onvoldoende aanwijzingen opleveren voor de aanwezigheid van [Mohamed R.] op de plaats delict.

Het hof overweegt dat, zoals onder de inleidende bewijsoverwegingen al is overwogen, ook

zonder dat de precieze locaties van de gebruikte ATF’s vast kan worden gesteld, zonder dat de precieze identificatie van de bellers en/of gebelde personen mogelijk is en zonder dat de inhoud van de contacten bekend is, conclusies aan de verkeersgegevens kunnen worden verbonden. Waar door getuigen is verklaard over de betrokkenheid van [Raymond V.] , [Mohamed R.] en [Jesse R.] , zijn de vaststellingen met betrekking tot de nummers *1810 en *2533 op 30 maart 1993 en 31 maart 1993 en de vaststelling met betrekking tot nummer *1810 op 1 april 1993 wel degelijk van ondersteunende betekenis.

3.6.3

Conclusies

3.6.3.1 De feitelijke gang van zaken

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat :

  • -

    [Raymond V.] , [Mohamed R.] en [Jesse R.] het plan hebben gemaakt om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven te brengen;

  • -

    dat er tevoren met één van de te gebruiken vuurwapens is ‘proefgeschoten’;

  • -

    dat er eveneens tevoren een auto is gestolen, dat [Raymond V.] en [Mohamed R.] in die auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats zijn gereden;

  • -

    dat daar ook [Jesse R.] aanwezig was en dat daar beide slachtoffers zijn doodgeschoten, terwijl één van hen gezeten op zijn knieën tevergeefs om zijn leven smeekte, en

  • -

    dat zij vervolgens de gestolen auto en de slachtoffers in brand hebben gestoken.

Gebleken is dat er met twee verschillende vuurwapens is geschoten, terwijl uit de verklaring van [Peter la S.] volgt dat in ieder geval [Jesse R.] op één van de slachtoffers heeft geschoten. Van [Mohamed R.] kan niet worden vastgesteld of ook hij heeft geschoten.

3.6.3.2 Medeplegen

Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken volgt dat [Jesse R.] , [Raymond V.] en [Mohamed R.] als medeplegers kunnen worden aangemerkt van het delict, ook al staat niet vast wie er – naast [Jesse R.] – heeft geschoten. Nu [Jesse R.] en [Mohamed R.] de feiten hebben ontkend en [Raymond V.] niet heeft verklaard over een rol van anderen, kan een ieders rol en de onderlinge taakverdeling niet met zekerheid worden vastgesteld. [Mohamed R.] heeft voor de belastende onderzoeksbevindingen ook geen verklaring willen geven.

Wel kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld:

  • -

    dat [Mohamed R.] al in de plannen van [Raymond V.] vooraf was betrokken;

  • -

    dat hij samen met [Raymond V.] en de slachtoffers in de nachtelijke uren naar een afgelegen plaats is gereden;

  • -

    dat hij aanwezig is geweest bij het doodschieten van de slachtoffers, waarbij een van de slachtoffers nog om zijn leven heeft gesmeekt;

  • -

    dat hij aanwezig is geweest bij het vervolgens in brand steken van de slachtoffers en de auto;

  • -

    dat hij vervolgens met [Raymond V.] weer naar de woning aan de [adres 2] is gereden en daar aan anderen lacherig verslag heeft gedaan van het gebeurde.

Het hof stelt aldus vast dat [Mohamed R.] zowel vóór, als tijdens en ná het delict een rol heeft gehad en ten tijde van het delict daarbij aanwezig is geweest. Dat die rol slechts zou hebben bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, is niet aannemelijk geworden, reeds omdat daarvoor in de verklaringen van de verdachte, medeverdachten of getuigen geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden.

Van een verondersteld distantiëren door [Mohamed R.] is ook niet gebleken; in het naderhand lacherig verslag uitbrengen van het gebeurde vindt het hof een indicatie voor het tegendeel.

Het hof betrekt tenslotte in deze overweging hetgeen al hiervoor is geconcludeerd, namelijk dat [Mohamed R.] in de periode april/mei 1993 samen met [Jesse R.] met meerdere moorden in verband kan worden gebracht.

Het hof is daarom van oordeel dat, ook als [Mohamed R.] niet zou hebben geschoten, sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

3.6.3.3 Voorbedachte raad

Het hof overweegt met betrekking tot de voorbedachte raad dat de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat sprake is van een geplande dubbele moord, waarbij de slachtoffers in de nachtelijke uren naar een afgelegen plaats zijn gebracht uitsluitend met als doel hen daar te doden en vervolgens de sporen zoveel mogelijk uit te wissen. De daders hebben ruimschoots de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties die er op wijzen dat is gehandeld in een opwelling is op geen enkele manier gebleken.

Het hof zal daarom het tenlastegelegde medeplegen van twee moorden bewezen verklaren.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.6

- Het hof acht bewezen dat [Mohamed R.] medepleger is van de moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

- Het hof stelt vast dat:

  • -

    [Raymond V.] , [Mohamed R.] en [Jesse R.] het plan hebben gemaakt om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven te brengen;

  • -

    dat er tevoren met één van de te gebruiken vuurwapens is ‘proefgeschoten’;

  • -

    dat er eveneens tevoren een auto is gestolen, dat [Raymond V.] en [Mohamed R.] in die auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats zijn gereden;

  • -

    dat daar ook [Jesse R.] aanwezig was en dat daar beide slachtoffers zijn doodgeschoten, terwijl één van hen gezeten op zijn knieën tevergeefs om zijn leven smeekte, en

  • -

    dat zij vervolgens de gestolen auto en de slachtoffers in brand hebben gestoken.

- Het hof bewijst de betrokkenheid van [Mohamed R.] in het bijzonder aan de hand van de verklaringen van [Tanta-getuige-1] , [Peter la S.] en [getuige 1] . De telecomgegevens bieden steun aan die verklaringen.:

- De namens [Mohamed R.] gevoerde bewijsverweren worden verworpen.

- Het hof is van oordeel dat, ook al staat niet vast dat [Mohamed R.] heeft geschoten, aan de vereisten voor medeplegen en voorbedachte raad is voldaan, zodat het medeplegen van de moorden bewezen zal worden verklaard.

3.7

Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Opa

3.7.1

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van [Mohamed R.] zijn in de zaak Opa in het bijzonder de navolgende elementen uit de bewijsmiddelen van belang.

- de verklaringen van de getuige [Opa-getuige-1]

De getuige [Opa-getuige-1] was een collega van [Pinny S.] . Zij heeft verklaard dat [Pinny S.] haar vroeg of zij iemand wist die [slachtoffer 3] kon doodschieten. [Opa-getuige-1] heeft toen aan haar vriend [Opa-getuige-3] gevraagd wat het zou kosten om iemand dood te schieten. Zij heeft toen aan [Pinny S.] doorgegeven dat het een ton zou kosten. [Pinny S.] vond dat te duur en vertelde [Opa-getuige-1] later dat zij ene [bijnaam] had ingeschakeld om het te doen. Zij vertelde dat ze [bijnaam] ƒ 10.000,= had betaald en dat dat was voor spullen als een pistool en een geluiddemper. Ze vertelde dat [bijnaam] een jongen van een jaar of twintig uit de omgeving van Abcoude was en dat hij vroeger bij haar in huis had gewoond. Ze vertelde dat [bijnaam] [slachtoffer 3] wel een week of drie volgde, maar dat er steeds geen kansen waren. Ze vertelde dat het op een zondag in Breukelen zou moeten gebeuren, dat zij daar met [slachtoffer 3] zou afspreken, dat [bijnaam] hem ter plaatse zou opwachten en dat zij zelf niet daarheen zou gaan om een alibi te hebben. Ze vertelde na de moord dat het haar speet dat het toch gebeurd was en dat ze bang was. Ook vertelde ze dat het die maandag bij het [hotel 1] een noodsprong was.

- de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [bijnaam] [Mohamed R.] heeft gehoord dat hij in Amsterdam met [Jesse R.] een liquidatie had uitgevoerd op de man van een hoer.

- contacten met [Pinny S.]

Uit de telecomgegevens blijkt dat de autotelefoon met nummer *1810, die in de betreffende periode in gebruik was bij [Jesse R.] en [Mohamed R.] op zondag 18 april 1993 contact heeft met de huisaansluiting van [Pinny S.] . De *1810 straalt dan een zendmast in Den Haag aan, de verblijfplaats van [Mohamed R.] . Later die dag straalt de *1810 een zendmast te Breukelen aan. Op maandag 19 april 1993 is er in de ochtend contact tussen de *1810 en de huistelefoon van [Pinny S.] ; de *1810 straalt dan een zendmast in Den Haag aan. In de middag van 19 april 1993 wordt er om 15.24 uur vanaf de huisaansluiting van de ouders van [Pinny S.] gebeld met de *1810. Uit de verklaring van [Pinny S.] volgt dat zij rond half vier ’s middags, terwijl zij bij haar ouders was, de afspraak met [slachtoffer 3] voor die avond om 21.30 uur heeft gemaakt. In het licht van de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder de aanwezigheid van de schutters op de plaats delict op het afgesproken moment en de verklaring van de getuige [Opa-getuige-1] over het door [Pinny S.] maken van een afspraak waar [Pinny S.] zelf niet naartoe zou gaan, hetgeen de noodzaak tot afstemming tussen [Pinny S.] en de uitvoerders veronderstelt acht het hof de conclusie gerechtvaardigd dat de betreffende contacten betrekking hadden op de moord op [slachtoffer 3] en dat bij het laatstgenoemde contact met de *1810 die afspraak door [Pinny S.] aan [Mohamed R.] is doorgegeven. Daarbij is ook van belang dat [Pinny S.] heeft verklaard nooit telefonisch contact met [Jesse R.] te hebben gehad en dat de zus van [Pinny S.] heeft verklaard dat zij of haar ouders die dag niet met [Mohamed R.] hebben gebeld.

- de rol van [Jesse R.] en [N.P. de B.]

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat het [Jesse R.] en [N.P. de B.] zijn geweest die op 19 april 1993 [slachtoffer 3] hebben doodgeschoten, door ieder met een vuurwapen kogels op hem af te vuren. Uit de verklaring van [getuige 4] volgt dat de twee daders zich voorafgaand aan de moord hebben opgehouden bij een nabij de auto van [slachtoffer 3] geparkeerd staande bus. Uit het door [getuige 4] opgegeven signalement van de door hem waargenomen schutter, bezien in samenhang met het aan de persoon van [N.P. de B.] te relateren DNA-materiaal dat op een peuk op de plaats delict is aangetroffen, en de verklaring van [Peter la S.] over de betrokkenheid van een neefje van [Jesse R.] bij een moord gepleegd vóór 1994/1995, leidt het hof af dat [N.P. de B.] één van de schutters is geweest. De betrokkenheid van [N.P. de B.] wordt ook bevestigd door de inhoud van de door hem gemaakte aantekeningen, die het hof aanmerkt als betrekking hebbend op dit feit. Uit de verklaringen van [Peter la S.] en het door [getuige 4] opgegeven signalement van een Indonesische man, dat aansluit bij het uiterlijk van [Jesse R.]271, leidt het hof af dat ook [Jesse R.] schutter is geweest. Dat er twee vuurwapens zijn gebruikt bij de moord op [slachtoffer 3] , blijkt uit het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium over het gebruik van een semi-automatisch vuurwapen én een Uzi, alsmede uit de verklaring van [getuige 4] dat de tweede reeks schoten die hij hoorde, anders (immers doffer) klonk. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt dat beide daders na het plegen van het delict zijn weggerend.

3.7.2

Bewijsverweren

Ten aanzien van het bewijs in de zaak in de zaak Opa zijn door de verdediging de navolgende te bespreken verweren gevoerd.

- de verklaringen van de getuige [Opa-getuige-1] moeten worden uitgesloten van het bewijs

De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van [Opa-getuige-1] onbetrouwbaar zijn. De inhoud van haar verklaringen vindt onvoldoende bevestiging in andere bewijsmiddelen, zij had een eigen belang om [Pinny S.] te belasten terwijl haar voor [Mohamed R.] belastende verklaringen kunnen worden herleid tot algemeen bekende gegevens. Bovendien zijn haar verklaringen niet ten volle getoetst kunnen worden, nu zij in 2005 is overleden.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat de getuige [Opa-getuige-1] in 1993 bij de rechter-commissaris is gehoord, waarbij ook de verdediging van [Mohamed R.] haar vragen heeft gesteld over de inhoud van haar verklaringen. Dat de getuige later, na het hervatten van het onderzoek, niet nader kon worden gehoord omdat zij inmiddels was overleden, is geen reden haar verklaring van het bewijs uit te sluiten. In de tweede plaats vindt de inhoud van haar verklaringen op belangrijke punten steun in de verklaringen van Lam en [Opa-getuige-4] , in de verklaring van [getuige 1] en in de telecomgegevens. Een eventueel belang bij [Opa-getuige-1] om [Pinny S.] te belasten verklaart niet waarom zij ook [Mohamed R.] – die zij niet kende – in haar verklaringen belast. Dat haar verklaringen op dit punt te herleiden zijn tot informatie uit de media is niet aannemelijk geworden.

- de verklaringen van [Peter la S.] zijn niet belastend voor [Mohamed R.]

De verdediging heeft erop gewezen dat de getuige [Peter la S.] niet heeft verklaard over betrokkenheid van [Mohamed R.] in de zaak Opa. Ook heeft [Peter la S.] voor wat betreft deze zaak een andere opdrachtgever, namelijk [Cobra-betrokkene-1] , genoemd en niet [Pinny S.] .

Het hof overweegt dat het juist is dat de [Peter la S.] de persoon van [Mohamed R.] niet noemt als betrokkene in de zaak Opa. Dat betekent echter nog niet dat zijn verklaringen daarmee ontlastend zijn voor [Mohamed R.] . Immers, waar [Peter la S.] heeft verklaard over de betrokkenheid van medeverdachten van [Mohamed R.] , zijn diens verklaringen – in samenhang met de andere bewijsmiddelen - wel degelijk mede redengevend voor het bewijs van dit feit. Dat [Peter la S.] in de zaak Opa in eerste instantie [Cobra-betrokkene-1] als opdrachtgever heeft genoemd en [Pinny S.] niet heeft genoemd, is juist. Het hof overweegt echter dat [Peter la S.] op dit punt niet consistent is geweest en bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de rechtbank van zaaksdossier Opa in eerste aanleg op 11 september 2009 (p. 3 van het proces-verbaal) nadrukkelijk de mogelijkheid heeft opengelaten dat hij het opdrachtgeverschap van [Cobra-betrokkene-1] voor deze specifieke liquidatie heeft aangenomen omdat [Jesse R.] hem heeft verteld dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] in die periode de uitvoerders (“liquidators”) van [Cobra-betrokkene-1] waren.

- de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De verdediging heeft erop gewezen dat de verklaring van de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 oktober 2011 dat “ [Mohamed R.] de enige is die nog geld krijgt van een hoer” afwijkt van en tegenstrijdig is met zijn eerder afgelegde (kluis)verklaring, waarin hij slechts verklaart dat hij heeft gehoord dat “ [Mohamed R.] een liquidatie had uitgevoerd op de man van een hoer”. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat er een politiehelikopter zou zijn ingezet, hetgeen niet is bevestigd.

Het hof overweegt dat het door de verdediging genoemde verschil tussen de kluisverklaring van [getuige 1] en diens verklaring ter terechtzitting van de rechtbank niet de conclusie rechtvaardigt dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn. Beide verklaringen kunnen immers naast elkaar bestaan. Dat de door [getuige 1] genoemde inzet van een politiehelikopter niet zou kloppen, kan niet worden vastgesteld; dat er ten tijde van de moord een politiehelikopter heeft gevlogen kan niet worden bevestigd, maar ook niet uitgesloten272, nog daargelaten de mogelijkheid dat op die avond een andere helikopter boven Amsterdam vloog. Bovendien heeft [getuige 1] op dit punt verklaard wat [Mohamed R.] hem heeft verteld; ook als dat niet zou kloppen, kan dit niet tot de conclusie leiden dat [getuige 1] niet betrouwbaar heeft verklaard.

- de telecomgegevens leveren onvoldoende bewijs op

De verdediging heeft gesteld dat de telecomgegevens onvolledig zijn en dat, nu er geen gebruikers en geen precieze locaties kunnen worden vastgesteld, er aan deze gegevens geen belastende conclusies kunnen worden verbonden. Het Openbaar Ministerie vult de gegevens in zodat zij passen in het door het haar gewenste scenario.

Het hof heeft eerder overwogen dat de telecomgegevens aan beperkingen onderhevig zijn en dat het doen van vaststellingen over achtereenvolgens precieze locaties, de personen van bellers en gebelden en de inhoud van de contacten niet mogelijk is. Maar, zoals al eerder is overwogen, de vaststellingen die wél kunnen worden gedaan zijn wel degelijk van betekenis.

In dit verband wijst het hof op de ATF *1810. Deze telefoon die in de betreffende periode door [Jesse R.] en [Mohamed R.] werd gebruikt is zowel wat het gebruik als wat locatie betreft in verband te brengen met de moord op [slachtoffer 3] . Voorts kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moord contacten zijn geweest tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Mohamed R.] , [Freek S.] , [Pinny S.] en [N.P. de B.] . Bovendien kan, zoals hiervoor is overwogen, ten aanzien van het telefonische contact tussen het nummer *1810 en de huisaansluiting van de ouders van [Pinny S.] beredeneerd en onderbouwd worden geconcludeerd dat het hier een gesprek tussen [Mohamed R.] en [Pinny S.] betrof. Dat dit een telefoongesprek betrof tussen de zus van [Pinny S.] en [Mohamed R.] over het verzorgen van het wasgoed, zoals door [Pinny S.] gesuggereerd, wordt noch door de betreffende zus noch door [Mohamed R.] zelf bevestigd. Met betrekking tot de verkeersgegevens van 18 april 1993 wijst het hof er op dat in het licht van de verklaringen van [Opa-getuige-1] betekenis toekomt aan de vaststelling dat zowel de *1810 als de *9952 zich op 18 april 1993 rond 18.00 uur binnen het bereik van een zendmast te Breukelen bevonden en toen ook contact met elkaar hadden. Nu [Opa-getuige-1] slechts heeft verklaard dat het de bedoeling was [slachtoffer 3] op 18 april 1993 in Breukelen te vermoorden en niet dat de daders toen ook daadwerkelijk aldaar in een hinderlaag hebben liggen wachten, zijn die gegevens niet strijdig met die verklaring.

3.7.3

Conclusies

3.7.3.1 De feitelijke gang van zaken

Het bovenstaande brengt het hof tot de vaststelling dat [Pinny S.] [Mohamed R.] heeft benaderd om [slachtoffer 3] te vermoorden en dat zij hem daarvoor een geldbedrag heeft gegeven. [Mohamed R.] heeft [slachtoffer 3] gedurende enige weken gevolgd en heeft [Pinny S.] over zijn bevindingen ingelicht. [Pinny S.] heeft vervolgens een afspraak met [slachtoffer 3] gemaakt en het tijdstip en de locatie van die afspraak aan [Mohamed R.] doorgegeven. Zelf is zij niet naar de afgesproken locatie gegaan. [slachtoffer 3] is wel toen en daar verschenen en hij is vervolgens in zijn auto doodgeschoten door [Jesse R.] en [N.P. de B.] .

Waar [Pinny S.] de afspraak met [slachtoffer 3] aan [Mohamed R.] heeft doorgegeven, en waar vervolgens de aan [Mohamed R.] bekende [Jesse R.] en [N.P. de B.] op de afgesproken plaats en het afgesproken tijdstip zijn verschenen, acht het hof genoegzaam komen vast te staan dat [Mohamed R.] dit aan [Jesse R.] en/of [N.P. de B.] heeft doorgegeven. Nu bovendien [Mohamed R.] [slachtoffer 3] kende (terwijl dat van [Jesse R.] en [N.P. de B.] niet is gebleken) kan het niet anders dan dat [Mohamed R.] aan [Jesse R.] en/of [N.P. de B.] bovendien het slachtoffer heeft aangewezen of gegevens heeft verstrekt waarmee zij hem konden herkennen.

3.7.3.2 Medeplegen

Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken volgt dat weliswaar niet kan worden vastgesteld dat [Mohamed R.] aanwezig is geweest bij de uitvoering van het delict, doch dat hij daaraan wel een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Hij heeft de opdracht aangenomen en geld ontvangen met het oog op de uitvoering van de moord. Hij heeft gedurende een langere periode het slachtoffer gevolgd en de mogelijkheden voor het uitvoeren van de moord bezien. Hij heeft zijn bevindingen ter zake aan de opdrachtgever laten weten. Hij was degene die op 18 april 1993 de – toen niet voltrokken – moord zou uitvoeren. Hij is degene geweest die de volgende dag aan [Jesse R.] en [N.P. de B.] de plaats en tijd van de met het slachtoffer gemaakte afspraak heeft doorgegeven en hen identificerende gegevens heeft gegeven. Zijn rol als aannemer van de opdracht en zijn rol in de voorbereiding en als cruciale tussenschakel bij het doorgeven van de afspraak en het identificeren van het slachtoffer, maken zijn bijdrage van meer dan voldoende gewicht om te kunnen oordelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van hem met [Jesse R.] en [N.P. de B.] .

Het hof betrekt tenslotte in deze overweging hetgeen al hiervoor is geconcludeerd, namelijk dat [Mohamed R.] in de periode april/mei 1993 samen met [Jesse R.] met meerdere moorden in verband kan worden gebracht.

3.7.3.3 Voorbedachte raad

Het hof overweegt met betrekking tot de voorbedachte raad dat de opdracht om [slachtoffer 3] te vermoorden door [Pinny S.] aan [Mohamed R.] is gegeven enkele weken voordat het feit werd gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [Mohamed R.] ter voorbereiding op de moord [slachtoffer 3] heeft geobserveerd en dat hij zijn bevindingen terugkoppelde aan [Pinny S.] . Uiteindelijk heeft [Pinny S.] met [slachtoffer 3] afgesproken bij het [hotel 1] en die afspraak doorgegeven aan [Mohamed R.] .

Tegen deze achtergrond, en gegeven het feit dat [Jesse R.] en [N.P. de B.] op 19 april 1993 gewapend op het afgesproken moment op de afgesproken plaats hebben staan wachten, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

Het hof acht derhalve het primaire tenlastegelegde medeplegen van moord wettig en overtuigend bewezen.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.7

- Het hof acht bewezen dat [Mohamed R.] medepleger is van de moord op [slachtoffer 3] .

[Pinny S.] heeft [Mohamed R.] uitgelokt om [slachtoffer 3] te vermoorden. Zij heeft hem daarvoor een geldbedrag gegeven. [Pinny S.] heeft een afspraak met [slachtoffer 3] gemaakt voor een ontmoeting bij het [hotel 1] in Amsterdam. Zij heeft [Mohamed R.] tijdstip en locatie van die afspraak doorgegeven. [Mohamed R.] heeft dit vervolgens doorgegeven aan [Jesse R.] en [N.P. de B.] . [slachtoffer 3] is rond het afgesproken tijdstip bij het [hotel 1] verschenen. [Pinny S.] is daar niet naar toe gegaan. [slachtoffer 3] werd daar opgewacht door [Jesse R.] en [N.P. de B.] die hem ieder met een vuurwapen in zijn auto hebben beschoten, ten gevolge waarvan hij is overleden.

- Het hof bewijst de betrokkenheid van [Mohamed R.] in het bijzonder aan de hand van:

  • -

    de verklaringen van [Opa-getuige-1] die er op neerkomen dat [Pinny S.] haar heeft verteld dat zij [Mohamed R.] heeft ingeschakeld om de moord te plegen en dat [Mohamed R.] in overleg met [Pinny S.] de nodige voorbereidende werkzaamheden heeft verricht;

  • -

    de verklaringen van [getuige 1] die er op neerkomen dat [Mohamed R.] hem heeft verteld dat hij in Amsterdam met [Jesse R.] een liquidatie had uitgevoerd op de man van een hoer;

  • -

    de verklaringen van [Peter la S.] over de mededaders van [Mohamed R.] voor wier betrokkenheid steun bestaat in andere bewijsmiddelen;

  • -

    telecomgegevens waaruit in samenhang met de andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [Mohamed R.] en [Pinny S.] telefonisch contact hebben gehad over de afspraak die [Pinny S.] met [slachtoffer 3] heeft gemaakt.

- De namens [Mohamed R.] gevoerde bewijsverweren worden verworpen. Het hof acht de verklaringen van [Opa-getuige-1] en [getuige 1] betrouwbaar. Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat aan de telecomgegevens geen waarde kan worden gehecht.

- Het hof is van oordeel dat ook aan de vereisten voor medeplegen en voorbedachte raad is voldaan, zodat het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] bewezen zal worden verklaard.

3.8

Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Cobra

3.8.1

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot [Mohamed R.] zijn in de zaak Cobra in het bijzonder de navolgende elementen uit de bewijsmiddelen van belang.

- de verklaringen van de getuige [Peter la S.]

De getuige [Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat hij in de organisatie heeft gezeten van de liquidatie van twee mensen in Antwerpen. De opdracht kwam van [Cobra-betrokkene-1] , voor wie [Jesse R.] destijds volgens [Peter la S.] samen met [Mohamed R.] werkte. Met “werken” bedoelde [Peter la S.] liquideren. [Jesse R.] zei tegen hem dat liquideren goedkoper is dan betalen. [Jesse R.] vertelde dat het schieten zelf door negers was gedaan en dat de man en de vrouw in een auto hadden gezeten. [Jesse R.] heeft [Peter la S.] verteld dat zij de avond van de liquidatie hebben verzameld bij het [hotel 2] in Rotterdam en daar vandaan naar Antwerpen zijn gereden.

heeft ook verklaard dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat [Mohamed R.] betrokken was bij de liquidatie in Antwerpen. Hij begeleidde de twee negers en was in ieder geval ook bij het [hotel 2] .

.

- de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] geweldsdelicten uitvoerden in opdracht van [Cobra-betrokkene-1] . Hij heeft verklaard dat [Mohamed R.] hem heeft verteld dat [Cobra-betrokkene-1] de opdrachtgever was van een liquidatie in Antwerpen waarbij een man en zijn vriendin in een auto waren doodgeschoten. Dit omdat die man nog geld tegoed had van [Cobra-betrokkene-1] en het voor [Cobra-betrokkene-1] goedkoper was die man te laten liquideren dan hem te betalen. [Mohamed R.] vertelde dat de liquidatie was uitgevoerd door [Siegfried S.] .

- de verklaringen van de getuige [slachtoffer 10]

De getuige [slachtoffer 10] heeft verklaard dat [Mohamed R.] in zijn bijzijn heeft gezegd dat hij betrokken was bij de moord op een man en een vrouw in Antwerpen. Het vuile werk was volgens [Mohamed R.] door [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] uitgevoerd.

- de telefoongesprekken van 5 mei 1993

Uit de inhoud van deze afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [Siegfried S.] contact heeft met [Jesse R.] die hem vertelt dat hij [Mohamed R.] moet bellen. [Siegfried S.] belt vervolgens met [Mohamed R.] , die hem vertelt dat hij hem die avond of de volgende ochtend geld (10.000 gulden) zal geven om ‘die dingen’ te kopen. Ook wordt in dit telefoongesprek gezegd dat ‘het ding’ snel moet. In het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat deze gesprekken zien op de voorbereiding van de moord. Het hof stelt met het oog op de in de tenlastelegging genoemde pleegplaats vast, dat dit gesprek is gevoerd door [Siegfried S.] vanaf een Rotterdamse (010) huisaansluiting met [Mohamed R.] als gebruiker van de ATF *6787. Uit het feit dat gebruik van die ATF in die tijd slechts mogelijk was in Nederland, Zwitserland en de Scandinavische landen, in samenhang met het gegeven dat [Mohamed R.] zegt dat hij het geld ‘vanavond of morgenochtend’ zal geven, volgt dat dit gesprek in Nederland is gevoerd. Uit het feit dat, zoals uit de hierna weer te geven verklaring van de getuige [getuige 36] én uit de uitvoering van het delict blijkt, [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] kort nadien daadwerkelijk over een wapen beschikten, volgt dat het geld ook daadwerkelijk kort daarna door [Mohamed R.] is gegeven; ook dit moet geacht worden in Nederland te zijn gebeurd.

- de verklaring van de getuige [getuige 36]

De getuige [getuige 36] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [Cobra-betrokkene-3] rond Koninginnedag 1993 van [Siegfried S.] een koffertje kreeg, waarin een pistool, een geluiddemper en munitie zaten.

Het hof overweegt dat, gelet op de datum waarop [getuige 36] dit heeft verklaard (14 december 2007), de door haar gegeven tijdsaanduiding “rond Koninginnedag 1993” zeer wel verenigbaar kan zijn met een overhandiging die in tijd is gelegen tussen de telefoongesprekken van 5 mei 1993 en het delict op 8 mei 1993.

- de telecomgegevens

Hiervoor is onder de inleidende bewijsoverwegingen al weergegeven welke vaststellingen uit de verkeersgegevens het hof van betekenis acht in de zaak Cobra. Ten aanzien van [Mohamed R.] zijn dan in het bijzonder de contacten in de avond van 8 mei 1993 en in de vroege ochtend van 9 mei 1993 tussen de *1810 en de *2004 met de huislijn *1034 van de familie [Raymond V.] en de semafoon *5405 van belang, evenals het contact vanaf de huislijn *1034 met de huisaansluiting van [Cobra-betrokkene-1] in de avond van 8 mei 1993.

- de rol van [Siegfried S.] , [Cobra-betrokkene-3] en [Jesse R.]

Uit de verklaringen van de getuigen [Cobra-getuige-6] en [getuige 37] , in samenhang met de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] , [getuige 1] , [slachtoffer 10] , [getuige 36] , [getuige 38] , [getuige 39] en [Cobra-getuige-1] , volgt dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] de personen zijn geweest die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben beschoten.

Uit de verklaringen van de getuigen [Cobra-betrokkene-2] en [Peter la S.] , in samenhang met de telecomgegevens, volgt dat [Jesse R.] in de avond van 8 mei 1993 met [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] is mee geweest naar Antwerpen.

3.8.2

Bewijsverweren

Ten aanzien van het bewijs in de zaak in de zaak Cobra zijn door de verdediging de navolgende te bespreken verweren gevoerd.

- de verklaringen van de getuige [Peter la S.]

De verdediging heeft gesteld dat de getuige [Peter la S.] onbetrouwbaar heeft verklaard over de rol van [Mohamed R.] en dat uit zijn verklaringen ook niet meer volgt dan de aanwezigheid van [Mohamed R.] bij het [hotel 2] hotel.

Het hof overweegt dat [Peter la S.] inderdaad over de rol van [Mohamed R.] niet meer weet dan dat [Jesse R.] hem op enig moment heeft gezegd dat ook [Mohamed R.] erbij was betrokken, dat [Mohamed R.] de negers begeleidde en dat hij er bij was in het [hotel 2] . Dat [Peter la S.] aanvankelijk de rol van [Mohamed R.] , waarover hij dus weinig wist, niet heeft benoemd, maakt zijn verklaringen op dit punt nog niet onbetrouwbaar.

- de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] in het algemeen onbetrouwbaar zijn en dat zij ten aanzien van de gebeurtenissen op 8 en 9 mei 1993 onvoldoende concreet zijn.

Het hof verwijst naar hetgeen eerder in algemene zin met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] is overwogen. Het ziet geen aanleiding daarover met betrekking tot de zaak Cobra anders te oordelen.

- de verklaringen van de getuige [slachtoffer 10]

De verdediging heeft gesteld dat er twijfels zijn aan de waarachtigheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 10] . Daarbij heeft zij gewezen op het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen, het roddelgehalte van de verklaringen, het drugsgebruik van de getuige en de taalbarrière.

Het hof overweegt dat het de getuige [slachtoffer 10] ter terechtzitting in hoger beroep heeft gehoord, waarbij hij op enkele momenten werd bijgestaan door een tolk; van een taalbarrière was daar geen sprake. Het hof heeft bij gelegenheid van dat verhoor geenszins de indruk gekregen dat aan de waarachtigheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 10] over wat [Mohamed R.] in diens bijzijn had verklaard moet worden getwijfeld.

- de verklaringen van de getuige [Cobra-betrokkene-2]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuige [Cobra-betrokkene-2] onbetrouwbaar zijn, nu deze inconsistenties en tegenstrijdigheden vertonen en kunnen zijn ingegeven door eigenbelang.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat de getuige [Cobra-betrokkene-2] in zijn voor het bewijs gebruikte verklaring niets zegt over [Mohamed R.] . Het hof overweegt voorts dat geenszins aannemelijk is geworden dat [Cobra-betrokkene-2] onware verklaringen heeft afgelegd over de feitelijke gang van zaken om daarmee een grotere rol van zichzelf te verbloemen. Het hof overweegt voorts dat de verklaring van [Cobra-betrokkene-2] wordt bevestigd door de telecomgegevens en dat hij op deze verklaring nadien nimmer terug is gekomen. Er is dan ook geen aanleiding deze verklaring als onbetrouwbaar aan te merken.

- het tapgesprek van 5 mei 1993

De verdediging heeft gesteld dat dit gesprek tussen [Siegfried S.] en [Mohamed R.] ziet op drugsactiviteiten en niet in verband kan worden gebracht met de moorden in Antwerpen. De verdediging wijst daarbij op de verklaring die [Siegfried S.] als verdachte in zijn eigen zaak in hoger beroep heeft afgelegd. Het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting bevindt zich in het dossier van de verdachte.

Die verklaring van [Siegfried S.] houdt in dat het gesprek ziet op handel in destijds nog niet verboden pillen. Het hof overweegt dat, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het overduidelijk versluierende taalgebruik, die uitleg van het gesprek niet aannemelijk is geworden. Immers over legale zaken hoeft niet op deze wijze te worden gesproken. [Mohamed R.] heeft aan die aannemelijkheid ook niet kunnen bijdragen, nu hij zelf op vragen van het hof over de inhoud van dit gesprek geen antwoord heeft willen geven.

- de telecomgegevens

Ook in de zaak Cobra heeft de verdediging gewezen op de beperkingen die aan de verkeersgegevens kleven. De verdediging heeft gesteld dat de telecomgegevens onvolledig zijn en dat, nu er geen gebruikers en geen precieze locaties kunnen worden vastgesteld, er aan deze gegevens geen belastende conclusies kunnen worden verbonden. Het Openbaar Ministerie vult de gegevens in zodat zij passen in het door het haar gewenste scenario. Ook heeft de verdediging gesteld dat alle elementen in de verkeersgegevens die zien op de “besmette” Parthenon-taps van het bewijs moeten worden uitgesloten; specifiek is daarbij gewezen op de printlijst van nummer *6787 van 8 mei 1993.

Het hof herhaalt hier dat de telecomgegevens inderdaad aan beperkingen onderhevig zijn en dat vaststellingen over precieze locaties, de personen van bellers en gebelden en de inhoud van de contacten niet mogelijk zijn. Echter, de vaststellingen die wél kunnen worden gedaan zijn in het licht van de overige bewijsmiddelen wel degelijk redengevend. Wat de “besmette” Parthenon-gegevens betreft verwijst het hof naar wat het al hiervoor (bij de bespreking van het formele telecom-verweer) heeft overwogen. Ook al zou het zo zijn dat bepaalde informatie over een telefoonnummer voortvloeit uit afgeluisterde telefoongesprekken in de zaak Parthenon, die in de betreffende strafzaak tegen [Cobra-betrokkene-1] door de rechter van het bewijs zijn uitgesloten, valt niet in te zien dat dit een verzuim zou zijn in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen [Mohamed R.] en evenmin in welk rechtens te beschermen belang [Mohamed R.] zou zijn geschaad door het gebruik van die informatie in zijn zaak.

3.8.3

Conclusies

3.8.3.1 De feitelijke gang van zaken

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de achtergrond van het delict was gelegen in een geldbedrag dat [Cobra-betrokkene-1] schuldig was aan [slachtoffer 4] . Uit de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] en [getuige 1] volgt dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] destijds voor [Cobra-betrokkene-1] werkten, in de zin dat zij liquidaties/geweldsdelicten voor hem uitvoerden. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] de ‘twee negers’ zijn geweest die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Antwerpen hebben doodgeschoten en dat [Jesse R.] daarbij betrokkenheid heeft gehad in die zin dat hij mee is geweest naar Antwerpen. Bovendien heeft [Jesse R.] , zo blijkt uit de verklaringen van [Cobra-betrokkene-2] , enige weken voordat de rit naar Antwerpen plaatshad verkend of [Cobra-betrokkene-2] daar goed de weg wist.

Uit de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] , [getuige 1] en [slachtoffer 10] volgt dat ook [Mohamed R.] betrokken is geweest bij de moorden in Antwerpen. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [Cobra-betrokkene-2] en [Peter la S.] en de telecomgegevens, volgt dat er voorafgaand aan én na de moorden is samengekomen bij het [hotel 2] in Rotterdam. [Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat [Mohamed R.] er in het [hotel 2] bij was. Bij gebreke van een nadere aanduiding moet het ervoor gehouden worden dat dit één van de twee ontmoetingen in het [hotel 2] is geweest. Dit vormt, ondanks enige onbepaaldheid, ondersteuning voor het bewijs van de betrokkenheid van [Mohamed R.] . [Peter la S.] heeft ook verklaard dat [Mohamed R.] de ‘twee negers’ heeft begeleid. Voorts zijn er contacten in de avond van 8 mei 1993 en de vroege ochtend van 9 mei 1993 van de huislijn van de [adres 2] *1034 en de semafoon *5405 (die beiden met [Mohamed R.] in verband kunnen worden gebracht) met de autotelefoons *1810 en *2004 (die die avond en nacht in gebruik waren bij [Jesse R.] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] ). Bovendien is er in de avond van 8 mei 1993 een contact geweest tussen de huislijn van de [adres 2] *1034 en de huisaansluiting van [Cobra-betrokkene-1] . Mede in het licht hiervan dient het telefoongesprek tussen [Mohamed R.] en [Siegfried S.] van 5 mei 1993 zo te worden uitgelegd dat [Mohamed R.] daarin aan [Siegfried S.] toezegt een bedrag van 10.000 gulden aan hem te geven zodat [Siegfried S.] (een) vuurwapen(s) kan aanschaffen voor de liquidatie van [slachtoffer 4] . Aan deze constatering draagt ook bij het feit dat aan dit gesprek kort tevoren een gesprek is voorafgegaan waarin [Jesse R.] , wiens strafbare betrokkenheid ook uit de bewijsmiddelen blijkt, de schutter [Siegfried S.] naar [Mohamed R.] verwijst.

3.8.3.2 Medeplegen

Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken volgt dat [Mohamed R.] niet aanwezig is geweest bij de uitvoering van het delict. Wel kan worden vastgesteld dat hij geld heeft toegezegd voor de aanschaf van (een) vuurwapen(s) door een medeverdachte en dat hij rondom het tijdstip van het delict contacten heeft gehad met medeverdachten. Het hof acht dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is geweest van zijn nauwe en bewuste samenwerking met de uitvoerders van het delict. Het hof zal [Mohamed R.] dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde medeplegen.

3.8.3.3 Uitlokking

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [Mohamed R.] met de bewezenverklaarde handelingen het delict heeft uitgelokt. Immers, uit de inhoud van het telefoongesprek van 5 mei 1993 lijkt veeleer te volgen dat de misdadige wil bij [Siegfried S.] toen al bestond. Het hof zal [Mohamed R.] dan ook vrijspreken van de subsidiair tenlastegelegde uitlokking.

3.8.3.4 Medeplichtigheid

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [Mohamed R.] medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 4] . Hij heeft [Siegfried S.] bijgestaan bij de aanschaf van (een) vuurwapen(s) voor het plegen van die moord. Uit de inhoud van het telefoongesprek van 5 mei 1993 volgt ook dat [Mohamed R.] wist waartoe die aanschaf diende, namelijk het “ding” dat snel moest gebeuren. De hiervoor geschetste contacten in de avond en nacht van het delict, dragen bij aan het bewijs dat [Mohamed R.] wetenschap had van de voorgenomen moord en de uitvoering daarvan en dat zijn opzet daar ook op gericht was.

Het hof acht, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, ook bewezen dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] bij het doodschieten van [slachtoffer 4] met voorbedachte raad hebben gehandeld.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat ook het doodschieten van [slachtoffer 5] onderdeel van het plan was. Niet kan worden uitgesloten dat de beslissing om [slachtoffer 5] te doden eerst is genomen op het moment dat [Siegfried S.] en/of [Cobra-betrokkene-3] constateerde(n) dat behalve [slachtoffer 4] ook [slachtoffer 5] in de auto zat. Een aanwijzing voor dat scenario kan worden gevonden in de verklaring van [Peter la S.] dat “die vrouw op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was, [niet] hoefde te worden geliquideerd, maar getuige [was] en toen ook dood [moest]”. Van concrete aanwijzingen dat op voorhand was afgesproken om ook eventuele getuigen of andere inzittenden te doden, is niet gebleken. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat de opzet van [Mohamed R.] mede gericht was op het doodschieten van [slachtoffer 5] , zodat hij van de medeplichtigheid daarbij moet worden vrijgesproken.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.8

- Het hof acht bewezen dat [Mohamed R.] medeplichtig is aan de moord op [slachtoffer 4] in de nacht van 8-9 mei 1993.

De achtergrond voor de moord lag in een schuld van [Cobra-betrokkene-1] aan [slachtoffer 4] . [Jesse R.] en [Mohamed R.] werkten in die tijd voor [Cobra-betrokkene-1] als – kort gezegd – huurmoordenaars. [Mohamed R.] heeft [Siegfried S.] geholpen met het aanschaffen van een vuurwapen. [Jesse R.] heeft de schutters [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] begeleid naar Antwerpen. [Mohamed R.] is aanwezig geweest bij een daarmee verband houdende ontmoeting in het [hotel 2] hotel in Rotterdam. [Mohamed R.] heeft gedurende de avond contacten onderhouden met telefoonnummers die in gebruik waren bij de betrokkenen [Jesse R.] , [Cobra-betrokkene-1] , [Cobra-betrokkene-2] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] .

- Het hof bewijst de betrokkenheid van [Mohamed R.] in het bijzonder aan de hand van:

- de verklaringen van [Peter la S.] die er op neerkomen dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat [Jesse R.] in de organisatie heeft gezeten van de moord op twee mensen in Antwerpen in opdracht van [Cobra-betrokkene-1] , dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] als moordenaars samen voor [Cobra-betrokkene-1] werkten en dat [Mohamed R.] in het [hotel 2] aanwezig is geweest in het kader van de begeleiding van de schutters [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] ;

- de verklaringen van [getuige 1] dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] geweldsdelicten uitvoerden voor [Cobra-betrokkene-1] en dat [Mohamed R.] hem heeft verteld over de in opdracht van [Cobra-betrokkene-1] door [Siegfried S.] uitgevoerde moord op [slachtoffer 4] ;

  • -

    De verklaringen van [slachtoffer 10] dat [Mohamed R.] hem heeft gezegd dat hij betrokken was bij de moord op een man en vrouw in Antwerpen, waarbij het vuile werk door [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] was gedaan;

  • -

    afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken tussen [Siegfried S.] en [Mohamed R.] in de periode kort voor de moord waaruit het hof afleidt dat [Mohamed R.] en [Siegfried S.] de aanschaf van een of meer vuurwapens bespraken;

  • -

    de verklaring van [getuige 36] waaruit blijkt dat [Siegfried S.] kort voor de moord een vuurwapen met geluiddemper voorhanden had en dit vuurwapen over heeft gedragen aan [Cobra-betrokkene-3] ;

  • -

    bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van de twee schutters, [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] , blijkt;

  • -

    telecomgegevens waaruit blijkt dat [Mohamed R.] op de avond en in de nacht van de moord contacten heeft gehad met telefoons en semafoons van de andere betrokken personen [Cobra-betrokkene-2] , [Cobra-betrokkene-1] en [Jesse R.] .

- De namens [Mohamed R.] gevoerde bewijsverweren worden verworpen. Het hof acht de verklaringen van [Peter la S.] , [getuige 1] en [slachtoffer 10] betrouwbaar. De alternatieve lezing van de tapgesprekken – dat deze over drugs zouden gaan – acht het hof niet aannemelijk. Het hof acht het telefoonverkeer in de nacht van de moord wel degelijk redengevend.

- Het hof is van oordeel dat ook aan de vereisten voor medeplichtigheid en voorbedachte raad is voldaan, zodat het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] bewezen zal worden verklaard.

- Het hof acht niet bewezen dat [Mohamed R.] ook medeplichtig is aan het doodschieten van [slachtoffer 5] , omdat niet is komen vast te staan dat het doodschieten van [slachtoffer 5] onderdeel van het plan was.

3.9

Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Indiana

3.9.1

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van [Mohamed R.] zijn in de zaak Indiana in het bijzonder de navolgende elementen uit de bewijsmiddelen van belang.

- de verklaringen van de getuige [slachtoffer 6]

De getuige [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij vanuit Ibiza naar Amsterdam was gekomen om daar een man, genaamd [bijnaam] , te ontmoeten. Hij had [bijnaam] in Ibiza al wel eens ontmoet. Wanneer hem een politiefoto van [Mohamed R.] wordt getoond, herkent hij deze als [Mohamed R.] . [slachtoffer 6] verklaart dat hij [bijnaam] in Amsterdam een aantal keer telefonisch heeft gesproken en hem ook heeft ontmoet. Hij reed in een Ford Mondeo en zei dat het een huurauto was. [bijnaam] en hij spraken af elkaar in de avond van 26 oktober 2000 weer te ontmoeten. [bijnaam] belde hem die avond en zei hem dat hij met een taxi naar een plek in de buurt van het Olympisch stadion moest gaan. Nadat [slachtoffer 6] in de buurt van die plek was uitgestapt kwam er een motor met twee personen aanrijden. De passagier stapte af en schoot op hem. [slachtoffer 6] voelde dat hij in zijn maag werd geraakt en rende weg. De schutter rende achter hem aan en schoot weer op hem. [slachtoffer 6] wist uiteindelijk via het water te ontkomen. [slachtoffer 6] heeft ook verklaard dat hij kort hierna hoorde dat zijn zoon, die in Marbella woonde, was verdwenen.

- de verklaringen van de getuige [Peter la S.]

De getuige [Peter la S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem had verteld dat hij met [Indiana-betrokkene-1] naar een liquidatie was geweest. Dat het slachtoffer een neger was die op Ibiza woonde en dat [Mohamed R.] de opdrachtgever was. [Mohamed R.] had de afspraak met het slachtoffer gemaakt, [Indiana-betrokkene-1] had gereden en [Jesse R.] had geschoten. De aanslag was mislukt en die neger was er vandoor gegaan. Hij was gaan rennen, heeft zich in de sloot schuilgehouden en [Jesse R.] kon hem niet meer vinden. [Peter la S.] heeft later gehoord dat die neger simultaan met iemand in Marbella moest gebeuren en dat die aanslag wel gelukt was.

- de verklaringen van de getuige [Indiana-getuige-1]

De getuige [Indiana-getuige-1] heeft verklaard dat hij een keer een Ford Mondeo had gehuurd en dat [Mohamed R.] die auto had overgenomen. Dat zou heel goed in oktober 2000 geweest kunnen zijn. Later hoorde [Indiana-getuige-1] dat die auto was gebruikt bij een liquidatie. Hij heeft [Mohamed R.] gevraagd wat er gebeurd was en die vertelde hem dat er eigenlijk niets gebeurd was en dat er alleen maar schoten waren gevallen. [Mohamed R.] zei dat het [Jesse R.] was geweest die had geschoten.

- de telecomgegevens

Deze zullen hierna uitgebreid worden besproken.

3.9.2

Bewijsverweren

De raadslieden van de verdachten [Jesse R.] en [Mohamed R.] hebben op hoofdlijnen gelijkluidende verweren gevoerd en zij hebben zich over en weer aangesloten bij hetgeen in de strafzaak van de medeverdachte naar voren is gebracht. De verweren lenen zich daarom telkens voor gezamenlijke bespreking op de navolgende wijze.

- de betrouwbaarheid van de getuige [slachtoffer 6]

Namens [Mohamed R.] en [Jesse R.] is de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 6] betwist. In dat verband heeft de verdediging gewezen op de wisselende inhoud van de verklaringen van de getuige: over zijn identiteit, het doel van zijn reis naar Amsterdam, de naam van zijn contactpersoon alhier en hetgeen hij zou hebben waargenomen van het gezicht van de schutter.

Met de verdediging constateert het hof dat de getuige [slachtoffer 6] op onderdelen wisselend heeft verklaard. In het oog springen met name de wisselende verklaringen over het doel van de reis naar Amsterdam en de aanvankelijke verklaringen van de getuige over zijn contactpersoon ‘ [contacpersoon] ’. Voorts valt op het feit dat de getuige aanvankelijk heeft verklaard dat hij [Mohamed R.] als schutter heeft herkend, terwijl de getuige later bij de rechter-commissaris heeft toegegeven dat hij het gezicht van de schutter niet heeft kunnen waarnemen. Het hof ziet in deze inconsistenties evenwel geen aanleiding om van het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer 6] af te zien. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 6] is primair van belang dat significante onderdelen van zijn verklaringen in belangrijke mate steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De kern van de verklaringen van [slachtoffer 6] is dat hij voor zaken in Nederland was, dat hij in dat verband meermalen telefonische contacten en ontmoetingen heeft gehad met [Mohamed R.] , dat [Mohamed R.] hem op 26 oktober 2000 telefonisch heeft verteld dat hij naar de omgeving van het Olympisch Stadion diende te gaan en dat [slachtoffer 6] , eenmaal daar aangekomen, vrijwel direct gericht is beschoten door een man die van een motorfiets afstapte en de gewonde, vluchtende [slachtoffer 6] nog enige tijd vruchteloos heeft achtervolgd.

De verklaringen van [slachtoffer 6] vinden, voor zover deze betrekking hebben op het gegeven dat [Mohamed R.] als een spin in het criminele web heeft gefungeerd en de afspraak bij het Olympisch Stadion met [slachtoffer 6] heeft gemaakt, steun in de verklaring van de getuige [Peter la S.] . De door [slachtoffer 6] gestelde betrokkenheid van [Mohamed R.] vindt bovendien steun in de verklaringen van [Indiana-getuige-1] , het gegeven dat [Mohamed R.] in de betreffende periode – conform de verklaringen van [slachtoffer 6] – inderdaad gebruik maakte van een gehuurde Ford Mondeo en de nog te bespreken bevindingen van het telecomonderzoek.

Voor zover het de feitelijke gang van zaken op de plaats delict betreft, vindt de verklaring van [slachtoffer 6] steun in de verklaring van de getuige [Indiana-getuige-2] . Uit haar verklaring blijkt dat er inderdaad gericht op [slachtoffer 6] is geschoten door de bijrijder van een motorfiets, dat [slachtoffer 6] zich uit de voeten heeft gemaakt en dat [slachtoffer 6] daarbij is achtervolgd door de schutter.

Aan het gegeven dat [slachtoffer 6] heeft getracht zijn eigen identiteit alsmede de aanleiding voor de schietpartij te verhullen kent het hof, anders dan de verdediging, geringe betekenis toe. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat mag worden uitgegaan van het criminele karakter van de voorgenomen ontmoeting. Het hof baseert dat op de wijze waarop het delict is gepleegd, alsmede op het feit dat [slachtoffer 6] op doorvragen van de rechter-commissaris heeft verklaard dat e.e.a. verband hield met het incasseren van geld en dat hij zich voorts heeft beroepen op zijn verschoningsrecht omdat hij zichzelf niet wilde belasten.273 Uit het dossier blijkt bovendien dat [slachtoffer 6] diverse antecedenten heeft met betrekking tot verdovende middelen; hetzelfde geldt voor [Mohamed R.] .274 Tegen die achtergrond wekt het gegeven dat [slachtoffer 6] niet het achterste van zijn tong heeft laten zien, geen verbazing. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam gebleken dat [slachtoffer 6] ten aanzien van de in de bewijsmiddelen opgenomen onderdelen van zijn verklaringen naar waarheid heeft verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

- de betrouwbaarheid van de getuige [Peter la S.]

Namens [Mohamed R.] is aangevoerd dat de verklaringen van de getuige [Peter la S.] onbetrouwbaar zijn, omdat [Peter la S.] zich uitsluitend baseert op hetgeen hij van [Jesse R.] – een onbetrouwbare bron – stelt te hebben gehoord, al dan niet aangevuld met hetgeen de getuige in het geruchtencircuit van het criminele milieu en uit de media over de zaak heeft vernomen.

Namens [Jesse R.] is aangevoerd dat [Peter la S.] door de mand is gevallen, omdat hij de poging tot liquidatie niet adequaat in de tijd weet te plaatsen, niet eenduidig heeft verklaard over het door schutter van de motor stappen, onjuist heeft verklaard over het gebruik van een Uzi, alsmede dat de verklaring dat de verklaring van [Peter la S.] over de nachtelijke ontmoeting op de Afsluitdijk na de poging tot moord niet controleerbaar is, dat de verklaring van [Peter la S.] over het wegbrengen van [Jesse R.] naar een vliegveld in Duitsland is gefalsificeerd door het politieonderzoek en dat [Peter la S.] zijn verklaringen kan hebben afgestemd op publicaties in de media. Om die redenen zijn de verklaringen van [Peter la S.] onbetrouwbaar, aldus de verdediging.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Peter la S.] verwijst het hof eerst en vooral naar de daaromtrent gegeven algemene overwegingen.

Met betrekking tot het zaaksdossier Indiana in het bijzonder overweegt het hof aanvullend als volgt.

Het hof acht het hof de verklaringen van de getuige [Peter la S.] met betrekking tot zaaksdossier Indiana betrouwbaar, zodat deze tot het bewijs zullen worden gebezigd op de wijze zoals in de bewijsmiddelen is weergegeven.

Het hof overweegt daartoe dat de verklaringen van [Peter la S.] op tal van punten bevestiging in het dossier vinden. Zo is de nachtelijke ontmoeting na de mislukte aanslag op [slachtoffer 6] door [Peter la S.] gesitueerd op de Afsluitdijk, volgens hem door [Jesse R.] aangeduid met ‘de (Af)sluitklapper’.275 Dat [Jesse R.] de Afsluitdijk inderdaad aanduidde met Afsluitklapper blijkt uit een opgenomen telefoongesprek waaraan [Jesse R.] eind 2000 heeft deelgenomen.276 Dat [Peter la S.] ten onrechte meent dat het delict in 2001 of 2002 plaatsvond (in plaats van het najaar van 2000), acht het hof in het licht van het navolgende zonder betekenis. Immers is het slachtoffer, conform de verklaringen van [Peter la S.] , inderdaad een Engelse man met een donkere huidskleur, woonachtig op Ibiza. Ook verklaart [Peter la S.] met juistheid dat de mislukte poging om het slachtoffer te vermoorden plaatsvond in de buurt van het VU-ziekenhuis te Amsterdam, dat de twee daders zich bij het plegen van het feit bedienden van een motorfiets, dat het slachtoffer is geraakt door een kogel, dat het slachtoffer een sloot in is gevlucht en dat de schutter hem niet meer kon vinden, waarna de schutter en zijn mededader zich uit de voeten hebben gemaakt. Het hof kent voorts betekenis toe aan de verklaring van [Peter la S.] dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat het slachtoffer ‘simultaan’ met een persoon in Marbella moest worden vermoord, alsmede dat [Peter la S.] heeft verklaard dat volgens [Jesse R.] die persoon in Marbella een relatie heeft gehad met de eigenaresse van een broodjeszaak in Marbella waar [Peter la S.] en [Jesse R.] eens kwamen.277 Uit onderzoek is gebleken dat de vriendin van de zoon van [slachtoffer 6] inderdaad een broodjeszaak bestiert in Marbella.278 Het hof constateert vervolgens dat uit de verklaringen van [slachtoffer 6] en de getuige Ingram blijkt dat de zoon van [slachtoffer 6] op dezelfde dag in Marbella spoorloos is verdwenen en dat van hem nooit meer enig teken van leven is vernomen. Betekenis komt voorts toe aan de verklaring van de getuige Armstrong, die verklaart dat zij begin oktober 2000 door de zoon van [slachtoffer 6] aan [Mohamed R.] is voorgesteld,279 terwijl de aanwezigheid van de zoon van [slachtoffer 6] enige steun vindt in het gegeven dat zijn telefoon op 6 oktober 2000 een zendmast op Schiphol aanstraalt.

Gelet op deze reeks van overeenkomsten tussen de verklaring van [Peter la S.] en de inhoud van het dossier ziet het hof geen enkele reden om de verklaringen van [Peter la S.] niet betrouwbaar te achten. Met de advocaat-generaal constateert het hof voorts dat [Peter la S.] , [slachtoffer 6] en [Indiana-getuige-1] elkaar kennelijk niet kennen. Niet valt in te zien hoe en waarom deze getuigen ieder voor zich, in strijd met de waarheid, zulke gedetailleerde en op cruciale onderdelen overeenstemmende verklaringen zouden afleggen.

Dat [Peter la S.] zijn verklaringen heeft gebaseerd op geruchten, acht het hof gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden. Ook het gegeven dat dat er enige media-aandacht voor de zaak is geweest en dat de verklaringen van [Peter la S.] zogenoemde de auditu-verklaringen zijn, kan in het licht van al het voorgaande niet afdoen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, zodat de verweren worden verworpen.

- de betrouwbaarheid van de getuige [Indiana-getuige-1]

Namens de verdachten [Mohamed R.] en [Jesse R.] is nadrukkelijk verweer gevoerd tegen de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Indiana-getuige-1] . De kern van dat verweer is dat de getuige [Indiana-getuige-1] een fantast is die bij wijze van spreken nog liegt als hij ademt: de verpersoonlijking van leugenachtigheid, aldus één van de raadslieden. De verdediging heeft ter adstructie van haar stellingen gewezen op de justitiële antecedenten van [Indiana-getuige-1] en diens veroordelingen ter zake oplichting. Meer inhoudelijk heeft de verdediging gewezen op het feit dat de getuige wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij de Ford Mondeo aan [Mohamed R.] ter beschikking zou hebben gesteld, de locatie (in Amsterdam c.q. op Ibiza) waar [Mohamed R.] zou hebben gesproken over de liquidatie en het moment waarop [Indiana-getuige-1] met [Jesse R.] zou hebben gesproken over de liquidatie. Ten slotte is de suggestie opgeworpen dat [Indiana-getuige-1] door de politie is gevoed met informatie.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat [Indiana-getuige-1] op onderdelen wisselende verklaringen heeft afgelegd. In het oog springt met name het gegeven dat de getuige het gesprek met [Mohamed R.] over de gang van zaken bij de poging tot moord op [slachtoffer 6] heeft gesitueerd zowel op het strand op Ibiza als op de Dam in Amsterdam, en dat de getuige niet eenduidig heeft verklaard over het moment waarop hij met [Jesse R.] in de penitentiaire inrichting heeft gesproken.

Deze ongerijmdheden doen naar het oordeel van het hof echter niet af aan de bruikbaarheid van onderdelen van de verklaringen van de getuige [Indiana-getuige-1] , omdat diens verklaringen in voldoende mate steun vinden in de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het hof overweegt in dat verband als volgt.

[Indiana-getuige-1] heeft verklaard over de aanleiding om met [Mohamed R.] en [Jesse R.] over de zaak te spreken. Die aanleiding was gelegen in het feit dat de getuige in de gevangenis ter ore was gekomen dat een door hem gehuurde en aan [Mohamed R.] tot diens gebruik ter beschikking gestelde Ford Mondeo was gebruikt bij een levensdelict. Uit het dossier blijkt dat [Indiana-getuige-1] inderdaad een dergelijke auto heeft gehuurd in oktober 2000,280 dat [Indiana-getuige-1] kort hierna is aangehouden281 en dat [Mohamed R.] diezelfde maand door de politie in diezelfde auto is gezien.282 Bovendien heeft ook de getuige [slachtoffer 6] verklaard dat [Mohamed R.] op 26 oktober 2000 gebruik maakte van een gehuurde Ford Mondeo. Hieruit blijkt dat de Ford Mondeo inderdaad is overgedragen aan [Mohamed R.] en met de gang van zaken voorafgaand aan het delict in verband kan worden gebracht. De verklaring van [Indiana-getuige-1] over de aanleiding voor zijn gesprekken met [Jesse R.] en [Mohamed R.] vindt aldus verankering, zodat het hof geen aanleiding ziet om te betwijfelen dat [Indiana-getuige-1] [Mohamed R.] en [Jesse R.] hierop heeft aangesproken.

Voor wat betreft de inhoud van die gesprekken overweegt het hof als volgt. De verklaring van [Indiana-getuige-1] dat hem uit mededelingen van [Jesse R.] en [Mohamed R.] is gebleken dat er ‘alleen maar wat is geschoten’ – het hof begrijpt: dat er geen doden zijn gevallen – en dat [Jesse R.] de schutter was vindt steun in de feitelijke gang van zaken op de plaats delict en de verklaring van [Peter la S.] . Betekenis komt voorts toe aan het gegeven dat [Jesse R.] , [Indiana-getuige-1] en [Indiana-getuige-4] in 2005 inderdaad gelijktijdig gedetineerd zijn geweest in Lelystad en aldaar toegang hadden tot het computerlokaal,283 hetgeen in lijn is met de verklaringen van [Indiana-getuige-1] .284 Het hof acht derhalve ook deze onderdelen van de verklaring van [Indiana-getuige-1] voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In het midden kan blijven de vraag op welke locatie [Mohamed R.] een en ander aan [Indiana-getuige-1] zou hebben toevertrouwd.

Aan het gegeven dat de getuige antecedenten heeft op het gebied van oplichting kent het hof gelet op al het voorgaande weinig betekenis toe, nu daarmee over het waarheidsgehalte van diens verklaring over zaaksdossier Indiana niets is gezegd. Dat [Indiana-getuige-1] door de politie zou zijn gevoed met informatie op een wijze die voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige van belang, is door de verdediging onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [Indiana-getuige-1] zich om hem moverende redenen telkens in grote strafzaken – in strijd met de waarheid – als getuige zou opwerpen. Het hof verwerpt deze onderdelen van het verweer.

3.9.3

De telecomgegevens

In het onderzoek Indiana is onderzoek verricht naar bepaalde telefoonnummers en mobiele telefoontoestellen teneinde vast te stellen wie de gebruikers van de betreffende telefoons en telefoonnummers waren en welke telefonische contacten hebben plaatsgevonden. De verdediging van [Mohamed R.] heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de telecomgegevens geen bewijswaarde kan worden toegekend.

In dat verband is aangevoerd dat de historische verkeersgegevens van [slachtoffer 6] onvolledig zijn, zodat niet duidelijk is met wie hij telefonische contacten heeft onderhouden. Mogelijk heeft [slachtoffer 6] ook andere telefoons en telefoonnummers gebruikt dan in de loop van het onderzoek bekend is geworden. Ook van andere telefoonnummers, zoals de aan [Mohamed R.] en [Jesse R.] toegeschreven telefoonnummers, bestaat slechts een onvolledig beeld van de verkeersgegevens omdat niet van alle telecomproviders verkeersgegevens beschikbaar zijn. Het trekken van bewijsrechtelijke conclusies is daarom niet verantwoord.

Daarnaast is gesteld dat niet vast staat dat [Mohamed R.] de gebruiker van diverse telefoonnummers (eindigend op -0201, -9779 en -1445) was, omdat de daartoe strekkende verklaring van [slachtoffer 6] niet betrouwbaar is en omdat zendmastgegevens weinig betekenis hebben bij de identificatie van de gebruiker van een bepaald telefoonnummer.

Het is voorts niet mogelijk om het contact tussen het toestel van [slachtoffer 6] en het telefoonnummer -1445 als ‘lokgesprek’ aan te merken, omdat niet kan worden uitgesloten dat een ander, al dan niet onbekend gebleven, telefoongesprek de aanleiding voor [slachtoffer 6] is geweest om zich naar het IJsbaanpad te begeven. De verdediging heeft de suggestie opgeworpen dat een andere getuige, te weten, [getuige 40] , daarbij een rol heeft gespeeld.

Ten slotte heeft de verdediging – het hof begrijpt subsidiair – aangevoerd dat het omwisselen van de simkaarten -1445 en -9779 niet wijst op kwade bedoelingen omdat daar ook andere redenen aan ten grondslag hebben kunnen liggen.

Inleidende overwegingen

Het hof kiest er, gelet op de samenhang tussen de verkeersgegevens, voor om alle relevant geachte bevindingen met betrekking tot het telefoonverkeer in de bewijsmiddelen op te nemen en zal in het navolgende de benodigde duiding aan deze gegevens geven.

Bij de beoordeling van de verkeersgegevens stelt het hof voorop dat deze niet slechts als op zichzelf staande feitelijke gegevens geïsoleerd moeten worden beoordeeld, zoals bij de formulering van de verweren lijkt te zijn verondersteld, maar dat deze dienen te worden begrepen in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van de getuigen [Peter la S.] , [slachtoffer 6] en [Indiana-getuige-1] .

Het hof stelt vast dat alle hierna te bespreken betrokken telefoonnummers in wezen slechts actief zijn in de voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante periode, te weten van 23 tot en met 26 oktober 2000. Het hof stelt voorts vast dat de toestellen met deze telefoonnummers op belangrijke momenten contact hebben met elkaar en regelmatig zendmasten aanstralen welke zijn gelegen op relevante locaties. Het hof zal een en ander in het navolgende concretiseren, maar het trekt reeds hier de conclusie dat in deze omstandigheden een belangrijke aanwijzing is gelegen dat deze telefoonnummers met het delict in verband staan.

Het vertrekpunt voor de hierna te geven overwegingen is de mobiele telefoon van [slachtoffer 6] . Onder [slachtoffer 6] is na de schietpartij een mobiele telefoon in beslag genomen. Het betreft een toestel waarin in elk geval een simkaart met het telefoonnummer 06-11054061 (hierna: de -4061) is gebruikt. Naar de verkeersgegevens van zowel dit telefoonnummer als het toestel van [slachtoffer 6] is onderzoek verricht, onder meer door het opvragen van historische verkeersgegevens en het uitlezen van het adressenboek en van de inkomende en uitgaande oproepen. Uit het onderzoek is gebleken dat [slachtoffer 6] contact heeft gehad met twee telefoonnummers die in verband kunnen worden gebracht met [Mohamed R.] . Uit het onderzoek is voorts gebleken dat één van die twee telefoonnummers contact heeft onderhouden met een telefoonnummer dat met [Jesse R.] in verband kan worden gebracht.

Het hof zal eerst bespreken of het gebruik van de genoemde twee telefoonnummers aan [Mohamed R.] kan worden toegeschreven.

Met betrekking tot het telefoonnummer -0201 ( [Mohamed R.] )

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat [slachtoffer 6] op 25 en 26 oktober 2000 via het telefoonnummer -4061 meermalen contact heeft gehad met een Spaans telefoonnummer [-0201] (hierna: de -0201). [slachtoffer 6] heeft verklaard dat dit telefoonnummer in gebruik was bij [Mohamed R.] .

Van belang is vervolgens dat het telefoonnummer -0201 een Spaans telefoonnummer is en dat [Mohamed R.] blijkens zijn eigen verklaring een appartement op Ibiza had285 en dat uit het dossier blijkt dat [Mohamed R.] op 23 oktober 2000 vanuit Spanje in Nederland is aangekomen.

Daarnaast stelt het hof vast dat [slachtoffer 6] heeft verklaard dat [Mohamed R.] een mobiele telefoon met een klepje van het merk Ericsson gebruikte en dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat een simkaart met het telefoonnummer -0201 gebruikt werd in een toestel van het merk Ericsson, type T-10.

Voorts kan worden vastgesteld dat de momenten waarop de -0201 contact heeft gehad met het toestel van [slachtoffer 6] , overeenkomen met de door [slachtoffer 6] benoemde momenten waarop hij [Mohamed R.] heeft gesproken. In het bijzonder betreft het de gesprekken op 25 oktober (18.28 uur) en 26 oktober 2000 (om 14.57 en 19.05 uur). Hoewel daarmee op zichzelf beschouwd niets is gezegd over de identiteit van de gebruiker van de -0201, acht het hof deze consistentie tussen de verklaringen van [slachtoffer 6] en objectieve verkeersgegevens niet zonder betekenis, in die zin dat hiermee de betrouwbaarheid van [slachtoffer 6] ’ verklaringen verder wordt verstrekt.

Ten slotte straalt de -0201 herhaaldelijk zendmasten in de omgeving van de woning van [Mohamed R.] aan en bevindt de -0201 zich ten tijde van het cruciale gesprek met [slachtoffer 6] om 20.57 uur, waaraan het hof hierna nog overwegingen zal wijden, net als het voor dat gesprek gebruikte telefoonnummer -1445, binnen zendbereik van dezelfde zendmast in Rijsenhout. Dat zendmastgegevens in het algemeen niet kunnen leiden tot de aanduiding van de precieze locatie van de gebruiker, kan als vaststaand worden aangenomen. Dat brengt echter niet met zich dat aan de, in de bewijsmiddelen opgenomen, zendmastgegevens zoals hiervoor weergegeven niet aan het bewijs kunnen bijdragen.

Gelet op het voorgaande merkt het hof [Mohamed R.] aan als de gebruiker van het Spaanse telefoonnummer -0201.

Met betrekking tot de telefoon #4390 en de telefoonnummers -1445 en -9779 ( [Mohamed R.] )

Dat [Mohamed R.] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -1445 en -9779 leidt het hof af uit het volgende. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij omstreeks 21.00 uur door [Mohamed R.] is gebeld. Uit de verkeersgegevens van het telefoonnummer -1445 volgt dat dit telefoonnummer om 20.57 contact heeft gezocht met het toestel van [slachtoffer 6] . Uit de verklaringen van [slachtoffer 6] blijkt niet dat hij rond dat tijdstip ook nog door anderen is gebeld. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat [Mohamed R.] de gebruiker van het telefoonnummer -1445 is geweest.


Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de -1445 is gebruikt in het toestel met IMEI-nummer #4390. In dat toestel wordt in de periode van 24-26 oktober 2000 tevens veelvuldig het telefoonnummer -9779 gebruikt. Dit toestel onderhoudt exclusief contact met het aan [Jesse R.] – zoals hierna te bespreken – toe te schrijven telefoonnummer -4877. Het hof brengt in herinnering dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] op de avond van 23 oktober 2000 samen in Nederland arriveerden. Deze omstandigheden vormen een verdere bevestiging dat de telefoonnummers -1445 en -9779 en de telefoon met IMEI-nummer #4390 bij [Mohamed R.] in gebruik zijn geweest.

In het gegeven dat na de avond waarop de poging om [slachtoffer 6] te vermoorden plaatsvond, geen contacten meer worden geregistreerd van de -4877, de -9779 en de -0201, ziet het hof een verdere aanwijzing dat deze telefoonnummers met elkaar in verband kunnen worden gebracht en met de gang van zaken rondom het delict in verband staan. In dat verband constateert het hof voorts dat de -0201 en de -1445 zich tijdens het gesprek van de -1445 met de telefoon van [slachtoffer 6] beide binnen zendbereik van een basisstation in Rijsenhout bevinden. Het exclusieve contact tussen de -9779 en de -4877 ten tijde van de poging om [slachtoffer 6] te vermoorden, alsmede het gegeven dat de -1445 klaarblijkelijk uitsluitend in de #4390 is geplaatst om de telefoon van [slachtoffer 6] aan te zoeken teneinde aan [slachtoffer 6] mede te delen waar [slachtoffer 6] naartoe moest gaan, acht het hof redengevend.

Het hof kent voorts betekenis toe aan het gegeven dat de -9779 op 26 oktober 2000 omstreeks 19.25 uur uitpeilt bij het Damrak in Amsterdam, in welke omgeving [slachtoffer 6] stelt rond dit tijdstip [Mohamed R.] te hebben ontmoet en aan het feit dat de -9779 zich vervolgens verplaatst totdat deze een uur voor de liquidatie meermalen zendmasten in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict aanstraalt en daarbij meermalen contact maakt met het aan [Jesse R.] toe te schrijven telefoonnummer -4877.

Ten slotte kent het hof in ondersteunende zin bewijswaarde toe aan het gegeven dat zowel de -9779, de -0201 als de -4877 regelmatig zendmasten aan de Bonhoeffersingel cq. de Rudi Bloemgartensingel te Amsterdam aanstralen, welke zendmasten zich in de nabije omgeving van het adres [adres 3] te Amsterdam bevinden. Uit een in een garagebox op naam van [Indiana-getuige-1] aangetroffen machtigingskaart voor betaling van een seizoenkaart voor wedstrijden van Ajax, blijkt dat op die machtigingskaart het adres [adres 3] is opgegeven als het adres van [Mohamed R.] .286

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, merkt het hof [Mohamed R.] aan als de gebruiker van de telefoonnummers -9779 en -1445 en van het mobiele telefoontoestel #4390. In het verlengde hiervan stelt het hof vast dat het contact op 26 oktober 2000 om 20.57 uur het gesprek is waarin [Mohamed R.] [slachtoffer 6] de instructie heeft gegeven om naar het Olympisch Stadion te komen. Daarin vindt de door de verdediging opgeworpen suggestie dat een ander telefoongesprek voor [slachtoffer 6] de aanleiding kan hebben gevormd om zich naar het IJsbaanpad te begeven, zijn weerlegging.

Met betrekking tot het telefoonnummer -4877 en de telefoon #6850 ( [Jesse R.] )

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in drie computers welke ófwel aan [Jesse R.] toebehoorden ófwel zijn aangetroffen in de woning van partners van [Jesse R.] , een bestand is aangetroffen inhoudend het telefoonnummer 06-10434877 onder vermelding van “Ik, Jessy”. Reeds in deze omstandigheid is een zeer sterke aanwijzing gelegen dat de simkaart met telefoonnummer -4877 bij [Jesse R.] in gebruik is geweest. Dat dit telefoonnummer door een derde, al dan niet door manipulatie, in de betreffende documenten is geplaatst, is niet aannemelijk geworden.

Uit het dossier blijkt bovendien dat [Jesse R.] en [Mohamed R.] op 23 oktober 2000 met dezelfde vlucht uit Malaga op het vliegveld van Rotterdam zijn aangekomen. Een kwartier na aankomst wordt de simkaart -4877 in gebruik genomen binnen zendbereik van een basisstation op het vliegveld van Rotterdam. Er wordt dan zeer kort (5 seconden) gebeld naar een telefoonnummer dat eveneens in voormelde computers is aangetroffen. Hierin ziet het hof een verdere aanwijzing dat het telefoonnummer -4877 bij [Jesse R.] in gebruik is geweest.

Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast dat het telefoonnummer -4877 uitsluitend is gebruikt in de periode waarin de poging om [slachtoffer 6] te vermoorden werd voorbereid en uitgevoerd, alsmede dat het telefoonnummer -4877 vrijwel uitsluitend is gebruikt om contact te onderhouden met de aan [Mohamed R.] toe te schrijven mobiele telefoon #4390. In het licht van de verklaringen van [Peter la S.] en [Indiana-getuige-1] over de betrokkenheid van en samenwerking tussen [Jesse R.] en [Mohamed R.] bij de poging om [slachtoffer 6] te vermoorden, ziet het hof in die vaststellingen verdere aanwijzingen dat [Jesse R.] de gebruiker van de simkaart -4877 is geweest.

Gelet op het voorgaande merkt het hof [Jesse R.] aan als de gebruiker van de simkaart -4877 en van het toestel met IMEI-nummer #6850.

3.9.4

Conclusies

3.9.4.1 De feitelijke gang van zaken

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [Jesse R.] , [Mohamed R.] en de bestuurder van de motorfiets op 26 oktober 2000 tezamen en in vereniging hebben geprobeerd om [slachtoffer 6] van het leven te beroven, waarbij [Jesse R.] in opdracht van [Mohamed R.] als schutter heeft opgetreden en waarbij [Mohamed R.] [slachtoffer 6] telefonisch naar de plaats delict heeft gelokt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op diezelfde dag de zoon van [slachtoffer 6] in Spanje spoorloos is verdwenen.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 6] en Armstrong blijkt dat [Mohamed R.] het slachtoffer en diens zoon kende. Beiden woonden althans verbleven regelmatig op Ibiza. Uit het dossier blijkt dat [Mohamed R.] en [slachtoffer 6] zich beiden in het verleden bezig hebben gehouden met de handel in verdovende middelen.

Uit de verklaring van [Peter la S.] blijkt dat [Mohamed R.] [Jesse R.] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 6] te vermoorden, dat [Mohamed R.] daartoe een aanbetaling heeft verricht en een verdere geldelijke beloning in het vooruitzicht heeft gesteld.

Nadat [Jesse R.] en [Mohamed R.] op 23 oktober 2000 met het vliegtuig uit Malaga in Nederland waren aangekomen, heeft [Mohamed R.] op verschillende momenten telefonische contacten met het slachtoffer onderhouden en hem meermalen in de binnenstad van Amsterdam ontmoet. [Jesse R.] en [Mohamed R.] hebben gedurende deze dagen telefooncontact onderhouden met gebruikmaking van telefoonnummers die uitsluitend met elkaar en uitsluitend in de aanloop naar het delict contact hadden, een zogeheten gesloten netwerk. Op de dag van de poging om [slachtoffer 6] te vermoorden is in de door [Mohamed R.] gebruikte telefoon een andere simkaart geplaatst, waarmee slechts één gesprek is gevoerd, te weten met het slachtoffer. Uit de verklaring van [slachtoffer 6] , in samenhang met hetgeen het hof ten aanzien van de verkeersgegevens heeft vastgesteld, leidt het hof af dat [Mohamed R.] op 26 oktober 2000 omstreeks 20.57 uur [slachtoffer 6] telefonisch heeft gezegd dat [slachtoffer 6] naar het Olympisch Stadion moest komen.

Aan die instructie heeft [slachtoffer 6] gevolg gegeven. [slachtoffer 6] heeft zich per taxi naar de omgeving van het Olympisch Stadion begeven en heeft op het IJsbaanpad korte tijd op [Mohamed R.] gewacht. Het hof stelt vast dat op geen enkele manier blijkt dat [Mohamed R.] zich op zijn beurt eveneens naar het IJsbaanpad heeft begeven teneinde [slachtoffer 6] te ontmoeten. Uit de verklaringen van [slachtoffer 6] blijkt daarentegen dat op het IJsbaanpad een gerichte poging heeft plaatsgevonden om [slachtoffer 6] van het leven te beroven. [Jesse R.] is als bijrijder van een motorfiets gestapt en heeft het vuur op [slachtoffer 6] geopend. Uit de verklaringen van [slachtoffer 6] en [Peter la S.] blijkt dat [Jesse R.] doelgericht te werk is gegaan in zijn poging om [slachtoffer 6] te doden. [Jesse R.] heeft [slachtoffer 6] beschoten, waarbij [slachtoffer 6] in de buikstreek is getroffen door een kogel. [slachtoffer 6] is op de vlucht geslagen en een sloot in gevlucht. [Jesse R.] heeft [slachtoffer 6] nog enige tijd zonder verder resultaat achtervolgd, zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 6] , [Peter la S.] en [Indiana-getuige-2] . Uiteindelijk heeft [Jesse R.] zich met zijn onbekend gebleven mededader op de motorfiets uit de voeten gemaakt.

3.9.4.2 Medeplegen

Uit de feitelijke gang van zaken – zoals hiervoor weergegeven – blijkt dat [Mohamed R.] niet betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoering, in die zin dat hij zelf geen uitvoeringshandeling heeft verricht. Naar het oordeel van het hof neemt dat niet weg dat sprake is van medeplegen van het feit aan de zijde van [Mohamed R.] . Daarbij is het volgende van belang.

[Mohamed R.] heeft aan [Jesse R.] een opdracht gegeven om [slachtoffer 6] te vermoorden en hem daartoe een geldbedrag gegeven c.q. in het vooruitzicht gesteld. Vervolgens heeft [Mohamed R.] , die in Amsterdam als contactpersoon van [slachtoffer 6] optrad, [slachtoffer 6] doelbewust en, naar mag worden aangenomen, onder valse voorwendselen naar het IJsbaanpad gelokt. [slachtoffer 6] ging bij zijn komst naar het IJsbaanpad af op mededelingen die hem door [Mohamed R.] werden gedaan. Uit de afwezigheid van [Mohamed R.] op de plaats delict, in samenhang met de verklaring van [Peter la S.] over het verstrekken van de opdracht door [Mohamed R.] , leidt het hof af dat met de mededeling van [Mohamed R.] aan [slachtoffer 6] om naar het IJsbaanpad te komen, uitsluitend werd beoogd de feitelijke uitvoering – door [Jesse R.] – van de voorgenomen moord mogelijk te maken. Daarmee heeft [Mohamed R.] een cruciale bijdrage geleverd aan het delict.

Uit de aanwezigheid van [Jesse R.] op de afgesproken ontmoetingsplaats leidt het hof af dat [Mohamed R.] met [Jesse R.] en/of diens mededader op enig moment heeft overlegd over het tijdstip waarop [slachtoffer 6] zich op de betreffende locatie zou bevinden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het telecomonderzoek blijkt dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] voorafgaand aan de schietpartij veelvuldig telefonisch contact hebben onderhouden. Na de liquidatie heeft [Mohamed R.] zich nog beziggehouden met de afwikkeling van de financiën, zo blijkt uit de verklaring van [Peter la S.] .

Het hof stelt vast dat [Mohamed R.] zich in verschillende hoedanigheden – kort gezegd als opdrachtgever, financier, coördinator en ‘lokker’ – heeft beziggehouden met de voorgenomen moord op [slachtoffer 6] . De rol van [Mohamed R.] is gelet op de veelheid van door hem vervulde rollen en de in dat verband door hem verrichte feitelijke gedragingen, zoals hiervoor vermeld, dusdanig intensief geweest dat sprake is van medeplegen van het delict. Uit het voorgaande blijkt voorts dat [Mohamed R.] nauw met [Jesse R.] heeft samengewerkt.

Het verweer van de verdediging van [Mohamed R.] dat de inhoud van het contact tussen [Jesse R.] en [Mohamed R.] niet kan worden vastgesteld en dat het enkele maken van de afspraak met het slachtoffer slechts faciliterend van aard zou zijn, wordt tegen de achtergrond van het voorgaande verworpen.

3.9.4.3 Voorbedachte raad

Naar het oordeel van het hof hebben [Jesse R.] en [Mohamed R.] , gezien de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken, met voorbedachte raad gehandeld. Cruciaal is in dat verband dat [Mohamed R.] de opdracht heeft verstrekt, welke opdracht [Jesse R.] heeft aanvaard en waarvoor aan [Jesse R.] reeds een aanbetaling was gedaan. Reeds in de aard van een dergelijk delict, te weten de poging om te doden op bestelling, ligt de voorbedachte raad voor beide verdachten besloten. In het midden kan blijven op welk moment de opdracht precies is verstrekt. Vastgesteld kan worden dat het slachtoffer ongeveer een uur voordat het feit werd gepleegd naar de latere plaats delict is gelokt. Naar het oordeel van het hof is er voor beide verdachten daarmee voldoende gelegenheid geweest om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Blijkbaar hebben de verdachten er welbewust voor gekozen om [slachtoffer 6] om het leven te brengen, waarbij het bij een poging is gebleven. Ten aanzien van beide verdachten geldt bovendien dat zij, zoals uit de bewijsvoering in de zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra blijkt, bepaald niet onbekend waren met de betekenis en gevolgen van hun daden.

Van indicaties dat in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is gehandeld, is niet gebleken.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.9

- Het hof acht bewezen dat [Mohamed R.] medepleger is van de poging tot moord op [slachtoffer 6] .

[Mohamed R.] kende [slachtoffer 6] en de op de dag van de poging tot moord op [slachtoffer 6] spoorloos verdwenen zoon van [slachtoffer 6] . [Mohamed R.] heeft [slachtoffer 6] in Amsterdam ontmoet in de dagen voorafgaand aan het delict. [Mohamed R.] heeft [slachtoffer 6] naar de latere plaats delict gelokt (het IJsbaanpad) en is daar zelf niet verschenen. [Mohamed R.] heeft veelvuldig telefonisch contact onderhouden met [Jesse R.] , die anders dan [Mohamed R.] wél op de afgesproken locatie is verschenen en op [slachtoffer 6] heeft geschoten. [Mohamed R.] heeft [Jesse R.] hiervoor betaald.

- Het hof bewijst de betrokkenheid van [Mohamed R.] in het bijzonder aan de hand van:

- de verklaringen van [Peter la S.] die er op neerkomen dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat hij in opdracht van – en tegen betaling door – [Mohamed R.] op een neger bij het IJsbaanpad heeft geschoten;

- de verklaringen van [slachtoffer 6] dat [Mohamed R.] hem naar het IJsbaanpad heeft gelokt;

- de verklaringen van [Indiana-getuige-1] dat [Mohamed R.] en [Jesse R.] hem hebben verteld over hun betrokkenheid bij het delict;

- verkeersgegevens van aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toe te schrijven telefoonnummers.

- De namens [Mohamed R.] gevoerde bewijsverweren worden verworpen. Het hof acht de verklaringen van [Peter la S.] , [slachtoffer 6] en [Indiana-getuige-1] betrouwbaar. Het hof kent bewijswaarde toe aan de verkeersgegevens van (wel degelijk) aan [Jesse R.] en [Mohamed R.] toe te schrijven telefoonnummers, die in onderlinge samenhang steun bieden de hiervoor vermelde verklaringen.

- Het hof is van oordeel dat ook aan de vereisten voor medeplegen en voorbedachte raad is voldaan, zodat het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 6] bewezen zal worden verklaard.

4 Bewezenverklaring

4.1

Bewezenverklaring feiten A, B1 meer subsidiair, B2 primair en B3 primair

Ten aanzien van zaak A (Tanta)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 april 1993 te Ouderkerk aan den Amstel, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels in het lichaam van die [slachtoffer 2] en in het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zodanige verwondingen hebben opgelopen dat zij daaraan zijn overleden;

Ten aanzien van zaak B1 (Cobra)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[Cobra-betrokkene-3] en [Siegfried S.] in de periode van 8 mei 1993 tot en met 15 mei 1993 te Antwerpen, in België, tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven hebben beroofd, immers hebben [Cobra-betrokkene-3] en/of [Siegfried S.] op of omstreeks 8 mei 1993 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

een of meer kogels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] geschoten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 4] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan op 14 mei 1993 is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 mei 1993 tot en met 9 mei 1993 in Nederland opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door:

op of omstreeks 5 en/of 6 mei 1993 een bedrag van 10.000 gulden aan [Siegfried S.] toe te zeggen en te geven opdat deze een of meer wapens zou kunnen kopen ten behoeve van dat misdrijf

Ten aanzien van zaak B2 (Opa)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 april 1993 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers hebben zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden;

Ten aanzien van zaak B3 (Indiana)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 oktober 2000 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 6] (alias [alias] ) van het leven te beroven, die [slachtoffer 6] naar een plaats nabij het IJsbaanpad te Amsterdam heeft gelokt door met hem, [slachtoffer 6] , telefonisch een ontmoeting aldaar af te spreken, waarna een van verdachtes mededaders op die locatie met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een kogel in het lichaam en kogels in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft geschoten.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlagen die bij dit arrest zijn gevoegd en daarvan deel uitmaken.

4.2

De kroongetuige [Peter la S.] : bewijsgebruik van zijn verklaringen

Het bewijs is mede aangenomen op de verklaringen van de getuige [Peter la S.] .

[Peter la S.] is een getuige met wie op grond van artikel 226g/h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt. In dit arrest heeft het hof overwegingen gebezigd over (de verklaringen van) deze getuige, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het onderzoek is daarbij gericht geweest op de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen, ook als de totstandkoming van die verklaringen mogelijk repercussies had voor die inhoud. Dat onderzoek heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden die in de weg dienen te staan aan het bewijsgebruik van zijn verklaringen. Niet in algemene zin, en ook niet in het bijzonder, in de sleutel van het bewijs van ten laste gelegde feiten. Het hof heeft eerder in dit arrest verwoord dat in het voordeel dat aan de kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraak toevalt, een risico besloten ligt voor de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Het hof stelt op deze plaats met zoveel woorden vast, dat het gehouden onderzoek niet als resultaat heeft opgeleverd dat het aan (het zicht op) dat voordeel inherente risico voor de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen zich in zijn geval heeft gerealiseerd. Door al hetgeen aan onderzoek is verricht, waarvan in dit arrest verslag is gedaan, als ook door de hiervoor weergegeven vaststelling acht het hof zich gekweten van de in artikel 360, tweede lid, Sv neergelegde opdracht.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het hiervoor bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A (Tanta)

medeplegen van moord, meermalen gepleegd

ten aanzien van zaak B1 (Cobra) meer subsidiair

medeplichtigheid aan moord

ten aanzien van zaak B2 (Opa) primair

medeplegen van moord

ten aanzien van zaak B3 (Indiana) primair

medeplegen van poging tot moord

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7 Oplegging van straf

7.1

De motivering van de op te leggen straf

[Mohamed R.] is – in de rol van zowel pleger als medeplichtige – strafbaar betrokken geweest bij vier moordaanslagen, waarbij vijf mensen zijn overleden. Van in elk geval drie moordaanslagen staat vast dat het om liquidaties gaat: in georganiseerd verband en op bestelling gepleegde moorden in het criminele milieu, veelal tegen betaling.

In een ander geval – waarbij [Mohamed R.] het beoogde slachtoffer naar de plaats van het delict heeft gelokt – is een liquidatie mislukt, doordat het beoogde slachtoffer op het nippertje erin is geslaagd aan de schutter te ontkomen.

Een moord is een buitengewoon ernstig misdrijf waardoor de samenleving ernstig wordt geschokt, zo wordt door de strafrechter steevast en op goede gronden bij straftoemeting tot uitgangspunt genomen. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst een eigen diepte. Het aantal van de bewezen geachte liquidaties voegt daaraan nog een dimensie toe. Bij één moordaanslag bestaan bovendien aanknopingspunten voor een stuitende perversie: voorafgaand aan zijn dood heeft één van zijn slachtoffers op zijn knieën gesmeekt hem in leven te laten. Na de moord is zijn lichaam zelfs nog in brand gestoken.

Ten aanzien van een ander slachtoffer bestaan zeer sterke aanwijzingen dat zij in min of meer toevallige aanwezigheid van haar partner als het beoogde slachtoffer, vrijwel letterlijk in één beweging door de schutters is “meegenomen”. Daarvan wordt [Mohamed R.] als gevolg van de te geven vrijspraak in strafrechtelijke zin geen verwijt gemaakt, omdat hij als medeplichtige de schutters heeft ondersteund, voorafgaand aan de moord van het beoogde slachtoffer. Wel illustreert het gewelddadige overlijden van die partner het kennelijke gemak waarmee ook het leven van een niet door de schutters beoogd slachtoffer is genomen.

Door zijn handelen heeft [Mohamed R.] blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van een ander. De ernst van de feiten is ook in hoger beroep geïllustreerd door nabestaanden van slachtoffers. Uit door hen afgelegde verklaringen blijkt van groot leed, dat ook na verloop van tijd nog diep wordt gevoeld.

Dat deze misdrijven zich hebben voltrokken in de onderwereld relativeert de ernst van de feiten geenszins. Integendeel zelfs. Getuigt het in koelen bloede en tegen betaling uit de weg ruimen van een medemens al op zichzelf van een beklemmende kilte en gewetenloosheid, ook de samenleving wordt ervan doordrongen dat met kennelijk gemak in een ogenschijnlijk parallelle wereld zakenpartners, concurrenten en vijanden letterlijk worden geëlimineerd.

De lezer van het volumineuze dossier kan een glimp opvangen van de mores van de onderwereld: het laten doodschieten van een schuldeiser is voor zijn schuldenaar al snel goedkoper dan het hem betalen van wat hem toekomt.

Door de zwijgende proceshouding van [Mohamed R.] is er slechts beperkt zicht verkregen op zijn belangen bij en beweegredenen voor de door hem gepleegde feiten. Het beeld dat op grond van het weinige dat hij wél heeft verteld en van verklaringen van anderen naar voren komt is dat van iemand, die zich graag bewoog in bedoelde onderwereld en bereid was daar allerhande criminele ‘klussen’ op te knappen, omdat dit hem in staat stelde het leven te leiden dat hij wenste, met geld, luxe en vrouwen. Dat beeld bevestigt nog eens de eerder genoemde beklemmende kilte en gewetenloosheid.

Het hof heeft zich ook anderszins rekenschap gegeven van de factor tijd. Het gegeven dat deze feiten niet dan na verloop van lange tijd zijn opgelost betekent voor [Mohamed R.] , dat hij hier pas na zeer geruime alsnog door het Openbaar Ministerie voor ter verantwoording is geroepen. Dit verloop van zoveel tijd had bij uitstek door [Mohamed R.] zelf kunnen worden beperkt, door niet het aanvankelijk moeizame verloop van het onderzoek te blijven afwachten, maar zelf het initiatief te nemen door bij politie en justitie zijn rol bij deze moordaanslagen op te biechten en aldus schoon schip te maken. Hij heeft ervoor gekozen zijn leven al die jaren in zoverre stilzwijgend en ongestraft voort te zetten in de kennelijke hoop en verwachting dat de misdrijven onopgelost zouden blijven. Die afweging en het daaraan voor [Mohamed R.] verbonden risico van herhaalde vrijheidsbeneming, thans in de vorm van het ondergaan van gevangenisstraf rechtvaardigt geen strafvermindering. Wel zal het hof bij de vraag naar een passende straf vanzelfsprekend acht slaan op zijn huidige persoonlijke omstandigheden.

Wat die omstandigheden betreft is van belang dat [Mohamed R.] blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel documentatieregister van 29 maart 2017 eerder door de strafrechter is veroordeeld, ook tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. In dat verband wijst het hof op een veroordeling tot 4 jaren gevangenisstraf op 26 oktober 2005, voor deelneming aan een criminele organisatie en drugsdelicten. Hieruit kan worden afgeleid dat ook nog kort voor zijn aanhouding van zijn criminele intenties is gebleken.

[Mohamed R.] wordt gestraft voor buitengewoon ernstige feiten die door hem in een inmiddels ver verleden – 1993 en 2000 – zijn begaan. Het strafdoel van vergelding weegt daarbij zwaar. Het hof heeft daarbij zijn proceshouding – zwijgen of ontkennen – in zijn nadeel betrokken. Daarnaast beoogt het hof met bestraffing van [Mohamed R.] eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Heeft het hof in deze zaak liquidaties beoordeeld die zijn begaan in 1993 en, waar het bij een poging bleef, in 2000, de actualiteit leert dat met bestraffing ook aan dat strafdoel dient te worden bijgedragen.

Een tijdelijke gevangenisstraf, ook de maximale (in casu van 20 jaren), doet onvoldoende recht aan de ernst en de veelheid van de feiten. Al het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat het hof geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan de levenslange.

7.2

De levenslange gevangenisstraf en de samenloopregeling

Namens [Mohamed R.] is het verweer gevoerd dat de in Boek 1, Titel VI van het Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde regeling – meer in het bijzonder de artikelen 57, 59 en 63 – naar zowel de letter als de strekking daarvan in de weg staat aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf door het hof. Deze regeling vindt in de zaak van [Mohamed R.] toepassing, omdat hij na het plegen van de tenlastegelegde feiten (1993 en 2000) en voorafgaand aan zijn berechting door het hof tot gevangenisstraf is veroordeeld, immers in 1996 tot zes weken en in 2005 tot vier jaren. De wettelijk opdracht aan het hof tot het bij de straftoemeting betrekken van deze tussentijdse strafopleggingen betekent in het geval van zijn veroordeling door het hof tot een levenslange gevangenisstraf, dat hij wordt bestraft boven het ultieme strafplafond van levenslang. Met zo’n bestraffing –“levenslang plus” – zou het hof ten onrechte voorbijgaan aan de wettelijke regeling en aan de systematiek van straftoemeting en samenloop, aldus – samengevat – de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Aan de wettelijke regeling en de daarop betrekkelijke rechtspraak van de Hoge Raad287 dient het volgende te worden ontleend.

Het tweede lid van artikel 57 Sr in verbinding met artikel 63 Sr begrenst in het voorkomende geval het maximum van de door de rechter op te leggen hoofdstraf. Bij strafoplegging naar aanleiding van samenloop van misdrijven (bij gelijktijdige berechting dan wel in retrospectief in de sleutel van de regeling van artikel 63 Sr) is de rechter gebonden aan een maximum, te weten een derde boven het hoogste maximum van de tijdelijke gevangenisstraf, waarmee die ter berechting voorliggende misdrijven zijn bedreigd.

In het geval waarin het hof de oplegging aan [Mohamed R.] van een levenslange gevangenisstraf overweegt, behoeft het hof derhalve geen acht te slaan op de vorenweergegeven wettelijke begrenzing, omdat de levenslange gevangenisstraf in de wettelijke systematiek immers geen tijdelijke gevangenisstraf is. Wel zal het hof in dat geval acht hebben te slaan op de in artikel 59 Sr neergelegde beperking van de mogelijkheden tot straftoemeting. Wanneer het hof beslist tot de oplegging aan [Mohamed R.] van een levenslange gevangenisstraf kunnen aan hem door het hof niet ook nog andere vrijheidsbenemende straffen worden opgelegd.

Anders dan door de verdediging is betoogd houdt artikel 59 Sr wel dit cumulatieverbod in, doch vormt het voor de rechter die bij de bestraffing de doorwerking van eerdere, tussentijdse veroordelingen tot tijdelijke gevangenisstraf zal hebben te betrekken, geen beletsel om aan de verdachte, in casu [Mohamed R.] een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Nu de door het hof gekwalificeerde misdrijven in de wet (ook) met levenslange gevangenisstraf zijn bedreigd, staat de door de verdediging aangeroepen wettelijke regeling niet naar de letter daarvan noch naar zijn bedoeling aan die oplegging aan [Mohamed R.] in de weg.

7.3

De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat oplegging van deze straf in strijd is met het in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing.

7.3.1

De eisen voortvloeiend uit het EVRM

Aan de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) ontleent het hof de volgende uitgangspunten voor de beoordeling van de levenslange gevangenisstraf in mensenrechtelijk perspectief. Deze zijn ook wel bekend als de “Vinter-criteria”, namelijk gebaseerd op de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter tegen het Verenigd Koninkrijk van 9 juli 2013. Enkele van deze criteria zijn in latere uitspraken van het Straatsburgse hof nader ingevuld, geconcretiseerd of toegelicht. In de kern is het EHRM van oordeel dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder enig reëel perspectief op vrijlating onmenselijk is en daarmee in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Oplegging van een levenslange gevangenisstraf bij volwassen verdachten is als zodanig niet in strijd met het verdrag. Het enkele feit dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf het gehele leven van de veroordeelde kan voortduren, levert ook geen verdragsschending op. Er zijn immers op de overheid rustende positieve verplichtingen, zoals het waarborgen van de maatschappelijke veiligheid, die met zich kunnen brengen dat een tot levenslang veroordeelde nooit in vrijheid wordt gesteld.

Dit neemt echter niet weg dat er een reëel perspectief moet bestaan op beëindiging van de tenuitvoerlegging. Het EHRM stelt de eis dat de straf de jure en de facto “reducible” is. Om hieraan tegemoet te komen dient de nationale tenuitvoerleggingspraktijk te voldoen aan twee voorwaarden. Er moet ten eerste sprake zijn van vooruitzicht op invrijheidsstelling op enig moment (“prospect of release”). Ten tweede dient er een reële mogelijkheid voor herbeoordeling van de tenuitvoerlegging te zijn (“possibility of review”). De basis voor deze benadering is gelegen in het concept van menselijke waardigheid dat aan het EVRM ten grondslag ligt.

De levenslanggestrafte heeft vanaf de start van de tenuitvoerlegging het recht om te weten wat hij moet doen om in aanmerking te komen voor (voorwaardelijke) invrijheidstelling en aan welke voorwaarden dan moet zijn voldaan. Ook dient duidelijkheid te bestaan ten aanzien van de termijn waarna de eerste herbeoordeling zal plaatsvinden of het eerste moment waarop deze kan worden verzocht. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer de nationale wet geen mechanisme of mogelijkheid voor herbeoordeling biedt, de levenslange gevangenisstraf reeds op het moment van de oplegging ervan in strijd is met het verdrag.

In de loop van de tenuitvoerlegging kan de onderlinge verhouding tussen de gronden en de doelen van de straf (“legitimate penological grounds”) verschuiven. Het gaat hierbij onder meer om bestraffing, afschrikking, algemene maatschappelijke veiligheid en rehabilitatie. Deze onderlinge verhouding is voorwerp van de periodieke toets. Ter beoordeling dient te staan of zodanig significante vooruitgang is geboekt door de veroordeelde in de richting van zijn rehabilitatie dat voortgezette vrijheidsbeneming niet langer gerechtvaardigd is.

Het is het EHRM in dit verband gebleken dat er duidelijk ondersteuning bestaat in Europees en internationaal recht voor het beginsel dat elke veroordeelde de gelegenheid tot rehabilitatie moet worden geboden. Dat geldt ook voor de praktijk in de deelnemende staten die in grote meerderheid geheel geen levenslange gevangenisstraf opleggen of een toetsingsmechanisme na oplegging van deze straf kennen.

Ten aanzien van de nationale procedure voor herbeoordeling van de straf is het EHRM terughoudend. Het is aan de deelnemende staat om te bepalen hoe het deze, met inachtneming van de hiervoor bedoelde minimumnormen, inricht. Zowel een administratiefrechtelijke procedure als een procedure waarin de rechter de eindbeslissing neemt kan in overeenstemming zijn met het verdrag.

Ook ten aanzien van de termijnen laat het EHRM ruimte voor invulling van een nationale regeling. Wel stelt het vast dat er brede steun bestaat voor een toetsingsmechanisme waarbij niet later dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf een eerste herbeoordeling plaatsvindt, gevolgd door periodieke toetsen.

7.3.2

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft op 5 juli 2016 uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdragsconformiteit van oplegging van een levenslange gevangenisstraf de inzet van het cassatieberoep vormt. In het arrest komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de huidige Nederlandse praktijk in strijd is met het verdrag. De Hoge Raad heeft de eindbeslissing op het betreffende cassatieberoep aangehouden en de zaak verwezen naar een rolzitting die zal plaatsvinden nadat het hof in de onderhavige strafzaak van de verdachte arrest wijst.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 5 juli 2016 het beoordelingskader en de aan te leggen maatstaven uiteengezet. De Hoge Raad heeft de vier voorwaarden opgesomd waaraan de mogelijkheid tot herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de straf moet voldoen. Deze voorwaarden zijn afgeleid uit de jurisprudentie van het EHRM.

De eerste voorwaarde heeft betrekking op de vraag die bij de herbeoordeling aan de orde komen, namelijk of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Hiervoor is vereist dat reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf het voor de veroordeelde in voldoende mate duidelijk is welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten hij moet voldoen, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. De in dat verband gehanteerde criteria mogen niet zo stringent zijn dat vrijlating alleen is toegelaten bij een ernstige ziekte of bij het bereiken van een hoge leeftijd.

De Hoge Raad formuleert als tweede voorwaarde dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden.

De derde voorwaarde is dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen dient te zijn omgeven.

De vierde en laatste voorwaarde is dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van

de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt – kan

voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat hem in dat verband

mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.

7.3.3

Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk

Tot 1 maart 2017 bestond in ons land geen uitgewerkte regeling die voorziet in een automatische herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. De enige weg die voor de levenslanggestrafte openstond was die van een gratieverzoek. Het materiële kader voor de toetsing daarvan bestond slechts uit de maatstaven van artikel 2 van de Gratiewet.

Op 1 maart 2017 is het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Besluit) in werking getreden. Met dit besluit, dat het karakter heeft van een ministeriële regeling, beoogt de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te voorzien in een procedure die de Nederlandse praktijk in overeenstemming brengt met de eisen die het EVRM stelt. In de Staatscourant van 14 juni 2017 is een beperkte wijziging van het Besluit gepubliceerd. Deze wijziging treedt in werking op 1 juli 2017 en werkt terug tot 1 juni 2017. In het hiernavolgende gaat het hof uit van het Besluit zoals dit vanaf 1 juli 2017 zal luiden.

Voor een goed begrip van de procedure dient de tekst van het Besluit te worden gelezen niet alleen in samenhang met de gelijktijdig gepubliceerde toelichting maar ook met de brieven die de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het gaat om de brieven van 2 juni 2016, 2 september 2016, 25 oktober 2016 en 20 december 2016.

Met het Besluit wordt een adviescollege in het leven geroepen dat drie taken heeft:

a. Adviseren over re-integratieactiviteiten

b. Informeren van de minister over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten

c. Op verzoek van de minister adviseren over het aanbieden van re-integratieactiviteiten

Om aan een goed begrip bij te dragen heeft de staatssecretaris in de brief van 20 december 2016 de betekenis en inhoud van enkele centrale, door hem gehanteerde, begrippen verduidelijkt. Het gaat om de volgende.

a. Gedurende de gehele detentie krijgt de veroordeelde net als elke gedetineerde reguliere resocialisatie-activiteiten aangeboden (structuur, regelmaat, aanspreken op eigen verantwoordelijkheid). De activiteiten zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Deze zien niet op “daadwerkelijke concrete terugkeer in de samenleving”. Een uitgebreidere inhoudelijke beschrijving hiervan wordt gegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 2 september 2016. In het nieuwe beleid wordt onder resocialisatie-activiteiten verstaan de activiteiten gedurende de eerste 25 jaar van de detentie in het kader van een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Doel daarbij is onder meer het zoveel mogelijk beperken van mogelijke detentieschade.

b. Op enig moment worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden. Er wordt dan een groter beroep gedaan op zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Ook wordt er initiatief verwacht van de veroordeelde. Er worden in dat kader geleidelijk meer vrijheden geboden. Verlof kan op enig moment onderdeel daarvan zijn. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten worden gemonitord.

c. Rehabilitatie. Dit is het overkoepelende begrip waaronder zowel resocialisatie als re-integratie valt. Dit begrip staat centraal in de Europese rechtspraak. Aan rehabilitatie wordt aldus vanaf de start van de detentie gewerkt.

Het Besluit voorziet in de volgende procedure.

a. 24,5 jaar na start van de detentie wordt de veroordeelde overgebracht naar het Pieter Baan Centrum voor diagnostiek en risico-analyse. Ook wordt een slachtoffer- en/of nabestaandenonderzoek gedaan door Slachtofferhulp Nederland. Verder krijgt de Reclassering Nederland de opdracht om een RISc uit te voeren (genoemd in de brief van 20 december 2016).

b. 25 jaar na start van de detentie is het eerste toetsmoment. Ter beoordeling staat of re-integratieactiviteiten zullen worden aangeboden. Het adviescollege dat bij het Besluit is ingesteld, adviseert hierover, gehoord de veroordeelde en gehoord nabestaanden en slachtoffers en zo nodig op basis van deskundigenadvies. De minister beslist of re-integratieactiviteiten al dan niet worden gestart alsmede waarin deze bestaan.

c. Het adviescollege adviseert eveneens over de vraag wanneer het volgende toetsmoment dient te zijn. Uit de brief van 2 september 2016 blijkt dat de staatssecretaris op dit punt hecht aan maatwerk.

d. Het adviescollege hanteert als criteria: recidiverisico, delictgevaarlijkheid, gedrag en ontwikkeling gedurende detentie en impact op slachtoffers en nabestaanden “en in de sleutel daarvan de vergelding” (artikel 4, vierde lid, van het Besluit).

e. Een negatief advies wordt door de minister overgenomen. Van een positief advies kan gemotiveerd worden afgeweken. In de brief van 2 september 2016 scherpt de staatssecretaris dit aan met de formulering: “op goed gemotiveerde gronden”.

f. Uiterlijk 27 jaar na start van de detentie vindt herbeoordeling van de straf plaats. Hiertoe neemt de minister een “voorstel tot gratieverlening” in overweging. Dit is een procedure op de voet van artikel 19 Gratiewet waarbij de minister wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een onderzoek naar de mogelijkheden van gratiëring initieert. In deze procedure wordt advies ingewonnen van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de straf heeft opgelegd. Dit ontvangt op zijn beurt een advies van het OM. De toepasselijkheid van dit traject blijkt noch uit de tekst van het Besluit noch uit de toelichting erop. Maar de brieven van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 25 oktober 2016 en van 20 december 2016 maken dit wel duidelijk.

Terzijde zij opgemerkt dat het voorgaande impliceert dat het adviescollege geen adviserende rol heeft in de procedure gericht op invrijheidstelling. Wel leggen zijn adviezen voor re-integratieactiviteiten en zijn rapporten over de resultaten daarvan gewicht in de schaal.

7.3.4

Waardering van het Besluit

Het hof zal hierna aan de hand van de vier voorwaarden zoals geformuleerd door de Hoge Raad en in het licht van de gevoerde verweren beoordelen of oplegging van een levenslange gevangenisstraf zich verdraagt met de waarborgen van het EVRM.

1. Kenbare objectieve criteria?

Bij de beoordeling van de vraag of het ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf voor de veroordeelde in voldoende mate duidelijk is welke objectieve criteria

zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, is het volgende van belang.

Regelgeving en beleid

Artikel 4, vierde lid, van het Besluit luidt als volgt.

Bij zijn advisering hanteert het Adviescollege de volgende criteria:

a. het recidiverisico;

b. de delictgevaarlijkheid;

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;

d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.

Op grond van artikel 2 van de Gratiewet kan gratie worden verleend:

a. a) op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van

zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen

houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem

aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of

maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel

b) indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de

rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de

strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Het is de tweede grond van deze bepaling die bij de beantwoording van de gestelde vraag relevant is.

In zijn brieven heeft de staatssecretaris nog het volgende ter toelichting opgemerkt.

Het beoordelingskader voor de minister in de gratieprocedure bestaat volgens de staatssecretaris in de brief van 25 oktober 2016 uit de volgende factoren: 1) de voorwaarden zoals die gelden in de gratieprocedure, 2) de vier factoren die zijn opgenomen in het Besluit Adviescollege levenslanggestraften en 3) de ernst van het bewezenverklaarde feitencomplex en de persoon van de levenslanggestrafte.

In de brief van 20 december 2016 wordt de volgende opsomming gegeven van factoren die in de herbeoordeling een rol spelen: de “vergeldingscomponent”, de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex, delictgevaarlijkheid, recidiverisico, impact op slachtoffers en nabestaanden, de leeftijd van de levenslanggestrafte, zijn medische en psychiatrische toestand, en gedrag en ontwikkeling gedurende de detentie. Gevaar voor de samenleving wordt in de brief aangemerkt als “een zwaarwegend punt” en als “een doorslaggevend punt”.

De beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat, gezien de opzet van de Nederlandse procedure, bij de beoordeling een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de criteria die zijn geformuleerd voor respectievelijk de start van re-integratieactiviteiten en de invrijheidstelling van de veroordeelde. Dat laat onverlet dat deze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden omdat het welslagen van re-integratieactiviteiten een noodzakelijke voorwaarde vormt voor enige vorm van gratiëring.

De eisen waaraan moet zijn voldaan voordat positief wordt geadviseerd om over te gaan tot re-integratieactiviteiten zijn opgenomen in artikel 4, lid 4, van het Besluit. De criteria a, b en c vormen de directe uitdrukking van de mate van rehabilitatie van de veroordeelde.

Deze hebben een zeker niveau van algemeenheid maar naar het oordeel van het hof hoeft niet verlangd te worden dat deze gedetailleerder worden ingevuld. Dit is immers geen eis die uit het EVRM voortvloeit. Het EHRM heeft in de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak-Hutchinson van 17 januari 2017 overwogen dat het in verschillende zaken niet telkens dezelfde formulering heeft toegepast maar dat het erom gaat dat de criteria moeten voldoen aan de eis van “a degree of specificity or precision” (paragraaf 59) . Onder verwijzing naar uitspraken van het EHRM waarin het nationale stelsel in overeenstemming met het verdrag werd geoordeeld overweegt het hof dat “they demonstrate that a high degree of precision is not required in order to satisfy the Convention” (paragraaf 60). Het Besluit biedt inzicht in de factoren die in de beoordeling een rol spelen. Bovendien is van belang dat de onderzoeken die aan het advies ten grondslag worden gelegd naar verwachting een uitgebreide onderbouwing zullen bevatten van respectievelijk recidiverisico, delictgevaarlijkheid en gedrag en ontwikkeling tijdens detentie. Deze zal voor een deel worden gegeven aan de hand van gangbare onderzoeksmethoden zoals de RISc, waarmee de criteria in aanzienlijke mate en op transparante wijze zijn geoperationaliseerd. In zoverre kan bezwaarlijk worden geoordeeld dat vooraf vastgestelde objectieve en kenbare criteria ontbreken.

Het vierde criterium waaraan het adviescollege reeds in de fase van re-integratie dient te toetsen is “de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding”. Dit leent zich voor gezamenlijke bespreking met één van de maatstaven die de minister blijkens de brieven van de staatssecretaris zal aanleggen in de gratieprocedure.

Het hof begrijpt dat de in de brieven van de staatssecretaris verwoorde criteria voor de toetsing in gratieprocedure, zoals de “vergeldingscomponent” en “de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex”, een uitdrukking vormen van dezelfde maatstaf.

Dit criterium vormt volgens de verdediging voor de veroordeelde een onzekerder variabele. Deze ligt bovendien minder in zijn invloedssfeer. De verdediging heeft erop gewezen dat hierdoor elke gratieprocedure kan eindigen in een voor de veroordeelde negatief besluit waarmee alsnog het risico op een verdragsschending ontstaat.

Het hof merkt op dat de Grote Kamer van het EHRM in de zaak-Hutchinson heeft overwogen dat de vereiste herbeoordeling van de straf “must take account of the progress that the prisoner has made towards rehabilitation, assessing whether such progress has been so significant that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds” (paragraaf 43). Met het oog op die rehabilitatie dient de veroordeelde van meet af aan geïnformeerd te zijn over de criteria waaraan hij dient te voldoen zodat hij daar gericht aan kan werken. Die legitieme gronden voor bestraffing hebben in de visie van het EHRM echter een ruimere reikwijdte dan de rehabilitatie in enge zin. Daaronder vallen blijkens diezelfde uitspraak onder meer “punishment, deterrence, public protection and rehabilitation”. Vergelding en de ernst van de gepleegde feiten kunnen onder deze eerste twee gronden worden geschaard. Het enkele gegeven dat criteria van deze aard mede een factor bij de beoordeling vormen levert derhalve geen strijd met het verdrag op. De omstandigheid dat het deels gaat om criteria waarmee een resultaat wordt beoordeeld dat de veroordeelde niet of minder kan beïnvloeden of bewerkstelligen, dwingt evenmin tot die conclusie. Wel dient de nadruk steeds meer op rehabilitatie te liggen naarmate de tenuitvoerlegging van de straf langer duurt.

Men zou de ogen sluiten voor het karakter van de levenslange gevangenisstraf als niet wordt onderkend dat deze straf, juist waar het gaat om bestraffing naar evenredigheid met ernst en omvang van de gepleegde feiten en om effectieve afschrikking van het veelvuldig plegen van excessief en dodelijk geweld, een eigen plaats in het sanctiearsenaal heeft.

Daarmee is niet gezegd dat in het individuele geval het vinden van de balans tussen de met voortgezette vrijheidsbeneming gemoeide belangen een eenvoudige exercitie is of niet vatbaar voor discussie zou zijn. Een nog bestaande maatschappelijke behoefte aan bestraffing laat zich moeilijk bepalen. Dat daarbij niet alleen de opvattingen van slachtoffers of nabestaanden van invloed kunnen en mogen zijn behoeft ook geen betoog. En de vraag wanneer het moment is bereikt waarop de tenuitvoerlegging voldoende effectief heeft bijgedragen aan algemene preventie van crimineel gedrag leent zich evenmin voor een makkelijk antwoord. Dat de staatssecretaris in dat verband wijst op de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex komt evenwel niet onjuist noch als onredelijk of onbillijk voor.

Bij deze stand van zaken bestaat geen grond voor het oordeel dat de beoordelingsmaatstaven die op grond van het nieuwe beleid in de gratieprocedure zullen worden gehanteerd een risico inhouden dat het hof bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de verdragseisen voldoet.

2. De termijn van 25 jaar

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden.

Blijkens de tekst van de leden 2 en 3 van artikel 4 van het Besluit en de toelichting daarop wordt uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie een voorstel tot gratieverlening in overweging genomen. Voorts is geregeld dat 25 jaar na aanvang van de vrijheidsbeneming het eerste advies over een re-integratietraject wordt uitgebracht. In lid 6, tot slot, is voorzien in de verplichting voor het adviescollege om te bepalen binnen welke termijn een vervolgadvies zal worden uitgebracht.

Met dit samenstel aan bepalingen is voldaan aan de verdragseis dat een eerste herbeoordeling niet later dan 25 jaar na de strafoplegging plaatsvindt. In de meeste gevallen zal de voorlopige hechtenis twee jaren of langer hebben geduurd. En in het geval waarin de duur hiervan korter is dan twee jaren voorziet artikel 4, derde lid, van het besluit in een termijn. De eerste beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dient immers plaats te vinden uiterlijk twee jaren nadat het adviescollege zijn eerste advies heeft uitgebracht.

Van de zijde van de verdediging is erop gewezen dat de termijnenregeling onaanvaardbare gevolgen kan hebben voor levenslanggestraften die zeer langdurig in voorlopige hechtenis hebben verbleven. Daarbij is de tekst van het Besluit zoals dit luidt tot 1 juli 2017 het uitgangspunt geweest. Dit hield in dat op een eerste gratieprocedure dient te worden gewacht totdat 25 jaar na de eerste strafoplegging zijn verstreken. Met de tekst van het gewijzigde Besluit wordt aan het door de verdediging opgeworpen bezwaar tegemoet gekomen; het moment van herbeoordeling is niet meer gekoppeld aan het moment van strafoplegging maar aan het moment van eerste advisering (en daarmee aan het moment van aanvang van de detentie).

Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat in de in het Besluit geregelde termijnen een belemmering is gelegen voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

3. Procedurele waarborgen

De derde voorwaarde is dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen is omgeven.

Zoals blijkt uit de eerder weergegeven Vinter-criteria hoeft het enkele feit dat de procedure voor herbeoordeling van de straf een administratief karakter heeft en zonder betrokkenheid van de rechter verloopt geen verdragsschending op te leveren. In de uitspraak-Hutchinson heeft de Grote Kamer hierover niet langer een misverstand laten bestaan. Daarmee is overigens niet gezegd dat een rol van de rechter in de procedure geen betekenis heeft bij beantwoording van de vraag of de procedure voldoet aan de verdragseisen. Zo blijkt in die zaak voor het EHRM van belang te zijn geweest dat de rechter een rol heeft in de toetsing van het besluit van de minister tot (weigering van de) invrijheidstelling in samenhang met het in de Britse wet verankerde voorschrift dat minister en rechter dienen te handelen en te beslissen in overeenstemming met de in het EVRM neergelegde waarborgen.

Uit onder meer de uitspraken van het EHRM in de zaken Harakchiev tegen Bulgarije van

8 juli 2014 en T.P. en A.P. tegen Hongarije van 4 oktober 2016 blijkt dat kenbaarheid van de toepasselijke criteria en de regels voor motivering van besluiten van belang zijn bij beantwoording van de vraag of de procedurele waarborgen toereikend zijn.

Wat betreft de procedurele waarborgen maakt het hof tegen deze achtergrond een onderscheid. Enerzijds gaat het om de formele aspecten van de procedure: de transparantie ervan, betrokken organen en instanties. Anderzijds gaat het om de kenbaarheid van het materiële toetsingskader en de voorschriften voor de motivering van beslissingen.

Met betrekking tot de formele aspecten stelt het hof het volgende vast.

Allereerst voorziet het Besluit in een mechanisme waarin op een moment dat is gelegen 25 jaar na aanvang van de detentie een eerste advies wordt uitgebracht over op terugkeer naar de samenleving gerichte activiteiten. Dit advies wordt gegeven door een onafhankelijke commissie. De minister beslist.

Vanaf dat moment vinden periodieke vervolgtoetsingen plaats waarvan het ritme is afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en op aard en inhoud van de re-integratieactiviteiten.

Voorts start de minister uiterlijk 2 jaar na het eerste adviesmoment ambtshalve een procedure gericht op herbeoordeling van de tenuitvoerlegging. Voordat de minister beslist wordt het advies ingewonnen van de rechter die de straf heeft opgelegd, die zich op zijn beurt laat adviseren door het openbaar ministerie. In dit adviestraject worden de adviezen en rapporten van het adviescollege betrokken. Uit Besluit en toelichting kon dit niet zonder meer worden afgeleid maar de brief van 20 december 2016 neemt op dit punt elke onduidelijkheid weg. Deze documenten hebben betrekking op de geschiktheid van de veroordeelde voor activiteiten gericht op re-integratie en op de resultaten van die activiteiten.

Het toepasselijke materiële toetsingskader voor de gratieprocedure wordt allereerst gevormd door artikel 2, onder b, Gratiewet. Binnen dit zeer ruim gedefinieerde kader kan de minister zijn besluit om al dan niet tot gratiëring over te gaan motiveren. Alle factoren die op grond van het EVRM in de afweging mogen worden betrokken kunnen hierin een plaats krijgen. Niettemin zal dit kader zijn begrenzing gaan vinden in de door het Besluit in het leven geroepen procedure. Aangenomen moet worden dat de door de veroordeelde tijdens de re-integratieactiviteiten bereikte resultaten geen vrijblijvend karakter hebben. Daarvoor bestaan de volgende aanknopingspunten.

In de brief van 2 september 2016 kenschetst de staatssecretaris de periodieke toets van de re-integratieactiviteiten als het “voortraject van de gratieprocedure”. Hiermee wordt ernaar gestreefd om “richting” te geven aan de beoordeling in het kader van een gratieprocedure. De staatssecretaris beoogt met de voorgestelde wijzigingen bij te dragen aan het bieden van perspectief op mogelijke vrijlating.

In de brief van 20 december 2016 wordt nog iets nader ingegaan op de factoren die in de herbeoordeling van de straf een rol spelen. Bij de bespreking van het eerste criterium is deze opsomming reeds weergegeven. In dit verband merkt de staatssecretaris op dat gevaar voor de samenleving “uiteraard een zwaarwegend punt” is. Elders in de brief noemt hij het “een doorslaggevend punt”. Hiermee wordt het accent in de beoordeling gelegd op de bereikte rehabilitatie.

Het Besluit biedt reële mogelijkheden dat op re-integratie gerichte activiteiten kunnen worden ondernomen. De staatssecretaris heeft de parallel getrokken met de positie van het Adviescollege Verloftoetsing dat adviseert over de verloven in het kader van de TBS. Naar aanleiding van de adviezen van dit college vindt nog slechts een marginale toetsing plaats.

Dit betekent dat bij een positief advies om over te gaan tot re-integratieactiviteiten de aanzienlijke kans bestaat dat de minister dit overneemt. In geval van afwijking van dit advies gaat de staatssecretaris blijkens de brief van 2 september 2016 uit van een zware motiveringseis.

Voor de motivering van het besluit van de minister om al dan niet te gratiëren bestaan geen voorschriften. Ongemotiveerd afwijken van een positief advies van het adviescollege is volgens het Besluit niet toegestaan maar dat betreft slechts het “voortraject” van de re-integratie.

Afwijzing van een gratieverzoek dient te worden gemotiveerd (artikel 18, lid 2 Gratiewet) maar dat voorschrift is niet van toepassing in de ambtshalve procedure die op de voet van het Besluit zal worden geïnitieerd.

Noch in de toelichting op het Besluit, noch in de brieven aan de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de wijze waarop en de mate waarin de minister zijn besluiten in het kader van de gratieprocedure dient te motiveren. Het EHRM lijkt daaraan niet al te hoge eisen te stellen, zij het dat de kenbaarheid van de motiveringsvoorschriften en een praktijk van motivering van individuele besluiten pluspunten vormen bij beantwoording van de vraag of een gratieregeling voldoet aan het verdrag. De motivering en de motiveringsplicht worden door het EHRM geplaatst in de sleutel van de kenbaarheid van de eisen waaraan de levenslanggestrafte moet voldoen in de procedure van herbeoordeling.

De staatssecretaris wijst er in zijn brief van 2 september 2016 op dat uit de systematiek van de Gratiewet volgt dat aan het advies van de rechter groot gewicht toekomt en dat dit advies in beginsel leidend is. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn voorts ook op de gratieprocedure van toepassing. Het ontbreken van een draagkrachtige motivering kan daarom leiden tot onrechtmatigheid, aldus de staatssecretaris.

Als vaststaand kan derhalve worden aangenomen dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat gratiebesluiten voortaan zullen worden gemotiveerd. Voorts neemt het hof aan dat het voortraject van re-integratie ook aanleiding zal zijn om een gratiebesluit van een motivering te voorzien, in het bijzonder indien wordt afgeweken van een positief rechterlijk advies.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er toereikende procedurele waarborgen zijn voor de totstandkoming van op re-integratie gerichte activiteiten. Ook acht het hof voldoende gegarandeerd dat de resultaten van deze activiteiten inhoudelijk van belang zullen zijn bij de beoordeling van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf door de minister in het kader van de gratieprocedure.

In dit verband komt voorts betekenis toe aan de adviserende rol van de rechter in de gratieprocedure waarin deze zich bij de opstelling van zijn advies onder meer baseert op de resultaten van het re-integratietraject en zich daarbij oriënteert op de eisen die uit het EVRM voortvloeien.

Tot slot slaat het hof acht op het voornemen van de staatssecretaris om in de loop van 2017 een wettelijke regeling aan de Tweede Kamer aan te bieden, zoals blijkt uit zijn brief van 20 december 2016. In dat kader heeft hij de huidige beleidswijziging getypeerd als de “start” van het proces van wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Hieraan kan de verwachting worden ontleend dat geen regeling zal worden ontworpen die minder waarborgen bevat dan de sinds 1 maart 2017 vigerende beleidsregels.

4. Voorbereiding op terugkeer in de samenleving

De laatste voorwaarde luidt dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van

de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt – kan

voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving doordat hem

mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.

Het hof merkt allereerst op dat in de beleidscontext van de staatssecretaris aan de begrippen rehabilitatie, resocialisatie en re-integratie niet geheel dezelfde betekenis toekomt als in de terminologie van het EHRM. De eisen die door het EHRM worden gesteld kunnen in het begrippenkader van de staatssecretaris zo worden begrepen dat met het oog op voorbereiding van terugkeer in de samenleving aan de veroordeelde mogelijkheden voor zowel resocialisatie als voor re-integratie moeten worden geboden.

Het hof overweegt dat het EHRM in zijn uitspraken met regelmaat heeft overwogen dat op de staat de verplichting rust om de levenslanggestrafte mogelijkheden tot rehabilitatie te bieden.

In de eerder genoemde uitspraak in de zaak van Harakchiev tegen Bulgarije heeft het Straatsburgse hof tot uitdrukking gebracht dat de autoriteiten daarin een ruime marge van appreciatie hebben. Maar het is geen “matter of indifference”. Er dienen voorwaarden te worden geschapen waaronder de veroordeelde kan streven naar verbetering van zichzelf met het oog op aanpassing van de straf op enig moment.

Het verdrag legt de autoriteiten geen absolute verplichting op om programma’s of activiteiten voor rehabilitatie of re-integratie aan te bieden. Het vereist dat aan gedetineerden een kans wordt geboden om, hoe ver in de tijd ook, ooit de vrijheid te herkrijgen. Om die kans reëel en tastbaar te doen zijn, moet een effectieve gelegenheid tot rehabilitatie worden gegeven die niet illusoir is.

In de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak van Murray tegen Nederland van 26 april 2016 is geoordeeld dat de op de autoriteiten rustende verplichting niet zo moet worden geïnterpreteerd dat een “excessive burden” op de staat wordt gelegd.

Voorts neemt het hof in overweging dat aan de veroordeelde gedurende de gehele detentie reguliere resocialisatie-activiteiten worden aangeboden die zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Het doel hiervan is om te komen tot een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Niet is gesteld of gebleken dat voor de verdachte een dergelijk detentieplan niet is opgesteld.

Na de meergenoemde periode van 25 jaar detentie en na een positief advies daartoe, worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden waarbij een groter beroep wordt gedaan op eigen initiatief, zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Vrijheden worden in dat kader geleidelijk uitgebreid. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten ervan worden gemonitord met het oog op overweging van gratiëring van de straf op enig moment.

Het hof betrekt hierbij dat een levenslange gevangenisstraf op grond van artikel 10, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) evenals overige vrijheidsstraffen in een gevangenis ten uitvoer wordt gelegd. Dit geschiedt in beginsel reeds na oplegging van de straf in eerste aanleg, indien daarvan sprake is. Behoudens bijzondere omstandigheden bestaat het gevangenisregiem op grond van artikel 19, eerste lid, Pbw uit tenuitvoerlegging in algehele dan wel beperkte gemeenschap. Dit brengt gezien het bepaalde in de artikelen 20 en 21 Pbw met zich dat minst genomen aan de gedetineerde de gelegenheid wordt geboden om gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte een reële verwachting kan hebben dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een perspectief op rehabilitatie biedt dat in overeenstemming is met de daaraan op grond van het EVRM te stellen eisen.

7.3.5

Eindconclusie

Al hetgeen in het voorgaande is overwogen brengt het hof tot de conclusie dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd kan komen met de eisen die daaraan op grond van artikel 3 EVRM moeten worden gesteld.

7.3.6

Slotopmerkingen

Tot slot verdient het volgende nog opmerking. Het hof heeft hiervoor een juridische beoordeling gegeven van een sinds zeer korte tijd bestaande regeling. De conclusie luidt dat deze regeling aan de daaraan te stellen eisen die voortvloeien uit verdragsrecht, voldoet. Pas na geruime tijd zal echter blijken hoe de regeling wordt toegepast. In zoverre heeft de gegeven materiële beoordeling een beperkte betekenis omdat juist uit de praktische toepassing zal dienen te blijken of de beslispraktijk zich verdraagt met de verdragseisen. Ook zal de toekomst leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn. Er is immers voor de nabije toekomst een voorstel voor een wettelijke regeling in het vooruitzicht gesteld. Daarnaast blijkt uit het feit dat het op 1 maart 2017 in werking getreden Besluit op 1 juli 2017 al zijn eerste wijziging ondergaat, reeds dat de bestuurlijke inzichten in beweging zijn.

De beoordeling van zowel de materiële toetsingscriteria als de procedurele regels vormt daarom een momentopname. Deze biedt evenwel voldoende grondslag voor de slotsom dat voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.

Korte samenvatting hoofdstuk 7.3

- Uit de rechtspraak van het EHRM en de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2016 volgt dat de bestaande Nederlandse praktijk van oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd was met het EVRM.

- Na genoemde uitspraak van de Hoge Raad is op 1 maart 2017 het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Besluit) in werking getreden. Met dit besluit, dat het karakter heeft van een ministeriële regeling, beoogt de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te voorzien in een procedure die de Nederlandse praktijk in overeenstemming brengt met de eisen die het EVRM stelt. In de Staatscourant van 14 juni 2017 is inmiddels een beperkte wijziging van het Besluit gepubliceerd. Deze wijziging treedt in werking op 1 juli 2017 en werkt terug tot 1 juni 2017.

- Het hof heeft onderzocht of met dit besluit de Nederlandse praktijk niet langer in strijd is met het EVRM. Het hof stelt vast dat aan de vier door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden in voldoende mate wordt voldaan.

1) Ten aanzien van de voorwaarde van kenbare objectieve criteria bij een herbeoordeling van de straf, overweegt het hof dat er geen grond is voor het oordeel dat de beoordelingsmaatstaven die op grond van het nieuwe beleid in de gratieprocedure zullen worden gehanteerd een risico inhouden dat het hof bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de verdragseisen voldoet.

2) Ten aanzien van de termijn van 25 jaar die als uitgangspunt voor de herbeoordeling wordt gehanteerd, ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat in de in het Besluit geregelde termijnen een belemmering is gelegen voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

3) Ten aanzien van de voorwaarde dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen moet zijn omgeven, komt het hof tot de slotsom dat er toereikende procedurele waarborgen zijn voor de totstandkoming van op re-integratie gerichte activiteiten. Ook acht het hof voldoende gegarandeerd dat de resultaten van deze activiteiten inhoudelijk van belang zullen zijn bij de beoordeling van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf door de minister in het kader van de gratieprocedure.

4) Ten aanzien van de voorbereiding van een terugkeer in de samenleving, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte een reële verwachting kan hebben dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een perspectief op rehabilitatie biedt dat in overeenstemming is met de daaraan op grond van het EVRM te stellen eisen.

- De slotsom is dat, hoewel de beoordeling door het hof een momentopname is van een procedure en een praktijk waarvan nog zal moeten blijken hoe deze wordt toegepast, voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.

7.4

Eindconclusie strafoplegging

Hiervoor heeft het hof uiteengezet dat en op welke gronden het de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aangewezen acht. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat, en op welke gronden het aanneemt dat die strafoplegging niet in strijd komt met het in artikel 3 EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing. De in het Wetboek van Strafrecht opgenomen samenloopregeling staat evenmin in de weg aan die strafoplegging. Al het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof aan [Mohamed R.] een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.

7.5

De redelijke termijn

De raadslieden hebben betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van [Mohamed R.] door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

De strafzaak tegen [Mohamed R.] – het zij herhaald – maakt deel uit van een samenstel van strafzaken onder de noemer Passage. In dat kader stonden aanvankelijk twaalf, en thans nog tien, verdachten terecht. Het gaat in alle gevallen bovendien om levensdelicten van een bijzondere categorie: moorden gepleegd in het criminele milieu. In het kader van de bewijsvoering heeft het Openbaar Ministerie de verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige gepresenteerd. Daarnaast gaat het om een uitzonderlijk groot aantal onderzoeksbevindingen van uiteenlopend karakter die alle voorwerp van het onderzoek ter terechtzitting zijn geweest. Dergelijk onderzoek levert naar zijn aard tal van complicaties op die zich in het kader van Passage in aanzienlijke mate hebben gemanifesteerd.

In eerste aanleg zijn tal van onderzoekshandelingen verricht die mede ten dienste stonden van de uitoefening van de verdedigingsrechten van [Mohamed R.] . In veel gevallen betrof het onderzoek waar namens hemzelf om was verzocht of onderzoek op verzoek van medeverdachten dat namens hem werd ondersteund. Desondanks hebben incidenten rondom de kroongetuige [Peter la S.] tot vertragingen in de voortgang geleid.

In tweede aanleg heeft opnieuw onderzoek naar de verklaringen van [Peter la S.] plaatsgevonden. In deze gedingfase werkten de introductie van de kroongetuige [Fred R.] en, in beperkte mate, de inbreng van verklaringen van de zussen en de ex-partner van [Willem H.] vertragend. De verklaringen van deze getuigen stonden in een aanmerkelijk ver verwijderd verband van de zaak van [Mohamed R.] . Wel heeft de raadsvrouw het tijdsverloop benut om de advocaat-generaal gedurende een groot deel van de appelfase meermalen om aanvullend onderzoek te vragen naar telecomgegevens waaraan in veel gevallen gehoor werd gegeven.

Dit alles brengt met zich dat de gangbare maatstaven voor de bepaling van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting onvoldoende houvast bieden.

De behandeling in eerste aanleg is geëindigd op 29 januari 2013. Het hof wijst heden, 29 juni 2017, arrest.

Na de heropening van het opsporingsonderzoek dat in 1996 was afgesloten is [Mohamed R.] op 30 oktober 2007 aangehouden. De detentie heeft aanvankelijk slechts kort geduurd, namelijk tot 13 november 2007. Daarna is een straf geëxecuteerd. Vanaf 19 februari 2008 is de vrijheidsbeneming hervat en deze duurt nog steeds voort.

De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg derhalve ongeveer 5 jaren en 3 maanden geduurd.

De tweede aanleg heeft bijna 4,5 jaar geduurd. De genoemde lange periodes van vrijheidsbeneming dragen eraan bij dat ten aanzien van de appelfase strenger dient te worden geoordeeld over de geoorloofdheid van de lange duur van het proces dan in het geval [Mohamed R.] op vrije voeten zou zijn geweest.

De hiervoor genoemde factoren hebben tot gevolg dat de vuistregel dat per feitelijke instantie de behandeling in beginsel de duur van 16 maanden niet mag overschrijden niet hanteerbaar is. Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn is overschreden. Deze vaststelling dient evenwel in sterke mate te worden gerelativeerd tegen de achtergrond van wat het hof hiervoor heeft overwogen.

Aan [Mohamed R.] zal een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op deze omstandigheid en in het licht van genoemde relativering volstaat het hof met de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Het verweer wordt verworpen.

8 Vordering gevangenneming

De advocaat-generaal heeft bij repliek de gevangenneming van [Mohamed R.] gevorderd voor de zaaksdossiers Opa, Cobra en Indiana. Hij heeft er op gewezen dat de voorlopige hechtenis van [Mohamed R.] thans uitsluitend op zaaksdossier Tanta berust en heeft gesteld dat er gronden (geschokte rechtsorde, vluchtgevaar en gevaar voor herhaling) zijn voor de voorlopige hechtenis, ook ten aanzien van de overige zaaksdossiers.

Het hof wijst deze vordering af. Gevangenneming is slechts aan de orde indien de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevindt en kan niet worden aangewend om (naar analogie van het bepaalde in artikel 67b Sv) de grondslag van de voorlopige hechtenis uit te breiden ten aanzien van een verdachte die zich, zoals in casu, reeds bevindt in voorlopige hechtenis. Voor zover het belang bij deze vordering is gelegen in de mogelijke gevolgen voor de voorlopige hechtenis in geval van een door de verdachte ingesteld cassatieberoep, overweegt het hof als volgt. Als gevolg van de beslissingen van het hof in dit arrest duurt de voorlopige hechtenis voort, ook in het geval het rechtsmiddel van cassatieberoep zal worden ingesteld. In het geval de Hoge Raad zou casseren en terugwijst of verwijst, biedt artikel 75, lid 8, Sv een regeling.

9 Beledigde partij

[beledigde partij 1] hebben een bedrag van € 680,67 gevorderd aan materiële schade. Hun vordering ziet op het overlijden van hun zus [slachtoffer 5] , één van de slachtoffers in de zaak Cobra (B1). Het betreft op grond van de in 1993 geldende regeling een vordering als beledigde partij tot een maximum van het equivalent van fl. 1500,-.

De vordering is door de rechtbank toegewezen en is gehandhaafd in hoger beroep.

Nu [Mohamed R.] , zoals hiervoor is overwogen, zal worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer 5] is tenlastegelegd, zullen [beledigde partij 1] in hun vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 48, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder B1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder A, B1 meer subsidiair, B2 primair en B3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

Verklaart [beledigde partij 1] niet-ontvankelijk in hun vordering beledigde partij.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R. Veldhuisen, R.P.P. Hoekstra en R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mrs. M. Rasterhoff en A. Binken, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2017.

1 Dit begrip is ontleend aan het normale spraakgebruik en niet aan het Wetboek van Strafvordering (Sv). Waar deze benaming in de tekst wordt gebezigd is steeds bedoeld de getuige met wie de officier van justitie op de voet van artikel 226g Sv een afspraak heeft gemaakt.

2 Memorie van toelichting, pagina 11.

3 Kamerstukken II, 1995–1996, 24 072, nr. 51.

4 Nota naar aanleiding van het verslag, pagina 3.

5 Brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, pagina 9.

6 Nota van Toelichting, Algemeen, bij Besluit getuigenbescherming, onder actualisering van de benaming van organisatie-onderdelen

7 MvT, p. 10.

8 Documentnummer 012840.

9 Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (2006A004g), paragraaf 5 onder 2.

10 MvT, pag 12 e.v.; Brief aan de TK van 6 april 2001, pag. 3; MvA EK, pag. 3 e.v.

11 Brief van de minister van justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 over wetsvoorstel. 26 294, pagina 3.

12 Bijlage bij het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 11.

13 Requisitoir OvJ p 115 (012247).

14 Proces-verbaal van mr. [officier van justitie 1] van 10 oktober 2011, [documentnummer 012169, p. 2].

15 Proces-verbaal terechtzitting hof d.d. 5 september 2014, p. 10.

16 Proces-verbaal van 26 juli 1993 [documentnummer 008492].

17 Beschikking van 5 juli 1993 [documentnummer 008548].

18 Documentnummers 008561 ( [Mohamed R.] ) en 008622 ( [Jesse R.] ).

19 Proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2009, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam [documentnummer 010659].

20 Proces-verbaal van 16 december 2008 [documentnummer 010660].

21 Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 14 april 2014, p.12

22 Proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 36.

23 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 12.

24 Proces-verbaal terechtzitting 25 oktober 2011 [documentnummer 012203, dig. p. 31].

25 Proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 31.

26 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 10 mei 2007 [000484], dig. pagina 3.

27 Proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 37.

28 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 16 maart 2007 [000426], dig. pag. 3.

29 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 10 mei 2007 [000484], dig. pag. 6 en 7.

30 Proces-verbaal van verhoor van 20 juni 2007 [000755], dig. pag. 16.

31 Letterlijke uitwerking verhoor/gesprek met [Peter la S.] van 2 november 2006 (KV 15) [009079], dig. pag. 20, 21 en 28.

32 Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499].

33 Proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031].

34 Zie bijvoorbeeld zijn verklaring bij de politie van 24 mei 2007 [000499], digitale pagina 13.

35 Proces-verbaal van bevindingen van officier van justitie mr. [officier van justitie 3] van 9 april 2015 [12684] dig. p. 7 tot en met 12.

36 [Peter la S.] hierover: proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep 3 tot en met 13 juni 2014, pagina 36.

37 Zie bijvoorbeeld proces-verbaal terechtzitting van 10 maart 2009, pagina 20.

38 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 41] van 12 februari 2008 [002582] dig. pag. 5 .en 6; [Peter la S.] hierover: proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 36, 63.

39 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 5 juni 2007 [000486] dig. pag. 6.

40 Bijvoorbeeld proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 23 en 24.

41 Proces-verbaal terechtzitting van 28 november 2011, pagina 8.

42 Proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 37.

43 Bijvoorbeeld proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 14 november 2008 [010758], dig. pag. 81, proces-verbaal terechtzitting van 15 juni tot en met 2 juli 2009 [011413].

44 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 31 juli 2007 [001034] dig. pag. 4

45 Onder meer ter terechtzitting in hoger beroep: proces-verbaal terechtzitting 3 tot en met 13 juni 2014, pagina 7.

46 Proces-verbaal verhoor 10 mei 2007 [000484] dig. p. 5.

47 Proces-verbaal terechtzitting 3 tot en met 13 juni 2014, pagina 79.

48 Proces-verbaal terechtzitting van 3 oktober 2011.

49 Proces-verbaal van officier van justitie [officier van justitie 1] van 10 oktober 2011 [012169], dig. pagina 2 en 3.

50 Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, bijlage, pagina 14.

51 Proces-verbaal van officier van justitie [officier van justitie 1] van 10 oktober 2011 [012169], dig. pagina 2.

52 Documentnummer 000755 pag 36, 53.

53 Documentnummer 001321 digitale pag 16.

54 Documentnummer 000487, dig. Pag 4.

55 Documentnummer 000488, dig. pag. 9.

56 Documentnummer 003090, dig. pag. 5.

57 Documentnummer 003722, dig. pag. 33.

58 Documentnummer 010758, dig. pag 83.

59 Proces-verbaal terechtzitting 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 58.

60 Proces-verbaal terechtzitting 17 en 18 augustus 2009 (zaak Nicht), pagina 6.

61 Proces-verbaal terechtzitting 1 februari 2010, pagina 9.

62 Bijlagen bij de brief van de rechter-commissaris van 3 januari 2012 [012204], hierna KV 1 en KV 2.

63 KV 1, dig. pag. 185.

64 KV 1, dig. pag. 178.

65 KV 2, dig. pag. 11 en 14.

66 KV 2, dig. pag. 14 en 17.

67 Letterlijke uitwerking verhoor/gesprek [Peter la S.] van 10 oktober 2006 (KV 3) [009068], dig. pagina 11.

68 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2016 van R346 en R256.

69 Letterlijke uitwerking verhoor/gesprek [Peter la S.] van 16 oktober 2006 (KV 4) [009073], dig. pag. 3.

70 Idem, dig. pagina 9 en 10.

71 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2016 van R346 en R256, pagina 3 en 4.

72 KV 4 pagina 9.

73 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2016 van R346 en R256, pagina 3.

74 Bijlage proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 1.

75 Idem, pagina 2.

76 KV 15, dig. p. 35.

77 KV 15, dig. p. 38-39.

78 Proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2006 van Z034 en Z036 [012181], dig. p. 4.

79 Bijvoorbeeld proces-verbaal terechtzitting van 25 oktober 2011, pagina 24 e.v.

80 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten R346 en R256 van 29 augustus 2016, pagina 4.

81 Bijvoorbeeld KV 15, dig. p. 19.

82 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten R346 en R256 van 29 augustus 2016, pagina 5.

83 Proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2006 van Z034 en Z036 [012181], dg. p. 4.

84 Bijlage bij proces-verbaal van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 13.

85 KV1, pagina 8, 39, 45.

86 KV 15, dig. pagina 27.

87 KV 15, dig. pagina 28.

88 KV 15 pagina 94 van 98.

89 Bijlage bij proces-verbaal van verbalisant Z038 van 18 november 2011 [012181] pagina 1.

90 Bijvoorbeeld ter terechtzitting van 28 november 2011 en van 16 en 17 april 2012.

91 Bijlage met toegevoegde delen deal-gesprekken bij meergenoemd proces-verbaal van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 8 [documentnummer 012477].

92 Proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank 10 oktober 2011, pagina 18.

93 Proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank 16 april 2012, pagina 26.

94 Overeenkomst van [Peter la S.] met de Staat der Nederlanden, pagina 4 en 6 [documentnummer 008951].

95 Proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank 10 tot en met 31 maart 2009, pagina 24.

96 Proces-verbaal van relaas zaak Boeddha [012063], pagina 2, 3 en 6.

97 Letterlijke uitwerking verhoor/gesprek met [Peter la S.] van 31 oktober 2006 [documentnummer 009077], pagina 48.

98 Proces-verbaal van verhoor van 25 oktober 2007 [documentnummer 010519], onder andere pagina 9 en 18.

99 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris van 6 februari 2009 [010621], pagina 7.

100 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris van 1 september 2011 [012136], pagina 4 en 5.

101 Proces-verbaal terechtzitting van 19 januari 2012, pagina 25.

102 Proces-verbaal terechtzitting van 19 januari 2012, pagina 25 en 26.

103 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris van 26 januari 2009 [010540], pagina 3 en 6.

104 Idem, pagina 6.

105 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris van 2 juli 2009 [011030], pagina 5.

106 Proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2008 [documentnummer 007495], pagina 3.

107 Proces-verbaal terechtzitting van 23 en 30 juni en 4 juli 2014, pagina 4 en 5.

108 Proces-verbaal terechtzitting 23 mei 2011, pagina 8 en 9.

109 Proces-verbaal terechtzitting 7 juni 2011, pagina 4, 5 en 6.

110 Proces-verbaal terechtzitting 10, 12, 30 en 31 maart 2009, [011406] digitale pagina 25 en 26.

111 KV 15, dig.pag. 72-73.

112 Proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie 1] van 26 februari 2007 [000243], dig. pag. 3, KV 15 dig. pag. 24.

113 Als bijlage gevoegd bij pleidooi eerste aanleg, p. 238 [documentnummer 012591].

114 KV 15, dig.pag. 69.

115 Bijvoorbeeld proces-verbaal verhoor van 4 oktober 2007 [001395] pagina 11.

116 Bijvoorbeeld proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 3] van 30 mei 2007 [000934], digitale pagina 12.

117 Proces-verbaal inspreek [adres 1] [000172] dig. pag. 7.

118 verklaring bij de politie van 15 augustus 2007, [001031] pagina 50.

119 Bijvoorbeeld proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 19 december 2007 [002580, dig. p. 53].

120 KV 15, dig. pag. 80.

121 Idem dig. pagina 28.

122 Proces-verbaal van 16 mei 2007 [000268].

123 Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499], dig. pag. 2.

124 Roces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499] dig. pag. 48 -54.

125 Proces-verbaal van verhoor van 20 juni 2007 [000755], dig. pag. 5-6.

126 Proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 27, 53 – 57.

127 Proces-verbaal van verhoor van 4 oktober 2007 [001395], dig. pag. 19 – 20.

128 Proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2007 [001340] en proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2007 [001745].

129 Deskundigenrapport van R. Jacobs [001404].

130 Proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2007 [000373], dig. pag. 2 en 3.

131 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 19 december 2007, dig. pagina 21.

132 kluisverklaring 15 van 2 november 2006, digitale pagina 80.

133 Zie bijvoorbeeld proces-verbaal terechtzitting 10, 12, 30 en 31 maart 2009, [011406] pagina 24.

134 KV 15, digitale pagina 65, 66.

135 KV 15, 67 -70.

136 Proces-verbaal van het verhoor van 2 november 2006, gedateerd 6 november 2006 [00421], dig. pag. 27.

137 Proces-verbaal terechtzitting 15 juni 2009, pagina 12, proces-verbaal van verhoor van 10 mei 2007, pagina.

138 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 15 maart 2007 [000428].

139 Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499], dig. pag. 42.

140 Idem, dig. pag. 25 en 42.

141 Proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 52.

142 Proces-verbaal van verhoor van 4 oktober 2007 [001395], dig. pag. 50.

143 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 19 december 2007 [002580], dig. pag. 28.

144 proces-verbaal terechtzitting van 2 juli 2009, pagina 13 e.v.

145 Proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2007 [001036].

146 Aanvullend proces-verbaal van 14 december 2007 [001745].

147 Proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 juni 2007 [010265], dig. pag. 2 en 3.

148 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 13 januari 2009 [010422], dig. pag. 3.

149 Proces-verbaal van verhoor van 3 november 2005 [000793] dig. pag. 13.

150 Proces-verbaal van verhoor van 6 april 2007 [000479], dig. pag. 3.

151 Proces-verbaal van verhoor van [000058], dig. pag. 2 en 3.

152 Proces-verbaal van verhoor van 31 mei 2007 [000482], dig. pag. 3, 4, 8.

153 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 15 januari 2009 [013197], dig. pag. 3.

154 Proces-verbaal van verhoor van 7 februari 2006 [000064], dig. pag. 3.

155 KV 15, pagina 82.

156 Proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2009 [011146].

157 Proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2017, ontvangen per e-mailbericht van de advocaat-generaal van 24 februari 2017.

158 KV 15, dig. pagina 50 en 51.

159 KV 15, dig. pagina 86-87.

160 Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2007 [000245].

161 Proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2007 [000247].

162 Proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2007 [000483].

163 Deskundigenrapport van B. Jacobs van 6 juli 2007 [000808].

164 Deskundigenrapport van I. Kuiper van 26 juni 2007 [000377].

165 Deskundigenrapport van B. Jacobs van 6 juli 2007 [000808].

166 Deskundigenrapport van B. Jacobs van 6 november 2007 [001404].

167 Deskundigenrapport van W. Wiarda van 17 december 2007 [001734].

168 Bijvoorbeeld proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 24 en proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 19 december 2007 [002580], dig. pag 12.

169 KV 15, pagina 73.

170 KV 15, pagina 76-77.

171 KV 15, pagina 81.

172 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 15 maart 2007 [000428] dig. pag. 5.

173 Idem.

174 Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499], dig. pag. 42 – 47.

175 proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 24.

176 Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2007 [000499], dig. pag. 42 en proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 31 juli 2007 [001034] dig. pag. 5.

177 proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 68.

178 Proces-verbaal terechtzitting 15 juni 2009 pagina 18.

179 Proces-verbaal terechtzitting 15 juni 2009 pagina 14.

180 Onder meer ter terechtzitting van 15 juni 2009.

181 Proces-verbaal van technisch onderzoek [001072].

182 Deskundigenrapport van B. Jacobs van 25 februari 2008 [002649], dig. pag. 4 en 5.

183 KV 15, dig. pag. 65.

184 Proces-verbaal terechtzitting van 15 juni tot en met 2 juli 2009 [011825], dig. pag. 104.

185 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 30 december 2011 [012204] dig. pag. 104 en proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag 57.

186 Proces-verbaal inspreek [adres 1] [000172] dig. pag. 8.

187 Proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 15 maart 2007 [000428] dig. pag. 5.

188 NFI-rapportage van 16 december 2009 [documentnummer 011363, dig. p. 5].

189 Proces-verbaal terechtzitting van 15 juni tot en met 2 juli 2009 [011825], dig. pag. 64 (schouw).

190 proces-verbaal van verhoor van 15 augustus 2007 [001031], dig. pag. 13.

191 Proces-verbaal terechtzitting van 15 juni tot en met 2 juli 2009 [011825], dig. pag. 66 (schouw).

192 Proces-verbaal van bevindingen fotoserie PD Agenda [000516]; foto’s van de plaats delict [documentnummer 001748, dig. p. 5 en 40].

193 000171 NFI 04-08-08, p. 62.

194 Rapport van het NFI van 24 februari 2006 [000178], dig. pag. 4.

195 NFI-rapport [001431] van 17-01-06 wat betreft verwondingen Houtman.

196 NFI 24-2-2006 (000178, p86 DSK.

197 Een proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 2006 [documentnummer 000170]; Een proces-verbaal van 19 juni 2009 [documentnummer 011000].

198 Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 3] van 30 mei 2007 [000934], digitale pagina 13 en proces-verbaal van verhoor van [getuige 17] van 3 november 2005 [000058], dig. pag. 4.

199 Proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2007 [000483].

200 Deskundigenrapport van I. Kuiper van 26 juni 2007 [000377].

201 De eerder besproken animatie, toegelicht door deskundige Lucas, proces-verbaal terechtzitting van 2 juli 2009, pagina 13 e.v.

202 Inspreek-proces-verbaal [000172], dig. pag. 5.

203 Rapport van het NFI van 24 februari 2006 [000178], dig. pag. 5.

204 Idem, pagina 8.

205 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 17] van 3 november 2005 [000058], dig. pag. 2 en 3.

206 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 42] van 2 november 2005 [documentnummer 010445]; een proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van de getuige [getuige 43] van 11 januari 2010 [documentnummer 011369]; een proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2009 [documentnummer 011146].

207 Proces-verbaal van bevindingen [012148], dig. p. 1-3, en proces-verbaal van bevindingen [012180], dig. p. 1-3.

208 Bijlagen bij proces-verbaal van de officieren van justitie [officier van justitie 2] en [officier van justitie 5] van 19 september 2012 [012277] dig. pag. 8 -10.

209 Idem, dig. pag. 12 – 13.

210 Idem, dig. pag. 14.

211 Proces-verbaal terechtzitting 24 september 2012, pagina 10.

212 Idem, pagina 9.

213 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 16 april 2014 [012464], dig. pagina 19.

214 Zie proces-verbaal van verbalisant G11-01 van 18 september 2012 [012277], dig. pag. 11.

215 Proces-verbaal van verhoor van de getuigen [getuige 35] en [getuige 44] bij de rechter-commissaris van 22 mei 2014 [documentnummer 012472, dig. p. 4]; proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 17 september 2014 [documentnummer 012479].

216 Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 februari 2014, houdende de verklaring van de getuige [Opa-getuige-4] (p.18).

217 Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907.

218 Een geschrift, te weten een rapport van 4 mei 1993 van G. van Ingen, verbonden aan het laboratorium voor gerechtelijke pathologie van het Ministerie van Justitie (documentnummer 002741).

219 Een proces-verbaal van 2 april 1993 (documentnummer 000599); een geschrift, te weten een rapport van het gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie van 3 november 1993 [documentnummer 000746].

220 Een geschrift, te weten een “Journaal Ouderkerkerplas 2 april 1993” [documentnummer 007348]; een proces-verbaal van 1 april 199 [documentnummer 000587]; een proces-verbaal van 8 april 1993 [documentnummer 000596];

221 Een proces-verbaal van 28 april 1993 [documentnummer 000604]; een geschrift, te weten een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk van 28 april 1993 van rapporteur T. Dijkman [documentnummer 000594].

222 Een geschrift, te weten een niet-ondertekend (concept) proces-verbaal van aangifte van 1 april 1993 [documentnummer 000585].

223 Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 1993 [documentnummer 000588]; een proces-verbaal van verhoor van 31 maart 1993 [documentnummer 000653, p. 4 en 5].

224 Een geschrift, te weten een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk van 28 april 1993 van rapporteur T. Dijkman [documentnummer 000594].

225 Een proces-verbaal van bevindingen van 20 april 1993 [documentnummer 008314]; een geschrift, zijnde een rapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk van 16 juni 1993, nr. 93159-H039, opgemaakt door arts en patholoog C.J.J. Hens, [documentnummer 008325].

226 Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van relaas [documentnummer 008007]; een schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van dr. C. de Meyere betreffende de gerechtelijke lijkschouwing van [slachtoffer 5] d.d. 14 mei 1993 [documentnummer 008414, dig. p. 8]; een schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van prof. dr. Chr. Hänsch betreffende de gerechtelijke lijkschouwing van [slachtoffer 4] d.d. 18 mei 1993 [documentnummer 008417, dig. p. 7].

227 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 27] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 16] van 10 mei 1994 [documentnummer 001357].

228 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 27] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van verhoor van de getuige [S.] van 30 januari 2009 bij de rechter-commissaris (documentnummer 010653).

229 De verklaring van de verdachte [Freek S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 in de hem betreffende strafzaak (p. 4 en 6).

230 De verklaring van de verdachte [N.P. de B.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2015 in de hem betreffende strafzaak.

231 Een proces-verbaal van verhoor van [N.P. de B. sr.] , opgemaakt op 30 mei 2008 [documentnummer 008799].

232 De verklaring van de verdachte [Pinny S.] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 maart 2010 in de haar betreffende strafzaak.

233 Een proces-verbaal van verhoor van [R.] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 977]; een proces-verbaal van 21 juni 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 414].

234 Een proces-verbaal van verhoor van [Mohamed R.] van 28 juli 1993 [documentnummer 000660, dig. p. 2].

235 Een proces-verbaal van verhoor van [C. V.] van 15 juli 1993 (documentnummer 002033); een proces-verbaal van verhoor van [C. V.] van 20 juli 1993 (documentnummer 000664).

236 De verklaring van de verdachte [Mohamed R.] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 september 2009 in de hem betreffende strafzaak.

237 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Opa-getuige-1] bij de rechter-commissaris van 4 augustus 1993 [documentnummer 008455]; een proces-verbaal van de getuige [A. S.] van 10 juli 2008 [documentnummer 008783].

238 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van de getuige [G. S.] van 2 mei 1994, opgemaakt door de Belgische autoriteiten [documentnummer 007976].

239 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris, van 23 maart 2007 [documentnummer 000434]; de verklaring van de getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 mei 2011 [documentnummer 012168].

240 De verklaring van de verdachte [Siegfried S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2016 in de hem betreffende strafzaak.

241 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [S. J.] van 19 september 2007 [documentnummer 009288, dig. p. 342 e.v.].

242 Een proces-verbaal van de CIE van 13 oktober 2009 (documentnummer 011283, p. 5-6).

243 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Opa-getuige-1] bij de rechter-commissaris van 4 augustus 1993 [documentnummer 008455].

244 Een geschrift, zijnde een Belgisch proces-verbaal van verhoor van de getuige [G. S.] van 2 mei 1994 [documentnummer 007976]; geschriften, zijnde Belgische processen-verbaal van verhoor van de getuige [A. V.] van 13 mei 1993 en 7 september 1993 [documentnummer 007949].

245 Geschriften, zijnde Belgische processen-verbaal van verhoor van de getuigen [Cobra-getuige-6] en [getuige 37] van 9 mei 1993 [documentnummer 007933, dig. p. 7].

246 Processen-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-2] van 24 en 25 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 1220 en 1229].

247 Processen-verbaal van verhoor van de getuige [R. B.] van 11 april 1996 en 20 mei 1996 [documentnummer 007412].

248 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige G. [Peter la S.] van 11 september 2006 (documentnummer 000407).

249 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 10 mei 2010 (documentnummer 012167).

250 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris van 23 maart 2007 [documentnummer 000435]; een proces-verbaal van verhoor de getuige [Peter la S.] van 18 september 2006 [documentnummer 000407]; een verklaring van de getuige [Peter la S.] zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2009.

251 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 10 mei 2010 [documentnummer 012166].

252 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris van 23 maart 2007 [documentnummer 000434]; de verklaring van de getuige [Peter la S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014 (p. 26).

253 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 12 mei 2011 [documentnummer 012168]; een ter terechtzitting van 11 oktober 2011 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] [p. 12 e.v].

254 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 27] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van 8 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 3, p. 02 362]; een proces-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-2] van 24 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 2 1221]; een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 16] van 10 mei 1994 [documentnummer 001357]; een proces-verbaal van bevindingen van 14 april 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 307-308]; een proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2007 [documentnummer 009288, dig. p. 316-319]; een ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2016 afgelegde verklaring van [Jesse R.] als getuige, p. 12.

255 Een proces-verbaal van 30 maart 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 417]; een ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2016 afgelegde verklaring van [Jesse R.] als getuige, p.12.

256 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 16]; een proces-verbaal van 25 juli 1993 [documentnummer 009288, dig. p. 455 e.v., in het bijzonder oproepen genummerd 010, 012, 93, 94, 232, 235, 243, 245].

257 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [B.] van 18 januari 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 361].

258 Een proces-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-2] van 24 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 2 1220].

259 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 27 (huislijn [Pinny S.] ) en 25 (huislijn ouders [Pinny S.] )].

260 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 5, 19].

261 Een proces-verbaal van 28 maart 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 432].

262 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] van 27 april 1994 [documentnummer 008214].

263 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 41].

264 Een proces-verbaal van 26 januari 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 458]; een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het gerechtelijk laboratorium van 19 augustus 1993, opgemaakt door ir. J. Henseler [documentnummer 009288, dig. p. 462 e.v.]; een proces-verbaal van 10 februari 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 448]; proces-verbaal van 9 januari 2009, documentnummer 009288, dig. p. 17.

265 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 23].

266 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 24].

267 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 35-36].

268 Schriftelijke bescheiden, zijnde overzichtslijsten met verkeersgegevens van de *1810 en de *9952 [documentnummer 009288, dig. p. 256, 258, 259, 260, 262, 263, 264].

269 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 38].

270 Schriftelijke bescheiden, zijnde overzichtslijsten met verkeersgegevens van diverse telefoon- en semafoonnummers [documentnummer 009288]: dig. p. 278 (printlijst *1810 van 8 mei 1993), p. 279 (printlijst *1034 van 8 mei 1993), p. 281 (printlijst *2004 van 8 mei 1993), p. 282 (printlijst *1810 van 9 mei 1993), p. 283 (printlijst *1034 van 9 mei 1993), p. 285 (printlijst *2004 van 9 mei 1993).

271 Een proces-verbaal van bevindingen over uiterlijk van [Jesse R.] d.d. 24 maart 2016 [documentnummer 013328]

272 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2012 m.b.t. helikopterinzet 19 april 1993 [documentnummer 012201].

273 Proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, van het verhoor van de getuige [V. 2] van 3 juli 2009 [documentnummer 011032].

274 Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2000 [documentnummer 011347, dig]; Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 29 maart 2017 betreffende [Mohamed R.] .

275 Verklaring van de getuige [Peter la S.] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 2010.

276 Proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2009 [documentnummer 010361].

277 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, van 23 maart 2007, inhoudende de verklaring van de getuige [Peter la S.] [documentnummer 000433].

278 Een geschrift, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 45] afgelegd tijdens een verhoor van 13 februari 2009 [documentnummer 010770]; een geschrift, inhoudende de verklaring van [D. H.] afgelegd tijdens een verhoor van 12 februari 2009 [documentnummer 010776].

279 Een geschrift, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 47] afgelegd tijdens een verhoor van 5 maart 2009 [documentnummer 010778].

280 Een geschrift, zijnde een mutatie uit een politie-informatiesysteem (Octopus) gedateerd 10 november 2000 [documentnummer 012493].

281 De verklaring van de getuige [Indiana-getuige-1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2014.

282 Een proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2000 [documentnummer 009335].

283 Een proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2010 [documentnummer 011460].

284 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van verhoor van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 6 januari 2010 [documentnummer 011368], inhoudende de verklaring van de getuige [Indiana-getuige-1] .

285 Een verklaring van [Mohamed R.] , afgelegd als verdachte in de hem betreffende strafzaak ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2016.

286 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2001 [documentnummer 010728].

287 HR:2006:AY7757; HR:2005:AS5556 (i.h.b. CAG onder 13) en HR:2008:BC6273.