Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2599

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
23-004638-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:666, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brixton. 66-jarige man in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen witwassen van 2 miljoen euro, die onderdeel was van 16 miljoen euro verduisterd van Stichting BKVB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004638-15

datum uitspraak: 3 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-694000-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2016, 21 juni 2016 en 19 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 09 februari 2009 tot en met 16 februari 2009, te Kerkrade en/of te Heerlen en/of te Stevensweert en/of te Born, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), een of meer geldbedrag(en) in elk geval een totaalbedrag van (ongeveer) 2.000.000,00 EURO (afkomstig van de [benadeelde] en/of [rechtspersoon 1] en/of de [rechtspersoon 2] ), te weten (onder meer) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) (betreffende een of meer storting(en) en/of overboeking(en):

- op of omstreeks 09 februari 2009 een totaalbedrag van (ongeveer) 1.000.000,00 EURO op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [rechtspersoon 1] (Inz Derdengelden) en/of

- op of omstreeks 09 februari 2009 een totaalbedrag van (ongeveer) 1.000.000,00 EURO op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van de [rechtspersoon 2] en/of (vervolgens)

- op of omstreeks 16 februari een totaalbedrag van (ongeveer) 1.876.000,00 EURO op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [betrokkene 1] ,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft kort gezegd geconcludeerd dat het ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte heeft zich samen met anderen in de ten laste gelegde periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk witwassen van € 2.000.000 die door verduistering onttrokken is aan de [benadeelde] (hierna te noemen: de Stichting), door een aanzienlijke intellectuele bijdrage te leveren aan het plegen van het feit. Ten aanzien van het ten laste gelegde gewoontewitwassen heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de verdachte gevraagd mee te doen aan iets waarvan hij wist dat het illegaal was, hetgeen de verdachte heeft geweigerd. Hij heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens slechts in contact gebracht met [medeverdachte 3] , die hier wel aan wilde meedoen. De verklaringen van getuige [getuige 1] , inhoudende dat de verdachte wel zou zijn betrokken bij het strafbare feit zijn onjuist en onbetrouwbaar. De verdachte heeft volgens de verdediging hoogstens laakbaar gehandeld. Het ten laste gelegde opzet kan niet worden bewezen, nu hij niet betrokken is geweest was bij de overboekingen. Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de rol van de verdachte van ondergeschikt belang was en dat van medeplegen geen sprake is, hoogstens van medeplichtigheid.

Verwerping van het bewijsverweer

Het hof is van oordeel dat hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over de juistheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van getuige [getuige 1] , onvoldoende is om te oordelen dat deze niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs. [getuige 1] heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 4] gebracht, hij is een keer met [medeverdachte 3] aanwezig geweest op het kantoor van [medeverdachte 4] waarbij twee andere personen aanwezig waren en hij heeft onder meer verklaard over zijn aanwezigheid bij het overhandigen van rekeningnummers waarnaar geld moest worden overgeboekt. Het hof acht, gelet op het geregelde contact van tussen [getuige 1] en [medeverdachte 3] , aannemelijk dat [medeverdachte 3] deze getuige heeft verteld over de redenen waarom [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 4] ging en over de betrokkenheid van de verdachte. De getuige [getuige 1] heeft verder op belangrijke onderdelen steeds consistent verklaard en hetgeen hij heeft verklaard wordt ondersteund door ander bewijs dat zich in het dossier bevindt. Het hof zal daarom de verklaringen van [getuige 1] bezigen voor het bewijs.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het witwassen 1

Op 9 februari 2009 is van de rekening van de Stichting een bedrag van € 2.000.000 verduisterd door [medeverdachte 5] , toenmalig hoofd financiële zaken van de Stichting. Dit bedrag is in porties van € 50.000 overgeboekt naar RABO-rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [rechtspersoon 1] (inz Derdengelden)2 en naar ABN-AMRO-rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van de [rechtspersoon 2] )3. Op beide rekeningen, waarover medeverdachte [medeverdachte 4] kon beschikken, is zo een bedrag van € 1.000.000 bijgeschreven. De overboekingen waren onderdeel van een grootschalige witwasoperatie van in totaal bijna 16 miljoen euro die door [medeverdachte 5] met anderen rond de jaarwisseling 2008/2009 van de Stichting is verduisterd.4 Voor deze verduistering in dienstbetrekking, respectievelijk gewoontewitwassen, zijn [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 20155, respectievelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 20156, onherroepelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen van 4 jaren en 6 maanden, respectievelijk 43 maanden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door [medeverdachte 2] was gevraagd om twee miljoen euro weg te sluizen naar een trust; dat hij begreep dat het een (fiscaal) illegale transactie betrof en dat hij er daarom niet zelf aan wilde meedoen; dat hij vervolgens [medeverdachte 2] c.s. met [medeverdachte 3] in contact heeft gebracht die wel bereid zou zijn geweest daaraan zijn medewerking te verlenen.7 De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aanvankelijk van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat het geld zou worden gestort bij [medeverdachte 4] en vandaar naar [betrokkene 1] zou gaan. Volgens [getuige 1] was de verdachte het brein van de hele deal8 en was hij betrokken bij de geldtransacties9. Na de verdwijning van [medeverdachte 3] heeft de verdachte volgens getuige [getuige 1] aan hem bevestigd wat [medeverdachte 3] over de betrokkenheid van de verdachte bij de fraude aan hem had verteld.10 Tevens heeft de verdachte aan [getuige 1] uitgelegd dat snelle achtereenvolgende overboekingen naar verschillende rekeningen, de naspeuringen bemoeilijken.11 In zijn latere verklaringen, laatstelijk bij de raadsheer-commissaris op 20 september 201612, is [getuige 1] hierop niet teruggekomen. [getuige 1] heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest op het kantoor van [medeverdachte 4] toen er twee bodyguards aanwezig waren toen [medeverdachte 3] een lijstje gaf met namen en rekeningnummers waarnaar het geld overgemaakt moest worden.13 Ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2]14, [getuige 3]15 en [getuige 4]16 blijkt dat de verdachte betrokken was bij de transacties. [getuige 2] heeft verklaard dat zij dacht dat de verdachte betrokken was omdat zij verschillende keren met [medeverdachte 3] naar de verdachte is geweest. [getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] haar heeft verteld over “Amsterdammers” en dat hij samen met de verdachte zaken deed met Amsterdammers. Ook heeft zij verklaard dat zij [medeverdachte 3] in 2008 en begin 2009 naar Maastricht bracht en dat [medeverdachte 3] daarover zei dat hij zaken deed met de verdachte. Zij zat er naast als [medeverdachte 3] belde met [verdachte] (hof: de verdachte). [getuige 4] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] weet dat [medeverdachte 3] en de verdachte betrokken waren bij het overboeken van geld naar de rekeningen van [medeverdachte 4] .

Verder bevinden zich in het dossier processen-verbaal van afgeluisterde telefoongesprekken. Hieruit komt het volgende beeld naar voren. De verdachte heeft in de weken voorafgaand aan de overboekingen op 9 februari 2009 veelvuldig contact onderhouden met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .

Uit het proces-verbaal van de door de politie gemaakte telefoonanalyse17 blijkt dat zij onder andere de volgende contacten hebben gehad:

- Op 22 januari 2009 om 12:51 uur werd [medeverdachte 3] gebeld door de verdachte. In dit gesprek werd duidelijk dat de verdachte op dat moment over vier (mobiele) telefoons beschikte. Verder bespraken zij de zaak die maandag moest gaan draaien en noemden zij hierbij zeer grote bedragen. Voorts vertelde de verdachte dat als de zaak maandag niet zou draaien, hij alles kwijt zou raken en wederom 150.000 euro zal moeten betalen. Om 19:29 uur diezelfde dag ontvangt [medeverdachte 3] van [medeverdachte 4] een sms bericht met daarin de vraag: ‘Gaat het maandag zonder wijzigingen gewoon door? Graag bericht.’.18

- Op zondag 25 januari spraken [medeverdachte 3] en de verdachte telefonisch met elkaar. In dit gesprek zei de verdachte: ‘Ik denk dat ik een stuk levensonderhoud betaal. … Alleen ik ga er vanuit dat ik zoveel geld uit krijg dat ik er alles aan doe om het in stand te houden. En om er voor te zorgen dat het komt.’.19

- Maandag 26 januari 2009 om 9:07 uur droeg de verdachte [medeverdachte 3] op om ‘de advocaat’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) te zeggen dat het enkele dagen is uitgesteld vanwege een intern probleem waaraan zij niets kunnen doen.20

- Woensdag 28 januari 2009 om 19:38 uur werd de verdachte gebeld door [medeverdachte 3] . De verdachte zei: ‘De zaak gaat nog een paar weken duren.’ en ‘’Geld regelen voor het weekend is geen punt.’. [medeverdachte 3] zei tegen de verdachte:‘(dat) de verdeelsleutel voor [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) nu wel beter moet gaan uitpakken dan eerst geregeld. Zo niet, dan regelt [medeverdachte 3] dat wel.’ De verdachte heeft hierop geantwoord dat hij ook vindt dat er over de verdeelsleutel weer onderhandeld moet worden.21

- Zondag 1 februari 2009 om 13:37 uur vroeg [getuige 2] aan [medeverdachte 3] of de verdachte haar kan bellen, zij zou morgen die centen krijgen van de verdachte.22

- Maandag 2 februari 2009. De verdachte moest om 10:00 uur bij zijn advocaat zijn. Verder was er die dag veelvuldig contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en tussen de verdachte en [medeverdachte 3] . De verdachte ging in de avond naar Amsterdam en zijn mobiele telefoon peilde uit in de buurt van de woning van [medeverdachte 1] . Ondertussen informeerde de verdachte om 22:21 uur bij [medeverdachte 3] of hij nog niets van hem heeft gekregen’. [medeverdachte 3] antwoordde ontkennend. [medeverdachte 3] vroeg of de verdachte daar geweest is. De verdachte antwoordde dat hij daar nu is geweest.23

- Dinsdag 3 februari 2009 om 15:03 uur werd de verdachte gebeld door [medeverdachte 3] . De verdachte zei: Ze komen naar Maastricht. De partij die niet wil is vanavond in Maastricht. Ik heb niets aan een miljoen, ik moet miljoenen hebben. Vanmorgen heb ik ze aan de telefoon gehad. De man wil 150 boeken. Ik heb het geld teruggeboekt.

Later die dag, om 20:19 uur hadden de verdachte en [medeverdachte 3] wederom contact. Uit dit contact volgt dat de verdachte verlegen zat om die bankrekening van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ). De verdachte had vanavond een minder prettige meeting met die mannen gehad. Ze waren niet lastig. Iemand moest over zijn hart strijken. Ze treffen elkaar morgen.

Een halfuur na het telefoongesprek van de verdachte en [medeverdachte 3] , heeft de verdachte telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] .24

- Woensdag 4 februari 2009. [medeverdachte 1] stuurde een email aan de verdachte met de volgende inhoud: “Niemand denkt dat jij iets steelt, maar ik werk al 10 jaar met deze standaard swift die iedereen behalve hem kan inlezen. Ik ben elke dag aan de slag intern en daar is het geld weg ook volgens de externe bank managers. Ik ben de laatste die zou insinueren dat ik alles goed heb gedaan en jij niet dus doe dat ook niet naar mij toe. [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) wil alleen weten wat er mis is gegaan en that’s it want volgende week draait de zaak K.

Om 10:20 uur stuurde [medeverdachte 3] een SMS aan de verdachte dat hij hem moest bellen. De chinees had gebeld en de advocaat. Gedurende de dag was er contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In de avond, 19:25 uur, hadden [medeverdachte 3] en de verdachte contact. [medeverdachte 3] vroeg aan de verdachte of hij het morgen doet als hij de pasjes heeft. De verdachte antwoordde dat hij het niet wist of hij het dan zou doen of maandag. De verdachte moest hem bellen, hij moest weten dat hij daarmee een probleem kon krijgen. Drie minuten later, 19:28 uur, belde de verdachte [medeverdachte 3] en deelde hem het volgende mede: Hij doet dat zeker niet vóór maandag, hij zegt als ik het maandagmorgen heb dan is dat tijd genoeg, ik doe het wel, 100%, maar ik ben er twee dagen niet op dat adres; wat hij precies doet weet ik ook niet. Laat hem maar op zijn gemak naar het ziekenhuis gaan. Vanavond komen die mannen weer. Om 21:00 uur spraken [medeverdachte 3] en de verdachte af dat zij contact met elkaar zouden opnemen als die geweest is.25

- Donderdag 5 februari 2009. Tussen 9:43 en 11:01 uur hadden de verdachte en [medeverdachte 1] meerdere malen telefonisch contact. Om 11:17 uur werd de verdachte gebeld door [medeverdachte 3] . De verdachte zei: De mannen zijn gisteravond geweest, het gaat door op korte termijn, welke dag is nog niet bekend. Vanaf nu heb ik de leiding en zij niet meer. Ik praat maandag met die man. In principe gaat hij dan boeken die maandag. Voor dit tijd moeten we op papier hebben rekeningnummers, namen. [medeverdachte 3] antwoordde dat hij ze alle vijf zal geven. De verdachte reageerde: En de BIC-codes, alles. Later die dag hadden de verdachte en [medeverdachte 1] telefonisch contact met elkaar.26

- Vrijdag 6 februari 2009, zaterdag 7 februari 2009 en zondag 8 februari 2009 hadden de verdachte en [medeverdachte 1] telefonisch contact met elkaar.

- De dag dat het totale bedrag van € 2.000.000 op 9 februari 2009 werd overgeboekt van de Stichting naar de bankrekeningen gelieerd aan [medeverdachte 4] , werd aanzienlijk frequenter en langer getelefoneerd tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en tussen de verdachte en [medeverdachte 3] dan op de dagen daarvoor en daarna.27

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als sprake is van een gezamenlijke uitvoering en als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er – kort samengevat – om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Gezien de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat de verdachte fungeerde als verbindende schakel tussen de Amsterdamse groep (waaronder [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en de Limburgse (waaronder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ). De verdachte onderhield het contact in Amsterdam, voerde regie (mede via [medeverdachte 3] ) over de Limburgse groep en werd ter verantwoording geroepen door [medeverdachte 1] met betrekking tot handelingen in Limburg. De verklaring van de verdachte dat zijn rol beperkt was en dat hij partijen enkel met elkaar in contact heeft gebracht, acht het hof niet geloofwaardig. Het hof acht bewezen dat de verdachte is gevraagd om € 2.000.000 wit te wassen en dat hij een wezenlijke, af en toe ook leidende rol heeft gespeeld om dit te realiseren. De verdachte heeft [medeverdachte 3] ingezet om het contact met [medeverdachte 4] , die ‘de advocaat’ werd genoemd, te onderhouden zodat hij zelf achter de schermen kon opereren. Het hof vindt hiervoor bevestiging in de weergaven van de telefoongesprekken waaruit volgt dat [medeverdachte 3] de advocaat moet informeren en dat [medeverdachte 3] de rekeninggevens moet aanleveren. Verder meldt de verdachte op 5 februari 2009 dat hij (nu) de leiding heeft. Ook leidt het hof uit de mededeling op diezelfde dag ‘in principe gaat hij dan boeken die maandag’ af dat de verdachte op de hoogte werd gehouden van het tijdstip waarop het geld vanaf de rekening van de Stichting zou worden afgeboekt en dat het de verdachte was die het contact onderhield met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De verdachte onderhandelde over de opbrengst die hij zou krijgen voor zijn medewerking en de Amsterdamse groep hield hem verantwoordelijk voor het welslagen van de witwasoperatie in Limburg. Het hof acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat de verdachte een intellectuele bijdrage van wezenlijke betekenis heeft geleverd aan het witwassen zodat sprake is van medeplegen.

Het verweer van de verdediging, dat de verdachte enkel zou hebben bemiddeld tussen de Amsterdamse groep en [medeverdachte 3] en aldus hoogstens sprake zou zijn van medeplichtigheid is, gelet op het voorgaande, in het bijzonder op de telecommunicatie tussen de verdachten en andere betrokkenen, volstrekt niet aannemelijk geworden.

Het dossier bevat onvoldoende bewijs om aan te nemen dat de verdachte een actieve rol heeft gehad bij de overboeking op 16 februari 2009 van het bedrag van € 1.876.000 op de rekening van [betrokkene 1] en het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meerdere tijdstippen omstreeks 9 februari 2009 te Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen heeft witgewassen, immers hebben verdachte en zijn mededaders, een totaalbedrag van 2.000.000,00 EURO (afkomstig van [benadeelde] ), te weten de navolgende geldbedragen (betreffende stortingen):

- op of omstreeks 9 februari 2009 een totaalbedrag van 1.000.000,00 EURO op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [rechtspersoon 1] (Inz Derdengelden) en

- op of omstreeks 9 februari 2009 een totaalbedrag van 1.000.000,00 EURO op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van de [rechtspersoon 2]

verworven en voorhanden gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig (21) maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte first offender is en nog niet eerder een dag in detentie heeft verbleven behalve voor een geseponeerde zaak. Voorts heeft de raadsman verzocht ten gunste van de verdachte rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure ruim acht jaren heeft geduurd. In die acht jaren heeft de verdachte zijn leven op de rit gekregen en hij heeft zicht op een bron van inkomsten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan witwassen door grote geldbedragen uit misdrijf afkomstig te verwerven en voorhanden te hebben. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de eigenaar en van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële verkeer aangetast. De verdachte en zijn medeverdachten vormden een gestructureerd samenwerkingsverband dat zich richtte op het plegen van dit witwassen. Mede door het handelen van de verdachte is het slachtoffer, de [benadeelde] , benadeeld voor een geldbedrag van € 2.000.000. Door aldus te handelen heeft de verdachte het slachtoffer groot financieel nadeel toegebracht en bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk en nodig is. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich bij het plegen van het bewezen verklaarde feit uitsluitend heeft laten leiden door zucht naar eigen geldelijk gewin en zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten zich alweer enige tijd geleden hebben afgespeeld.

Ten aanzien van het door de verdediging ingenomen standpunt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn overweegt het hof dat het voorschrift van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk onder de dreiging van strafvervolging moet leven. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 gesteld dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor een procedure in hoger beroep geldt eveneens een termijn van twee jaren. Dit is slechts dan anders indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Als uitzonderlijke omstandigheden noemt de Hoge Raad in voormeld arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteit is behandeld.

Als begin van de redelijke termijn kan naar het oordeel van het hof in dit geval de dag waarop de verdachte voor het eerst is verhoord genomen worden, te weten 10 april 2009. De uitspraak in hoger beroep is acht jaar later, dat is een overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar. Die overschrijding dient tot strafvermindering te leiden.

De ernst van de feiten afwegende tegenover de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht het hof in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof in totaal vier maanden in mindering brengen, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden wordt opgelegd. Om de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten, mede nu hij overweegt wederom in de financiële sector – waarin hij voorheen ook zegt te hebben gewerkt - te willen gaan werken, ziet het hof aanleiding een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Derhalve acht het hof, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2017.

Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004638-15

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 3 juli 2017.

Tegenwoordig zijn:

mr. R.D. van Heffen, raadsheer,

mr. C. de Beer, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Weening, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste documentnummering.

2 Een proces-verbaal van verstrekking bankafschriften [rechtspersoon 1] met nummer 2009060007 van 20 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 012.

3 Een proces-verbaal verstrekking gevorderde historische gegevens met nummer 2009060007 van 7 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 024.

4 Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] met nummer 2009060007 van 8 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 26-28.

5 ECLI:NL:GHAMS:2015:2280

6 ECLI:NL:RBAMS:2015:7813

7 Verklaring van de verdachte tijdens terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2017.

8 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] met nummer 2009060007 van 1 september 2009, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 308.

9 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 8 december 2011, opgemaakt door mr. A.A. Spoel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Amsterdam, losbladig.

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] met nummer 2009060007 van 1 september 2009, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 309.

11 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 8 december 2011, opgemaakt door mr. A.A. Spoel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Amsterdam, losbladig.

12 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 20 september 2016, opgemaakt door mr. R.C.P. Haentjes, gedelegeerd raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Amsterdam, losbladig.

13 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] met nummer 2009060007 van 1 september 2009, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] , doorgenummerd dossier Z01, p. 313.

14 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 4 januari 2012, opgemaakt door mr. A.A. Spoel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Amsterdam, losbladig.

15 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 5 december 2011, opgemaakt door mr. A.A. Spoel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Amsterdam, losbladig.

16 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 12 december 2011, opgemaakt door mr. A.A. Spoel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Amsterdam, losbladig.

17 Een proces-verbaal van telefoonanalyse met nummer 2009060007 van 14 oktober 2011, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , losbladig. Hierna te noemen: PV telefoonanalyse.

18 PV telefoonanalyse, p. IV – V.

19 PV telefoonanalyse, p. VI.

20 PV telefoonanalyse, p. VI.

21 PV telefoonanalyse, p. VII – VIII.

22 PV telefoonanalyse, p. VIII.

23 PV telefoonanalyse, p. IX.

24 PV telefoonanalyse, p. X.

25 PV telefoonanalyse, p. XI.

26 PV telefoonanalyse, p. XII.

27 PV telefoonanalyse, p. XIV.