Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:257

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
200.165.694/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2015:95. Appel van afwijzing van incidentele vorderingen strekkende tot een provisioneel verbod nakoming te verlangen en tot inzageverlening. Dit appel kan echter niet slagen, reeds omdat inmiddels eindvonnis in de eerste aanleg is uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.165.694/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/564245/HA ZA 14-453

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 januari 2017

inzake

1 [appellante] ,

2. [appellant]

3. CONTINENTAL HOLDING B.V.,

wonend respectievelijk gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

1 COÖPERATIEVE RABOBANK ZAANSTREEK U.A.,

gevestigd te Zaanstad,

2. COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] en afzonderlijk [appellante] , [appellant] en Continental genoemd, geïntimeerden worden gezamenlijk Rabobank c.s. en afzonderlijk Rabobank Zaanstreek en Rabobank Nederland genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 2 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een incidenteel vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2015 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in het incident (tevens eisers in de hoofdzaak) en Rabobank c.s. als gedaagden in het incident (tevens gedaagden in de hoofdzaak). De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben vervolgens de volgende stukken ingediend:
- conclusie van eis in hoger beroep (overeenkomstig de appeldagvaarding);

- memorie van antwoord.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 4 december 2015 doen bepleiten, [appellanten] door mr. F.F. Boers , advocaat te Amsterdam, Rabobank Zaanstreek door mr. E.M. van Gelderen, advocaat te Utrecht, en Rabobank Nederland door mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [appellanten] hebben bij akte overlegging producties bij pleidooi producties in het geding gebracht.

Ter zitting is besproken dat het vonnis in de hoofdzaak is bepaald op 9 december 2015 (en is aan partijen verzocht het hof omtrent die uitspraak te informeren). Dit vonnis is uitgesproken op 16 november 2016 en is door [appellanten] bij brief van 29 november 2016 aan het hof toegezonden.

Partijen hebben arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar incidentele vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Rabobank c.s. hebben geconcludeerd, samengevat, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten met nakosten.

2 Beoordeling

2.1.

Het geschil van partijen heeft betrekking op een op 5 februari 2007 tussen Continental en Rabobank Nederland gesloten renteswapovereenkomst in het kader van door Rabobank c.s. met dochtervennootschappen van Continental gesloten financieringsovereenkomst waarvoor Continental zich als hoofdelijke medeschuldenaar heeft verbonden. [appellante] is middellijk bestuurder van Continental en [appellant] is middellijk enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.2.

[appellanten] vorderen in de hoofdzaak primair een verklaring voor recht dat de renteswapovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, althans de vernietiging daarvan op grond van dwaling of bedrog en subsidiair dat deze zal worden ontbonden en hebben voorts diverse hiermee samenhangende vorderingen ingesteld. Zij leggen aan hun vorderingen ten grondslag, zeer kort samengevat en naar het hof uit de toelichting op de grieven begrijpt, dat Rabobank c.s. op het moment dat zij aan Continental het sluiten van de renteswapovereenkomst adviseerden reeds jaren de Euribor-rente manipuleerden, dat Continental daarvan niet op de hoogte is gesteld en dat Continental bij een juiste voorstelling van zaken de renteswapovereenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zou zijn aangegaan.

In het incident vorderen [appellante] bij wege van voorlopige voorziening Rabobank c.s. voor de duur van het geding te verbieden nakoming te verlangen van de verplichting tot betaling zoals die uit de renteswap voortvloeit en voorts op de voet van artikel 843a Rv een veroordeling tot inzageverlening van diverse stukken die op de manipulatie van de Euribor-rente betrekking hebben. De rechtbank heeft de incidentele vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de kosten van het incident. Tegen deze beslissing en de motivering daarvan komen [appellante] in hoger beroep op.

2.3.

Voor zover het incidenteel vonnis betrekking heeft op een door [appellanten] gevorderde voorlopige voorziening moet dit als provisioneel vonnis worden aangemerkt en stond daartegen aanstonds hoger beroep open. De rechtbank heeft echter inmiddels, bij eindvonnis van 16 november 2016, de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Dit brengt mee reeds mee dat de gevorderde voorlopige voorziening die ertoe strekt dat in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak omtrent de rechtsgeldigheid van de renteswapovereenkomst Rabobank c.s. wordt verboden daarvan nakoming te verlangen niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.4.

De incidentele vordering ex artikel 843a Rv heeft betrekking op de instructie van de zaak en zal, mochten [appellanten] van het eindvonnis in hoger beroep gaan, in de appelprocedure opnieuw kunnen worden ingesteld. Dat zij bij de door hen gevorderde inzage een rechtmatig belang hebben valt in dit stadium niet vast te stellen.

2.5.

Het voorgaande brengt reeds mee dat de door [appellanten] tegen het incidentele vonnis gerichte grieven geen doel kunnen treffen. Het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep zal worden verworpen. Daarbij laat het hof in het midden in hoeverre [appellanten] daarin al dan niet ontvankelijk zijn en of er wat de incidentele vordering ex artikel 843a Rv betreft gronden zijn om een appelverbod te doorbreken.

2.6.

[appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof

verwerpt het beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Rabobank c.s. tot op heden begroot op € 711,- aan verschotten en op € 2.682,- voor salaris en voorts op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot, in geval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2017.