Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
23-000309-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis waarvan beroep wegens proceseconomische redenen. Bespreking van een verweer. Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000309-17

datum uitspraak: 28 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-176575-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 juni 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal wegens proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bespreking verweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet de bestuurder van het motorvoertuig is geweest met als gevolg dat de verdachte geen medewerking aan een ademonderzoek behoefde te verlenen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw ter terechtzitting een schriftelijke verklaring van [naam] over gelegd inhoudende dat hij de bestuurder van de personenauto is geweest. De raadsvrouw verzoekt [naam] als getuige te horen omtrent zijn schriftelijke verklaring indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verplichting een ademanalyse te ondergaan rust op de bestuurder van een voertuig die er van wordt verdacht in strijd met art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te hebben gehandeld. Onder bestuurder in de zin van art. 163 WVW wordt verstaan degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gehandeld in strijd met art. 8 WVW. Het hoeft niet vast te staan dat de bestuurder daadwerkelijk een voertuig heeft bestuurd, voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan volgen dat tegen hem het redelijk vermoeden was gerezen een voertuig te hebben bestuurd. Gelet op de processen-verbaal die zich in het dossier bevinden is de verdenking gerezen dat de verdachte een voertuig heeft bestuurd. Hieruit volgt dat het hof geen noodzaak ziet tot het horen van [naam] als getuige en derhalve het - voorwaardelijk geformuleerde - verzoek hiertoe afwijst.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 augustus 2016 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1000,00, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek en op die manier verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij alcoholhoudende drank had genuttigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte duidelijk gemaakt zijn eigen belangen te stellen boven het belang van de verkeersveiligheid, welk belang immers wordt gediend met het houden van en meewerken aan het eerder genoemde ademonderzoek. Bij de strafoplegging heeft het hof aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, van na te melden hoogte en duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. N.A. Schimmel en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van
S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
28 juni 2017.

Mr. A.M. Ruige is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.