Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
23-000812-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Liquidatieproces Passage

1. Beoordeling toepassing kroongetuigenregeling: beoordelingskader; getuigenbescherming; opportuniteitsbeginselbeginsel

2. Manco kluisverklaringen: wél verklaard, niet gerelateerd in proces-verbaal kluisverklaringen

3. Andermaal vervolgd na kennisgeving van niet verdere vervolging

4. Bewijs: onderzoek en betekenis samenhang verschillende feiten. Onvolledigheden en hiaten gedateerde telecomgegevens, geen vormverzuim.

5. Bewijs: betrouwbaarheid verklaringen kroongetuige

6. Levenslange gevangenisstraf en art. 3 EVRM

7. Straftoemeting: motivering en strafoplegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000812-13

datum uitspraak: 29 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13/529162-07 tegen

[Siegfried S.]

geboren op [geboortedatum] 1947,

gedetineerd in [adres detentie] .

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave 2

1 Inleiding 4

1.1 Het onderzoek van de zaak 4

1.2 Opbouw arrest 4

1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard 5

1.4 Het vonnis waarvan beroep 5

1.5 Algemene inleiding 5

1.6 Kroongetuigen 7

1.6.1 Inleiding 7

1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter 8

1.6.3 De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs 10

Korte samenvatting hoofdstuk 1 11

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 12

2.1 Onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie? 12

2.1.1 Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken 13

2.1.2 De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen 13

2.1.3 De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding 47

2.1.4 Eindconclusie 49

Korte samenvatting hoofdstuk 2.1 50

2.2 Het ontbreken van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering 51

2.2.1 Procesgang 51

2.2.2 Standpunt verdediging 51

2.2.3 Nadere overwegingen en beslissing hof 51

3 Het bewijs 52

3.1 Verkenning van het bewijs in de zaak Passage 52

Korte samenvatting hoofdstuk 3.1 57

3.2 Bruikbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] 58

3.3 Bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] 59

3.4 Conclusie 60

3.5 Ten aanzien van het bewijs: algemene overwegingen 61

3.5.1 Juridische kaders 61

3.5.2 Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing 62

Korte samenvatting hoofdstuk 3.5 71

3.6 Het bewijs in het bijzonder ten aanzien van [Siegfried S.] 71

3.6.1 Bewijsoverwegingen 71

3.6.2 Bewijsverweren 73

3.6.3 Conclusies 74

Korte samenvatting hoofdstuk 3.6 77

4 Bewezenverklaring 78

4.1 Bewezenverklaring ten laste gelegde 78

4.2 De kroongetuige [Peter La S.] : bewijsgebruik van zijn verklaringen 79

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 79

6 Strafbaarheid van de verdachte 79

7 Oplegging van straf 80

7.1 De motivering van de op te leggen straf 80

7.2 De levenslange gevangenisstraf en de strafrechtelijke regels van samenloop 81

7.3 De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten 82

7.3.1 De eisen voortvloeiend uit het EVRM 82

7.3.2 Het oordeel van de Hoge Raad 83

7.3.3 Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk 84

7.3.4 Waardering van het Besluit 86

7.3.5 Conclusie en slotopmerkingen 93

Korte samenvatting hoofdstuk 7.3 93

7.4 Eindconclusie strafoplegging 94

7.5 De schending van de redelijke termijn 95

8 Beledigde partij 96

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften 97

10 BESLISSING 97

1 Inleiding

1.1

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op de data zoals vermeld op het als bijlage I aan dit arrest gehechte overzicht, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

1.2

Opbouw arrest

In dit arrest zijn de overwegingen en beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. Het hof wijst heden ook arrest in de zaken van negen medeverdachten, die gelijktijdig in hoger beroep terecht hebben gestaan. De gelijktijdige behandeling van deze strafzaken, in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof is bekend geworden onder de noemer van het Liquidatieproces Passage.

Omdat de aan het hof ter beoordeling en beslissing voorliggende vorderingen, verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in die formeel op zichzelf staande zaken onmiskenbaar onderlinge verwevenheid vertonen, heeft dat gevolgen voor de wijze waarop het hof zijn overwegingen en beslissingen heeft ingericht.

Vanzelfsprekend gaat het in dit arrest om de beslissingen die in de zaak van de verdachte door het hof gegeven dienen te worden. Die verwevenheid van zaken brengt voor de lezer van dit arrest echter mee dat de beschouwingen van het hof op onderdelen soms breder zullen zijn dan wat door hem op grond van wat in de zaak is aangevoerd strikt genomen wordt verwacht.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de als verdachten en getuigen figurerende personen zoveel mogelijk met hun naam in plaats van met hun status van verdachte/getuige aanduiden.

In het belang van de lezer volgt op de meer substantiële overwegingen en beslissingen van het hof een korte samenvatting daarvan, steeds weergegeven in cursief. Met die korte samenvattingen beoogt het hof het belang van de lezer bij snelle kennisneming zoveel mogelijk te dienen en de drempel hiervoor te verlagen. Gelet op het met die samenvattingen nagestreefde doel behoeft geen nadere uitleg dat deze nimmer dragend kunnen zijn voor de daaraan voorafgaand weergegeven overweging en beslissing.

In het hoofdstuk 3. is steeds de essentie van de tot bewezenverklaring of vrijspraak strekkende redenering en beslissing opgenomen. Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het (papieren en digitale) dossier. Voor zover wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft het telkens processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Indien een proces-verbaal van politie voor fotokopie conform is getekend dan staat dit proces-verbaal op gelijke voet met een origineel proces-verbaal en is de aanduiding ervan identiek. Voor zover het bewijsmiddel een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is het telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bij dit arrest gevoegde bijlage.

1.3

De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard

Voor de tenlastelegging wordt verwezen naar de bijlage II.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in mei 1993 in België te Antwerpen. De resultaten van het onderzoek naar deze feiten is ondergebracht in het zaaksdossier “Cobra”.

1.4

Het vonnis waarvan beroep

Het hof heeft vanzelfsprekend het wettelijke concept van het voortbouwend appel onder ogen gezien, in het bijzonder de mogelijkheid van (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Echter, reeds gelet op het aantal zaken dat onder de noemer Liquidatieproces Passage gelijktijdig door het hof is behandeld, de overlap tussen onderdelen van die zaken en gelet op het feit dat in het onderzoek van de zaak in hoger beroep aan de hand van een almaar uitdijend dossier een nader uitgebreid feitenonderzoek is verricht, zal het hof het vonnis waarvan beroep reeds op praktische gronden vernietigen en opnieuw recht doen.

1.5

Algemene inleiding

Moord en doodslag zijn van alle tijden. Wordt de samenleving tegenwoordig regelmatig in beroering gebracht door moorden, vaak op klaarlichte dag gepleegd volgens het stramien van excessief vuurwapengeweld, wegvluchtende lieden en een achtergelaten brandende vluchtauto, dit patroon heeft zich ook in het verleden voltrokken. Voor zowel heden als verleden is in dit verband bovendien kenmerkend dat deze moorden zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt niet alleen uit de wijze waarop deze moorden worden gepleegd, maar ook uit de verbinding die naar dat milieu kan worden gelegd. Over de band van de personen van de slachtoffers en/of de kring van personen die door politie en justitie voor die moorden verantwoordelijk wordt gehouden. Voor deze buitencategorie van ernstige misdrijven – in de volksmond: liquidaties – is kenmerkend dat de opsporing en strafvervolging sterk worden bemoeilijkt door het zeer geringe aantal personen dat in staat en bereid blijkt om hun wetenschap over het een en ander onvoorwaardelijk prijs te geven.

En als de officier van justitie er al in slaagt om op grond van onderzoeksresultaten een verdachte aan te wijzen en te vervolgen, dan is het zelden vertoond dat die verdachte bereid is om opening van zaken te geven. In de regel wordt door hem volstaan ofwel met een beroep op het zwijgrecht, ofwel met een meer of minder onderbouwde ontkenning van iedere betrokkenheid. En ook dat aspect is van alle tijden.

En zo getuigt ook het zeer omvangrijke samenstel van, deels, relatief gedateerde strafzaken daarvan. Het is in al deze zaken waarin het hof heden arrest wijst.

In dat Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar 7 moorden en de berechting van (aanvankelijk) 12 verdachten. Tijdens de loop van het proces zijn twee van hen overleden; [Raymond V.] aan een natuurlijke dood en [Ali A.] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag. De verdachte [Sjaak B.] heeft een op hem gepleegde moordaanslag ternauwernood overleefd.

Voorts is een aantal van de in de loop van het onderzoek door de politie en het hof gehoorde getuigen met vuurwapengeweld geconfronteerd. Een enkeling heeft dat geweld overleefd, de meerderheid van hen heeft daarbij het leven gelaten.

De inhoudelijke behandeling van de zaken in eerste aanleg heeft bijna 4 jaren gevergd, de eerste verkennende zitting in hoger beroep vond plaats in de maand september van 2013.

In dat samenstel van strafzaken – de onderhavige strafzaak maakt daarvan deel uit – ligt de betrokkenheid van de verdachten bij een aantal moorden ter berechting voor. En van elk van die moorden (poging en voorbereiding daartoe daaronder mede begrepen) kan zonder overdrijving worden gesteld dat de opsporing en vervolging uiterst moeizaam zijn verlopen. De verdachten hebben zich op hun zwijgrecht beroepen en/of hebben hun door het Openbaar Ministerie veronderstelde betrokkenheid bij moorden ontkend. In zoverre past die gang van zaken in het zojuist beschreven algemene beeld. Eerst nadat één van hen van het predicaat kroongetuige1 kon worden voorzien – de verdachte [Peter La S.] – is het onderzoek naar een aantal van die moorden in een stroomversnelling geraakt. Door hem is veelvuldig en uitvoerig verklaard, niet alleen over zijn eigen aandeel bij één van de moorden maar ook over wat hij gedurende een aanzienlijke periode zou hebben waargenomen en ondervonden met betrekking tot anderen, in het bijzonder de verdachten die in het Liquidatieproces Passage terecht staan. Dat de stroomversnelling door alles wat zich rondom die kroongetuige heeft voltrokken, vooral tijdens de gedingfase in eerste aanleg, het verloop van het onderzoek soms ook trekken heeft gegeven van een kolkende rivier zal uit het navolgende nader blijken.

De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het opstaan van een tweede kroongetuige – de verdachte [Fred R.] – die aan het verloop van de behandeling van de zaken een eigen dynamiek heeft toegevoegd. Ook voor deze tweede kroongetuige geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij een moord heeft verklaard als over betrokkenheid van anderen. De aanzienlijke duur van de behandeling van de zaken in hoger beroep wordt in overwegende mate verklaard door de bonte stoet van getuigen die, in het kader van verificatie c.q. falsificatie van de door [Fred R.] als tweede kroongetuige bij de politie afgelegde verklaringen, aan het hof is voorbijgetrokken.

Een ander aan de gedingfase van het hoger beroep verbonden aspect wordt gevormd door de aanhouding en strafvervolging van een andere verdachte, [Willem H.] , ter zake van misdrijven die ook en simultaan in hoger beroep aan het hof ter berechting voorliggen. Dit gegeven van parallelle berechting in twee instanties – [Willem H.] in eerste aanleg en Passage-verdachten in hoger beroep – is in de strafvorderlijke werkelijkheid weliswaar niet uniek, maar dit heeft de behandeling in hoger beroep op momenten wel enigszins gecompliceerd.

Het debat dat in de onderhavige zaken is gevoerd is toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting:

  • -

    de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen;

  • -

    de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen;

  • -

    de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod;

  • -

    de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken;

  • -

    de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen;

  • -

    de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan;

  • -

    tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en

  • -

    de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf.

1.6

Kroongetuigen

1.6.1

Inleiding

Het Openbaar Ministerie heeft, zoals gezegd, in deze zaak de verklaringen van twee kroongetuigen ingezet. Dit heeft de feitelijke en juridische gemoederen bezig gehouden.

In eerste aanleg is het [Peter La S.] geweest, die op verscheidene momenten de aandacht sterk op zichzelf – als verdachte en als getuige – gericht heeft geweten. Op deze plaats wordt volstaan met het benoemen van twee aspecten daarvan: zijn conflict met het Openbaar Ministerie, belast met getuigenbescherming, en zijn onthulling dat hij bij de politie ook over [Willem H.] heeft verklaard, doch dat die onderdelen van zijn verklaringen niet zijn opgenomen in de van zijn verhoren opgemaakte en door de officier van justitie overgelegde processen-verbaal.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep is een tweede kroongetuige “opgestaan”, namelijk [Fred R.] .

Aan de inzet van deze twee kroongetuigen heeft de verdediging van vrijwel alle verdachten een breed scala van verweren verbonden, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafmatiging.

Het hof merkt op voorhand op dat de verdediging in enkele zaken de eigen appreciatie van de figuur van de kroongetuige in strafzaken niet onder stoelen of banken heeft gestoken. Het hoeft geen nader betoog dat die appreciatie voor het hof slechts betekenis heeft wanneer daaraan in strafvorderlijke zin handen en voeten is gegeven.

1.6.2

De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter

Aan de bespreking van aan de kroongetuigen te relateren verweren gaat een korte beschouwing over de rol van de zittingsrechter in relatie tot de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv vooraf. Die is van belang voor de inkadering van de beoordeling van de formele verweren die over de afspraken met de kroongetuigen zijn gevoerd.

De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken voorziet in de bevoegdheid van de officier van justitie om een afspraak te maken met een criminele getuige. Aan deze getuige mag een vermindering van de strafeis worden toegezegd die maximaal de helft bedraagt van de straf die in een situatie zonder de medewerking van de getuige zou worden geëist. In ruil daarvoor gaat de getuige jegens de officier van justitie de verplichting aan om volledig en naar waarheid te verklaren over de in de afspraak te vermelden personen en strafbare feiten.

Het is aan de rechter-commissaris om de voorgenomen afspraak op vordering van de officier van justitie op rechtmatigheid te beoordelen. Daarbij zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer. Door een toewijzende beslissing van de rechter-commissaris komt de afspraak tot stand. Hiermee is de kern van de wettelijke regeling weergegeven.

De wet regelt geen specifieke rol voor de zittingsrechter. Weliswaar wordt in de parlementaire stukken veelvuldig vermeld dat het de zittingsrechter is die de overeenkomst uiteindelijk toetst, maar dit is niet in enige bepaling vastgelegd. Men zal eveneens vergeefs zoeken naar een schematische of systematische voorstelling van de bevoegdheidsverdeling, een materieel kader of een kader voor sanctionering. Dat wil niet zeggen dat de wetgever aan de positie van de zittingsrechter geen aandacht heeft besteed. Integendeel. In tal van beschouwingen, veelal naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer wordt hierop door de minister ingegaan.

De toetsing die de rechter-commissaris uitvoert is tijdens de parlementaire behandeling gekenmerkt als een min of meer marginale. Deze spitst zich geheel toe op de rechtmatigheid van de afspraak. “De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. 2 Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard.

Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek.3 Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen.

Waaruit bestaat dan de toetsende rol van de zittingsrechter die niet van een wettelijke basis is voorzien maar die, zoals soms in de wetsgeschiedenis is gesuggereerd, wel “vol” van karakter is? Wat dit laatste punt betreft zijn de accenten tijdens de parlementaire behandeling nog wel eens verschillend gelegd. Op sommige momenten is aan het finale karakter van het oordeel van de zittingsrechter verbonden dat hierin alle later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken. Daarmee wordt dit van groter en doorslaggevend gewicht. Deze visie is onder meer te vinden in paragraaf 8 van de Memorie van toelichting. Elders is dit, mogelijk als resultaat van de gedachtewisseling, stringenter geformuleerd, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag. Daarin zegt de minister: “Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie).

Evenmin is geheel uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijk gebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt.” 4

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als de kerntaak voor de zittingsrechter beschouwt. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Meer fundamenteel kan in debat zijn of de afspraak met de kroongetuige de eerlijkheid van het proces van de verdachte, ten laste van wie verklaringen zijn afgelegd, zodanig aantast dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het gaat hierbij telkens om kwesties waarvoor artikel 359a Sv een regeling biedt.

De afspraak komt immers tot stand in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in de strafzaak van de verdachte ten laste van wie is verklaard. De afspraak is ook onderdeel van het voorbereidend onderzoek in de zaak van de kroongetuige maar dat kan hier vanwege ontbreken van relevantie onbesproken blijven.

Gelet op de in de rechtspraak aanvaarde rol van de zittingsrechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden vindt de bedoelde beoordeling primair plaats op geleide van gevoerde verweren. Met een toereikende onderbouwing moet worden aangetoond dat rechtsregels zijn geschonden bij de totstandkoming of door de inhoud van de afspraak, waardoor de verdachte in een door de strafrechter relevant te achten belang is getroffen. In zo’n geval kan de rechter overwegen om toepassing te geven aan het sanctie-instrumentarium van artikel 359a Sv.

Ook kan de eerlijkheid van het strafproces in het geding zijn. Ten eerste doordat het in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces een rol speelt bij de beoordeling van verweren gevoerd op de voet van artikel 359a Sv. Maar mogelijk ook als zelfstandige toetssteen, namelijk in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting.

Een rol van de zittingsrechter, zoals hiervoor omschreven, past in de rol zoals die lijkt te zijn verondersteld in de hiervoor aangehaalde passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag.

Waar het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid als zodanig geldt voorts de instructie aan de zittingsrechter die is neergelegd in de verzwaarde motiveringseis van artikel 360, tweede lid, Sv. In het geval namens de verdachte wordt aangevoerd dat (juridische) gebreken in de totstandkoming of inhoud van de afspraak de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaringen aantasten, worden deze betrokken in de in die bepaling bedoelde uitgebreide motivering. Indien en voor zover daarbij aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv wordt voorbijgegaan dienen daarvoor in die motivering in het bijzonder de redenen te worden opgegeven.

Tot slot verdient, in verband met enkele hierna te bespreken verweren, nog het volgende vermelding. De wetgever heeft onder ogen gezien dat op enig moment kan blijken dat de kroongetuige verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid of gebaseerd zijn op misleiding. Er is dan, zo blijkt uit de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, niet aan de voorwaarden van de afspraak voldaan. In een dergelijk geval zal de toegezegde tegenprestatie, bestaand uit de lagere strafeis van de officier van justitie, niet of slechts ten dele behoeven te volgen.5

Nadat de afspraak tot stand is gekomen heeft de rechter geen taak ten aanzien van de voortduring ervan. In de strafzaak van de kroongetuige heeft de zittingsrechter de bevoegdheid om de straf op te leggen die hij passend acht, waarbij hij laat meewegen de bijdrage die de getuige heeft geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven. Daarbij zal hij zich, gezien de aard van deze in artikel 44a Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde maatstaf, in aanzienlijke mate laten leiden door het advies van het Openbaar Ministerie.

1.6.3

De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs

Zodra de formele verweren niet slagen komt de vraag naar het bewijsgebruik aan de orde. Al op deze plaats in het arrest staat het hof in algemene zin stil bij het eventueel bewijsgebruik van de verklaringen van kroongetuigen.

De betrouwbaarheid van hun verklaringen is een randvoorwaarde voor dat bewijsgebruik.

Kroongetuigen zijn ook reguliere getuigen. Gelet op (het zicht op) het voordeel dat ieder van hen op grond van de afspraak toevalt zal de rechter die de verklaringen voor het bewijs gebruikt, dat gebruik op de voet van artikel 360, tweede lid, Sv op straffe van nietigheid in het bijzonder hebben te motiveren. En daarmee is het verschil met reguliere getuigen aangegeven.

Het hof zal – zijnde de rechter die staat voor de vraag of het bewijs mede kan worden aangenomen op grond van verklaringen van die kroongetuige(n) – die verklaringen op hun betrouwbaarheid onderzoeken, ambtshalve en in de sleutel van de gevoerde verweren.

Opmerking verdient het volgende. De kroongetuigen [Fred R.] en [Peter La S.] hebben op grond van de door ieder van hen met de officier van justitie gemaakte schriftelijke afspraken zowel rechten als verplichtingen. Zo zijn zij beiden verplicht om zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid te verklaren over in de afspraak genoemde strafbare feiten, de eventuele eigen betrokkenheid daaronder mede begrepen.

De aandacht van het hof richt zich eerst en vooral op de verklaringen die rechtstreeks van betekenis kunnen zijn voor de aan de [Siegfried S.] verweten strafbare feiten. Daarnaast kan het voor de vraag naar het bewijsgebruik van belang zijn te onderzoeken of de kroongetuige ook overigens zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid heeft verklaard. Daarbij gaat het om zijn eigen betrokkenheid bij die aan de verdachte verweten gedragingen, maar ook bij feiten die niet aan de verdachte zijn tenlastegelegd, doch wél in de afspraak met de kroongetuigen zijn opgenomen. Het is immers denkbaar dat indien ernstige twijfel rijst of de kroongetuige volledig en naar waarheid heeft verklaard over die laatstbedoelde categorie van feiten, die twijfel raakt aan het door het hof te vormen oordeel over de betrouwbaarheid van wat door hem is verklaard over de feiten die wél voorliggen in de strafzaak van de verdachte.

In zoverre heeft ook [Siegfried S.] in het algemeen een belang om bij zijn bewijsverweren ook de inhoud van verklaringen van de kroongetuigen te betrekken die door de kroongetuige zijn afgelegd over andere dan aan de verdachte verweten strafbare feiten. En in die sleutel ligt tevens een relativering besloten. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een door een kroongetuige afgelegde verklaring in het bestek van de strafzaak waarin zijn verklaringen door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht kan uit de aard van dat bestek en het doel van dat onderzoek niet ook zijn gericht op het in rechte vaststellen van veronderstelde strafrechtelijke betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten.

In de onderhavige aan het hof ter berechting voorliggende zaak geldt die beperking ten aanzien van [Peter La S.] voor zover het gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] . Wel is het in het algemeen denkbaar dat er sterke aanwijzingen voor die betrokkenheid kunnen ontstaan. Daardoor kan de officier van justitie overgaan tot het instellen van een (opsporings)onderzoek waarin hij de kroongetuige (alsnog) als verdachte aanwijst. En ook is het in het algemeen denkbaar dat de Staat de met de kroongetuige gemaakte afspraak tussen partijen ter discussie stelt. Beide gevolgen als zodanig hebben echter geen effect in de strafzaak van [Siegfried S.] . Wel kan het zijn dat dit een en ander de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen zodanig aantast dat die verklaringen daardoor niet meer voor bewijsgebruik in aanmerking komen.

Het hof zal in het navolgende eerst de formele verweren en vervolgens de bruikbaarheid van de door de getuige [Peter La S.] afgelegde verklaringen voor het bewijs beoordelen, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren.

Korte samenvatting hoofdstuk 1

- In het Passageproces staan thans nog 10 verdachten terecht voor betrokkenheid bij een groot aantal moorden, poging en voorbereiding daartoe daaronder begrepen. Het onderzoek daarnaar is zeer moeizaam verlopen. De inzet door het Openbaar Ministerie van kroongetuigen heeft de behandeling van de zaken ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gekenmerkt.

- De inzet van die kroongetuigen heeft ook geleid tot een groot aantal verweren van de zijde van de verdediging.

- Voorafgaand aan de bespreking van die verweren overweegt het hof het een en ander over de rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van die verweren. De wet regelt geen specifieke rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de afspraak met een kroongetuige. De zittingsrechter zal die rechtmatigheid dus, net als die van andere opsporingsmethoden, primair dienen te beoordelen op geleide van gevoerde verweren. De regeling van artikel 359a Sv en het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces vormen daarbij het kader. Voorts zal de zittingsrechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige dienen te beoordelen. De wetgever ziet dit ook als de kerntaak van de zittingsrechter en heeft daartoe ook in artikel 360 lid 2 Sv een verzwaarde motiveringseis voor het bewijsgebruik van die verklaringen opgenomen.

- Bij de beoordeling van die betrouwbaarheid zal het eerst en vooral gaan om de verklaringen die rechtstreeks van belang zijn voor de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Er is echter ook een belang van de verdachte om daarbij ook de verklaringen van de kroongetuige over andere, niet aan de verdachte verweten, strafbare feiten te betrekken. Twijfel over het waarheidsgehalte daarvan kan immers ook raken aan het oordeel over de betrouwbaarheid van de wél aan verdachte tenlastegelegde feiten. Dit onderzoek kan echter niet gericht zijn op het in rechte vaststellen van de betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten. Die beperking is van belang ten aanzien van [Peter La S.] en zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] .

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd buiten Nederland, te weten in België. De verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit.6 Hierin is derhalve geen beletsel gelegen voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

Door de verdediging zijn verweren gevoerd die primair zien op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Deze zullen hier worden besproken. Voor zover deze verweren subsidiair of meer subsidiair strekken tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, zullen die bepleite gevolgen hier eveneens worden besproken.

2.1

Onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie?

De verdediging heeft zich aangesloten bij de verweren die op deze punten zijn gevoerd door de raadsman van de medeverdachte [Jesse R.] . Die verweren strekken primair tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van getuigen en meer subsidiair tot strafvermindering.

2.1.1

Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken

De verdediging heeft zich zoals gezegd aangesloten bij het in de gelijktijdig behandelde strafzaak van de verdachte [Jesse R.] door diens raadsman gevoerde verweer. Uit de op 15 februari 2017 gegeven toelichting op dit aansluiten blijkt dat dit nagenoeg volledig is. Alleen bij de onderdelen ‘aanhouding en detentie [Jesse R.] in Marokko’ en ‘ [getuige 32] ’ wordt niet aangesloten.

Met bedoeld verweer is door de raadsman van [Jesse R.] beoogd een breed en samenhangend samenstel van handelen en nalaten door dan wel toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie aan de orde te stellen. Dat handelen en nalaten laat zich, voor zover in de zaak van [Siegfried S.] van belang, als volgt rubriceren.

  1. De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen.

  2. De mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding.

Aan dat hierna nader in essentie weer te geven palet zijn grieven en verweren verbonden die zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang in de onderhavige zaak uitmonden in het primaire verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren; subsidiair is bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] bepleit, meer subsidiair de toepassing van strafvermindering.

Het hof zal, de hiervoor aangebrachte rubricering volgend, de onderdelen van het verweer weergeven en aansluitend beoordelen of die klachten hout snijden. Indien en voor zover de beoordeling door het hof uitmondt in gegrondverklaring van onderdelen van het verweer komen daarna de vragen naar het te hanteren toetsingskader en de sanctionering aan de orde.

2.1.2

De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen

2.1.2.1 Wat is aangevoerd

De raadsman van [Jesse R.] heeft de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Wetboek van Strafvordering, Boek II, Titel III, Afd. 4B) aan een brede en diepgaande beschouwing onderworpen. De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in de toepassing die (leden van) het Openbaar Ministerie aan die wettelijke regeling heeft gegeven. Sterk samengevat en voor zover voor het navolgende van belang houdt het betoog van die raadsman, waarbij de verdediging zich heeft aangesloten, het volgende in.

De wetgever heeft met deze regeling een gesloten systeem in het Wetboek van Strafvordering willen opnemen waarin slechts de toezegging van vermindering van de strafeis is toegestaan. Daarnaast regelt het vierde lid van artikel 226 g Sv de restcategorie van de zogeheten kleine gunsten: toezeggingen die niet raken aan de (beantwoording van) de vragen van artikel 348-350 Sv. Zodra het Openbaar Ministerie zich buiten deze kaders beweegt bevindt het zich op uitdrukkelijk verboden terrein, zo volgt uit de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan.

In weerwil van wat de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken heeft geregeld en beoogd is het Openbaar Ministerie willens en wetens en stelselmatig buiten de oevers van die regeling getreden. Dat het Openbaar Ministerie daartoe bereid en in staat is blijkt in het algemeen al uit de op die regeling gegronde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, en in de onderhavige zaak uit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte afspraken en de overigens aan ieder van hen gedane toezeggingen.

Het zich onrechtmatig bewegen buiten die kaders kan door het Openbaar Ministerie niet met succes worden gepareerd door het opportuniteitsbeginsel in stelling te brengen. De wetgever heeft met de regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken nadrukkelijk ervoor gekozen de algemene handelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie bij het doen van dergelijke toezeggingen aan banden te leggen en te normeren. Daarmee is het opportuniteitsbeginsel in zijn meest zuivere vorm – door de wetgever – beperkt in het geval waarin afzien van vervolging of van voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan getuigen zou worden toegepast.

Het onder de vlag van getuigenbescherming doen van toezeggingen die aan ieder zicht – ook dat van de rechter-commissaris – zijn onttrokken is derhalve evenzeer in strijd met de (bedoeling van de) wet.

Toegespitst op de kroongetuige [Peter La S.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.

  1. De strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten had hoger kunnen zijn, temeer nu hij voor zijn betrokkenheid bij een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken (verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.

  2. Anders dan in de zaken van zijn medeverdachten is [Peter La S.] niet vervolgd voor het deelnemen aan een criminele organisatie en evenmin voor zijn strafbare betrokkenheid bij in een aantal deeldossiers beschreven feiten. De tegenwerping van het Openbaar Ministerie dat ook die strafbare gedragingen van [Peter La S.] bij de bepaling van de strafeis van 16 jaren zijn meegenomen is moeilijk te volgen. Daarbij komt, dat de inhoud van de dossiers, waarin de resultaten van het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] en een aanslag op [slachtoffer 15] zijn beschreven, voldoende aanknopingspunten biedt voor een succesvolle vervolging van [Peter La S.] . Voor die feiten is echter evenmin vervolging ingesteld. Al met al moet worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is geweest van verkapte immuniteitstoezeggingen aan [Peter La S.] . Deze toezeggingen zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.

  3. Aan [Peter La S.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat het door hem als criminele beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman ontvangen geldbedrag (65.000 Euro) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem wordt ontnomen. Deze toezegging is in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.

  4. Aan [Peter La S.] is heimelijk toegezegd dat hij niet ook over een specifieke verdachte, namelijk [Willem H.] , nader hoefde te verklaren. Deze toezegging heeft te gelden als een tussen [Peter La S.] en de Staat gemaakte afspraak, die bij [Peter La S.] verwachtingen heeft gewekt over wat van hem in de context van de gemaakte kroongetuigenafspraak kon worden verlangd. Ook deze toezegging is onrechtmatig gedaan.

  5. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Peter La S.] is gebleken van ernstig onrechtmatig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Die onrechtmatige gang van zaken met betrekking tot zijn getuigenbescherming laat zich in de volgende onderdelen onderscheiden.

- De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat getuigenbescherming zich niet leent voor onderhandelingen met de getuige in kwestie; elke vorm van financiële genoegdoening is door de wetgever uit den boze geacht. Het Openbaar Ministerie heeft aan [Peter La S.] veel verdergaande toezeggingen gedaan dan die in het kader van getuigenbescherming geëigend, noodzakelijk of gerechtvaardigd waren. De wet ontbeert iedere grondslag voor het doen van financiële toezeggingen aan getuigen. Deze toezeggingen kunnen niet rechtmatig worden gedaan, ook niet onder de vlag van getuigenbescherming. Door zich jegens [Peter La S.] te verplichten in de vorm van een extreem riante financiële constructie handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de wet althans met de expliciete en kenbare bedoelingen van de wetgever. Daarbij komt, dat het magistratelijk Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de met uitoefening van met beveiliging gepaard gaande bevoegdheden aan kenbare regels te onderwerpen.

- Door in afwijking van – naar het hof die raadsman begrijpt – de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten aan [Peter La S.] als kroongetuige wél inspraak te geven in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsheeft, schendt het Openbaar Ministerie zowel diens magistratelijke verantwoordelijkheden als de eigen Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.

- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Het Openbaar Ministerie is er zelfs niet voor teruggedeinsd om aan [Peter La S.] voor te houden dat de overeenkomst zal worden ontbonden als hij op vragen over zijn bescherming antwoord geeft, ook als hij dit doet in antwoord op door de rechter aan hem gestelde vragen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter waar het met betrekking tot de ontnemingstoezegging al plaatsnam op de stoel van de wetgever.

- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en overigens daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Peter La S.] over zijn bescherming gemaakte afspraken, terwijl het Openbaar Ministerie wist dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Peter La S.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van zijn verklaringen. Dat de rechter-commissaris tijdens de gedingfase in hoger beroep alsnog heeft kunnen kennisnemen van met [Peter La S.] gesloten overeenkomsten neemt deze onrechtmatigheid niet weg, nu dat kennisnemen geen (proportionaliteits)toetsing inhield doch uitsluitend zag op de vraag naar het bestaan van inhoudelijke samenhang tussen de zgn. overeenkomst op hoofdlijnen uit 2009 en de zgn. intentieverklaring financiële bepalingen uit 2007.

- De informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie over de met [Peter La S.] gemaakte beschermingsafspraken is misleidend geweest. Steeds is de indruk gewekt dat het samenstel van voorwaarden dat in die “intentieverklaring financiële bepalingen” uit 2007 was opgenomen in die “overeenkomst op hoofdlijnen” uit 2009 was overgenomen, terwijl genoegzaam is gebleken dat [Peter La S.] te kennen had gegeven zelf in zijn door de Staat te financieren bescherming te willen voorzien.

- Onduidelijkheid is blijven bestaan over welke geledingen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij de door de verdediging gewraakte informatievoorziening.

Het gevolg van dit een en ander is geweest dat de verdachte zich heeft te verdedigen tegen een kroongetuige die voor een groot aantal zeer ernstige feiten dragend althans zwaarwegend bewijs heeft aangeleverd. Dit, terwijl aan de kroongetuige [Peter La S.] in strijd met de (bedoeling van de) wet toezeggingen zijn gedaan die hem een financieel motief geven om in strijd met de waarheid te verklaren. Over die toezeggingen is geen, althans onvoldoende, juiste informatie verstrekt als gevolg waarvan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld.

Toegespitst op de kroongetuige [Fred R.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.

a. De met de getuige [Fred R.] gemaakte afspraak kan de proportionaliteitstoetsing niet doorstaan. Het Openbaar Ministerie heeft in de strafzaak tegen [Fred R.] in eerste aanleg fors stelling genomen, zoals blijkt uit de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de onderbouwing daarvan. Het is in het licht van de proportionaliteitsvraag moeilijk te begrijpen dat het Openbaar Ministerie, bij gelegenheid van de vordering tot toetsing van de voorgenomen afspraak bij de rechter-commissaris, in het geheel geen melding heeft gemaakt van dat eerder ingenomen standpunt en van die gemaakte ommezwaai. Kennelijk in dat door het Openbaar Ministerie ingezette spoor heeft de rechter-commissaris evenmin een overweging gewijd aan dit aspect, terwijl juist de proportionaliteitstoets een zeer belangrijk onderdeel vormt van de (voorlopige) rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris. Daarbij komt, dat [Fred R.] eerder in een andere zaak is vervolgd ter zake van betrokkenheid bij een levensdelict, terwijl in de zaak tegen [Jesse R.] al een kroongetuige figureerde, namelijk [Peter La S.] . Ook deze twee aspecten raken aan de vraag naar de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak. Voorts roept de

– na een eis tot levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg – aan [Fred R.] toegezegde maximale strafvermindering in dit verband verbazing op. Deze is zonder meer een contra-indicatie voor het aannemen van de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak.

Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter.

Het Openbaar Ministerie heeft, in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Fred R.] gemaakte afspraken over zijn bescherming, terwijl het Openbaar Ministerie wist – want daarvoor moet het worden gehouden – dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Fred R.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van verklaringen.

Aan [Fred R.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat wordt afgezien van het ontnemen van zijn door criminele activiteiten verkregen voordeel. De daarvoor door het Openbaar Ministerie aangedragen argumenten zijn niet alleen niet overtuigend, maar ook en vooral is deze ontnemingstoezegging in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.

Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Fred R.] is gebleken van onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie. Op grond van de inhoud van een door drie officieren van justitie opgesteld proces-verbaal, bezien in samenhang met de verklaringen van nadien door het hof als getuigen gehoorde officieren van justitie, bestaan sterke aanwijzingen dat met [Fred R.] is overeengekomen dat hij met financiële ondersteuning van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien. Waar dit in het geval van [Peter La S.] voldoende is komen vast te staan bestaan ten aanzien van [Fred R.] sterke aanwijzingen dat ook aan hem als kroongetuige toezeggingen zijn gedaan die in strijd zijn met de (bedoeling van de) wet. Het gevolg daarvan is dat aan hem een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onvoldoende juiste informatie is verstrekt.

Daardoor kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Fred R.] niet althans onvoldoende kan worden vastgesteld.

Toegespitst op de getuige [getuige 1] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.

De door het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuige [getuige 1] gevolgde werkwijze getuigt van het ongeclausuleerd en ongecontroleerd doen van verregaande (financiële) beloften, terwijl die getuige zijn medewerking aan het afleggen van verklaringen afhankelijk heeft gemaakt van dergelijke beloften. Aan de verdachte tegen wie dergelijke verklaringen worden ingebracht wordt de mogelijkheid ontnomen om die belangen ter toetsing aan de strafrechter voor te leggen. Dit raakt rechtstreeks aan de mogelijkheden van de verdachte om een eerlijk proces te krijgen.

2.1.2.2 Beoordeling door het hof

2.1.2.2 Inleidend

Het hof zal aan de beoordeling van de eerste rubriek van het verweer de weergave van de toepasselijke regelgeving vooraf laten gaan. Daarna komen achtereenvolgens de onderwerpen getuigenbescherming, de met de kroongetuige [Peter La S.] gemaakte afspraak, en de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen aan de orde.

Het onderwerp getuigenbescherming is een van de pijlers waarop dit onderdeel van het verweer rust. Het hof zal hierna samengevat weergeven wat door de verdediging hierover ter onderbouwing is aangevoerd en het op bescherming van de (kroon)getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 1] toegespitste verweer bespreken.

Vervolgens zal het hof in dit hoofdstuk een andere pijler van het verweer bespreken, waarbij de afspraak van de officier justitie met de kroongetuige [Peter La S.] centraal staat. Diverse aspecten passeren in dat verband de revue: de plaats van het opportuniteitsbeginsel naast de kroongetuigeregeling, de rol van de zittingsrechter, de beoordeling van concrete gevallen van het afzien van vervolging van en voordeelsontneming onder [Peter La S.] , en de hoogte van de basis-strafeis.

Tot slot wordt beoordeeld of het gegeven van de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen voor de kroongetuige [Peter La S.] ook een ongeoorloofde beloningscomponent inhoudt.

2.1.2.2.2 De toepasselijke regelgeving

In het Wetboek van Strafvordering (Boek II, Titel III) is de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken opgenomen. In afdeling 4b van die titel van dat boek is die regeling toegespitst op toezeggingen aan de getuige die tevens verdachte is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Vierde afdeling B

Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Artikel 226g

1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. (…)

De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.

2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:

a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen;

b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;

c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan hij bereid is te voldoen;

d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.

(…)

Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.

Artikel 226h

  1. (…)

  2. (…)

  3. De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.

  4. (…)

Artikel 226j

  1. (…)

  2. (…)

3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het tot stand komen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling wordt gedaan van de maatregelen van artikel 226l.

Vierde afdeling D

Maatregelen tot bescherming van getuigen

Artikel 226l

1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen (…) 226g (…).

Het College van procureurs-generaal heeft in aansluiting op deze wettelijke regeling op de voet van artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie aanwijzingen gegeven die zijn neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.

Deze Aanwijzing houdt, voor zover van belang, het volgende in.

1. Bereik van de aanwijzing

1.1.

De aanwijzing heeft betrekking op de getuige die tevens verdachte (…) is en aan wie door het openbaar ministerie een toezegging tot strafvermindering wordt gedaan in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring.

1.2.

De aanwijzing heeft voorts betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.).

Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering.

Indien er sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen toepassing van dergelijke bevoegdheden en de door de getuige af te leggen verklaring, dan dient deze toepassing te worden vastgelegd bij proces-verbaal en aan het strafdossier van de getuige en de verdachte te worden toegevoegd (artikel 226g, vierde lid). (…).

1.5.

De aanwijzing is van toepassing op de strafvordering in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. Uitgangspunten

2.1.

Getuigen hebben in beginsel de plicht om een getuigenverklaring voor de rechter af te leggen, indien zij daartoe een wettelijke oproeping ontvangen, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op enige toezegging of tegemoetkoming van het openbaar ministerie. Slechts bij uitzondering (indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert) kan het doen van een toezegging worden overwogen.

2.2.

Bij het doen van de toezegging door de officier van justitie houdt hij rekening met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid.

2.3.

Aan een getuige aan wie een toezegging wordt gedaan, moet een reëel voordeel in het vooruitzicht worden gesteld. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten (bij voorbeeld sepot gering feit), is geen toezegging in de zin van deze aanwijzing.

2.4.

Maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming zullen veelal als onderdeel van de toezegging door de getuige worden verlangd, maar dienen los te worden gezien van de onderhandelingen en totstandkoming van de toezegging. De maatregelen ter fysieke beveiliging kunnen worden getroffen indien daartoe noodzaak en mogelijkheid bestaat, ook als geen overeenstemming wordt bereikt over de toezegging. Wel is mogelijk dat in de overeenkomst met de getuige wordt opgenomen dat de officier van justitie het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming zal bevorderen.

2.5.

Toezeggingen tot strafvermindering worden ter toetsing voorgelegd aan de rechter-commissaris in het kader van een opsporingsonderzoek naar bepaalde ernstige misdrijven (artikel 226g, eerste lid, jo. artikel 226h, derde lid Sv). Overige toezeggingen van beperkte aard worden geverbaliseerd en in het dossier gevoegd van de verdachte ten laste van wie wordt verklaard (artikel 226g, vierde lid Sv).

Ter uitvoering van de in artikel 226l Sv aan de Minister van Justitie toegekende bevoegdheid is het Besluit getuigenbescherming vastgesteld.

De in dit Besluit neergelegde regeling bevat het algemene kader voor de uitvoering van getuigenbescherming. De kern van de regeling komt op het volgende neer. Het College van procureurs-generaal is bevoegd te beslissen omtrent het al dan niet treffen van beschermingsmaatregelen. In bijzondere gevallen wordt een voorgenomen beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie. Het team getuigenbescherming is belast met het opstellen van dreigingsanalyses, de advisering over en uitvoering van beschermingsmaatregelen. Het feit dat het College bevoegd is besluiten te nemen ter zake van het treffen van beschermingsmaatregelen heeft tot gevolg dat noch de politie, noch de officier van justitie zonder onderliggend besluit van het College definitieve toezeggingen aan getuigen kan doen omtrent te treffen beschermingsmaatregelen. De hoofdofficier van justitie die verantwoordelijk is voor de vervolging in het kader waarvan een persoon bescherming behoeft dient een schriftelijk verzoek in tot het doen treffen van beschermingsmaatregelen. De officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming, treedt op als intermediair tussen het College van procureurs-generaal en het team getuigenbescherming. Het besluit ziet niet op de bescherming van personen en instellingen die buiten een strafvorderlijke context behoefte hebben aan beschermingsmaatregelen, zoals hoogwaardigheidsbekleders of andere personen die in verband met hun functie worden bedreigd. Hun bescherming is geregeld in het kader van het Stelsel bewaken en beveiligen. Voorafgaand aan de uitvoering van de maatregelen wordt namens de Staat door de officier van justitie, belast met getuigenbescherming, een schriftelijke overeenkomst gesloten met de te beschermen persoon. Met de ondertekening van deze overeenkomst verbinden partijen zich tot het nakomen van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien en die verband houden met de uitvoering van de beschermingsmaatregelen.7

Tot slot verdient nog het bestaan van de Instructie getuigenbescherming vermelding.

Deze Instructie is vastgesteld door het College van procureurs-generaal en bevat een nadere precisering van de procedures die bij de toepassing van getuigenbescherming moeten worden gevolgd. Vanwege het interne karakter ervan is deze Instructie niet gepubliceerd.

Het hof zal het in artikel 226g Sv e.v. gebezigde begrip afspraak in het navolgende ook aanduiden met: de verklaringsafspraak. De in artikel 4 van het Besluit getuigenbescherming genoemde overeenkomst wordt in het navolgende ook aangeduid met: de beschermingsafspraak.

2.1.2.2.3 Getuigenbescherming

De uitleg van de regeling

De wettelijke regeling beperkt zowel het onderwerp waarover de officier van justitie met de criminele getuige een afspraak kan maken – het afleggen van een getuigenverklaring – als wat door hem in ruil voor die verklaring aan de criminele getuige mag worden toegezegd: een vordering tot strafvermindering in de strafzaak van die criminele getuige. Het is deze, naar inhoud en reikwijdte begrensde, voorgenomen afspraak die door de rechter-commissaris op de voet van art. 226h, derde lid, Sv op rechtmatigheid wordt beoordeeld.

Naast deze toezegging is de officier van justitie bevoegd ook nog andere toezeggingen aan die criminele getuige te doen. De Aanwijzing, waarover later meer, omschrijft deze laatstbedoelde categorie van toezeggingen als “het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe betekenis hebben en niet rechtstreeks aan de beantwoording van art. 348 en 350 Sv raken, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring.“

Met betrekking tot deze categorie van toezeggingen schrijft de wet in artikel 226g, vierde lid, Sv voor dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken.

Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt, dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context, aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. Noch op vordering van de officier van justitie, noch overigens.

Naar het oordeel van het hof laat dit zich begrijpen tegen de achtergrond van hetgeen met getuigenbescherming wordt beoogd. Het gaat om adequate bescherming van een persoon bij wie daaraan, door diens optreden in een strafvorderlijke context, behoefte is ontstaan. Het bieden van die bescherming vloeit rechtstreeks voort uit de op de Staat rustende zorgplicht jegens de getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Gelet op die taak- en doelstelling valt te begrijpen dat en waarom de wetgever geen bijzondere grondslag heeft gecreëerd op grond waarvan de rechter in de strafvorderlijke kolom is aangewezen als de tot toetsing van recht- en doelmatigheid van beschermingsmaatregelen bevoegde autoriteit. Dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortspruit uit de medewerking die de getuigen in een strafvorderlijke context hebben verleend maakt dat vanuit deze systematiek bezien niet anders.

Met het voorgaande is tevens verklaard dat een materieel (toetsings-)kader voor de wijze waarop de Staat uit hoofde van zijn zorgplicht aan getuigenbescherming vorm en inhoud geeft in de hierboven aangehaalde regelingen ontbreekt en dat de wet niet meer inhoudt dan dat de minister specifieke beschermingsmaatregelen kan treffen. Wel volgt uit de inhoud van en toelichting op het Besluit dat de beschermingsmaatregelen in directe relatie staan tot de duur van een dreiging. De maatregelen hebben derhalve geen permanent karakter en hebben in beginsel niet tot doel volledig in het levensonderhoud van de betrokken persoon te voorzien.

In het licht van deze heldere begrenzing en afbakening van de verklaringsafspraak roept de in het derde lid van art. 226j Sv aangebrachte beperking op de notificatieplicht van de rechter-commissaris op het eerste gezicht mogelijk verbazing op. Immers, op welke grond bestaat er noodzaak tot het aanbrengen van die beperking als de wettelijke regeling (in het bijzonder artikel 226g Sv) in de kern inhoudt dat beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toezegging en afspraak mogen zijn en reeds daarom niet ter kennis kunnen zijn gekomen van de rechter-commissaris?

De verdediging ziet in de laatstbedoelde bepaling, mede in het licht van wat de wet beoogt te waarborgen en van de wetsgeschiedenis, bevestiging voor de juistheid van de door haar betrokken stelling dat de wetgever ook de toetsing van beschermingsafspraken aan de rechter-commissaris heeft toevertrouwd. In deze visie gaat de toetsing van beschermingsafspraken op in de toetsing van de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de criminele getuige gemaakte afspraak, die in het geval van een positieve beslissing van de rechter-commissaris in strafvorderlijke zin tot stand komt.

Het hof volgt de verdediging in deze lezing en bepleite uitkomst niet.

De wetsgeschiedenis levert –zoals door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] in den brede is uiteengezet - het beeld op van een veeljarig proces dat in twee fasen uiteen valt. Daarbij is sprake geweest van in de loop der tijd wisselende inzichten, zowel aan de zijde van de betrokken ministers als binnen de volksvertegenwoordiging. In het debat over de contouren van een verklaringsafspraak met een criminele getuige is langdurig en indringend stilgestaan bij het verbod tot het doen van financiële toezeggingen aan die getuige. Zo is in de Memorie van Toelichting met verwijzing naar de tekst van artikel 226j, derde lid, Sv het – in de context van de regeling als geheel al moeilijk denkbare – geval beschreven, waarin met de getuige ook afspraken zijn gemaakt over bescherming, die als zodanig deel uitmaken van de voorwaarden die in de verklaringsafspraak worden opgenomen. Het is in het daar bedoelde geval dat strafvorderlijke relevantie ontstaat. Dan zou ook dat onderdeel van de afspraak met het oog op toetsing van de rechtmatigheid van de verklaringsafspraak ter kennis van de rechter-commissaris gebracht dienen te worden.8

Maar noch de bewoordingen van genoemde bepaling, noch de totstandkoming ervan bieden grond voor het oordeel dat die regeling voorschrijft c.q. meebrengt dat ook beschermingsafspraken de verklaringsafspraak hebben te volgen in het strafvorderlijke traject van rechtmatigheidstoetsing.

Grammaticale beoordeling van de bepaling kan niet tot de conclusie leiden dat aan de rechter-commissaris een toetsende rol is opgedragen. Aangenomen moet worden dat de wetgever een bepaling waarin een bevoegdheid aan een rechterlijke autoriteit wordt toegekend op heldere en toegankelijke wijze redigeert. Op geen enkele wijze kan artikel 226j, derde lid, Sv zo worden gelezen dat daarin een toetsende rol aan de rechter-commissaris wordt gegeven. Reeds daarom kan de conclusie worden getrokken dat de rechter-commissaris deze bevoegdheid niet heeft. Het hof is voorts van oordeel dat de wetssytematische benadering die de verdediging toepast in het algemeen een te smalle basis vormt om het bestaan van een strafvorderlijke bevoegdheid aan te nemen. In dit concrete geval vergt het standpunt van de verdediging bovendien teveel speculatieve redeneerstappen. In de kern houdt dit immers in dat de instructie om de inhoud van getuigenbeschermingsmaatregelen niet ter kennis te brengen van de verdachte de bevoegdheid c.q. opdracht impliceert om deze maatregelen (steeds) te toetsen. Het enkele feit dat uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat is gedebatteerd over de plaats van getuigenbescherming in de wettelijke regeling en dat daarbij de vraag aan de orde is geweest of hierbij een rol van de rechter gewenst is, kan het gat in deze redenering niet dichten.

Kortom, voor het ontstaan van de hierboven bedoelde verbazing bij lezing van artikel 226j, derde lid, Sv bestaat welbeschouwd geen grond.

Zo bezien sluit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gesloten verklaringsovereenkomsten aan op het in paragraaf 2.4. van de Aanwijzing verwoorde en aan de wet ontleende uitgangspunt: maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming dienen los te worden gezien van de onderhandelingen over en totstandkoming van de toezegging, ook al wordt met zoveel woorden onderkend dat dergelijke maatregelen veelal door de getuige als onderdeel van de toezegging worden beschouwd.

In het licht van het voorgaande treedt het hof niet in de beoordeling van de wijze waarop de getuigenbescherming vorm en inhoud heeft gekregen. Dat geldt ook voor de gestelde onrechtmatigheid van de omstandigheden dat de kroongetuige inspraak heeft gekregen in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsvindt en dat hem ten aanzien van die bescherming een geheimhoudingsverplichting is opgelegd. Het komt het hof overigens voor dat zowel het een als het ander aan het aangaan van een beschermingsovereenkomst niet als wezensvreemd kunnen worden beschouwd.

2.1.2.2.4 Ongeoorloofde toezeggingen?

2.1.2.2.4 Het verweer

Door de verdediging is betoogd dat het Openbaar Ministerie, in afwijking van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte verklaringsafspraken en van hetgeen overigens door vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie dienaangaande is gerelateerd en verklaard, aan deze kroongetuigen toezeggingen heeft gedaan die het karakter hebben van (financiële) beloning voor het afleggen van hun getuigenverklaringen. Dit geldt ook voor de getuige [getuige 1] .

Aldus zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet aan ieder van hen meer of minder verkapte financiële beloningen toegezegd die achter het door het Openbaar Ministerie gelegde rookgordijn van getuigenbescherming aan het zicht van het hof en de verdediging zijn onttrokken. Het gevolg daarvan is dat aan ieder van hen een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onjuiste informatie is verstrekt. Daardoor is het niet althans onvoldoende mogelijk om de betrouwbaarheid van de door ieder van hen afgelegde verklaringen te beoordelen, aldus de verdediging. In deze sleutel geplaatst heeft de verdediging dit verweer in onderdelen doen uiteenvallen, zoals hiervoor weergegeven.

De verdediging leidt uit wat wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm of inhoud van ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen af, dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot louter bescherming. Zij dienen te worden gekenmerkt als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. Daarbij heeft de verdediging dit standpunt enigszins gedifferentieerd per getuige. In het bijzonder ten aanzien van de kroongetuige [Peter La S.] is meer informatie beschikbaar gekomen over de volgens de verdediging extreem riante financiële contouren van de ten aanzien van zijn persoon getroffen beschermingsmaatregelen. Voor zover dergelijke aanknopingspunten ontbreken houdt het verweer in dat aan het Openbaar Ministerie niet de vrijheid toekomt te volharden in de hardnekkige weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen.

2.1.2.2.4.2 Bespreking van het verweer

Het verweer beoogt een verbinding te leggen tussen, enerzijds, het strafvorderlijk optreden van het Openbaar Ministerie en de daarmee in het geding zijnde belangen, en, anderzijds, wat dit onder het gezag van het College van procureurs-generaal doet en nalaat in de sleutel van bescherming van (kroon)getuigen, wier verklaringen in de strafvervolging van de verdachte door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht.

Met het verweer worden twee vragen opgeworpen.

De eerste vraag is of hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen reeds de conclusie rechtvaardigt dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet (kunnen) strekken tot bescherming doch (mede) moeten worden beschouwd als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. In dat geval is mogelijk een situatie ontstaan die niet overeenstemt met de wettelijke regeling en die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen.

De tweede vraag is of aan het Openbaar Ministerie de vrijheid toekomt te volharden in de weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen en de interne besluitvorming daarover. In dat verband dient zich de rechtsvraag aan of op het Openbaar Ministerie de gehoudenheid rust om op grond van de (bedoeling van) de wettelijke regeling de (financiële) contouren van de beschermingsmaatregelen ter toetsing aan het hof, althans aan de rechter, voor te leggen.

Het hof zal eerst de laatste als de meest verstrekkende vraag nader bespreken.

Voldoende is komen vast te staan dat zowel ten aanzien van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] , als ten aanzien van de getuige [getuige 1] beschermingsmaatregelen zijn getroffen. In aard en inhoud van die maatregelen is door het Openbaar Ministerie (vrijwel) geen inzicht geboden. De gang van zaken met betrekking tot de bescherming van de kroongetuige [Peter La S.] is in beide feitelijke instanties voorwerp van enig onderzoek geweest. Wat het onderzoek in hoger beroep betreft kan dit blijken uit hetgeen hierna nader uiteen wordt gezet in de gecursiveerde overwegingen.

De gehoudenheid van het Openbaar Ministerie om steeds de (financiële) contouren van getroffen beschermingsmaatregelen aan het hof ter toetsing op rechtmatigheid of doelmatigheid voor te leggen kan niet worden gegrond op de hierboven weergegeven bepalingen. Uit de wettelijke regeling blijkt immers – zoals het hof hierboven heeft overwogen – dat daarin geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige.

Die gehoudenheid volgt evenmin uit de ratio van dat samenstel van bepalingen. De duiding die de verdediging heeft gegeven aan de wet en hetgeen daarmee is beoogd te waarborgen vormt daarvoor geen toereikend aanknopingspunt. Daarbij komt, dat de aard van het onderwerp zich al snel verzet tegen openbaarmaking. Dat getuigen – in de woorden van de verdediging – hun medewerking aan het afleggen van hun verklaringen afhankelijk maken van zicht op hun bescherming doet – wat daarvan overigens zij – die gehoudenheid niet alsnog ontstaan.

Niet in de laatste plaats is nog het volgende van belang. Het enkele feit dat de resultaten van de voor ieder van de (kroon)getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 1] uitgevoerde dreigingsanalyses de Staat hebben genoodzaakt tot het treffen van passende beschermingsmaatregelen maakt niet dat daardoor het onderzoek naar de betrouwbaarheid van hun verklaringen wordt belemmerd. Zij zijn allen als getuigen gehoord, ook ter terechtzitting, waarbij ook aan de verdediging de gelegenheid is geboden aan ieder van hen vragen te stellen. De door de getuigen afgelegde verklaringen zijn, mede tegen de achtergrond van de stukken in het dossier, toetsbaar op de betrouwbaarheid daarvan. Daaraan doet niet af dat de beantwoording van vragen is belet in de gevallen waarin dit afbreuk kan doen aan de effectiviteit van de ten aanzien van ieder van hen getroffen beschermingsmaatregelen. Evenmin valt in te zien dat en op welke grond de verdediging in enig belang is geschaad doordat het Openbaar Ministerie met de getuigen is overeengekomen – wat daarvan ook zij – dat het hen niet is toegestaan om vragen te beantwoorden die raken aan de getroffen beschermingsmaatregelen.

Dit een en ander voert tot de slotsom dat er ook niet in de voorliggende gevallen op grond van de wet een gehoudenheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie bestaat om de (financiële) contouren van de getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken. Niet valt in te zien dat en op welke grond de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten die verplichting alsnog doen ontstaan. Evenmin is het Openbaar Ministerie ertoe gehouden aan het hof inzicht te geven in (het verloop van) de in het Besluit en de Instructie neergelegde procedure. Dit staat ter beoordeling aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die ter terechtzitting aan de rechter verantwoording aflegt over wat door dat Openbaar Ministerie, in het voorkomende geval ook als organisatie, is gedaan en nagelaten.

Vervolgens ligt de eerste vraag ter beantwoording voor: rechtvaardigt hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen de conclusie dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot bescherming, doch (mede) hebben te gelden als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen?

De verdediging heeft uit de resultaten van het gehouden onderzoek, in het bijzonder waar dat betrekking heeft gehad op getuigenbescherming als bron van conflict tussen de kroongetuige [Peter La S.] en de Staat, afgeleid dat aan hem ontoelaatbare, te weten financiële, toezeggingen zijn gedaan, die bovendien op zichzelf beschouwd als extreem riant zijn aan te merken.

Door de verdediging is in het bijzonder aandacht gevraagd voor het gegeven dat aan [Peter La S.] is toegestaan dat hij zelf in zijn bescherming heeft mogen voorzien, waarmee zeer aanzienlijke, door de Staat gefourneerde geldbedragen zouden zijn gemoeid. De verdediging houdt het ervoor dat de Staat in het geval van de kroongetuige [Fred R.] een vergelijkbare weg heeft bewandeld.

Ter terechtzitting van 21 september 2015 heeft het hof overwegingen gewijd aan en beslissingen gegeven op verzoeken van de verdediging. Deze verzoeken strekten tot het verkrijgen van meer zicht op hetgeen door het Openbaar Ministerie in de sleutel van bescherming aan de kroongetuige [Peter La S.] is toegezegd en verstrekt. Omdat die verzoeken, overwegingen en beslissingen sterk samenhangen met dit onderdeel van het gevoerde verweer en de beoordeling daarvan wordt het een en ander hierna, voor zover van belang in dit verband, in cursief weergegeven.

Het hof stelt voorop dat in artikel 226l Sv weliswaar is neergelegd dat de Minister van Justitie de bevoegdheid toekomt om op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen te treffen voor feitelijke bescherming van zekere getuigen en personen, doch een bijzondere, op dergelijke maatregelen betrekkelijke wettelijke regeling, waarin aan de zittingsrechter (al dan niet na een daartoe gevoerd verweer) enige toetsende rol van dergelijke getroffen maatregelen is opgedragen, ontbreekt.

Derhalve zal het hof als zittingsrechter bij de beoordeling van verweren die zien op het aan de verzoeken onderliggende speelveld zich hebben te richten op de in artikel 359a Sv neergelegde regeling van sanctionering van vormverzuimen, vanzelfsprekend naast het aan artikel 6 van het EVRM te ontlenen toetsingskader.

Thans ligt evenwel niét aan het hof de beoordeling en beslissing van verweren, doch wél van aan de hand van de even genoemde maatstaf te beoordelen verzoeken voor. Voor de beoordeling of de noodzaak tot toewijzing van verzoeken zich voordoet geldt steeds als voorwaarde dat hetgeen is verzocht van belang is voor enige, door het hof te nemen beslissing.

2.2.2.

De beoordeling en beslissing

Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226l, eerste lid, Sv bedoelde getuigen ( [Peter La S.] en [Fred R.] ) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen ( [getuige 32] ), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (het samenstel van) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin.

Het hof neemt aan dat de door de raadslieden gewenste openbaarmaking van de in de verzoeken bedoelde onderdelen en aspecten van de inhoud van het samenstel van maatregelen (al dan niet zijnde de vrucht van door de Staat met die getuigen/persoon gemaakte afspraken) per definitie slechts een gefragmenteerd en lacuneus beeld kan opleveren van al hetgeen in de sleutel van bescherming als geheel door de Staat wordt geboden en verricht. Daarbij komt, dat aard, omvang en inhoud van het samenstel van die maatregelen in hoge mate zullen zijn toegesneden op de specifieke situatie waarin ieder van de te beschermen personen (in casu: [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 32] ) verkeert. Voorts mag worden aangenomen dat deze maatregelen rechtstreeks zullen samenhangen met en voortvloeien uit hetgeen de Staat op basis van de op ieder van die personen toegesneden dreigingsanalyse heeft vastgesteld. Wat die dreigingsanalyse betreft neemt het hof in aanmerking dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Bovendien komt in dit verband betekenis toe aan de vaststelling dat deze dreigingsanalyse zich naar haar aard niet voor enige vorm van openbaarmaking in enigerlei mate leent.

Het hof neemt in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en betrekt daarbij wat hiervoor met betrekking tot het processuele kader is overwogen. Dit leidt tot de slotsom dat een door de raadslieden beoogde toetsing door de zittingsrechter van de opportuniteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het samenstel van voor zekere personen getroffen beveiligingsmaatregelen, aan de hand van kennisneming van de inhoud van slechts één of meer onderdelen van dat samenstel van maatregelen, per definitie gemankeerd zal zijn. Immers, niet valt in te zien hoe het resultaat van deze beoordeling van getroffen en mogelijk nog te treffen maatregelen in hun onderlinge verband en samenhang betekenisvol kan zijn als ten aanzien daarvan wél van de inhoud van het één en tegelijkertijd niet ook van het ánder kan worden kennisgenomen.

Daar komt nog bij dat, anders dan bij andere aan de zittingsrechter opgedragen beslissingen, noch een kader voor toetsing noch een maatstaf voor beoordeling bestaat. Dit heeft als achtergrond, zo mag worden aangenomen, de aard van de getuigenbescherming en de onmogelijkheid om daarover, anders dan op zeer beperkte wijze, te rapporteren.

Zo bezien heeft te gelden dat toewijzing van de verzoeken – gelet op het per definitie gefragmenteerde en lacuneuze karakter van de mogelijk daaruit naar voren komende informatie – niet verder zal kunnen bijdragen aan een door de raadslieden beoogde toetsing door het hof zodat daarvoor geen noodzaak bestaat.

Ten aanzien van de getuige [Peter La S.] heeft nog in het bijzonder te gelden dat hetgeen tot dusver door het hof niettemin aan nader onderzoek is opgedragen en vervolgens is verricht rechtstreeks samenhangt met – zeer kort samengevat – het dynamisch verloop van al hetgeen door en over hem naar voren is gebracht c.q. verklaard c.q. was weggelaten, zoals daarvan blijkt uit al hetgeen door het hof is overwogen en beslist ter (regie)terechtzittingen van 13 december 2013, 10 juni 2014, en bekrachtigd op 23 januari 2015.

Het hof merkt in dit verband op dat het primaire object van aanvullend onderzoek en nadere verantwoording ten aanzien van getuigenbeschermingsmaatregelen het gestelde conflict tussen [Peter La S.] en de Staat was. Dit riep vragen op ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van zijn verklaringen waarna het hof binnen de grenzen van de in artikel 187d Sv bedoelde belangen onderzoekshandelingen heeft bevolen, die, na enige aanloopproblemen, zijn uitgevoerd.

Het is op grond van de inhoud van in eerste aanleg gevoerde verweren en de eerder in hoger beroep gedane en thans voorliggende verzoeken niet ondenkbaar dat door of namens de verdachten te zijner tijd verweren zullen worden gevoerd die inhoudelijk zullen samenhangen met de inhoud van de voorliggende verzoeken.

Zo bestaan aanknopingspunten om te veronderstellen dat zal worden betoogd dat aan het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging dient te worden ontzegd, of dat verklaringen die door de beschermde getuigen zijn afgelegd van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De onderbouwing daarvan zal mogelijk bestaan in de argumenten dat per definitie en/of op grond van hetgeen ter zake feitelijk wél en/of niét is gebleken over achtereenvolgens beschermingskaders, (toegezegde) prestaties door de Staat en de wijze van verantwoording daaromtrent door het openbaar ministerie, het aan toetsing door het hof als zittingsrechter onttrokken zijn van de totstandkoming en/of inhoud van beschermingsafspraken met [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 32] (als getuigen/persoon in de betekenis van art. 226l Sv) deze sanctionering dienen mee te brengen.

Daarmee is de noodzaak tot de opdracht aan de advocaat-generaal tot het ter tafel doen brengen van (meer) informatie over de totstandkoming of inhoud van de ten aanzien van de even genoemde personen getroffen maatregelen evenwel niet gegeven.

Aan het kunnen voeren van dergelijke verweren kan – gelijk hiervoor is uiteengezet – ontsluiting van slechts onderdelen van een op verschillende personen toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen in redelijkheid niet bijdragen. Daarom is - ook bezien in het perspectief van het verdedigingsbelang - de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen mrs. [officier van justitie 1] en [officier van justitie 3] (voor zover hun verhoor is verzocht met het oog op nadere informatieverstrekking over de inhoud van getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen) noch tot het geven van de door de verdediging verzochte opdrachten tot nadere informatieverstrekking aanwezig, zodat het hof deze verzoeken afwijst.

De raadsman van [Jesse R.] heeft, zoals hiervoor reeds beschreven, ook verzocht om de personen [officier van justitie 1] en [officier van justitie 3] te doen oproepen met het oog op een verhoor tegen de achtergrond van de door de raadsman gesignaleerde verschillen tussen de zogeheten intentieverklaring financiële bepalingen 2007 en de overeenkomst op hoofdlijnen 2009 met betrekking tot de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen. Kennelijk zijn, aldus de raadsman, andere kaders gehanteerd dan de in dit verband vigerende kaders voor besluitvorming. De raadsman wil weten of er andere kaders in de besluitvorming zijn betrokken en zo ja, welke inhoud deze hebben. Daarnaast gaat zijn interesse uit naar de betrokkenheid van hogere echelons binnen het openbaar ministerie bij de inhoud van de daarover opgemaakte processen-verbaal.

De raadsman heeft daarbij betrokken zijn observaties dat het openbaar ministerie over de inhoud van deze documenten niet telkens op dezelfde wijze en met dezelfde inhoud in de strafzaak van zijn cliënt [Jesse R.] heeft gecommuniceerd. Hij heeft in dat verband als zijn mening te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie stelselmatig onjuist is geweest.

De advocaat-generaal heeft zich, op basis van een andere lezing van de relevante processen-verbaal en op grond van een waardering van de reeds over [Peter La S.] prijsgegeven informatie, tegen toewijzing van de verzoeken verzet.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Gedurende de gedingfase in eerste aanleg zijn diverse processen-verbaal van officieren van justitie belast met getuigenbescherming of criminele inlichtingen ingebracht met als onderwerp de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen beschermingsmaatregelen. Voorts is op bevel van het hof een officier van justitie (mr. [officier van justitie 1] ) meermalen gehoord, waarbij deze functionaris als getuige tweemaal effectief door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] kon worden ondervraagd.

Aldus is door het openbaar ministerie informatie verstrekt en verantwoording afgelegd, zij het op een naar de mening van de raadsman ontoereikende wijze.

Het hof stelt vast dat de voor de besluitvorming binnen het openbaar ministerie relevante regelgeving volledig bekend is. Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 226l Sv en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en, in ruimere zin, de wettelijke kroongetuigenregeling en de toepasselijke, gepubliceerde, beleidsregels van het openbaar ministerie. De raadsman is blijkens de gegeven toelichting op zoek naar overige normerende kaders die, hoewel niet bekend gemaakt, zijn gehanteerd bij de interne besluitvorming en bij de verslaglegging daarover.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat de loop van de interne besluitvorming binnen het openbaar ministerie (door de raadsman in zijn verzoek ook wel getypeerd als “hoe de hazen hebben gelopen”) zich in het algemeen niet leent voor enige uitleg of verantwoording in het kader van strafvordering. Het verzoek, in de kern inhoudend dat ook niet-kenbare “kaders” (met inbegrip van hun boven- en ondergrenzen) worden geopenbaard, staat op gespannen voet met dit uitgangspunt.

Het hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden verstaan dat de raadsman verweren heeft gevoerd en opnieuw zal voeren die zijn gebaseerd op de stelling dat in strijd met toepasselijke rechtsregels de getuigenbescherming van [Peter La S.] is vormgegeven en dit bovendien in problematische verhouding staat tot de met hem gesloten zogenoemde kroongetuigendeal.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze verweren, die zien op de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie in brede zin, op basis van hetgeen thans beschikbaar is, gevoerd worden. Dit kan ook blijken uit de door de raadsman op het verzoek gegeven toelichting, die klaarblijkelijk vertrekt vanuit de door het openbaar ministerie geproduceerde processtukken. De aanvullende informatie dient, zo begrijpt het hof, betrekking te hebben op de totstandkoming van besluiten binnen de gelederen van het openbaar ministerie.

Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien wat, in het licht van zowel de door hem aan de verzoeken verbonden toelichting als de, naar verwachting, te voeren verweren de toegevoegde waarde kan zijn van hetgeen de raadsman heeft verzocht.

Ook op deze gronden wordt het verzoek dat strekt tot nadere informatieverstrekking, primair in de vorm van een verhoor van mrs. [officier van justitie 1] en [officier van justitie 3] als getuigen en subsidiair in de vorm van een bevel van het hof aan de advocaat-generaal tot toevoeging van nadere bescheiden, bij gebrek aan noodzaak afgewezen.

Het hof stelt voorop dat de, hiervoor weergegeven, ter terechtzitting van 21 september 2015 gebezigde overwegingen evenzeer betekenis hebben voor de beantwoording van de vraag of wat omtrent beschermingsmaatregelen wél tijdens het strafgeding is gebleken de conclusie schraagt dat de Staat verboden financiële toezeggingen heeft gedaan.

Immers, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen heeft gesteld, is daarmee niet meer dan een gefragmenteerd en lacuneus beeld gevormd van al hetgeen in de sleutel van bescherming door de Staat wordt geboden en verricht. Anders gezegd: het op de te beschermen persoon toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen kan – nog daargelaten de beantwoording van de vraag naar het te hanteren beoordelingskader – op grond van één of meer daarvan geïsoleerde onderdelen strafvorderlijk niet betekenisvol worden geduid. Reeds daarom kan te minder worden aangenomen dat het niet anders kan zijn, dan dat de door de Staat onder de vlag van bescherming jegens [Peter La S.] verrichte inspanningen zich bewegen boven de grens van hetgeen in termen van bescherming als adequaat heeft te gelden en aangemerkt dient te worden als financiële tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. In het verlengde van het voorgaande onthoudt het hof zich voorts van het geven van een oordeel over het bieden van inspraak in en toestaan van zelfredzaamheid bij de vormgeving van de bescherming, met dien verstande dat die factoren niet meebrengen dat daarmee tekort wordt gedaan aan rechtens te respecteren belangen van de verdachte. Op basis van de resultaten van het door het hof aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek, waarover zij bij proces-verbaal van 31 maart 2015 heeft gerapporteerd valt voorts niet in te zien dat door het Openbaar Ministerie misleidende informatie is verstrekt.9

De slotsom dient derhalve te luiden dat noch het enkele uitblijven van een rechterlijke toetsing van (toegezegde) prestaties in het kader van getuigenbescherming van de zijde van de Staat, noch de ontbrekende nadere verantwoording daaromtrent door het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk verzuim of een schending van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces oplevert. Het is denkbaar dat dit oordeel anders uitvalt in het hypothetische geval waarin blijkt van feiten en omstandigheden die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt of toezeggingen doet die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat althans van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle. Van aanknopingspunten voor het bestaan van dat hypothetische geval is niet gebleken, ook niet waar het gaat om hetgeen, naar is gebleken, in de sleutel van bescherming door het Openbaar Ministerie is ondernomen en verricht.

Het hof merkt ten overvloede het volgende op.

De verdediging maakt zich nadrukkelijk sterk voor rechterlijke toetsing, ook van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de (financiële) contouren van door het Openbaar Ministerie ten aanzien van (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen. Hoewel wellicht voor het introduceren van een dergelijke toetsing argumenten denkbaar zijn, merkt het hof in de eerste plaats andermaal op dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Zo bezien is het soortelijk gewicht van de uitkomst van die voorgestane door de rechter-commissaris te verrichten toetsing relatief gering, omdat die statische toetsing in het concrete geval slechts in (zeer) beperkte mate effectief zal kunnen zijn. Dat geldt ook voor een toets ten aanzien van het pakket aan maatregelen dat bij aanvang van het beschermingstraject wordt genomen, zoals door de raadsman als subsidiaire oplossing is bepleit. Voorts overweegt het hof dat het pleidooi van de verdediging voor een rechterlijke toetsing kennelijk in belangrijke mate is ingegeven door een gebrek aan vertrouwen in de effectiviteit en waarachtigheid van de bestuurlijke controle die in het Besluit getuigenbescherming is neergelegd.

2.1.2.2.5 De kroongetuige [Peter La S.] : de verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel

2.1.2.2.5 Het gevoerde verweer

Dit onderdeel van het verweer stelt de onderliggende vraag aan de orde of, en zo ja op welke wijze de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken een beperking heeft aangebracht op de tot het opportuniteitsbeginsel te herleiden vrijheid van het Openbaar Ministerie om van strafvervolging af te zien. De verdediging heeft tot uitgangspunt genomen dat de wetgever met die wet een gesloten systeem voor toezeggingen aan criminele getuigen in het leven heeft willen roepen. Naast de in artikel 226g, lid 4, Sv bedoelde kleine gunsten vormt de in het eerste lid van die bepaling neergelegde bevoegdheid tot het doen van de toezegging aan de kroongetuige dat in zijn zaak strafvermindering zal worden gevorderd het exclusieve hart van de wettelijke regeling. Andere toezeggingen aan de kroongetuige zijn op grond van die regeling en gelet op wat de wetgever daarmee heeft beoogd te waarborgen niet toegelaten.

Het staat het Openbaar Ministerie daarom niet vrij om af te zien van strafvervolging of voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan een kroongetuige met een beroep op het opportuniteitsbeginsel, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft hier tegenover gesteld dat er geen sprake is van een gesloten systeem. In navolging van minister Donner, die tijdens de tweede fase van de parlementaire behandeling in 2004 en 2005 zijn opvattingen heeft geuit, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de wetgever alleen een regeling heeft willen bieden voor toezeggingen ter zake van strafvermindering. De regeling is evenwel niet exclusief en is ook niet gegeven met de intentie deze exclusief te laten zijn. Daarom zouden overige toezeggingen op grond van het opportuniteitsbeginsel toelaatbaar zijn gebleven.

2.1.2.2.5.2 Bespreking van het verweer

2.1.2.2.5.2 Inleidend

De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken kent een lange wordingsgeschiedenis. Reeds ten tijde van de behandeling van de rapporten van de parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van Van Traa in 1996 werd het belang van een wettelijke regeling over dit onderwerp onderkend. Vervolgens heeft de behandeling van het wetsontwerp vanaf de indiening ervan bij de Tweede Kamer in 1998 tot aanvaarding in de Eerste Kamer ongeveer zeven jaar geduurd. Daarbij is gebleken dat binnen de Tweede Kamer opvattingen leefden die kort gezegd inhielden dat de bevoegdheid van de officier van justitie om afspraken te maken met criminele getuigen strikt beperkt diende te blijven tot het toezeggen van een neerwaarts bijgestelde strafeis. Dit heeft onder meer geleid tot aanvaarding van het amendement Rouvoet-Van der Staaij op 5 juli 2001, waarmee een laatste volzin werd toegevoegd aan het eerste lid van artikel 226g Sv. Hierin werd de beoogde beperking expliciet tot uitdrukking gebracht. De minister had dit amendement overigens als overbodig gekwalificeerd omdat hij het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt deelde.

Na aanvaarding van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heeft het wetgevingsproces enkele jaren stilgelegen waarna het in 2004 weer op gang kwam. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van 8 september 2004 werd de discussie over de exclusiviteit van de wettelijke regeling zoals die al was aanvaard, hernomen. De standpunten van de parlementariërs liepen sterk uiteen. Dat dit een problematische situatie opleverde werd door de minister in dat debat gesignaleerd. Hij wees op de complicatie dat het oorspronkelijk wetsontwerp nog door de Eerste Kamer moest worden behandeld terwijl tegelijkertijd over de wettelijke regeling een fundamenteel debat in de Tweede Kamer was ontstaan. Dit vormde mede de aanleiding om een brief toe zeggen.

Meest in het oog springende gevolg van het heropende debat voor de wettekst is dat de maximaal toe te zeggen strafvermindering werd verruimd van een derde naar de helft van de zogeheten basisstrafeis. De discussie over de positie van het opportuniteitsbeginsel mondde niet uit in enige alternatieve vorm van redactie van de reeds door de Tweede Kamer aanvaarde wet.

In de brieven aan de voorzitters van de Eerste Kamer en van de Tweede Kamer van respectievelijk 18 maart 2005 en 12 april 2005 heeft de minister vervolgens zijn zienswijze neergelegd. Daarbij werd een driedeling gemaakt in typen toezeggingen:

1) toezeggingen waarvoor een wettelijke regeling nodig is; dit betreft uitsluitend afspraken over strafvermindering, want het Openbaar Ministerie maakt volgens de minister in zo’n geval afspraken met consequenties voor de beslissingsruimte van de rechter;

2) niet toelaatbare toezeggingen: toezeggingen van immuniteit (sepotverbod) en toezeggingen omtrent de omvang van de tenlastelegging;

3) toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke regeling nodig is en waarvoor de ruimte moet worden geformuleerd waarbinnen deze kunnen worden gedaan. Dit moet in de aanwijzing geschieden waarin het Openbaar Ministerie zichzelf beperkingen oplegt. Dit betreft bevoegdheden die het Openbaar Ministerie reeds heeft en die behoren tot de beleids- en beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De basis hiervoor is gelegen in het reeds aanvaarde artikel 226g lid 4 Sv dat het zogeheten kleine gunstbetoon van een wettelijke basis voorziet. Ingeval van een uitdrukkelijk en causaal verband met de verklaringsbereidheid van de getuige dient hierover bij proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd.

Ook in de Eerste Kamer vroegen diverse leden aandacht voor de reikwijdte van de bevoegdheid van de officier van justitie om toezeggingen te doen. Daarbij waren veel kritische geluiden te horen over het standpunt van de minister dat aanzienlijk anders luidde dan dat van zijn voorganger die het eerder aanvaarde wetsontwerp bij de Tweede Kamer had ingediend. De minister nam in lijn met de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven het standpunt in dat het opportuniteitsbeginsel de ruimte biedt aan de officier van justitie om andere toezeggingen te doen dan alleen die van een aangepaste strafeis. Na een intensief debat, dat, voor zover het hof uit de parlementaire stukken kan opmaken, zonder duidelijke conclusies eindigde en waarbij noch de minister noch enige senator van standpunt veranderde, werd de wet ongewijzigd aangenomen met de aantekening dat diverse fracties werden geacht te hebben tegengestemd.

Wat de bedoelingen van de wetgever betreft kan worden vastgesteld dat de beide Kamers van de Staten-Generaal respectievelijk de betrokken ministers, elk in de hoedanigheid van medewetgever, hun accenten hebben gelegd die niet (zonder meer) met elkaar te verenigen zijn.

Bij de interpretatie van de wet kunnen, zo blijkt uit het ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gevoerde debat, ver uiteen liggende standpunten worden ingenomen. Op het ene uiterste van het spectrum bevindt zich de uitleg dat geen andere afspraak mag worden gemaakt dan die strekkend tot strafvermindering. Aan de andere kant van het spectrum leeft de opvatting dat het enige type afspraak dat een wettelijke regeling behoefde en daarom heeft gekregen die van strafvermindering is.

Dat de praktijk van opsporing en vervolging voor deze complicaties zou kunnen worden geplaatst werd reeds door de Eerste Kamer op 8 maart 2005 en 10 mei 2005 voorzien. Maar de gedachte dat “het betere niet de vijand van het goede” mocht worden is mede leidend geweest bij de uiteindelijke aanvaarding van het wetsvoorstel.

Het diffuse parlementaire debat heeft zich in het kader van het Passageproces herhaald ten overstaan van de strafrechter in twee feitelijke instanties. In die zin is de verwachting die senator Rosenthal uitsprak tijdens de behandeling van het wetsontwerp op 10 mei 2005 bewaarheid.

De raadsman van [Jesse R.] heeft een punt waar hij spanning signaleert tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Met name indien gekozen wordt voor een min of meer restrictieve uitleg van de bevoegdheden van de officier van justitie kan worden geconcludeerd dat de Aanwijzing minst genomen op gespannen voet staat met de wet. Dat de wetsgeschiedenis voor deze conclusie aanknopingspunten biedt kan uit het voorgaande voldoende blijken.

Aan die raadsman kan ook worden toegegeven dat aan het uitblijven van reacties uit het parlement op sleutelmomenten, zoals dat van toezending van de Aanwijzing kort voor de inwerkingtreding ervan, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de uitleg van de bedoelingen van de wetgever.

Minder voor de hand liggend acht het hof het standpunt van die raadsman dat voor de uitleg van de exclusiviteit van de wettelijke regeling uitsluitend, althans in beslissende mate, uitgegaan dient te worden van de in de eerste fase ingenomen standpunten. Het gaat dan om de opvattingen die door minister en Tweede Kamerleden zijn geuit ten tijde van de aanvaarding van het amendement waarin is beoogd deze exclusiviteit tot uitdrukking te brengen. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom aan de geheel andersluidende uitleg van de minister, die hij in overeenstemming achtte met de wettekst, geen betekenis toekomt. Datzelfde geldt voor de gedachtewisseling in de Tweede Kamer in 2004 waarin door enkele leden een geheel ander licht werd geworpen op de reeds door die Kamer aanvaarde wet. Dat de kwaliteit van hun inbreng niet het door die raadsman verlangde niveau had is niet relevant voor het relatieve gewicht ervan. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat het parlementaire debat in beide kamers van de Staten-Generaal weliswaar fel is geweest maar niet tot ondubbelzinnige conclusies, laat staan verduidelijking op het niveau van de wet zelf, heeft geleid. Integendeel, er bestonden niet alleen conflicterende opvattingen onder de actoren. Ook werd onder ogen gezien dat deze verschillen van inzicht tot uitvoeringsproblemen zouden kunnen gaan leiden. Dat was voor enkele in het wetgevingsproces betrokkenen tevens reden om te wijzen op het belang van nadere wet- en regelgeving.

Nog problematischer wordt het als de zeer uiteenlopende, uit de wetsgeschiedenis blijkende, opvattingen in verband worden gebracht met de uiteindelijk gepubliceerde tekst van artikel 226g Sv. Deze bevat enerzijds een eerste lid dat de basis biedt voor een afspraak met de criminele getuige die uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering. Anderzijds is er sprake van een vierde lid waarin het kleine gunstbetoon is geregeld. Dit biedt de mogelijkheid voor het maken van afspraken die niet kunnen worden aangemerkt als afspraken over strafvermindering. Als de parlementaire geschiedenis van enige afstand wordt aanschouwd, biedt ook de reikwijdte van dit vierde lid ruimte voor debat.

Het hof wijst in aanvulling op het voorgaande erop dat de wetgever zich in juridische zin niet laat compartimenteren als de wil van de wetgever moet worden onderzocht om de doelen van een wet op te helderen. Daar komt in dit geval bij dat gedurende het wetgevingsproces door diverse actoren is onderkend dat het brede spectrum aan opvattingen de totstandkoming van de wet heeft gecompliceerd en ook de wetstoepassing zou kunnen gaan compliceren. De wetgever heeft ondanks deze omstandigheden niet willen verhinderen dat de wet in zijn huidige vorm toch tot stand kwam.

Naar het oordeel van het hof dient tegen deze achtergrond de slotsom te zijn dat de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd.

Hoewel de door verdediging en advocaat-generaal ingenomen standpunten zich niet alle lenen voor een volledige beantwoording van de achterliggende rechtsvragen door het hof kan er toch van worden uitgegaan dat de wetgever in elk geval enkele uitgangspunten heeft gehanteerd die leidend zijn gebleven bij de gehele parlementaire behandeling. Deze dienen dan ook het kader te vormen voor de door het hof aan te leggen maatstaven.

  1. De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen.

  2. Er mogen voorts geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging.

  3. Daarnaast heeft de wetgever een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht.

Bij de bespreking van de betekenis van getuigenbeschermingsmaatregelen heeft dit laatste punt in het voorgaande al een rol in de beoordeling gespeeld. Bij de hierna nog te geven beoordeling van andere verweren zullen daarnaast de eerste twee genoemde uitgangspunten van belang zijn.

2.1.2.2.5.2.2 De omvang van de strafvervolging in relatie tot de verklaringsafspraak

Het hof ontleent aan de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken dat het Openbaar Ministerie bij toepassing van die regeling geen immuniteitstoezegging aan een kroongetuige mag doen. De omvang van de strafvervolging noch de inhoud van de tenlastelegging mogen in dat verband onderwerp van enige toezegging zijn. Dit betekent dat het, zoals in elke strafzaak, geheel aan de officier van justitie is om te bepalen voor welke feiten hij de getuige met wie hij een afspraak maakt, vervolgt. Hierop wordt hierna nader ingegaan.

Dit betekent ook dat deze regeling geen beperking heeft aangebracht op de in het tweede lid van artikel 167 Sv aan het Openbaar Ministerie toegekende vrijheid om van vervolging af te zien. Dit is nogmaals tot uitdrukking gebracht in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Paragraaf 5 van de Aanwijzing biedt een opsomming van de gevallen waarin en de onderwerpen waarover de officier van justitie aan een kroongetuige geen toezeggingen mag doen. Voor zover hier van belang is in die paragraaf onder 2. vermeld dat de officier van justitie geen toezegging mag doen met betrekking tot het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.10

Reikwijdte en strekking van de in de Aanwijzing neergelegde beleidsregels laten zich goed begrijpen, zowel vanuit de betekenis van het opportuniteitsbeginsel als vanuit de ratio van de wettelijke begrenzing van de ruimte waarbinnen de officier van justitie rechtmatig toezeggingen kan doen. Het ligt immers niet in de rede dat het enkele feit dat de officier van justitie met een criminele getuige tot een verklaringsafspraak probeert te komen, impliceert dat de officier van justitie verplicht is tegen die getuige een vervolging in te stellen ter zake van strafbare feiten, waarvan hij buiten de context van zo’n afspraak, op gronden aan het algemeen belang ontleend, zou hebben afgezien. Anders gezegd: (het toezeggen van) een beloning aan de criminele getuige in de vorm van een neerwaarts bijgestelde strafeis roept voor de officier van justitie geen opdracht tot vervolging in het leven ter zake van feiten waarvan hij bij geïsoleerde beoordeling op bewijstechnische dan wel beleidsmatige gronden van vervolging zou afzien. Voor de juistheid van deze interpretatie is ondubbelzinnige steun te vinden in de parlementaire geschiedenis van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken.11

In de Memorie van toelichting valt onder meer te lezen:

Ik ga ervan uit dat het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie

op de thans gebruikelijke wijze wordt toegepast en dat de bestaande

normering van de vervolgingsbeslissing in stand blijft. Dit betekent voor

de onderhavige materie dat de aard en de ernst van de aan het openbaar

ministerie ter kennis gekomen feiten bepalend zijn voor de vervolgingsbeslissing.

De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en

strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is,

dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken

geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin

het aanbieden van transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel

te worden gedaan. Dergelijke feiten dienen in het kader van een te maken

afspraak buiten beschouwing te blijven. Anders zou immers aan de

getuige een voordeel in het vooruitzicht worden gesteld, dat geen reëel

voordeel is, doch de uitkomst van het normale afwegingsproces dat aan

de vervolgingsbeslissing vooraf gaat.

In zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 heeft de minister het volgende geschreven:

Bij het opstellen van het wetsvoorstel is steeds uitgangspunt geweest dat

ten aanzien van een verdachte eerst de gebruikelijke vervolgingsbeslissing

op basis van het bestaande vervolgingsbeleid wordt genomen en dat

onaanvaardbaar is dat een verdachte in het geheel aan vervolging zou

kunnen ontkomen door het afleggen van een belastende verklaring. Er

moet uiteraard wel sprake zijn van een verdachte met een vervolgbare

zaak. Indien er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling heeft de

officier van justitie geen onderhandelingsbasis; er is dan geen reële tegenprestatie

van de zijde van het openbaar ministerie. 12

Over dit uitgangspunt van de minister is gedurende de parlementaire behandeling geen discussie geweest. Wel is meermalen uitgebreid stilgestaan bij de consequentie van dit uitgangspunt, namelijk dat de officier van justitie niet mag onderhandelen over de inhoud en omvang van de tenlastelegging, noch daarover toezeggingen mag doen.

Op dit zogeheten immuniteitsverbod heeft de verdediging onder meer bij pleidooi gewezen. Het opportuniteitsbeginsel zou hiermee aan banden zijn gelegd. Daarbij wordt evenwel over het hoofd gezien dat deze normering of begrenzing van de discretionaire ruimte van de officier van justitie uitsluitend betrekking heeft op vervolgingsbeslissingen die zijn genomen bij wijze van toezegging. Dit heeft de wetgever ook voor ogen gestaan bij zijn beschouwingen over de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.

In geen van de stadia van de behandeling van het wetsontwerp heeft de wetgever enige begrenzing van het opportuniteitsbeginsel als zodanig voor ogen gestaan.

Nu de verdediging heeft gewezen op bepaalde, tegen de kroongetuige [Peter La S.] gerezen verdenkingen die telkens het instellen van strafvervolging zouden hebben gerechtvaardigd zal het hof hebben na te gaan of de beslissingen van het Openbaar Ministerie om van vervolging af te zien in strijd zijn geweest met de (bedoeling van) de wettelijke regeling. Immers, wanneer komt vast te staan dat de stelling van de verdediging hout snijdt, ligt vervolgens ter beantwoording voor de vraag of de wijze waarop ten aanzien van die kroongetuige telkens invulling is gegeven aan het vervolgingsbeleid op één lijn moet worden gesteld met ongeoorloofde toezeggingen tot het verlenen van immuniteit (door de raadsman van [Jesse R.] aangeduid als “verkapte immuniteitstoezeggingen”).

Waar het gaat om de door het hof aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van de vervolgingsbeslissing in de sleutel van het gevoerde verweer knoopt het hof aan bij door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot de beoordeling van de beslissingen waarbij de vervolging wél is ingesteld of wordt voortgezet. Volgens die vaste rechtspraak leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.

Toegespitst op het zich hier voordoende spiegelbeeldige geval, waarin het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van vervolging zal het hof met inachtneming van de bij zijn beoordeling in het algemeen te betrachten terughoudendheid een toets hebben uit te voeren. De daarbij te hanteren maatstaf luidt of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien, waarbij dat lid wordt geacht de door strafrechtelijke handhaving te beschermen belangen in zijn afweging betrokken te hebben.

Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert, terwijl de vigerende beleidskaders die de beslissingen in het kader van opsporing en vervolging nader normeren, ook in het geval van de criminele getuige op overeenkomstige wijze de beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie normeren en beperken.

2.1.2.2.5.2.3 [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10]

Wat betreft de beslissingen om [Peter La S.] niet separaat te vervolgen voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] acht het hof de toelichting die is gegeven door de advocaat-generaal bij repliek toereikend in het licht van de hiervoor gegeven beoordelingsmaatstaf. Onder verwijzing naar de toelichting van de officier van justitie heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat ten aanzien van [slachtoffer 11] alleen de eigen verklaring van [Peter La S.] belastend was. Bij [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] zou het stadium van strafbare voorbereidingshandelingen niet zijn bereikt.

Voorts is meegedeeld dat het Openbaar Ministerie [Peter La S.] wel als strafbare deelnemer aan een criminele organisatie heeft beschouwd. Echter, zowel de strafbare als de niet strafbare doch wel laakbare handelingen waren al verdisconteerd in de basisstrafeis waardoor aparte

vervolging vanwege deelneming aan een criminele organisatie van weinig toegevoegde waarde werd geoordeeld. Ook deze beslissing kan de uit te voeren marginale toetsing doorstaan.

Het hof merkt voorts op dat waar het de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] betreft zelfs met zoveel woorden aan [Peter La S.] kenbaar is gemaakt dat er op grond van een zelfstandige afweging geen vervolging zal plaatsvinden wegens gebrek aan bewijs. Dit blijkt uit het verslag van het gesprek dat officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] hebben gehad op 22 november 2006. Tijdens dat gesprek, waarvan delen verbatim zijn uitgewerkt, heeft mr. [officier van justitie 2] meegedeeld dat [Peter La S.] niet zal worden vervolgd wegens “gewoon onvoldoende bewijs” en dat vervolging daarom niet mogelijk is “ook al zouden we dat willen”. Mr. [officier van justitie 2] laat in dat verband de term “immuniteitsverbod” ook vallen.13 Hierin is een sterke aanwijzing gelegen dat de officier van justitie bij het aangaan van de afspraak dit wettelijke uitgangspunt heeft gehanteerd, ook buiten de beoordeling van de zaak- [slachtoffer 11] .

2.1.2.2.5.2.4 [Peter La S.] en de aanslag op [slachtoffer 15]

Het hof stelt voorop, dat op het moment van het maken van de verklaringsafspraak de verbinding tussen [Peter La S.] en dit feit door de officier van justitie in het geheel nog niet kon worden gelegd, met gevolg dat dit feit reeds om die reden geen onderwerp van bespreking of aanspraak kon zijn. Daarbij komt het volgende.

In de loop van de tijd die op de aanslag (gepleegd in 2000) is gevolgd zijn door meer personen inhoudelijk wisselende verklaringen afgelegd. In essentie is het door verscheidene personen vertelde verhaal dat [Peter La S.] degene is geweest die anderen ertoe heeft gebracht om op [slachtoffer 15] een aanslag te plegen. De ontwikkeling van die verklaringen over opdrachtgever(s) levert als het resultaat van onderzoek niet meer dan – in de woorden van de officier van justitie – een brij van onduidelijkheden op.14 Die uiteenzetting volgend en de duiding ervan begrijpend kan worden geoordeeld dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie in redelijkheid van het instellen van vervolging heeft kunnen afzien.

2.1.2.2.5.2.5 [Peter La S.] en de gewelddadige dood van [slachtoffer 13]

Met betrekking tot de door de verdediging veronderstelde strafbare betrokkenheid van [Peter La S.] bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] overweegt het hof het volgende.

Uit de schriftelijke verklaringsafspraak (paragraaf 1.5) van 20 februari 2007 met [Peter La S.] volgt, dat hij voor zijn rekening neemt dat de inhoud van zijn eerder afgelegde verklaringen, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal die als bijlagen zijn gevoegd, volledig op waarheid berust. In het proces-verbaal van 31 oktober 2006 heeft [Peter La S.] als getuige verklaard over o.m. hetgeen hij heeft meegemaakt en ondervonden met betrekking tot gedragingen van o.a. [Jesse R.] in relatie tot de dood van die [slachtoffer 13] . De onderbouwing van dit onderdeel van het verweer houdt niet in dat ook ten tijde van de totstandkoming van de verklaringsafspraak er voor het Openbaar Ministerie aanknopingspunten bestonden voor het richten van het vervolgingsvizier op [Peter La S.] . Dit onderdeel van het verweer houdt wel het verwijt aan de officier van justitie in dat hij tegen beter weten in is blijven afzien van strafvervolging tegen [Peter La S.] terwijl feiten en omstandigheden aan het licht waren gekomen die (in weerwil van de verklaringen van [Peter La S.] ) wezen op diens strafbare betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] .

Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer aldus dat het Openbaar Ministerie onwaarachtig is blijven vasthouden aan de afspraak met [Peter La S.] terwijl de ontbinding daarvan (paragraaf 3.1) in de rede lag. Zodoende is het Openbaar Ministerie [Peter La S.] ten onrechte blijven begunstigen.

Het hof stelt voorop, dat in het licht van de gegeven toelichting de verdediging er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat het hof de vraag beantwoordt of er voor de officier van justitie termen aanwezig (kunnen) zijn voor het ontbinden dan wel niet of onvolledig nakomen van de met [Peter La S.] gemaakte verklaringsafspraak. Voor zover met het verweer is beoogd dat het hof zich hierover zal uitlaten, leent dit onderdeel ervan zich niet voor bespreking.

Het hof overweegt ten overvloede dat het Openbaar Ministerie in een overweging in het vonnis waarvan beroep aanleiding heeft gezien voor het instellen van een review-onderzoek in het dossier [slachtoffer 13] . De resultaten daarvan zijn toegevoegd aan het strafdossier in de vorm van het onderzoeksdossier Dalhart. Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal als standpunt kenbaar gemaakt dat ook de resultaten van dat review-onderzoek geen feiten en omstandigheden hebben blootgelegd die de vervolging van [Peter La S.] kunnen rechtvaardigen, onder (herhaalde) mededeling dat als op enig moment mocht blijken van leugens van [Peter La S.] hij alsnog die vervolging tegemoet kan zien.

Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer zodat dit niet kan bijdragen aan de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie die, zo begrijpt het hof, het resultaat dient te zijn van alle door de verdediging gesignaleerde vormverzuimen.

Het hof acht immers geen grond aanwezig voor het oordeel dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie niet tot het door de advocaat-generaal gehuldigde standpunt had kunnen komen. Daarbij kent het hof gewicht toe aan hetgeen door de advocaat-generaal ter toelichting in het bijzonder is aangeduid. Dit houdt het volgende in. Waar het gaat om de kerngetuige [Opa-getuige-2] is gebleken van wezenlijke discrepanties in zijn verklaringen. Volgens zijn mededeling aan [slachtoffer 15] en [K.] blijkt niet van betrokkenheid van [Peter La S.] , wel van [Jesse R.] en [E.] , terwijl hij als getuige ter terechtzitting van de rechtbank spreekt over betrokkenheid van [Peter La S.] en [E.] , en vermoedelijk ook van [Jesse R.] . Voorts heeft de advocaat-generaal beredeneerd betoogd dat de wordingsgeschiedenis van de verklaring van de getuige F3 voor de betrouwbaarheid van die verklaring vragen oproept die niet bevredigend zijn beantwoord. Naar aanleiding van de verklaringen van de getuige [getuige 6] is op grond van de inconsistenties daarvan aanzienlijke twijfel over de betrouwbaarheid gerezen.

Het gevoerde verweer kan niettemin betekenis hebben in de sleutel van de waardering van de betrouwbaarheid van door [Peter La S.] als getuige afgelegde verklaringen. Dit onderwerp wordt op een andere plaats in dit arrest besproken.

2.1.2.2.5.2.6 Het afzien van voordeelsontneming in relatie tot de verklaringsafspraak

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.

Op grond van de Aanwijzing mag het openbaar ministerie in ruil voor verklaringen aan een potentiële criminele getuige toezeggen een vordering tot ontneming tot ten hoogste de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag achterwege te laten. Deze toezegging kan de vorm aannemen van een schikking ex artikel 511 Sv. Een dergelijke toezegging komt aan de orde op het moment dat het openbaar ministerie normaal gesproken, dus als er geen overeenkomst tot het afleggen van verklaringen was, tot ontneming van het volledige bedrag zou overgaan.

Dit wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige met wie het een overeenkomst zou willen sluiten, altijd gehouden is om ten minste de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel te vorderen. Voor zover het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.

Blijkens de considerans bij de OM-deal heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak Houtman om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [Peter La S.] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [Peter La S.] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de RBO. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.

De rechtbank slaat geen acht op de stelling van het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.000 kan worden weggestreept tegen tip- en toondergeld, nu onvoldoende is komen vast te staan dat [Peter La S.] hierop zonder overeenkomst ex art. 226g Sv daadwerkelijk recht zou hebben gehad. Evenwel heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [Peter La S.] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat [Peter La S.] na ommekomst van een langdurige vrijheidsstraf door middel van getuigenbeschermingsmaatregelen vanaf de grond een zelfstandig bestaan zou moeten gaan opbouwen, waardoor een ontnemingsmaatregel in feite een vestzak-broekzak-kwestie zou worden. Bovendien is een voorbehoud gemaakt voor het geval alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.

Nu voorts niet is gebleken dat het openbaar ministerie met [Peter La S.] heeft onderhandeld over het al dan niet achterwege laten van een ontnemingsvordering, is er geen sprake van een toezegging in ruil voor af te leggen verklaringen. De stelling dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing mist dan ook feitelijke grondslag.

Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging van de rechtbank en neemt deze over. Het hof bezigt dezelfde overwegingen waar het gaat om de beoordeling van het verweer dat het afzien van voordeelsontneming onder de criminele getuige [Fred R.] in strijd is met de (bedoeling van de) Wet toezeggingen aan getuigen. Het hof voegt daaraan nog toe dat de officier van justitie de in artikel 311, eerste lid, derde volzin, Sv bedoelde mededeling niet heeft gedaan, hetgeen de drempel voor indiening van een ontvankelijke ontnemingsvordering vrijwel onneembaar heeft gemaakt. Daarnaast overweegt het hof dat de in de schriftelijke afspraak (blz. 6, laatste gedachtestreep) weergegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid tot de beslissing tot afzien van een ontnemingsvordering hebben kunnen leiden. De beslissingen van de officier van justitie om tegen [Peter La S.] noch tegen [Fred R.] een vordering tot voordeelsontneming te doen zijn derhalve niet in strijd met de door de verdediging aangehaalde regels, die voortvloeien uit het beloningsverbod, genomen.

2.1.2.2.5.2.7 De hoogte van de basis-strafeis in relatie tot de omvang van de toezegde vordering tot vermindering

De verdediging heeft in hoger beroep andermaal betoogd dat de strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten hoger had kunnen zijn, te meer nu hij voor een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet voor zijn betrokkenheid daarbij is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.

De basisstrafeis

Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

De verdediging stelt dat de tegen [Peter La S.] geformuleerde basisstrafeis van 16 jaren verhoudingsgewijs zo laag is dat kennelijk sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Bij de vaststelling van de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie in de eerste plaats de ernst van de feiten ingewogen. Het openbaar ministerie betrok daarbij dat voor de aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten, die alle dateren van voor 1 februari 2006, als tijdelijke vrijheidsstraf ten hoogste een gevangenisstraf van 20 jaren zou kunnen worden opgelegd. Daarnaast is ingewogen dat er, voordat [Peter La S.] ging verklaren, geen enkele reden was om hem in verband te brengen met de feiten waarover hij verklaarde, en dat hij uit het criminele milieu wilde stappen.

De verdediging heeft gesteld dat de hoedanigheid van zelfmelder al is verwerkt in de halvering van de strafeis en niet ook nog mag meetellen bij de vaststelling van de basisstrafeis. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. De regel dat de strafeis voor een kroongetuige met ten hoogste de helft mag worden verminderd heeft ook betrekking op de verdachte die, nadat hij is aangehouden, probeert zijn procespositie te verbeteren door een overeenkomst te sluiten tot het afleggen van verklaringen tegen andere personen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom in het voordeel van een kroongetuige die nog geen verdachte was, niet zou mogen meewegen dat hij zichzelf heeft gemeld. Dit is immers een omstandigheid die bij de bepaling van de strafeis jegens andere verdachten ook pleegt te worden meegewogen. Dat [Peter La S.] mogelijk ook is gaan verklaren uit angst dat hij op enig moment toch verdacht zou worden van betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl maakt niet dat het openbaar ministerie aan het feit dat [Peter La S.] zichzelf heeft gemeld terwijl hij nog geen verdachte was, geen betekenis had mogen hechten.

De verdediging heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de ernst van de wens van [Peter La S.] om het criminele milieu te verlaten. De rechtbank zal dit punt in het midden laten, nu er in ieder geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zoveel twijfels moest hebben bij deze wens dat deze voor de basisstrafeis geen wegingsfactor had mogen zijn.

De rechtbank slaat ten slotte geen acht op de stellingen van partijen omtrent de invloed van gedragingen die wel verwerpelijk zijn maar waarvoor [Peter La S.] niet wordt vervolgd op de basisstrafeis. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die eis immers slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [Peter La S.] ten laste zijn gelegd.

Alles overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van zestien jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen.

Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging en conclusie van de rechtbank en neemt deze over. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de hoogte van de basis-strafeis niet kan worden geduid als een toezegging van de officier van justitie.

2.1.2.2.5.2.8 De “ [Willem H.] -weglatingen” als onrechtmatige toezegging van het Openbaar Ministerie aan de kroongetuige [Peter La S.]

Tijdens de gedingfase in eerste aanleg (2011) is gebleken dat door [Peter La S.] in zijn kluisverklaringen ook is verklaard over hetgeen door hem is waargenomen en ondervonden met betrekking tot betrokkenheid van [Willem H.] bij strafbare feiten. [Peter La S.] heeft naar zijn zeggen om redenen van vrees voor bedreiging door [Willem H.] aan de officier van justitie gevraagd de onderdelen van zijn afgelegde verklaringen die betrekking hebben op die [Willem H.] niet in de van zijn verklaringen opgemaakte processen-verbaal op te nemen. Het Openbaar Ministerie heeft met dat verzoek ingestemd en de verklaringen in even bedoelde zin “geschoond” gevoegd bij de afspraak die aan de rechter-commissaris ter rechtmatigheidstoetsing is voorgelegd. In het vervolg vanaf het beschikbaar komen van die processen-verbaal in 2007 heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdachten in wier zaken (de processen-verbaal, houdende de kluisverklaringen van) [Peter La S.] als getuige is ingezet onwetend gehouden van deze, wat is gaan heten, weglatingsafspraak. Het onrechtmatige karakter van deze toezegging en de schade voor de waarheidsvinding, toegebracht door deze afspraak en de lange duur van het onbekend blijven daarvan, en de aldus door het Openbaar Ministerie bij [Peter La S.] gewekte verwachtingen dat hij als getuige met de waarheid een loopje mocht nemen, dienen als onderdeel van onrechtmatig gedane toezeggingen bij te dragen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Aldus de verdediging.

Het verweer valt uiteen in enkele onderdelen. Het eerste houdt in dat het beloningsverbod is overtreden. De verklaringsbereidheid van de getuige is beïnvloed door de toezegging dat hij niet hoefde te verklaren over [Willem H.] .

Het tweede onderdeel bevat de klacht dat door de weglatingsafspraak belangrijke delen van de verklaringen van de getuige lange tijd buiten de processtukken zijn gehouden.

Een afzonderlijke, daarmee samenhangende, derde deelklacht luidt dat de getuige gedurende zeer lange tijd verklaringen is blijven afleggen op basis van deze weglatingsafspraak waardoor hij niet steeds naar waarheid althans onvolledig op vragen heeft geantwoord.

Tot slot wordt geklaagd dat de weglatingsafspraak tot gevolg heeft gehad dat de verklaringen van de getuige mogelijk zijn beïnvloed doordat alternatieve herinneringen zich hebben vastgezet in zijn geheugen.

De gestelde overtreding van het beloningsverbod is een zelfstandig vormverzuim. Daarnaast houden alle in de vier onderdelen bedoelde punten in dat er onherstelbare schade is toegebracht aan de waarheidsvinding.

Het verweer wordt voor een deel opgevat als een verweer als bedoeld in artikel 359a Sv. Een ander deel, in het bijzonder het derde, heeft direct betrekking op het recht op een eerlijk proces. De onderdelen worden hierna in hun samenhang besproken.

De CIE-officier van justitie die met [Peter La S.] heeft onderhandeld over de afspraak heeft er mee ingestemd dat deze zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] buiten de van zijn af te leggen verklaringen op te maken processen-verbaal zou houden.15 De tussen mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] bestaande overeenstemming hierover is niet opgenomen in de afspraak op de voet van artikel 226g Sv. Het ging dus om een “geheime afspraak” die niet kenbaar was, noch voor de officier van justitie die ter terechtzitting het Openbaar Ministerie vertegenwoordigde, noch voor de verdachte en de verdediging, noch voor de rechter. Advocaat-generaal en verdediging zijn het erover eens dat het hier om een vormverzuim gaat. De vraag of het herstelbaar is houdt hen echter verdeeld.

Allereerst is aan de orde de vraag of het hier is gegaan om een beloning voor de bereidheid tot verklaren. Indien dat het geval is, heeft die beloning van meet af aan bestaan. Als dan bovendien causaal verband tussen de veronderstelde beloning en verklaringsbereidheid wordt aangenomen, kan redelijkerwijs van herstelbaarheid geen sprake meer zijn. De vraag is echter of het hier gaat om een toezegging waarop het verbod om te belonen betrekking heeft.

De basis van de kroongetuigenregeling is dat overheid en verdachte afspreken elk een prestatie te leveren. De afspraak die tot stand komt heeft aldus een “do ut des”-karakter. Tegenover de door de overheid toegezegde prestatie staat de bereidheid van de kroongetuige om met het prijsgeven van zijn verschoningsrecht verklaringen over nader bepaalde personen en delicten af te leggen. Die prestatie van de overheid bestaat in een aangepaste strafeis, die lager zal liggen dan in het geval er geen medewerking van de getuige is. Met de toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen is ontegenzeggelijk een context geschapen waarbinnen de bereidheid van [Peter La S.] tot zijn voortgaan op het pad van het afleggen van zijn verklaringen, in positieve zin werd beïnvloed. Deze is evenwel niet ontstaan doordat de overheid hier een prestatie tegenover heeft geplaatst. Dit kan ook blijken uit de wijze waarop die context permanent door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] is bewaakt. Hij heeft de verhoren van de getuige voortdurend “gemonitord”. Het doel hiervan was om te volgen of de getuige niet toch over [Willem H.] zou gaan verklaren waarvoor, wat mr. [officier van justitie 2] betreft, geen enkele belemmering bestond. 16

In dit licht bezien kan de gegeven toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als een vorm van beloning worden aangemerkt. Reeds daarom mist dit onderdeel van het verweer doel.

Het staat vast dat delen van de kluisverklaringen van [Peter La S.] , afgelegd in de periode van 11 september tot en met 2 november 2006, niet bij de processtukken zijn gevoegd. Dat er delen waren weggelaten is wel van meet aan bekend geweest. Maar over het feit dat het hier deels om belastende mededelingen over [Willem H.] ging en over de omstandigheid dat angst van [Peter La S.] voor [Willem H.] aan de verhulling ten grondslag lag, waren procespartijen en rechter onwetend gehouden. Deze situatie heeft voortgeduurd tot oktober 2011. Deze gang van zaken houdt in dat er van inhoudelijke onderdelen van de afgelegde verklaringen niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt. Voor zover dit wel is geschied (bijvoorbeeld het proces-verbaal van 7 november 2006 over op 2 november 2006 door [Peter La S.] gemaakte opmerkingen) zijn deze stukken aan de verdachte onthouden.

Daarmee zijn kernvoorschriften van strafvordering, die mede strekken tot het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, te weten artikel 152 Sv en artikel 33 Sv, zoals dat luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding, in zeer aanzienlijke mate geschonden.

Na de totstandkoming van de afspraak tussen [Peter La S.] en de Staat zijn de gebeurtenissen als volgt geweest. Op 3 oktober 2011 heeft [Peter La S.] , ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld. Dit is in een proces-verbaal van 10 oktober 2011 door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] bevestigd. Vervolgens zijn deze [Willem H.] -weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd. Daaraan zijn toegevoegd enkele processen-verbaal van de CIE-officier van justitie en het hiervoor genoemde proces-verbaal van 7 november 2006 van enkele CIE-ambtenaren. In deze documenten is de gang van zaken rondom de totstandkoming van de weglatingen gerelateerd en verantwoord.

Op deze wijze heeft volledig herstel plaatsgehad in die zin dat al hetgeen [Peter La S.] heeft gezegd over [Willem H.] in de verhoren die hebben geleid tot de vijftien kluisverklaringen in het procesdossier is ingebracht.

Dat ligt anders voor de verklaringen die [Peter La S.] vanaf 15 maart 2007 heeft afgelegd. De weglatingsafspraak heeft erin geresulteerd dat [Peter La S.] onvolledig is geweest in de beantwoording van vragen die hem op en na die datum zijn gesteld tijdens verhoren door politieambtenaren en door en ten overstaan van rechter-commissaris en zittingsrechter. Hij heeft voortgezet verklaard in lijn met de niet-kenbare weglatingsafspraak. Daarom is deze gang van zaken naar zijn aard onherstelbaar.

Nu hieraan de instemming van het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft gelegen, leent dit zich in elk geval voor de constatering dat op de kwaliteit en de volledigheid van de waarheidsvinding een inbreuk is gemaakt, waardoor het Openbaar Ministerie is tekort geschoten in zijn bijdrage aan de eerlijkheid van het proces, zoals dat is gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Indien en voor zover de politieverhoren van [Peter La S.] als parallel opsporingsonderzoek worden aangemerkt, is op diezelfde grond tevens sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In elk geval is de ongeschreven rechtsregel dat het opsporingsonderzoek in alle opzichten aan eisen van integriteit dient te voldoen, niet volledig nageleefd. Deze verzuimen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

[Peter La S.] heeft in de periode 15 maart 2007 tot 3 oktober 2011 informatie over [Willem H.] buiten zijn verklaringen gehouden. Bij vragen waar een vollediger beeld zou zijn ontstaan als [Willem H.] wel in het antwoord zou zijn betrokken, is deze toch niet door hem genoemd. Het kernpunt waar het hier in het bijzonder om gaat is dat [Peter La S.] een drietal personen heeft genoemd die allen een rol zouden hebben gehad in de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit zijn [Ali A.] , [Willem H.] en [Dino S.] . Sprekend over diverse moorden heeft [Peter La S.] er melding van gemaakt dat zij alle drie een rol van betekenis hebben gespeeld.

Het nadeel dat hiervan voor [Siegfried S.] in diens strafzaak is ontstaan laat zich niet zo eenvoudig in beeld brengen. De verdediging heeft dit ook niet met enige mate van precisie aangeduid. Het gaat weliswaar om een belangrijk thema in de verklaringen van [Peter La S.] , maar aan de verdachte is een feit ten laste gelegd dat is gepleegd in 1993 waarbij de drie genoemde personen geen rol hebben gespeeld in de opdrachtverstrekking. Ook overigens is niet gebleken dat [Willem H.] enige rol heeft gespeeld in de gebeurtenissen die verband houden met deze moord(en). Het hof begrijpt dat namens de verdachte is betoogd dat het nadeel erin bestaat dat de waarheidsvinding in het algemeen hierdoor onder druk is komen te staan, omdat [Peter La S.] de ruimte heeft gekregen om niet volledig te verklaren. In het navolgende zal het hof onderzoeken of er, uitgaand van deze abstracte benadering, mogelijk nadeel voor de verdachte is ontstaan. Daarbij zal in eerste instantie worden nagegaan of de [Willem H.] -weglatingen in het algemeen nadeel hebben veroorzaakt.

Met betrekking tot het ontstane nadeel voor de verdachte overweegt het hof nader als volgt.

[Peter La S.] heeft vanaf 3 oktober 2011 zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] laten vallen. Sindsdien heeft hij over diens rol naar eigen zeggen niet langer gemankeerde antwoorden op vragen gegeven. [Peter La S.] is ter terechtzitting van de rechtbank diverse malen bevraagd over de rol van [Willem H.] bij de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit is aanvankelijk gebeurd zonder dat de weggelaten passages van de kluisverklaringen beschikbaar waren, direct volgend op de onthulling van de weglatingsafspraak. Nadat de weglatingen in de processen-verbaal van verhoor waren teruggeplaatst is hij daarover nog meermalen gehoord. Bovendien is als gevolg van de onthulling door de rechtbank bepaald dat de eerste twee kluisverklaringen, die tot dan toe als oriënterend en vertrouwelijk van karakter waren beschouwd, woordelijk dienden te worden uitgewerkt en aan de processtukken moesten worden toegevoegd. Ook zijn in opdracht van de rechtbank de relevante onderdelen van het gesprek tussen officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] van 22 november 2006 in woordelijk uitgewerkte vorm aan de processtukken toegevoegd. Hiermee is hetgeen [Peter La S.] in het prille begin aan de CIE had toevertrouwd vollediger dan tot dan toe het geval was ter kennis gekomen van procespartijen en van de rechter. De betrokken CIE-officier van justitie en de CIE-medewerkers die met [Peter La S.] in de beginperiode hadden gesproken (de zogeheten Z-verbalisanten) zijn ter terechtzitting van de rechtbank of door de rechter-commissaris gehoord.

In hoger beroep zijn op last van het hof de processtukken nader aangevuld. De journaals van de CIE over de contacten met [Peter La S.] vanaf 10 augustus 2006 en processen-verbaal met daarin de woordelijke uitwerking van opnames van gesprekken met [Peter La S.] in de oriënterende fase, voor zover nog niet ingebracht, zijn aan het dossier toegevoegd. Alleen enkele onderdelen die in verband met veiligheidsbelangen vertrouwelijk dienden te blijven zijn na een toets door de rechter-commissaris buiten de toegevoegde stukken gebleven. [Peter La S.] , CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en de verbalisant Z-038 van de CIE zijn in de appelfase bovendien opnieuw als getuigen gehoord.

Het hof stelt voorts vast dat de politieambtenaren die belast waren met het opsporingsonderzoek in de zaak van de verdachte geen van allen kennis droegen van de weglatingsafspraak. Hetzelfde geldt voor de officieren van justitie die aan dit onderzoek leiding hebben gegeven en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van de rechtbank hebben vertegenwoordigd. Dit betekent dat noch in het opsporingsonderzoek noch bij de ondervraging van getuigen en van de verdachte ten overstaan van de rechter de weglatingsafspraak strategisch is ingezet door het Openbaar Ministerie.

Deze omstandigheden brengen geen verandering in de hiervoor geconstateerde gebreken maar relativeren wel de mate waarin deze aan het Openbaar Ministerie kunnen worden verweten.

Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van een vormverzuim dat niet kon worden gerepareerd maar dat wel toereikend is gecompenseerd. Als gevolg van het in eerste en tweede aanleg uitgevoerde aanvullende onderzoek is in ruime mate compensatie geboden voor het nadeel dat voor de verdachte is ontstaan. Daarom kan worden volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden en hoeft hieraan naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolg te worden verbonden.

Hiermee resteert de vraag of [Peter La S.] niet alleen onvolledig maar daarnaast ook niet naar waarheid heeft verklaard. Het hof heeft het verweer bij de weergave van de onderdelen ervan zo opgevat dat dit twee aspecten heeft. [Peter La S.] zou in zijn pogingen om niet over [Willem H.] te spreken onjuiste antwoorden kunnen hebben gegeven, onder meer over andere betrokken personen. Daarnaast zouden zijn telkens gegeven onjuiste antwoorden hebben geleid tot blijvende verandering van zijn herinneringen hetgeen ook in niet met de werkelijkheid overeenkomende antwoorden kan hebben geresulteerd.

Het hof merkt op dat deze vragen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] met betrekking tot de rol van [Willem H.] . Zoals hiervoor reeds overwogen staan de verklaringen van [Peter La S.] voor zover deze gaan over [Willem H.] niet in verband met wat hij heeft verklaard over de feiten die aan [Siegfried S.] zijn ten laste gelegd. De raadsman heeft, zoals hierna nog nader zal worden besproken, in het algemeen gesteld dat de verklaringen van [Peter La S.] onbetrouwbaar zijn. Het hof zal die betrouwbaarheid nader onderzoeken. Daarbij zal het hof, gelet op het voorgaande en bij gebreke van verweren met betrekking tot hetgeen is verklaard over [Willem H.] , de betrouwbaarheidstoets toespitsten op de verklaringen van [Peter La S.] over de aan [Siegfried S.] ten laste gelegde feiten.

2.1.3

De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding

De verdediging heeft zich ook aangesloten bij een tweede pijler van het in de gelijktijdig behandelde strafzaak van de verdachte [Jesse R.] door diens raadsman gevoerde verweer.

Het gaat daarbij om, in de woorden van die raadsman, “de wijze waarop het Openbaar Ministerie in dit onderzoek Passage en in de zaak van de verdachte heeft geacteerd”. Het gaat blijkens de gegeven toelichting niet om de afzonderlijke vormverzuimen of de in een specifiek geval vastgestelde wijze van opereren van het Openbaar Ministerie, “maar om het beeld dat daar als geheel opstijgt”. Gemene deler van dat door die raadsman gewraakte acteren is dat geklaagd wordt over niet-magistratelijk optreden van de vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie.

Deze verweren zijn door die raadsman aangevuld met verweren die betrekking hebben op de gang van zaken in hoger beroep. Zij luiden samengevat als volgt.

  1. Het Openbaar Ministerie is op grond van de bij zijn handelen te betrachten magistratelijkheid gehouden om aan gewijzigde inzichten metterdaad vorm en inhoud te geven. Echter, de totale draai die door het Openbaar Ministerie in hoger beroep is gemaakt op het punt van de inhoudelijke waardering van door [Fred R.] als getuige afgelegde verklaringen kan niet anders worden verklaard dan dat het Openbaar Ministerie die [Fred R.] tegen beter weten thans wél wenst te geloven, louter omdat dat in de bewijskraam van de zaken waarin [Fred R.] als kroongetuige is ingezet goed van pas komt. Deze wijze van opereren dient te worden betrokken bij de toetsing van de behoorlijkheid van het proces, in het bijzonder de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.

  2. Het Openbaar Ministerie heeft zonder redelijke grond ten aanzien van de in de zaak figurerende anonieme bedreigde getuigen a charge (getuige Q5) en a decharge (de F-getuigen) met twee maten gemeten, in het algemeen met het aan de dag leggen van een kritische blik en in het bijzonder waar het gaat om de behartiging van de belangen die met die anonimiteit worden nagestreefd.

  3. En waar door één van die F-getuigen en door de getuige [slachtoffer 15] voor de kroongetuige [Peter La S.] belastend en daardoor voor het Openbaar Ministerie onwelgevallig is verklaard heeft het Openbaar Ministerie in plaats van het vizier open te houden door (pro)actief aan waarheidsvinding bij te dragen stilgezeten, weggekeken of zelfs waarheidsvinding bemoeilijkt. Dit alles kennelijk met het oog op het overeind houden van die kroongetuige.

  4. Deze niet-magistratelijke houding van het Openbaar Ministerie is eveneens gebleken bij de gang van zaken met betrekking tot de getuige [getuige 1] . Kennelijk gedreven door de wens de bewijsvoering in de verschillende zaken rond te krijgen is deze getuige gestimuleerd om belastende verklaringen af te leggen, en is daarmee zijn belang om in aanmerking te komen voor getuigenbeschermingsmaatregelen in zekere zin gecreëerd. Op die manier is er tevens een belang voor [getuige 1] gecreëerd om voor de verdachte belastend te (blijven) verklaren, opdat hij kon blijven profiteren van die maatregelen. Vervolgens is ook nog eens zonder grond voorbij gegaan aan de verplichting om zijn verhoren op te nemen en op een gegevensdrager vast te leggen. Dit nalaten levert niet alleen op zichzelf beschouwd een onherstelbaar vormverzuim op, maar illustreert bovendien de hierboven bedoelde houding van het Openbaar Ministerie.

Telkens is het standpunt van de verdediging dat het Openbaar Ministerie onvoldoende afstand heeft genomen van de wens om de bewijsvoering rond te krijgen. Het heeft niet de vereiste kritische benadering gehad die verwacht mag worden en bovendien het gedrag van getuigen beïnvloed. Dit dient te worden beoordeeld in de context van de beginselen van een behoorlijk proces, in het bijzonder de redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.

Het hof begrijpt uit de toelichting dat de raadsman deze beschouwingen deels heeft gegeven ter aanvulling op dan wel ter nadere onderbouwing van zijn standpunten over concrete door hem aangeduide vormverzuimen. In zoverre heeft het hof de eerlijkheid van het proces betrokken bij de beoordeling van verweren over die gestelde vormverzuimen, in overeenstemming met de daarbij aan te leggen maatstaven.

Het hof stelt voorop, dat het door de verdediging aansluiten bij het namens [Jesse R.] gevoerde verweer zonder enige beperking of toespitsing aan te brengen voor de bespreking van het verweer het volgende meebrengt.

[Siegfried S.] staat terecht voor in 1993 gepleegde feiten. Wanneer daarbij de inhoud van het dossier wordt betrokken valt niet in te zien dat en op welke grond de hiervoor onder a en b genoemde personen in betekenisvol verband kunnen worden gebracht met die feiten. Reeds daarom behoeven die onderdelen van het verweer geen bespreking. Vervolgens resteert hetgeen is weergegeven onder c en d.

Voor zover met dit samenstel van verweren is beoogd te betogen dat de genoemde feiten en omstandigheden eraan hebben bijgedragen dat het proces als geheel oneerlijk is geweest, kan het hof niet meegaan in de gedachtegang van de verdediging. Daartoe verwijst het hof allereerst naar het oordeel dat het telkens bij de bespreking van verweren over gestelde vormverzuimen heeft gegeven en nog zal geven. Deze verweren worden of zullen worden verworpen, in elk geval waar het om enige vorm van verzochte sanctionering van verzuimen gaat.

Voor het overige geldt dat de verdediging elk standpunt van het Openbaar Ministerie ten overstaan van de rechter heeft kunnen betwisten. Reeds daarom valt niet in te zien dat de verweren, die overigens een zeer hoog niveau van algemeenheid hebben, doel kunnen treffen.

2.1.4

Eindconclusie

In dit hoofdstuk is het ontvankelijkheidsverweer in al zijn onderdelen besproken en beoordeeld. In de gang van zaken rondom de [Willem H.] -weglatingen heeft het hof een onherstelbaar vormverzuim vastgesteld, dat evenwel toereikend is gecompenseerd. Op die grond heeft het hof volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden.

Het door het hof verrichte onderzoek naar aanleiding van al hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, gerubriceerd als bovenvermeld, heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hof ook geen aanleiding ziet voor honorering van de subsidiair en meer subsidiair bepleite gevolgen die door de verdediging aan de verweren zijn verbonden. Dit betekent dat, in ieder geval op de gronden die in het kader van deze verweren zijn aangevoerd, geen reden is voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] en evenmin voor vermindering van een op te leggen straf.

Korte samenvatting hoofdstuk 2.1

- De verdediging heeft betoogd dat de gang van zaken rond de overeenkomst met de kroongetuige [Peter La S.] onrechtmatig is, reden waarom het Openbaar Ministerie – mede gelet op andere onrechtmatigheden – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair zouden de verklaringen van [Peter La S.] uitgesloten moeten worden van het bewijs. Meer subsidiair zou er strafvermindering plaats dienen te vinden.

- Het hof heeft de toepasselijke regelgeving en de wetsgeschiedenis onder ogen gezien en komt in het licht daarvan tot de volgende overwegingen en conclusies:

- Er is geen toetsende rol toebedeeld aan de strafrechter, ook niet aan de rechter-commissaris, ten aanzien van maatregelen van getuigenbescherming die voor een (kroon)getuige zijn getroffen;

- Er is geen gehoudenheid voor het Openbaar Ministerie om de (financiële) contouren van die getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken;

- Hetgeen gedurende het proces is gebleken omtrent die (financiële) contouren rechtvaardigt niet de conclusie dat onder het mom van getuigenbescherming toezeggingen zijn gedaan die strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren.

- De wettelijke regeling voor de kroongetuige heeft geen verandering gebracht in de aan het opportuniteitsbeginsel ontleende vervolgingsvrijheid van de officier van justitie. Aan een kroongetuige mag geen immuniteit worden toegezegd. Maar daarmee is geen begrenzing van het opportuniteitsbeginsel beoogd. Van belang is of de wijze waarop aan dat beginsel invulling is gegeven op één lijn moet worden gesteld met een ongeoorloofde toezegging tot het verlenen van immuniteit. Het hof hanteert daarbij als maatstaf of een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde punten is het hof van oordeel dat daarin geen ongeoorloofde immuniteitstoezeggingen te constateren zijn.

- Delen van de verklaringen van [Peter La S.] , die handelden over [Willem H.] , zijn aanvankelijk niet bij de processtukken gevoegd (de zogenaamde “ [Willem H.] -weglatingen”). Dat is een vormverzuim dat voor een deel is hersteld. Het hof stelt vast dat het vormverzuim, voor zover niet herstelbaar, is gecompenseerd zodat daaraan geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.

- Voor niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering naar aanleiding van deze verweren is daarom geen aanleiding.

2.2

Het ontbreken van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering

2.2.1

Procesgang

Ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2013 heeft de raadsman van de verdachte een preliminair verweer gevoerd, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging in verband met – kort gezegd – schending van de procedurevoorschriften van artikel 255 Sv. Eén van de door de raadsman ingenomen standpunten was dat de verdachte, nadat hem op 30 november 2000 een kennisgeving van niet-verdere-vervolging (knvv) was betekend, in 2008 ten onrechte opnieuw in rechten is betrokken omdat ten aanzien van deze verdachte geen sprake was van nieuwe bezwaren in de zin van art. 255, eerste lid, Sv.

Bij beslissing van 27 september 2013 heeft het hof dit preliminair gevoerde verweer verworpen. Het hof verwijst voor de integrale overwegingen en beslissingen naar het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal.

2.2.2

Standpunt verdediging

Bij pleidooi heeft de raadsman zich andermaal op het standpunt gesteld dat de verdachte ten onrechte opnieuw in rechte is betrokken omdat geen sprake was van nieuwe bezwaren, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. In dat verband heeft hij, zo begrijpt het hof, bedoeld zijn op 13 september 2013 aangevoerde gronden opnieuw naar voren te brengen. In aanvulling daarop heeft de raadsman aangevoerd dat de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde ‘nieuwe bezwaren’ zogenoemde de auditu-verklaringen betreffen, die met behoedzaamheid dienen te worden benaderd, dat nieuwe verklaringen over de betrokkenheid van anderen dan de verdachte niet kunnen bijdragen aan het kunnen aannemen van nieuwe bezwaren tegen de verdachte en, ten slotte, dat de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-10] geen nieuw bezwaar opleverde, omdat de getuige reeds in 1996 belastend over o.a. de verdachte heeft verklaard.

2.2.3

Nadere overwegingen en beslissing hof

Het hof overweegt en beslist met betrekking tot de vraag of sprake was van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255, lid 1, Sv toen de verdachte in 2008 opnieuw in rechte werd betrokken (d.w.z., door de rechter-commissaris in de zaak te betrekken onderscheidenlijk door de verdachte te dagvaarden) als volgt.

Het hof verwerpt ook thans het gevoerde verweer en verwijst voor de motivering van deze beslissing vooraleerst naar de beslissing en de daartoe gebezigde overwegingen van het hof van 27 september 2013 dienaangaande (pagina 22 van het proces-verbaal van die terechtzitting, vanaf paragraaf 3), welke overwegingen en beslissing hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht leidt, voor zover de raadsman zijn op 13 september 2013 gebezigde argumenten heeft herhaald, niet tot een ander oordeel.

Het hof overweegt in aanvulling hierop nog het volgende.

In het betoog van de raadsman wordt als uitgangspunt gehanteerd dat nadere verklaringen van getuigen over de strafbare betrokkenheid van derden bij een strafbaar feit geen nieuwe bezwaren jegens een verdachte ten aanzien van datzelfde feit kunnen opleveren. Deze opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Immers is denkbaar dat een verklaring over de betrokkenheid van een derde, ander, nieuw of méér licht werpt op de vraag welke personen of dadergroep bij het strafbare feit betrokken zijn, waardoor andere bewijsmiddelen aan betekenis winnen. Zoals het hof eerder heeft overwogen wordt aan de strekking van art. 255 Sv geen recht gedaan bij een geïsoleerde benadering en weging van elk door het Openbaar Ministerie als nieuw bestempeld bezwaar, maar dienen de oude en de nieuwe bezwaren als geheel te worden beoordeeld op hun bijdrage aan het vermoeden van schuld van de verdachte.

De raadsman heeft zich bij pleidooi voorts – andermaal – op het standpunt gesteld dat de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-10] van, naar het hof aanneemt, 2 augustus 2007 geen nieuw bezwaar vormt omdat de getuige in 1996 óók over de betrokkenheid van [Siegfried S.] heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof miskent de raadsman daarmee echter dat de getuige [Cobra-getuige-10] in 1996 heeft verklaard over hetgeen de getuige [R.] hem over de betrokkenheid van [Siegfried S.] bij een schietpartij in België had verteld, terwijl de getuige [Cobra-getuige-10] in 2007 heeft verklaard dat [Cobra-betrokkene-3] hem over de betrokkenheid van [Siegfried S.] én [Cobra-betrokkene-3] bij het tegen betaling doodschieten van twee mensen in België heeft verteld en hem bovendien een fors geldbedrag liet ziet, dat [Cobra-betrokkene-3] daarmee zou hebben verdiend. Het nieuwe bezwaar jegens de verdachte bestaat derhalve in het gegeven dat de getuige bij nadere bevraging aanvullende informatie heeft verstrekt over de betrokkenheid van [Cobra-betrokkene-3] en dat de getuige een tweede bron opvoert waar het de betrokkenheid van de verdachte betreft, namelijk [Cobra-betrokkene-3] , die bij die gelegenheid over ook zijn eigen betrokkenheid aan de getuige heeft verteld. De verklaring van [Cobra-getuige-10] leverde daarmee een nieuw zelfstandig bezwaar jegens de verdachte op en gaf bovendien aanvullende betekenis aan de verklaring van de getuige [Peter La S.] over het schieten door twee (in de woorden van de getuige [Peter La S.] ) ‘negers’ en aan de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-1] dat [Cobra-betrokkene-3] haar in de nacht van de liquidatie een fors geldbedrag toonde, dat was verdiend met iets ‘snels en simpels’.

3 Het bewijs

3.1

Verkenning van het bewijs in de zaak Passage

In het Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar zeven moorden en de berechting van (thans) tien verdachten.

Ook wanneer van dit zeer omvangrijke dossier slechts oppervlakkig wordt kennisgenomen springt – naast de ernst van de beschuldigingen – onmiddellijk de proceshouding van de verdachten in het oog. De onderlinge verschillen zijn niet groot. Met uitzondering van de twee verdachten die ook kroongetuigen zijn geworden, wijzen de andere acht verdachten met meer of minder woorden elke beschuldiging van betrokkenheid bij de aan ieder van hen ten laste gelegde moorden (inclusief pogingen en voorbereidingen daartoe) met klem van de hand.

Dat standpunt impliceert, dat het niet anders kan zijn dan dat de kroongetuigen niet naar waarheid hebben verklaard althans dat hun bronnen hen onjuist hebben geïnformeerd. Kortom, het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.

Dit betekent dat het voor het hof bij het nemen van bewijsbeslissingen werkelijk aankomt op het doorhakken van knopen. De opdracht aan het hof is om te onderzoeken of het op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaringen van die kroongetuigen – de overtuiging bekomt dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

In zoverre bestaat er geen verschil met andere strafzaken, waarin tegenover de meer of minder gemotiveerde ontkenning van de verdachte de belastende verklaringen van getuigen staan. Echter, gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten en de duur van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraffen, zijn de belangen in dit proces wel bijzonder groot.

De kennelijke context waarin de tenlastegelegde misdrijven zijn begaan compliceert de beantwoording van de voor het hof voorliggende bewijsvragen. Het hof releveert op deze plaats de in de inleiding in dit arrest aangebrachte categorisering: moorden op bestelling die zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Toegespitst op het bewijs betekent dit doorgaans voor het Openbaar Ministerie dat veel, zo niet alles, uit de strafvorderlijke en tactische kasten moet worden gehaald om een dossier te kunnen vormen waarvan de inhoud toereikend is voor het rekwireren tot bewezenverklaring.

Immers, in het bijzonder waar het gaat om de verdenking van het opdrachtgeven ontbreekt het in de regel aan direct bewijs. Opdrachten worden niet schriftelijk verstrekt en biologische sporen die leiden naar die opdrachtgevers of hun tussenpersonen zijn meestal niet voorhanden. En in de regel ontbreekt het in het dossier aan verslagen van afgeluisterde en opgenomen (telefoon)gesprekken waarin met opdrachtgevers wordt gesproken of waarin die opdrachtgevers met naam en toenaam ondubbelzinnig worden genoemd. En dat het afleggen van verklaringen met ernstige risico’s is omgeven blijkt uit het aantal getuigen ten aanzien van wie de noodzaak tot het treffen van beschermingsmaatregelen is aangenomen.

Dit betekent dat het bewijs vooral zal moeten worden ontleend – behoudens toevalstreffers – aan verklaringen van personen die om hun moverende redenen ervoor kiezen om te verklaren, over hun eigen gedragingen en die van (mede)verdachten. Maar ook dan is de bewijslevering niet zonder complicaties. In het algemeen is de veronderstelling niet gewaagd dat de verklaring (zowel het afleggen als de inhoud daarvan) kan zijn ingegeven door andere krachten en drijfveren dan alleen het verlangen om zonder aanzien des persoons frank en vrij te openbaren wat is gezien, gehoord en ondervonden. Daarbij komt, dat misdrijven van dit kaliber gepaard gaan met speculaties in het criminele milieu over de daders en hun achtermannen, met het gevolg dat die speculaties een eigen leven gaan leiden.

Kortom, het bewijs van daderschap van personen die belang hebben bij het op bestelling vermoorden van personen is voor het Openbaar Ministerie bepaald geen gemakkelijke opgave, ook niet nadat het kroongetuigen in stelling heeft gebracht.

Het licht dat door de verklaringen van die kroongetuigen op de zaken wordt geworpen heeft niet tot gevolg dat daarmee alle vragen die zich opdringen afdoende kunnen worden beantwoord. Uit het navolgende zal blijken dat de interactie in de lijn van opdrachtgevers, tussenpersonen en de feitelijke plegers van die moorden allerminst de vorm aanneemt van een gestructureerde, gedetailleerde en uitputtende uitwisseling van samenhangende informatie over de motieven, achtergronden en instructies. Dat laat zich goed verklaren door een ver doorgevoerd onderscheid tussen need to know en nice to know. Daarmee wordt onmiskenbaar ook en vooral het door opdrachtgevers nagestreefde belang om ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie gediend. Zo bezien is het even voorstelbaar als voorspelbaar dat de inhoud van de verklaringen van de naar justitie overgelopen tussenpersoon in de hiervoor bedoelde zin gemankeerd zal zijn. Deze vaststelling strekt er niet toe dat het hof in de onderhavige zaak de bewijsdrempel verlaagt. Wel markeert het hof hiermee dat met betrekking tot de gepleegde moorden niet alle vragen naar context, achtergrond en motieven steeds voor bevredigende en ondubbelzinnige beantwoording gereed zullen liggen. En als die antwoorden uitblijven is daarmee de (intrinsieke) onbetrouwbaarheid van hetgeen is verklaard nog niet gegeven. Wel kan in die omstandigheid een relevante bevestiging worden gevonden van de juistheid van het hiervoor geschetste beeld.

Zijn kroongetuigen bijzondere getuigen, vooral het gegeven dat zij in de kern ook normale getuigen zijn mag niet uit het oog worden verloren: personen die mededeling doen over feiten en omstandigheden, die zij volgens hun verklaring hebben waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv). Niet meer, maar ook niet minder. Met het door de verdediging van [Dino S.] verwoorde uitgangspunt dat een “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” wordt een maatstaf geformuleerd die de wet niet kent. Voor zover de verdediging met die stelling de rechter attendeert op de door hem te betrachten behoedzaamheid bij bewijsgebruik heeft de verdediging wél een punt. De opdracht van de wetgever aan de rechter om bij bewijsgebruik van de verklaring van de kroongetuige daarvoor “de bijzondere reden” te geven is ingegeven door het aan de figuur van kroongetuigen verbonden risico. Immers, de voordelen die hen uit hoofde van de met hen gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuigen in meer of mindere mate een loopje nemen met hun verplichting om naar waarheid mededeling te doen van die even bedoelde feiten en omstandigheden.

In dat verband verdient ook het volgende opmerking.

In het voorgaande is toegelicht dat en waarom kroongetuigen zowel bijzondere als gewone getuigen zijn. Zij zijn hoe dan ook en vooral criminele getuigen: getuigen die ook zelf verdachte zijn en die, door hun verklaren, bijdragen aan het (opsporings)onderzoek naar zeer ernstige misdrijven. De wetgever staat het bewijsgebruik van verklaringen van kroongetuigen slechts toe bij misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die in georganiseerd verband zijn gepleegd en die bovendien gezien hun aard, of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De andere categorie van misdrijven waarbij de wetgever de inzet van kroongetuigen toestaat wordt gevormd door misdrijven, waarop ten minste acht jaren gevangenisstraf is gesteld.

Deze wettelijke begrenzing werpt ook een andere schaduw vooruit van wat de rechter te wachten staat. Aangenomen mag worden dat de “verdachte getuige” die kan verklaren over die zeer ernstige misdrijven zich heeft opgehouden in een onderwereld, waar bepaald andere codes en gedragsregels gelden dan in de bovenwereld. Praten met politie en justitie is doorgaans om meer redenen een doodzonde. En als er wél een verklaring wordt afgelegd ligt het risico op de loer dat de getuige daarbij ook wordt gedreven door tot (drie)dubbele criminele agenda’s te herleiden belangen en motieven. En daarmee is er naast het risico van beloning voor de waarheidsvinding nog een ander risico verwoord.

Anders gezegd: deze getuigen zijn allesbehalve koorknapen en de rechter zal daarom extra alert dienen te zijn op het risico dat onware verklaringen worden afgelegd. Zo ligt het voor de hand dat verklaren over de criminele kompaan ook betekent dat over het eigen criminele gedrag moet worden verklaard. En het ligt evenzeer voor de hand dat de criminele getuige (mede) wordt gedreven door tot onderlinge criminele verhoudingen te herleiden motieven, die voor de rechter niet-kenbaar zijn. En als dat verklaren aanwijzingen oplevert dat door de criminele getuige de waarheid geweld wordt of is aangedaan, zal de rechter hebben na te gaan of reeds daarom alle door die criminele getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven, of dat er niettemin reden is om de betekenis van (de aanwijzing voor) die verklaarde onwaarheid voor de in de strafzaak te beantwoorden bewijsvragen te relativeren. In dat laatstbedoelde geval kan de uitkomst zijn dat een aanwijzing voor onwaarheid spreken toch geen betekenis heeft voor de in de voorliggende strafzaak te nemen bewijsbeslissingen.

Vanuit dit perspectief bezien lijkt de door de verdediging van [Dino S.] verwoorde maatstaf dat de “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” in zoverre van realiteitszin gespeend te zijn.

De wettelijke definitie van de getuigenverklaring in artikel 342 Sv blinkt uit door haar eenvoud. De praktijk wijst in het algemeen uit dat aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen al naar gelang de houding van procespartijen en de daarmee nagestreefde belangen – de strafrechter bewegen tot vrijspraak of tot bewezenverklaring – een enigszins voorspelbare gang van zaken voorafgaat. De onderhavige zaak vormt op die ervaringsregel bepaald geen uitzondering. Integendeel, gelet op het gewicht van de op het spel staande belangen heeft het patroon dat voor de strafrechter doorgaans herkenbaar is in het Passageproces soms karikaturale trekken gekregen.

Zo is ten overstaan van het hof door de ene getuige in antwoord op vragen in ernst verklaard dat hij zich zelfs niet kan herinneren wat hij de voorgaande avond heeft gegeten. De andere getuige daarentegen heeft het haast bovenmenselijke vermogen getoond om een mededeling die de kroongetuige hem vele jaren tevoren heeft gedaan met indrukwekkende precisie stellig, samenhangend en in detail te reproduceren. Het hof is voorts geconfronteerd met een breed scala aan (medische) redenen om opmerkelijk geheugenverlies van getuigen te verklaren. Daarbij heeft het hof ook een aantal malen ondervonden dat het geheugen van de getuige weer snel kon terugkeren na één of meer onderbrekingen van het verhoor (al dan niet na confrontatie van de getuige met mogelijke of zich realiserende strafvorderlijke consequenties).Meer dan eens hebben getuigen de vrijheid genomen om ongevraagd, onverholen en ongeremd hun ongepolijste, en zelden relevante, mening met het hof te delen over de figuur van de kroongetuige in het algemeen, en over de personen van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] in het bijzonder.

Veel getuigen zijn door het hof gehoord in de sleutel van het verifiëren en falsifiëren van de pas tijdens het geding in hoger beroep ingebrachte verklaringen van de kroongetuige (en terechtstaande verdachte) [Fred R.] . Met die exercitie is de lange duur van het geding in hoger beroep in de zaak van [Siegfried S.] in overwegende mate verklaard en is aldus het processuele geduld onmiskenbaar op de proef gesteld. Een verzoek tot het afsplitsen is in deze gedingfase evenwel niet gedaan. Het hof neemt aan dat ook de (verdediging van) [Siegfried S.] op voorhand heeft onderkend dat de verwevenheid van zaken en onderwerpen aan toewijzing van zo’n verzoek in de weg zou hebben gestaan.

En dan is er nog het volgende.

Illustreert volgens de ene procesdeelnemer een gedetailleerde verklaring over een in een ver verleden gedane waarneming onmiskenbaar het vermogen tot oplichting door de getuige, de andere procesdeelnemer werpt de getuige die tot het aanbrengen van detaillering niet of minder in staat blijkt tegen dat hij slechts onware, ingestudeerde oneliners ten beste geeft. Wordt door de een de getuige om zijn geloofwaardigheid geprezen omdat hij ook na herhaald verhoren en verklaren door de jaren heen op het niveau van de inhoud van zijn verklaringen consistent blijft, de ander diskwalificeert diezelfde getuige omdat in die consistentie een belangrijke aanwijzing zou zijn gelegen voor een ingestudeerde inhoud en daarmee voor zijn leugenachtigheid. Waar verschillende getuigen over één en dezelfde gebeurtenis eensluidend verklaren, is dat de ene keer een aanwijzing dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl de andere keer juist verschillen tussen de verklaringen leiden tot het standpunt dat die verklaringen onbruikbaar zijn. En als de feiten of omstandigheden waarover de getuige verklaart al eerder voor het publiek kenbaar waren door kennisneming van de inhoud van een ander strafdossier of van pennenvruchten van misdaadjournalisten, dan kan het daarom niet anders zijn dan dat de getuige zijn kennis niet aan eigen waarneming of ervaring ontleent, maar dat door hem slechts is nagepraat wat hij eerder moet hebben gelezen. Vindt de inhoud van de verklaringen van een getuige verankering in het dossier, dan is dit vervolgens een aanwijzing dat hij zijn verklaringen daarop heeft afgestemd; tegelijkertijd leidt het ontbreken van een dergelijke verankering tot de conclusie dat de getuige maar wat verzint.

Deze thematiek bij de waardering van getuigenverklaringen in strafzaken is niet nieuw maar het heeft in het Passageproces grote proporties gekregen. Bovendien heeft het geleid tot sterk gepolariseerde standpunten.

Het voorgaande illustreert ook de lastige taak waarvoor het hof zich na de vele terechtzittingen gesteld ziet. Tegelijkertijd dient niet uit het oog te worden verloren dat, anders dan voor de procespartijen, er vanzelfsprekend voor het hof geen belang op het spel staat. Het hof zal zoals in elke strafzaak het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijs op zijn bruikbaarheid hebben te beoordelen, niet meer en ook niet minder.

Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is het bij uitstek aan het hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht.

Deze formule sluit in dat aan het hof op het terrein van bewijsbeslissingen een grote vrijheid toekomt, waarbij de verantwoording die ter zake door het hof wordt afgelegd door de Hoge Raad als cassatierechter doorgaans slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Waar in de wet noch in de rechtspraak van de Hoge Raad expliciete maatstaven zijn geformuleerd die in het algemeen voor het hof bij de beoordeling van potentiële bewijsmiddelen op hun bruikbaarheid leidend zijn, dringt zich in de onderhavige zaak aan het hof de vraag op naar de opportuniteit van het formuleren van ijkpunten.

Immers, in iedere strafzaak waar de beantwoording van bewijsvragen voorligt zal de feitenrechter zijn bewijsoordeel dienen te motiveren, waarmee – het zij herhaald – in zoverre de onderhavige zaak zich niet van andere strafzaken onderscheidt. In het algemeen geldt, dat waar de bruikbaarheid van gepresenteerd bewijs min of meer indringend voorwerp van debat is geweest de rechterlijke verantwoording van het bewijsgebruik met een zekere diepgang zal plaatsvinden.

In de onderhavige zaak is de waardering van de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige [Peter La S.] afgelegde verklaringen een kernpunt. De pijlen van de verdediging zijn onmiskenbaar ook gericht geweest op die betrouwbaarheid. Maar het is niet louter om die reden dat de betrouwbaarheid en daarmee de bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaringen centraal staat. Kroongetuigen zijn ook bijzondere getuigen, in zoverre dat op grond van de inhoud van de met ieder van hen gemaakte afspraken aan hen voordelen toevallen. Daarom heeft het hof ook ambtshalve de plicht zich ervan te vergewissen of hun verklaringen voor bewijsgebruik in aanmerking komen en is het in het voorkomende geval op grond van de wet (artikel 360, lid 2, Sv) gehouden in het bijzonder te verantwoorden op welke gronden het tot bewijsgebruik van door hen afgelegde verklaringen is overgegaan. Het hof heeft dit al eerder uiteengezet.

Het hof zal onderzoeken of de voor het bewijs relevante (onderdelen van) verklaringen van de kroongetuige [Peter La S.] de door het hof te verrichten betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.1

- Waar de verklaringen van de verdachten en belastende (kroon)getuigen elkaar over en weer uitsluiten, komt het voor het hof bij het nemen van bewijsbeslissingen daadwerkelijk aan op het doorhakken van knopen. Gelet op de aard van de tenlastegelegde misdrijven zullen niet alle vragen over context, achtergrond en motieven voor beantwoording gereed kunnen liggen.

- Aan kroongetuigen is een risico verbonden in verband met het voordeel dat aan hen uit hoofde van de met hen gemaakte afspraken kan toevallen. Zij zijn, uit de aard der zaak, ook criminele getuigen die zich hebben opgehouden in een onderwereld waarin criminele belangen en motieven een rol spelen; daarin kan reden gelegen zijn de waarheid geweld aan te doen. De eis dat deze getuigen ‘van onberispelijk verklaringsgedrag’ dienen te zijn, is daarom niet reëel. Als er aanwijzingen zijn dat een kroongetuige op een bepaald punt niet naar waarheid heeft verklaard, zal de rechter dienen te beoordelen of reeds daarom alle door die getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven of dat er reden is de betekenis daarvan voor de bewijsvragen te relativeren.

- Het hof zal het bewijs, waaronder de getuigenverklaringen, dienen te waarderen en het gebruik zo nodig te motiveren. Voor het gebruik van de verklaringen van kroongetuigen stelt de wet nog een bijzonder motiveringseis.

3.2

Bruikbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.]

De verdediging van [Siegfried S.] heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [Peter La S.] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Voor zover dit als subsidiaire sanctie op de gestelde onrechtmatigheden bij de overeenkomst met [Peter La S.] is bedoeld, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen en beslist.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuige uitgesloten moeten worden van het bewijs omdat ‘de belangen die hij heeft bij zijn verklaringen de betrouwbaarheid ervan niet zonder meer ondersteunen’, geldt het volgende. Hoewel dit verweer op zichzelf zeer algemeen en nauwelijks onderbouwd is, geldt dat de wet voor het gebruik voor het bewijs van verklaringen van een kroongetuige als [Peter La S.] in artikel 360 lid 2 Sv een bijzondere motiveringsplicht bevat. Het hof zal dus, ook zonder dat er op dit punt verweer is gevoerd, in het bijzonder de reden voor zodanig gebruik dienen te geven. De ratio van deze bijzondere motiveringsplicht is gelegen in het als gevolg van de afspraak bestaande verhoogde risico van de onbetrouwbaarheid van de verklaringen.

Het hof zal derhalve op deze plaats bezien of hetgeen [Peter La S.] in het bijzonder over de zaak Cobra heeft verklaard, betrouwbaar is. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Het hof overweegt dat de verklaring van [Peter La S.] over deze zaak gebaseerd is op hetgeen [Jesse R.] hem daarover in de periode 1994/1995 in de PI Wolvenplein in Utrecht heeft verteld. Tussen die periode en het moment waarop [Peter La S.] verklaringen is gaan afleggen (2006) is geruime tijd gelegen. Vanaf dat laatste moment is [Peter La S.] gedurende een lange periode veelvuldig gehoord over een groot aantal zaken waarover hij verklaard had. Herhaaldelijk is hij over dezelfde zaken door verschillende personen tot in detail bevraagd. Het tijdsverloop en de frequentie, duur en wijze van ondervraging maken verschillen en inconsistenties tussen de verschillende verklaringen onvermijdelijk. Naar het oordeel van het hof behoeven geconstateerde verschillen en inconsistenties aan bruikbaarheid van de verklaringen in het algemeen niet in de weg te staan. Het hof stelt vast dat [Peter La S.] in zijn verklaringen – in ieder geval na daarnaar te zijn gevraagd – zo goed mogelijk heeft getracht onderscheid te maken tussen wat hij van [Jesse R.] heeft gehoord, wat hij in een dossier kan hebben gelezen en wat hij op basis van zijn kennis en ervaringen heeft geconcludeerd en/of ingekleurd. Waar hij tot dit onderscheid niet in staat bleek, heeft hij dit ook aangegeven. Dat [Jesse R.] mogelijk niet altijd de waarheid tegen [Peter La S.] heeft gesproken, kan niet worden uitgesloten. Tussen [Jesse R.] en [Peter La S.] – zo blijkt uit het dossier – is in een bepaalde periode sprake geweest van een ‘schaakspel’; niet gebleken is echter dat daarvan ook in de periode 1994/1995 al sprake was, zodat niet aannemelijk is dat [Jesse R.] toen ‘misinformatie’ aan [Peter La S.] heeft meegedeeld. De verklaringen van [Peter La S.] over de situatie in PI Wolvenplein vinden steun in het dossier. Gebleken is immers dat inderdaad [Jesse R.] en [Peter La S.] toen daar samen op de door [Peter La S.] genoemde cellen gedetineerd waren en dat zij contacten met elkaar onderhielden.17 Anders dan de verdediging, maakt het hof uit de verhoren van getuigen ( [getuige 33] , [getuige 34] , [Opa-getuige-4]18) op dat het door [Peter La S.] geschetste contact niet onmogelijk is geweest. Immers, uit hun verklaringen volgt dat gedetineerden gedurende de zogenaamde toiletrondes bij elkaar op de cel konden komen, dat controle daarop niet goed mogelijk was en dat toezicht daarop ook afhankelijk was van de persoon van de bewaarder.

Voorts overweegt het hof dat de verklaring van [Peter La S.] over de zaak Cobra op belangrijke punten wordt ondersteund door andere getuigenverklaringen en bevindingen, zoals hierna zal blijken.

Van belang is voorts dat [Peter La S.] ook door het hof meermalen als getuige ter terechtzitting is gehoord, waarbij hem ook vragen zijn gesteld over de zaak Cobra en waarbij het hof zich een indruk heeft kunnen vormen van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen over die zaak.

Het hof heeft eerder in dit arrest verwoord dat in het voordeel dat aan een kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraak toevalt, een risico besloten ligt voor de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Het hof stelt op deze plaats met zoveel woorden vast, dat het gehouden onderzoek niet als resultaat heeft opgeleverd dat het aan (het zicht op) dat voordeel inherente risico voor de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen zich in dit geval heeft gerealiseerd.

Het hiervoor overwogene leidt tot verwerping van het verweer en dient tegelijkertijd ter voldoening aan de in artikel 360, tweede lid, Sv neergelegde opdracht.

3.3

Bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]

De verdediging van [Siegfried S.] heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Voor zover dit als subsidiaire sanctie op de gestelde onrechtmatigheden bij onder meer de met [getuige 1] gesloten (beschermings-)overeenkomst is bedoeld, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen en beslist.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuige uitgesloten moeten worden van het bewijs omdat ‘de belangen die hij heeft bij zijn verklaringen de betrouwbaarheid ervan niet zonder meer ondersteunen’, geldt dat dit verweer te algemeen en onvoldoende onderbouwd is. Vanzelfsprekend zal bij iedere getuige de betrouwbaarheid van diens verklaringen dienen te worden beoordeeld en zal daarbij rekening moeten worden gehouden met eventuele belangen om te verklaren. Het enkele bestaan van die belangen is derhalve geen reden de verklaringen op voorhand van het bewijs uit te sluiten.

De verdediging heeft de getuige [getuige 1] bestempeld als een fantast. Het hof ziet echter, mede gelet op het verhoor van deze getuige ter terechtzitting, geen aanleiding om zijn verklaringen als ongeloofwaardig of onbetrouwbaar terzijde te schuiven.

De verdediging heeft voorts gesteld dat de controle op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] op verwijtbare wijze door het Openbaar Ministerie onmogelijk is gemaakt door de kluisverklaringen van 10 en 12 mei 2011 niet auditief vast te leggen.

Het hof verwerpt het verweer op grond van het navolgende.

Met de raadsman en met de rechtbank19 is het hof van oordeel dat het niet auditief registreren van hetgeen [getuige 1] op 10 en 12 mei 2011 tegenover de verhorende verbalisanten heeft verklaard, in strijd is met het bepaalde in en de ratio van de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ zoals die destijds gold. Dit verzuim is naar zijn aard onherstelbaar. Daarmee is een belangrijk vormvoorschrift – dat is gegeven met het oog op de toetsbaarheid van de afgelegde verklaringen gedurende het strafproces – in aanzienlijke mate geschonden. De ernst van het verzuim wordt mede bepaald door het belang van de betreffende verklaringen, de aard van de feiten waarover in die verklaringen wordt gesproken en de omstandigheid dat het openbaar ministerie – gelet op de destijds inmiddels opgedane ervaringen met de kluisverklaringen van [Peter La S.] – zich van het belang van registratie bewust had kunnen zijn.

Echter, dit verzuim heeft in casu geen nadeel voor [Siegfried S.] meegebracht. De inhoud van de verklaringen is immers vastgelegd in door [getuige 1] ondertekende en door verbalisanten op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. De betreffende verbalisanten zijn nadien bovendien als getuige gehoord door de rechter-commissaris en hebben daarbij bevestigd dat in de processen-verbaal datgene is vastgelegd dat de getuige heeft verklaard. Ook [getuige 1] zelf heeft dit ter terechtzitting van de rechtbank van 24 oktober 2011 bevestigd en hem zijn als getuige ter terechtzittingen van zowel de rechtbank als dit hof vragen kunnen worden gesteld. Dit betekent dat controle op de betrouwbaarheid in voldoende mate heeft kunnen plaatsvinden.

Tijdens die verhoren heeft [getuige 1] zijn eerder afgelegde verklaringen deels herhaald. Op onderdelen heeft hij andere bewoordingen gekozen. Die verschillen zijn kenbaar aan de hand van de telkens opgemaakte processen-verbaal en konden namens de verdachte in de standpuntbepaling bij pleidooi worden betrokken. Dat er desondanks nadeel voor de verdachte heeft geresteerd is niet concreet gemaakt.

Aldus beschouwd kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, doch dat daaraan geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden.

3.4

Conclusie

De slotsom van het voorgaande is dat de verweren die strekken tot het uitsluiten van de verklaringen van de getuige [Peter La S.] en [getuige 1] worden verworpen en dat het hof van oordeel is dat deze verklaringen voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

3.5

Ten aanzien van het bewijs: algemene overwegingen

3.5.1

Juridische kaders

Waar in dit arrest overwegingen en beslissingen omtrent medeplegen en voorbedachte raad zullen volgen, gelden daarvoor de navolgende kaders.

3.5.1.1 Medeplegen

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, komt betekenis toe aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.

3.5.1.2 Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.20

3.5.2

Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing

3.5.2.1 Inleiding

Het procesdossier ‘Passage’ bevat een groot aantal verschillende zaaksdossiers. Aan [Siegfried S.] wordt – kort gezegd – het medeplegen verweten van de moorden op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de nacht van 8 op 9 mei 1993 in Antwerpen (België), ook wel aangeduid als de zaak “Cobra”. Van strafbare betrokkenheid bij die moorden worden tevens [Moppie R.] , [Jesse R.] en de (inmiddels overleden) [Cobra-betrokkene-3] verdacht. [Moppie R.] en [Jesse R.] , zo volgt uit het Passagedossier, worden tevens – onder meer – verdacht van strafbare betrokkenheid bij twee andere feiten die zich in dezelfde periode als de zaak Cobra hebben afgespeeld, te weten de zaaksdossiers “Tanta” (de moorden op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 1 april 1993) en “Opa” (de moord op [slachtoffer 5] op 19 april 1993). De zaaksdossiers Cobra, Tanta en Opa worden gezamenlijk ook wel aangeduid als de ’93-zaken’.

Het hof ziet aanleiding om eerst de in deze drie zaaksdossiers neergelegde onderzoeksresultaten aan een overkoepelende beschouwing te onderwerpen. Dit in de eerste plaats omdat alle genoemde moorden binnen een korte periode zijn gepleegd, in de tweede plaats omdat [Moppie R.] en [Jesse R.] van betrokkenheid bij al deze moorden worden verdacht, in de derde plaats omdat de getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] omtrent alle drie zaaksdossiers verklaringen hebben afgelegd en tenslotte omdat bepaalde telecomgegevens in alle betreffende zaaksdossiers van belang zijn. Gelet daarop kan een vaststelling in de ene zaak betekenisvol zijn in een andere zaak.

Met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarvan in deze beschouwing zal worden uitgegaan zal door middel van voetnoten worden verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan deze worden ontleend.

Vervolgens zal nog een aantal bewijsoverwegingen volgen die specifiek op de bewezenverklaring ten aanzien van [Siegfried S.] in de zaak Cobra betrekking hebben en zullen de namens [Siegfried S.] gevoerde bewijsverweren worden besproken. Afgesloten zal worden met de conclusie en met de beslissingen omtrent het bewijs.

3.5.2.2 Algemene vaststellingen

Op 1 april 1993, omstreeks 00.45 uur, zijn aan de Ouderkerkerplas te Ouderkerk aan de Amstel twee mannen, [slachtoffer 2]21 en [slachtoffer 1]22 door afgevuurde kogels om het leven gebracht.23 Eén slachtoffer werd aangetroffen in een auto, het andere slachtoffer ernaast. Zowel de auto als de lichamen van de slachtoffers waren in brand gestoken. Op de plaats delict zijn hulzen en kogeldelen aangetroffen, waaruit blijkt dat er met een pistool en een revolver is geschoten.24 De betreffende auto was op 31 maart 1993 tussen 21.55 uur en 23.55 uur gestolen vanaf de Karel Lotsylaan te Amsterdam.25 In de nacht van 30 op 31 maart 1993, omstreeks 23.40 uur zijn schoten gehoord bij een viaduct nabij de Ouderkerkerplas en zijn hulzen aangetroffen.26 De onderzochte hulzen bleken afkomstig uit hetzelfde wapen als de hulzen die waren aangetroffen op de plaats delict.27

Op maandag 19 april 1993, omstreeks 21.45 uur, is aan de Joan Muyskenweg te Amsterdam (ter hoogte van het toenmalige Altea hotel) een man, [slachtoffer 5] , zittend in een auto door afgevuurde kogels om het leven gebracht.28

Op 9 mei 1993, omstreeks 00.03 uur, zijn aan de Plantin en Moretuslei te Antwerpen (België) een man en een vrouw, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zittend in een auto met kogels beschoten, ten gevolge waarvan zij zijn overleden.29

In de betreffende periode (april-mei 1993) kenden [Jesse R.] en [Moppie R.] elkaar en gingen zij regelmatig met elkaar om.30

[Freek S.] ging in die periode frequent om met [Jesse R.]31 en hij kende [N.P. de B.] en [Moppie R.]32.

[N.P. de B.] is de neef van [Jesse R.] en ging in de betreffende periode met hem om.33

[N.P. de B.] ging ook om met [Moppie R.] en [Freek S.] .34

[Pinny S.] kende [Jesse R.] , [Moppie R.] , [N.P. de B.] en [Freek S.] .35

[Siegfried S.] , [Jesse R.] en [Moppie R.] kenden elkaar.36

De slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren ten tijde van hun moord bekenden van [Moppie R.] . [Moppie R.] heeft hen leren kennen via [Raymond V.] , de broer van zijn toenmalige vriendin [E.V.] .37 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verbleven in de periode voorafgaand aan de op hen gepleegde moord in een woning van de familie [V.] aan de [adres] te Den Haag. Ook [Moppie R.] woonde daar.38

[Moppie R.] kende het slachtoffer [slachtoffer 5] .39 [slachtoffer 5] had een relatie met [Pinny S.] , die in de betreffende periode als prostituee in de Stoofsteeg in Amsterdam werkte.40

Het slachtoffer [slachtoffer 3] was een bekende van [Cobra-betrokkene-1] .41 [Moppie R.] en [Jesse R.] waren in die periode bekenden van [Cobra-betrokkene-1] en gingen met hem om.42 [Siegfried S.] kende [Cobra-betrokkene-1] ook.43 [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] waren bekenden van elkaar.44

3.5.2.3 Verklaringen getuigen in jaren ‘90

Door verschillende personen zijn in de verschillende zaken in de periode (relatief) kort na de moorden verklaringen afgelegd.

In het zaaksdossier Tanta is door de getuige [Tanta-getuige-1] in 1996 aan politieambtenaren van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) verteld dat zij omstreeks april 1993 van [Raymond V.] heeft gehoord dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou gaan doodschieten, dat hij dat samen met [Moppie R.] zou gaan doen en dat [Jesse R.] erbij betrokken is. Zij was erbij toen [Raymond V.] en [Moppie R.] thuis kwamen en vertelden hoe een en ander gebeurd was.45

In het zaakdossier Opa is door de getuige [Opa-getuige-1] in 1993 verklaard dat [Pinny S.] haar heeft verteld dat zij het plan had om [slachtoffer 5] dood te laten schieten, dat zij daartoe [Moppie R.] een geldbedrag had betaald, dat het op een zondag in Breukelen zou moeten gebeuren maar dat het op maandag bij het Altea hotel was gebeurd.46

In het zaaksdossier Cobra is in 1993 en 1994 door verscheidene getuigen verklaard dat [slachtoffer 3] een groot geldbedrag tegoed had van [Cobra-betrokkene-1] en dat hij op de avond van de moord geld van [Cobra-betrokkene-1] zou ontvangen.47 Ook is door ooggetuigen verklaard dat de moorden zijn gepleegd door een tweetal (donker gekleurde) mannen.48 In 1994 is door de getuige [Cobra-betrokkene-2] verklaard dat hij in de avond van 8 mei 1993 op verzoek van [Jesse R.] met zijn auto richting Antwerpen is gereden, dat [Jesse R.] in een auto met (een) andere inzittende(n) naar Antwerpen is gereden, en dat hij [Jesse R.] rond middernacht aan de Keizerlei in Antwerpen weer heeft opgepikt.49 Door de getuige [slachtoffer 10] is in 1996 verklaard dat [Moppie R.] tegen hem gezegd heeft dat hij betrokken was geweest bij de moord op die man en die vrouw in Antwerpen en dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] hen hadden doodgeschoten.50

Aldus kan worden vastgesteld dat reeds in de jaren 1993 – 1996 door personen die elkaar niet kennen en in zaken die voor het overige niet aan elkaar gerelateerd zijn, verklaard wordt over betrokkenheid van [Raymond V.] , [Jesse R.] en [Moppie R.] in de zaak Tanta, van [Pinny S.] en [Moppie R.] in de zaak Opa en van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Moppie R.] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] in de zaak Cobra.

3.5.2.4 Verklaringen getuigen [Peter La S.] en [getuige 1]

Vele jaren later verklaren de getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] over hun wetenschap met betrekking tot de drie zaken.

[Peter La S.] heeft verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord dat [Jesse R.] en [Moppie R.] betrokken waren geweest bij de liquidatie van twee Joegoslaven en dat de slachtoffers in brand waren gestoken.51

[getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Moppie R.] heeft gehoord dat deze samen met [Jesse R.] betrokken was geweest bij het doodschieten van twee mannen, die daarna in brand waren gestoken.52

[Peter La S.] heeft verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord dat hij [slachtoffer 5] met een machinepistool had doodgeschoten en dat [Freek S.] daarbij had gereden. Ook heeft hij verklaard dat een neefje van [Jesse R.] bij één van de liquidaties betrokken was en dat [Jesse R.] had gevraagd of hij, [Peter La S.] , dit neefje geestelijk bij kon staan; dit omdat deze aan het praten was en niet met zijn betrokkenheid bij de liquidatie om kon gaan. [Peter La S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem dit neefje een keer heeft aangewezen en hij heeft later [N.P. de B.] herkend als dit neefje.53

[getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Moppie R.] heeft gehoord dat [Moppie R.] en [Jesse R.] de vriend van een prostituee hadden geliquideerd.54

[Peter La S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] hem heeft verteld dat hij in de organisatie van de liquidatie van twee mensen in Antwerpen had gezeten, dat de opdracht van [Cobra-betrokkene-1] kwam en dat het schieten door negers was gedaan.55 [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Moppie R.] had gehoord dat [Cobra-betrokkene-1] de opdrachtgever was van de liquidatie van een man en een vrouw in Antwerpen en dat “Oompje, wiens naam Sieg of Siegfried was” de liquidatie had uitgevoerd.

[getuige 1] heeft als getuige ter terechtzitting [Siegfried S.] herkend als de “Oompje” waarover hij sprak.56

Aldus kan worden vastgesteld dat door deze getuigen, onafhankelijk van elkaar en ook onafhankelijk van de getuigen die reeds in de jaren ’90 hadden verklaard, wordt verklaard over de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Moppie R.] in de zaak Tanta, [Jesse R.] , [Freek S.] en [Moppie R.] in de zaak Opa, van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Moppie R.] en [Siegfried S.] in de zaak Cobra en van [N.P. de B.] bij één van deze liquidaties.

3.5.2.5 Telecomgegevens

Met betrekking tot telefoonnummers in de betreffende periode (maart-mei 1993) kan het volgende worden vastgesteld:

De autotelefoon met nummer 06- [*1810] (hierna: de *1810) werd gebruikt door [Jesse R.] en [Moppie R.] .57

De autotelefoon met nummer 06- [*2533] (hierna: de *2533) werd gebruikt door [Jesse R.] .58

De semafoon met nummer 06- [*5405] (hierna: de *5405) werd gebruikt door [Moppie R.] . Het hof leidt dit af uit het aantreffen van een briefje in de woning van [Moppie R.] aan de [adres] in Den Haag waarop stond vermeld “Maup [...] pieper [*5405] .”, in samenhang met het gegeven dat deze semafoon in korte tijd 227 keer vanaf de woning van [Moppie R.] wordt aangeroepen en met het feit dat uit het dossier blijkt dat [Moppie R.] regelmatig kort na dergelijke oproepen inbelt naar de aansluiting van de [adres] .59

De autotelefoon met nummer 06- [*9952] (hierna: de *9952) werd gebruikt door [Freek S.] .60

De autotelefoon met nummer 06- [*2004] (hierna: de *2004) werd gebruikt door [Cobra-betrokkene-2] .61

Het telefoonnummer 0172- [*9784] (hierna: de *9784) betrof de huislijn van [Pinny S.] . Het telefoonnummer 020- [*2618] (hierna: de *2618) betrof de huislijn van de ouders van [Pinny S.] .62

Het telefoonnummer 070- [*5007] (hierna: de *5007) betrof de huislijn van de familie [V.] aan de [adres] 64 te Den Haag tot 7 april 1993.63

Het telefoonnummer 070- [*1034] (hierna: de *1034) betrof de huislijn van de familie [V.] aan de [adres] 64 te Den Haag vanaf 7 april 1993.64

Het telefoonnummer 02972- [*4087] (hierna: de *4087) betrof de huislijn van de ouderlijke woning van [N.P. de B.] .65

Het telefoonnummer 0346- [*3664] (hierna: de *3664) betrof de huislijn van [Cobra-betrokkene-1] in Maarssen.66

De semafoon met nummer 06- [*0555] (hierna: *0555) werd gebruikt door [Cobra-betrokkene-1] .67 Het hof leidt dit af uit het aantreffen van deze semafoon in de slaapkamer van [Cobra-betrokkene-1] in samenhang met een notitie in de agenda van de partner van [Cobra-betrokkene-1] van dit nummer onder de aanduiding “HOR”, naar het hof begrijpt: [Cobra-betrokkene-1] .

Met betrekking tot de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat de *1810 en de *2533 beide voorafgaand aan het schieten op 30 maart 1993 te 23.40 uur bij de Ouderkerkerplas zendmasten aanstraalden in Amsterdam, dat zij contact met elkaar hadden en dat zij ná het schieten tegelijkertijd dezelfde zendmast in Vinkeveen aanstraalden 68; de Ouderkerkerplas is gelegen tussen Amsterdam en Vinkeveen. Voorts straalden beide telefoons rond de diefstal van de Opel Kadett (op 31 maart 1993 tussen 21.55 en 23.55 uur op de Karel Lotsylaan te Amsterdam) zendmasten aan, binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Tenslotte straalde de *1810 kort voor het tijdstip van de moord op 1 april 1993 te 00.45 uur bij de Ouderkerkerplas (te weten om 00.11 uur) een zendmast aan binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Voorts zocht de *1810 op dat moment contact met de huistelefoon van de familie [V.] .69

Met betrekking tot de zaak Opa kan worden vastgesteld dat rond het tijdstip van de moord op 19 april 1993 te 21.45 uur aan de Joan Muyskenweg te Amsterdam, de *1810 en de *9952 zendmasten aanstraalden binnen het bereik waarvan ook de betreffende locatie gelegen was. Ook hadden beide telefoonnummers rond die tijd regelmatig onderling contact.70

De *1810 en de *9952 bevonden zich voorts op 18 april 1993 rond 18.00 uur beide binnen het bereik van een zendmast te Breukelen en hadden toen ook contact met elkaar. De *1810 had voorts op 18 april, 19 april en in de ochtend van 20 april 1993 contact met de huislijnen van [Pinny S.] en van de ouders van [Pinny S.] . De *9952 had op 18 april 1993 contact met de huislijn van [N.P. de B.] . De *9952 had kort voor het tijdstip van de moord op 19 april 1993 contact met de semafoon van [Moppie R.] , de *5405.71

Met betrekking tot de zaak Cobra kan worden vastgesteld dat met de *1810 op 15 april 1993 is uitgebeld naar het Belgische telefoonnummer van het slachtoffer [slachtoffer 4] .72 Voorts kan worden vastgesteld dat in de avond van 8 mei 1993 de *1810 contact had met de *2004. Ook kan worden vastgesteld dat de *1810 op 8 mei 1993 om 21.48 uur voor het laatst een zendmast aanstraalde en wel te Mijnsheerenland, ten zuiden van Rotterdam. De *2004 straalde op 8 mei 1993 voor het laatst een zendmast aan om 22.44 uur en wel te Breda. De *2004 straalde op 9 mei 1993 voor het eerst om 00.32 uur een zendmast aan en wel te Breda. Dit contact was met een semafoon, die wordt toegeschreven aan [Cobra-betrokkene-1] . De *1810 straalde op 9 mei 1993 voor het eerst om 00.37 uur een zendmast aan en wel te Breda. Zowel in de avond van 8 mei 1993 als in de vroege ochtend van 9 mei 1993 was er meermalen contact tussen de *1810 en de *2004 met de huislijn *1034 van de familie [V.] en de semafoon *5405.

De *1810 belde in de avond van 8 mei 1993 met verschillende telefoonnummers die in gebruik zijn bij personen die contacten van [Siegfried S.] en/of [Cobra-betrokkene-3] bleken te zijn.73

Ook zonder dat de precieze locaties van de gebruikte autotelefoons (ATF) kan worden vastgesteld, zonder dat de precieze identificatie van de bellers en/of gebelden mogelijk is, en zonder dat de inhoud van de contacten bekend is, rechtvaardigt het bovenstaande in ieder geval de navolgende conclusies:

  • -

    het gebruik van de ATF *1810 die in de betreffende periode door [Jesse R.] en [Moppie R.] werd gebruikt is steeds zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband te brengen met alle drie de zaken;

  • -

    in de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Moppie R.] en [Raymond V.] ;

  • -

    in de zaak Opa kan ook het gebruik van de in die periode door [Freek S.] gebruikte ATF *9952 zowel wat tijdstippen als wat locaties betreft in verband worden gebracht met die zaak;

  • -

    in de zaak Opa kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moord contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Moppie R.] , [Freek S.] , [Pinny S.] en [N.P. de B.] ;

  • -

    in de zaak Cobra kan worden vastgesteld dat er rondom het tijdstip van de moorden contacten zijn tussen nummers die in verband kunnen worden gebracht met [Jesse R.] , [Moppie R.] , [Cobra-betrokkene-1] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] .

3.5.2.6 Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande kan vastgesteld worden dat uit de getuigenverklaringen de namen van [Jesse R.] en [Moppie R.] als betrokkenen in alle drie de “93-zaken” naar voren komen. In de zaak Cobra komen verder de namen [Cobra-betrokkene-1] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] naar voren. Vastgesteld kan verder worden dat tussen genoemde vijf personen in de betreffende periode banden bestonden en dat zij met elkaar omgingen, dat de bij [Jesse R.] en [Moppie R.] in gebruik zijnde autotelefoon in verband kan worden gebracht met de zaak Cobra en dat rondom het tijdstip van de aan de verdachte tenlastegelegde moorden contacten zijn geweest tussen telefoonnummers die met de vijf genoemde personen in verband kunnen worden gebracht.

Vergelijkbare vaststellingen kunnen worden gedaan in de zaken Tanta en Opa. Ook daar worden door getuigen namen genoemd van personen die betrokken zouden zijn geweest bij die zaken, kan worden vastgesteld dat die genoemde personen in de betreffende periode met elkaar omgingen, kan worden vastgesteld dat de bij [Jesse R.] en [Moppie R.] in gebruik zijnde autotelefoon in verband kan worden gebracht met die beide zaken en kan in beide zaken worden vastgesteld dat er rond de tijdstippen van de in die zaaksdossiers onderzochte moorden contacten zijn geweest tussen telefoonnummers die met de genoemde personen in verband kunnen worden gebracht. Het hof acht de hiervoor weergegeven vaststellingen bijdragen aan het bewijs ten aanzien van [Siegfried S.] . Ten aanzien van de vaststellingen die specifiek de zaak Cobra betreffen, spreekt dat voor zich.

Er is daarnaast sprake van een patroon in de telecomgegevens dat de betrouwbaarheid en de bewijskracht van de door getuigen afgelegde verklaringen ten aanzien van de medeverdachten versterkt. Ook draagt dit zojuist vastgestelde patroon in versterkende zin bij aan de bewijswaarde van de telecomgegevens zoals die tot het bewijs van de aan de verdachte ten laste gelegde moorden worden gebezigd. Daarbij worden de hiervoor reeds omschreven beperkingen van historische verkeersgegevens in het algemeen door het hof onderkend.

De vaststellingen die in het bijzonder de zaken Tanta en Opa betreffen zijn aldus van belang voor het bewijs van de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Moppie R.] bij alle drie de zaken in april/mei 1993 en daarmee ook voor de zaak Cobra. Ook zijn zij van belang bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van hetgeen de getuigen [Peter La S.] , [getuige 1] , [Cobra-betrokkene-2] en [slachtoffer 10] omtrent [Jesse R.] en/of [Moppie R.] hebben verklaard. Tenslotte zijn de vaststellingen ten aanzien van het telefoonnummer *1810 in de zaken Tanta en Opa van belang voor de betekenis die moet worden toegekend aan de vaststellingen ten aanzien van dat zelfde nummer in de zaak Cobra.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.5

Een gezamenlijke verkenning van de zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra (de zogenaamde ’93 zaken) leert het volgende:

- Reeds in de jaren ’90 wordt door getuigen verklaard over de betrokkenheid van [Raymond V.] , [Jesse R.] en [Moppie R.] in de zaak Tanta, van [Pinny S.] en [Moppie R.] in de zaak Opa en van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Moppie R.] , [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] in de zaak Cobra.

- Door de getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] wordt vele jaren later, onafhankelijk van elkaar en ook onafhankelijk van de getuigen die reeds in de jaren ’90 hadden verklaard, verklaard over de betrokkenheid van [Jesse R.] en [Moppie R.] in de zaak Tanta, [Jesse R.] , [Freek S.] en [Moppie R.] in de zaak Opa, van [Cobra-betrokkene-1] , [Jesse R.] , [Moppie R.] en [Siegfried S.] in de zaak Cobra en van [N.P. de B.] bij één van deze liquidaties.

- In alle drie de zaaksdossiers kan op grond van telecomgegevens een verband worden gelegd tussen een door [Jesse R.] en [Moppie R.] gebruikte autotelefoon en de delicten. Ook kunnen daaruit onderlinge contacten tussen aan de verschillende verdachten toegeschreven telefoonnummers op relevante tijdstippen worden vastgesteld.

3.6

Het bewijs in het bijzonder ten aanzien van [Siegfried S.]

3.6.1

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van [Siegfried S.] zijn in het bijzonder de navolgende (elementen uit de) bewijsmiddelen van belang.

- de getuige [Peter La S.]

De getuige [Peter La S.] heeft onder meer verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord over een liquidatie in Antwerpen, waarvan [Cobra-betrokkene-1] de opdrachtgever was. [Peter La S.] heeft verklaard dat volgens [Jesse R.] het schieten “door negers” was gedaan, dat [Jesse R.] in de organisatie had gezeten en dat zij de avond van de liquidatie hebben verzameld bij het Hilton in Rotterdam, waarna zij naar Antwerpen zijn gereden.


- de getuige [Cobra-getuige-7]

De getuige [Cobra-getuige-7] is een ooggetuige van het delict en heeft twee personen gezien, van wie zij het postuur en de huidskleur omschrijft als groot respectievelijk zwart. Verder heeft zij één van hen met een vuurwapen in de hand gezien en op de Mercedes van de slachtoffers af zien stappen nadat deze personen eerder in een nabijgelegen portaal stonden. Zij heeft niet horen schieten.

- de getuige [Cobra-getuige-6]

De getuige [Cobra-getuige-6] is een ooggetuige van het delict en heeft twee personen, die even daarvoor nog in het portaal van haar woning stonden, bij de Mercedes van de slachtoffers zien staan en heeft twee “sissende” geluiden gehoord.

- verslag van wapenonderzoek
Uit het verslag blijkt dat in het verleden tweemaal een pistool voor onderzoek aan het Gerechtelijk Laboratorium aangeboden werd dat dezelfde combinatie van sporen veroorzaakte als de in deze zaak aangeboden kogels en hulzen vertonen. In beide gevallen betrof het een semi-automatisch pistool van het merk FEG, waarvan de loop vervangen was door een langere loop. Het voorste gedeelte van de loop was in beide gevallen van schroefdraad voorzien. Eén van de genoemde wapens was bij ontvangst voorzien van een geluiddemper, welke op de aangebrachte schroefdraad paste.

- de getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [Moppie R.] heeft gehoord over een liquidatie in Antwerpen, waarvan [Cobra-betrokkene-1] de opdrachtgever was. [getuige 1] heeft verklaard dat volgens [Moppie R.] “Oompje” die liquidatie had uitgevoerd. [getuige 1] heeft [Siegfried S.] ter terechtzitting herkend als de “Oompje” die hij bedoelde.

- de getuige [slachtoffer 10]

De getuige [slachtoffer 10] heeft verklaard dat [Moppie R.] hem heeft verteld dat hij betrokken was geweest bij de moord op die man en vrouw in Antwerpen. [Moppie R.] vertelde dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] die man en vrouw hadden vermoord.

- de getuige [Cobra-getuige-9]

De getuige [Cobra-getuige-9] heeft verklaard dat [Siegfried S.] hem in de zomer van 1993 heeft verteld dat hij in Antwerpen was geweest en dat hij “die mensen” had neergeschoten.

- de getuige [Cobra-getuige-10]

De getuige [Cobra-getuige-10] heeft verklaard dat zij in de zomer van 1993 heeft gezien dat [Cobra-betrokkene-3] een groot geldbedrag uit zijn broekzak pakte. Hij zei dat hij dat geld had gekregen omdat hij twee mensen had vermoord. Hij zei dat hij dat samen met ‘Tochi’, met wie hij [Siegfried S.] bedoelde, had gedaan.

- de getuige [Cobra-getuige-1]

De getuige [Cobra-getuige-1] heeft verklaard dat in het weekend van 8 en 9 mei 1993 [Cobra-betrokkene-3] gejaagd bij haar thuis kwam en vertelde dat hij iets snels en simpels had gedaan en haar een grote som geld liet zien.

- de getuige [Cobra-betrokkene-2]

De getuige [Cobra-betrokkene-2] heeft verklaard dat [Jesse R.] in de avond van 8 mei 1993 meermalen met [Cobra-betrokkene-2] autotelefoon, de *2004, heeft gebeld en dat [Jesse R.] met deze telefoon op enig moment, in de buurt van de grens, naar een auto met één of twee andere inzittenden is gegaan en daar is ingestapt.

- de telefoongesprekken tussen [Siegfried S.] en [Jesse R.] en [Moppie R.]

In de dagen voorafgaand aan 8 en 9 mei 1993 zijn er telefonische contacten geweest tussen [Siegfried S.] en [Jesse R.] en [Moppie R.] . Daarbij is door [Jesse R.] aan [Siegfried S.] gezegd dat [Siegfried S.] moest bellen. [Siegfried S.] heeft [Moppie R.] vervolgens gebeld. Tussen [Moppie R.] en [Siegfried S.] wordt vervolgens gesproken over een bedrag van 10.000 gulden dat [Moppie R.] aan [Siegfried S.] moet geven zodat [Siegfried S.] ‘die dingen’ kan kopen en over ‘dat ding moet snel’. In het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat deze gesprekken zien op de voorbereiding van de moord. Het hof gaat in het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voorbij aan de eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [Siegfried S.] dat deze gesprekken zagen op de handel in bepaalde volgens [Siegfried S.] legale pillen; daarbij betrekt het hof ook dat, waar het gaat om kennelijk legale pillen, het overduidelijk versluierende taalgebruik niet goed verklaarbaar is.

- de getuige [Cobra-getuige-8]

De getuige [Cobra-getuige-8] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [Cobra-betrokkene-3] rond Koninginnedag 1993 van [Siegfried S.] een koffertje kreeg, waarin een pistool, een geluiddemper en munitie zaten.

Het hof overweegt dat, gelet op de datum waarop [Cobra-getuige-8] dit heeft verklaard (14 december 2007), de door haar gegeven tijdsaanduiding “rond Koninginnedag 1993” zeer wel verenigbaar kan zijn met een overhandiging die in tijd is gelegen tussen de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken van 5 mei 1993 en het delict op 8 mei 1993.

- de telecomgegevens

Uit de telecomgegevens volgt dat in de avond van 8 mei 1993 en in de vroege ochtend van 9 mei 1993 met de telefoons *1810 (in gebruik bij [Jesse R.] en [Moppie R.] ) en *2004 (in gebruik bij [Cobra-betrokkene-2] ) is gebeld naar contacten van [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] ( [Cobra-getuige-3] , [Cobra-getuige-1] , [Cobra-getuige-2] , [Cobra-getuige-4] en [Cobra-getuige-5] ). Nu die contacten verklaren dat zij in die periode gebeld kunnen zijn door [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] , maar niet door [Jesse R.] , [Moppie R.] en/of [Cobra-betrokkene-2]74betekenen deze gegevens dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] die avond en nacht kennelijk die betreffende telefoons hebben gebruikt en vormen aldus een bevestiging dat zij degenen waren die met [Jesse R.] en [Cobra-betrokkene-2] heen en weer naar Antwerpen zijn gereisd en met wie [Jesse R.] de ontmoeting in de buurt van de grens heeft gehad.

3.6.2

Bewijsverweren

- vrijspraak vanwege bijzondere omstandigheden van de zaak

De raadsman heeft gewezen op het ontbreken van de gelegenheid voor de verdediging om [Cobra-betrokkene-1] te ondervragen, op de ouderdom van de zaak en het tijdsverloop en de publiciteit voorafgaand aan getuigenverklaringen. Deze omstandigheden maken dat het bewijsmateriaal uitermate voorzichtig benaderd dient te worden, hetgeen in casu tot vrijspraak dient te leiden.

Het hof overweegt dat de door de raadsman genoemde elementen vanzelfsprekend in de beoordeling van de zaak zijn betrokken omdat dit voor de hand liggende elementen zijn bij de beoordeling van getuigenverklaringen. Zij brengen het hof echter niet tot het oordeel dat de gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende bruikbaar zouden zijn. Het hof wijst er bovendien op dat geen verklaringen van [Cobra-betrokkene-1] voor het bewijs worden gebezigd.

- de telecomgegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs en leveren overigens onvoldoende bewijs op

De raadsman heeft gesteld dat de telecomgegevens dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze incompleet zijn; daardoor zijn mogelijk ontlastende gegevens niet beschikbaar. Ook heeft hij gesteld dat die gegevens niet bruikbaar zijn omdat ze niet bewijzen dat [Siegfried S.] in de nacht van 8 op 9 mei 1993 naar Antwerpen is geweest.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dat aan de telecomgegevens beperkingen kleven. Zo zijn ze in zoverre beperkt dat slechts van een aantal nummers over een beperkte periode de gegevens beschikbaar zijn. Ook kan aan de locatiegegevens niet een precieze plaatsbepaling worden ontleend, waar in casu ook nog bijkomt dat van een eventueel gebruik van de autotelefoons in België geen gegevens beschikbaar zijn. Tenslotte kan aan gegevens over het gebruik van een bepaalde autotelefoon op een specifiek moment niet steeds met zekerheid een conclusie over de persoon van de gebruiker worden verbonden. Dit alles betekent echter niet dat de wél beschikbare gegevens om die reden in het geheel niet bruikbaar zouden zijn. Het hof heeft hiervoor beredeneerd uiteengezet welke betekenis het – mede in het licht van overige bewijsmiddelen – aan bepaalde telecomgegevens geeft.

3.6.3

Conclusies

3.6.3.1 De feitelijke gang van zaken

Uit het afgeluisterde telefoongesprek tussen [Siegfried S.] en [Moppie R.] van 5 mei 1993 in samenhang met de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-8] volgt dat [Siegfried S.] zich in de periode vóór de feiten bezig heeft gehouden met de aanschaf van één of meer vuurwapens.

Uit de verklaringen van [Cobra-betrokkene-2] leidt het hof af dat [Jesse R.] op 8 mei 1993 van Rotterdam naar Antwerpen is gereden en dat [Jesse R.] het plan hiertoe al enkele weken tevoren had opgevat.

Uit de verklaring van [Peter La S.] blijkt dat de betrokkenen bij de liquidatie in Antwerpen zich vooraf in het Hilton-hotel te Rotterdam hebben verzameld. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [Cobra-betrokkene-2] , die immers bevestigt dat hij [Jesse R.] op de avond van 8 mei 1993 heeft afgezet bij dat Hilton-hotel. Deze verklaring vindt voorts steun in de verkeersgegevens van de ATF’s *1810 en *2004, die deze avond zendmasten in Den Haag en Rotterdam aanstralen. Betekenis komt voorts toe aan het gegeven dat met de aan [Jesse R.] en [Moppie R.] toegeschreven ATF *1810 op 8 mei 1993 is gebeld met telefoonnummers die in gebruik zijn bij bekenden van [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] . Hieruit kan worden afgeleid dat deze telefoon op 8 mei 1993 aan [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] ter beschikking is gesteld.

Uit de verklaring van [Cobra-betrokkene-2] leidt het hof af dat [Cobra-betrokkene-2] hierna naar een benzinestation bij grensovergang Hazeldonk is gereden, dat [Jesse R.] zich op een andere manier naar het benzinestation heeft verplaatst en dat [Cobra-betrokkene-2] toen en daar heeft gezien dat [Jesse R.] in een andere auto (een Vectra) met één of meer andere personen zat.

Gelet op het voorgaande, alsmede de verklaring van [getuige 1] dat [Jesse R.] mee op weg is gegaan naar Antwerpen, de verklaring van [Peter La S.] dat [Jesse R.] na te hebben verzameld in het Hilton naar Antwerpen is gereden, en de verklaring van [Cobra-betrokkene-2] dat hij [Jesse R.] in Antwerpen omstreeks middernacht heeft getroffen, dient het er voor te worden gehouden dat [Jesse R.] zich in de genoemde Vectra in het gezelschap van [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] naar Antwerpen heeft verplaatst.

Omstreeks middernacht in de nacht van 8 op 9 mei 1993 zijn [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] beschoten. Beiden zijn ongeveer een week later overleden.

Uit de verklaringen van de getuigen [Cobra-getuige-7] en [Cobra-getuige-6] volgt dat de twee daders in het portaal van de woning van [Cobra-getuige-6] enige tijd hebben staan wachten totdat rond middernacht de slachtoffers in een auto van het merk Mercedes kwamen aanrijden. Op grond van de bevindingen op de plaats delict in samenhang met het verslag van ir. Van Brakel houdt het hof het ervoor dat beide slachtoffers met één en hetzelfde vuurwapen zijn doodgeschoten. Naar het oordeel van het hof staat op grond van de verklaringen van [Cobra-getuige-7] (dat zij geen schoten heeft gehoord) en [Cobra-getuige-6] (dat zij sissende geluiden heeft gehoord), bezien in samenhang met het verslag van wapenonderzoek en de verklaring van [Cobra-getuige-8] , vast dat het vuurwapen waarmee de schoten zijn gelost was voorzien van een geluiddemper.

Op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [Cobra-getuige-1] , [Cobra-getuige-9] , [slachtoffer 10] en [Cobra-getuige-10] , bezien in samenhang met de verklaring van getuige [Peter La S.] over het schieten door ‘negers’, het door de ooggetuige [Cobra-getuige-7] opgegeven signalement van de daders en hetgeen uit het dossier blijkt over de lengte en huidskleur van [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] , stelt het hof vast dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] de door [Cobra-getuige-7] waargenomen personen zijn geweest en dat één van hen beiden de schoten heeft gelost. Of de schutter [Cobra-betrokkene-3] of [Siegfried S.] is geweest, kan het hof niet vaststellen.

Uit de verklaring van [Cobra-getuige-7] leidt het hof af dat [Cobra-betrokkene-3] en [Siegfried S.] na de schietpartij te voet de plaats delict hebben verlaten.

3.6.3.2 Medeplegen

Zoals hiervoor is overwogen kan het hof niet vaststellen of [Siegfried S.] of [Cobra-betrokkene-3] heeft geschoten. Vast staat wel dat één van beiden heeft geschoten. Naar het oordeel van het hof kan de nauwe en bewuste samenwerking tussen [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] worden afgeleid uit het volgende.

[Siegfried S.] heeft zich voorafgaand aan de feiten met [Moppie R.] verstaan over de aanschaf van één of meer vuurwapens en heeft aan [Cobra-betrokkene-3] een vuurwapen verstrekt. [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] hebben zich op de dag van de feiten vanuit Nederland naar Antwerpen begeven, daarbij vergezeld door een andere betrokkene, [Jesse R.] .

[Jesse R.] heeft zich afwisselend in de auto van [Cobra-betrokkene-2] en in de auto van [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] verplaatst. Ook hebben in de uren voorafgaand aan en volgend op de feiten vele contacten plaatsgevonden tussen telefoon- en semafoonnummers welke kunnen worden toegeschreven aan [Siegfried S.] , [Moppie R.] , [Jesse R.] en [Cobra-betrokkene-1] . Hoewel de precieze inhoud van deze gesprekken niet kan worden vastgesteld, acht het hof hoogst onwaarschijnlijk dat deze communicatie niet mede betrekking had op het delict. Voorts kan worden vastgesteld dat op verschillende momenten aan [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] de ATF’s *1810 en *2004 ter beschikking zijn gesteld, hetgeen indicatief is voor het gezamenlijk optrekken. Naar het oordeel van het hof dienen ook de wijze van vervoer, de onderlinge communicatie en de uitwisseling van telefoontoestellen als redengevend voor het medeplegen te worden aangemerkt.

In de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict hebben [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] gezamenlijk staan wachten. Uit de verklaring van [Cobra-getuige-7] leidt het hof af dat beiden op de auto van de slachtoffers zijn afgelopen en vóór respectievelijk naast de auto zijn gaan staan. Beiden hebben een gebaar richting de auto gemaakt. Met hun beider aanwezigheid op de plaats delict is de bedreigende situatie vergroot en door hun positionering rondom de auto hebben zij de inzittenden in feite ingesloten en de kans op ontsnapping verkleind. Vervolgens zijn kennelijk door één schutter de dodelijke schoten gelost en hebben [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] de plaats delict gezamenlijk verlaten.

Uit het dossier blijkt niet dat de niet-schutter zich ook maar op enig moment heeft gedistantieerd.

Het hof neemt ten slotte in aanmerking dat [Siegfried S.] geen inzicht heeft willen verschaffen in de precieze rolverdeling op de plaats delict.

Het hof stelt aldus vast dat sprake is geweest van intensieve, nauwe en bewuste samenwerking bij de voorbereiding en de uitvoering van het delict. Bij die stand van zaken hebben [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] , ongeacht wie van hen de schutter was, een wezenlijke bijdrage aan het delict geleverd zodat [Siegfried S.] als medepleger van het beschieten van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dient te worden aangemerkt.

3.6.3.3 Voorbedachte raad

Uit de verklaringen van [getuige 1] en [Peter La S.] leidt het hof af dat de moord op [slachtoffer 3] een moord in opdracht van een derde is geweest. Het precieze moment waarop [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] zijn bewogen tot het plegen van het feit, kan niet worden vastgesteld. Echter, reeds door de vaststelling dat sprake is van “moord op bestelling” is de voorbedachte raad in feite gegeven. Dat [Siegfried S.] voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden, volgt voorts uit het gegeven dat [Siegfried S.] zich voorafgaand aan de moord heeft beziggehouden met het verkrijgen c.q. overdragen van vuurwapens en een aanzienlijke afstand heeft moeten reizen naar de plaats van het delict. Vervolgens is [slachtoffer 3] op professionele en planmatige wijze om het leven gebracht. Het hof acht derhalve bewezen dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] bij het doodschieten van [slachtoffer 3] met voorbedachte raad hebben gehandeld.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de aan [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] verstrekte opdracht tevens het doodschieten van [slachtoffer 4] omvatte. Niet kan worden uitgesloten dat de beslissing om [slachtoffer 4] te doden eerst is genomen op het moment dat [Siegfried S.] en/of [Cobra-betrokkene-3] constateerde(n) dat behalve [slachtoffer 3] ook [slachtoffer 4] in de auto zat. Een aanwijzing voor dat scenario kan worden gevonden in de verklaring van [Peter La S.] dat “die vrouw op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was, [niet] hoefde te worden geliquideerd, maar getuige [was] en toen ook dood [moest]”.75 Van concrete aanwijzingen dat op voorhand was afgesproken om ook eventuele getuigen of andere inzittenden te doden, is niet gebleken. Gelet op de eisen die aan de bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moeten worden gesteld, zal het hof hiervan vrijspreken en in plaats daarvan het impliciet subsidiair tenlastegelegde medeplegen van doodslag op [slachtoffer 4] bewezen verklaren.

Korte samenvatting hoofdstuk 3.6

- Het hof acht bewezen dat [Siegfried S.] in de nacht van 8 op 9 mei 1993 in Antwerpen samen met [Cobra-betrokkene-3] de moord op [slachtoffer 3] heeft gepleegd. Het hof acht niet bewezen dat [Siegfried S.] zich ook schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer 4] . Immers is niet komen vast te staan dat op voorhand was besloten om ook eventuele andere inzittenden van de auto of getuigen te vermoorden, zodat de voorbedachte raad niet is bewezen. Wel acht het hof bewezen dat [Siegfried S.] zich samen met [Cobra-betrokkene-3] schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 4] .

- Het hof bewijst het daderschap van [Siegfried S.] aan de hand van deze bewijsmiddelen:

- de verklaring van [Peter La S.] dat [Jesse R.] heeft hem verteld over een moord in Antwerpen, uitgevoerd door twee “negers” in opdracht van [Cobra-betrokkene-1] , waarbij [Jesse R.] in de organisatie had gezeten;

- ooggetuigen die verklaren over twee zwarte mannen op de plaats delict, over een door de ene getuige waargenomen vuurwapen en over door een andere getuige gehoorde “sissende geluiden”, in combinatie met technische bevindingen die wijzen op het gebruik van een geluiddemper;

- de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-8] dat [Siegfried S.] rond Koninginnedag 1993 aan [Cobra-betrokkene-3] een vuurwapen met geluiddemper overdroeg;

- de verklaring van de getuige [getuige 1] dat [Moppie R.] heeft verteld over het door “Oompje” ( [Siegfried S.] ) uitvoeren van een moord in Antwerpen;

- de verklaring van de getuige [slachtoffer 10] dat [Moppie R.] hem heeft verteld dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] een man en vrouw in Antwerpen hadden vermoord;

- de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-9] dat [Siegfried S.] hem heeft verteld over zijn betrokkenheid bij het neerschieten van mensen in Antwerpen;

- de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-10] dat [Cobra-betrokkene-3] haar in 1993 een groot geldbedrag liet zien, dat hij had verdiend door het samen met [Siegfried S.] te vermoorden van twee mensen;

- de verklaring van de getuige [Cobra-getuige-1] dat [Cobra-betrokkene-3] haar in het weekend van 8 op 9 mei 1993 een groot geldbedrag liet zien, dat was verdiend met iets snels en simpels.

- tapgesprekken tussen [Siegfried S.] , [Jesse R.] en [Moppie R.] over de aanschaf van een vuurwapen;

- telecomgegevens waaruit blijkt dat [Siegfried S.] en [Cobra-betrokkene-3] in de nacht van 8-9 mei 1993 beschikten over de telefoon van [Jesse R.] en [Moppie R.] .

- De gevoerde verweren worden verworpen. Het hof acht de verklaringen van [Peter La S.] betrouwbaar, onder meer omdat deze steun vinden in het dossier. Het hof ziet daarnaast geen aanleiding voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] , omdat het geconstateerde vormverzuim betreffende diens kluisverklaringen voor [Siegfried S.] geen nadeel heeft opgeleverd.

4 Bewezenverklaring

4.1

Bewezenverklaring ten laste gelegde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 8 mei 1993 tot en met 15 mei 1993 te Antwerpen, België, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of zijn mededader op of omstreeks 8 mei 1993 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] geschoten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan op 14 mei 1993 is overleden

en

hij in de periode van 8 mei 1993 tot en met 12 mei 1993 te Antwerpen, België, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of zijn mededader op of omstreeks 8 mei 1993 met dat opzet een of meer kogels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 4] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat zij daaraan op 12 mei 1993 is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlagen III en IV die bij dit arrest zijn gevoegd en daarvan deel uitmaken.

4.2

De kroongetuige [Peter La S.] : bewijsgebruik van zijn verklaringen

Het bewijs is mede aangenomen op de verklaringen van de getuige [Peter La S.] .

Hij is een getuige met wie op grond van artikel 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt. In dit arrest heeft het hof overwegingen gebezigd over (de verklaringen van) deze getuige, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het onderzoek is daarbij gericht geweest op de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen, ook als de totstandkoming van die verklaringen mogelijk repercussies had voor die inhoud. Dat onderzoek heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden die in de weg dienen te staan aan het bewijsgebruik van zijn verklaringen. Niet in algemene zin, en ook niet in het bijzonder, in de sleutel van het bewijs van ten laste gelegde feiten. Het hof heeft eerder in dit arrest verwoord dat in het voordeel dat aan de kroongetuigen uit hoofde van de met ieder van hen gemaakte afspraak toevalt, een risico besloten ligt voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Het hof stelt op deze plaats met zoveel woorden vast, dat het gehouden onderzoek niet als resultaat heeft opgeleverd dat het aan (het zicht op) dat voordeel inherente risico voor de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen zich in zijn geval heeft gerealiseerd. Door al hetgeen aan onderzoek is verricht, waarvan in dit arrest verslag is gedaan, als ook door de hiervoor weergegeven vaststelling acht het hof zich gekweten van de in artikel 360, tweede lid, Sv neergelegde opdracht.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van moord

en

medeplegen van doodslag.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7 Oplegging van straf

7.1

De motivering van de op te leggen straf

[Siegfried S.] is als schutter strafbaar betrokken geweest bij een door hem met een ander gepleegde moordaanslag op [slachtoffer 3] . Daarbij is niet alleen [slachtoffer 3] , maar ook diens partner [slachtoffer 4] om het leven gekomen. De aanleiding voor de moord is niet ondubbelzinnig komen vast te staan. Wel zijn er sterke aanwijzingen dat een uitstaande criminele geldvordering van [slachtoffer 3] aanleiding heeft gevormd voor de moord. De moord is uitgelokt door een ander en [Siegfried S.] heeft zich met een kompaan laten inzetten voor het plegen van die moord. Deze moord vertoont onmiskenbaar trekken van een liquidatie: een in georganiseerd verband en op bestelling gepleegde moord. Ten aanzien van [slachtoffer 4] bestaan zeer sterke aanwijzingen dat zij door haar min of meer toevallige aanwezigheid vrijwel letterlijk in één beweging door de schutters is “meegenomen”. Haar gewelddadige overlijden illustreert het kennelijke gemak waarmee ook het leven van een niet tevoren beoogd slachtoffer is genomen.

Een moord is een buitengewoon ernstig misdrijf waardoor de samenleving ernstig wordt geschokt, zo wordt door de strafrechter in de regel op goede gronden bij straftoemeting tot uitgangspunt genomen. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst een eigen diepte. Voor een doodslag als die op [slachtoffer 4] geldt hetzelfde. Door zijn handelen heeft [Siegfried S.] blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van anderen. Uit de verklaring van de zus van het slachtoffer [slachtoffer 4] is duidelijk geworden dat de nabestaanden ook thans, bijna 25 jaren later nog dagelijks het leed voelen dat hen door [Siegfried S.] is aangedaan.

Weliswaar vonden de feiten in 1993 plaats, dit tijdsverloop heeft op zich niet te gelden als een omstandigheid die noopt tot strafmatiging. In tegenstelling tot wat bij andersoortige delicten wel eens kan worden aangenomen, kan niet met vrucht worden betoogd dat het maatschappelijk inzicht over het verwerpelijke karakter van moord en doodslag is gewijzigd, in die zin dat daaraan thans meer of minder zwaar wordt getild dan een kwart eeuw geleden. Weliswaar is in 2006 het wettelijk strafmaximum van de voor moord op te leggen tijdelijke gevangenisstraf verhoogd van 20 naar 30 jaren, met die wetswijziging is slechts beoogd de toen als onwenselijk groot ervaren ruimte tussen de levenslange en de maximale tijdelijke gevangenisstraf voor de strafrechter te verkleinen.

Het hof heeft zich ook anderszins rekenschap gegeven van de factor tijd. Het gegeven dat deze feiten niet dan na verloop van lange tijd zijn opgelost betekent voor [Siegfried S.] , dat hij pas na zeer geruime tijd en verkerend in een andere fase van zijn leven alsnog door het Openbaar Ministerie ter verantwoording is geroepen. Dit verloop van zoveel tijd had bij uitstek door [Siegfried S.] zelf kunnen worden beperkt, door niet het aanvankelijk moeizame verloop van het onderzoek te blijven afwachten, maar zelf het initiatief te nemen door bij politie en justitie zijn rol bij deze feiten op te biechten en aldus schoon schip te maken. Hij heeft ervoor gekozen zijn leven al die jaren in zoverre stilzwijgend en ongestraft voort te zetten, in de kennelijke hoop en verwachting dat de feiten onopgelost zouden blijven. Die afweging en het daaraan voor [Siegfried S.] verbonden risico van herhaalde vrijheidsbeneming, thans in de vorm van het ondergaan van gevangenisstraf, rechtvaardigt geen strafvermindering. Wel zal het hof bij de vraag naar een passende straf vanzelfsprekend acht slaan op zijn huidige persoonlijke omstandigheden.

Wat die omstandigheden betreft is van belang dat – de thans 69 jarige – [Siegfried S.] blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel documentatieregister van 29 maart 2017 zeer vaak door de strafrechter is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten en ook tot langjarige gevangenisstraffen. In dat verband wijst het hof op een veroordeling tot 17 jaren gevangenisstraf op 10 april 2009 voor onder meer een levensdelict, en een veroordeling op 13 oktober 2000 tot 7 jaren en zeven maanden gevangenisstraf, voor onder meer een geweldsdelict en wapenbezit. Het hof betrekt bij de straftoemeting die veroordeling van 10 april 2009, omdat die veroordeling, in het licht van de in de onderhavige zaak bewezen geachte misdrijven en van hetgeen de documentatie overigens aan justitiële gegevens vermeldt, bijdraagt aan de redelijke vrees dat [Siegfried S.] in vrijheid verkerend zich andermaal zal schuldig maken aan het plegen van eenzelfde of soortgelijk misdrijf.

[Siegfried S.] wordt gestraft voor buitengewoon ernstige misdrijven die door hem in een inmiddels ver verleden zijn begaan. Het strafdoel van vergelding weegt daarbij zwaar. Het hof heeft daarbij zijn proceshouding – zwijgen of ontkennen – in zijn nadeel betrokken. Het aanwezig geoordeelde gevaar voor herhaling is hiervoor benoemd en ook dat gevaar dient door strafoplegging te worden beteugeld. Daarnaast beoogt het hof met bestraffing van [Siegfried S.] eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Heeft het hof in deze zaak een liquidatie beoordeeld die is begaan in 1993, de actualiteit leert dat met bestraffing ook aan dat strafdoel dient te worden bijgedragen.

Al het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat het geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan de levenslange. De maximale tijdelijke gevangenisstraf, die destijds 20 jaren bedroeg, acht het hof onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Het hof zal hierna onderzoeken of niettemin van de oplegging van levenslange gevangenisstraf moet worden afgezien.

7.2

De levenslange gevangenisstraf en de strafrechtelijke regels van samenloop

Namens [Siegfried S.] is het verweer gevoerd dat de in Boek 1, Titel VI van het Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde regeling – meer in het bijzonder de artikelen 57, 59 en 63 – naar zowel de letter als strekking daarvan in de weg staat aan de oplegging van enige gevangenisstraf door het hof. Deze regeling vindt in de zaak van [Siegfried S.] toepassing, omdat hij, zoals hiervoor vastgesteld, na het plegen van het tenlastegelegde feit (1993) en voorafgaand aan zijn berechting door het hof meermalen tot gevangenisstraf is veroordeeld. De wettelijke opdracht aan het hof tot het bij de straftoemeting betrekken van deze tussentijdse strafoplegging betekent, gelet op het door het hof daarbij te betrekken strafmaximum van 20 jaren, dat er voor het hof in het geheel geen ruimte meer bestaat voor het opleggen aan [Siegfried S.] van een tijdelijke gevangenisstraf, van welke duur ook. Nu dat strafmaximum van tijdelijke gevangenisstraf reeds is bereikt, staat dat gegeven bovendien in de weg aan de oplegging door het hof van een levenslange gevangenisstraf, dit gelet op de bedoeling die bij de wetgever bij het treffen van die wettelijke regeling heeft voorgezeten, aldus – samengevat – de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Aan de wettelijke regeling en de daarop betrekkelijke rechtspraak van de Hoge Raad 76dient het volgende te worden ontleend.

Het tweede lid van artikel 57 Sr in verbinding met artikel 63 Sr begrenst in het voorkomende geval het maximum van de door de rechter op te leggen hoofdstraf. Bij strafoplegging naar aanleiding van samenloop van misdrijven (bij gelijktijdige berechting dan wel in retrospectief in de sleutel van de regeling van artikel 63 Sr) is de rechter gebonden aan een maximum, te weten een derde boven het hoogste maximum van de tijdelijke gevangenisstraf, waarmee die ter berechting voorliggende misdrijven zijn bedreigd.

In het geval waarin het hof de oplegging aan [Siegfried S.] van een levenslange gevangenisstraf overweegt, behoeft het hof derhalve geen acht te slaan op de vorenweergegeven wettelijke begrenzing, omdat de levenslange gevangenisstraf in de wettelijke systematiek immers geen tijdelijke gevangenisstraf is. Wel zal het hof in dat geval acht hebben te slaan op de in artikel 59 Sr neergelegde beperking van de mogelijkheden tot straftoemeting. Wanneer het hof beslist tot de oplegging aan [Siegfried S.] van een levenslange gevangenisstraf kunnen aan hem door het hof niet ook nog andere vrijheidsbenemende straffen worden opgelegd.

Anders dan door de verdediging is betoogd houdt artikel 59 Sr wel dit cumulatieverbod in, doch vormt het voor de rechter die bij de bestraffing de doorwerking van eerdere, tussentijdse veroordelingen tot tijdelijke gevangenisstraf zal hebben te betrekken, geen beletsel om aan de verdachte, in casu [Siegfried S.] een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Nu één van de door het hof bewezenverklaarde en gekwalificeerde misdrijven in de wet (ook) met levenslange gevangenisstraf is bedreigd, staat de door de verdediging ingeroepen wettelijke regeling noch naar de letter noch naar zijn bedoeling aan oplegging van die straf aan [Siegfried S.] in de weg.

7.3

De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat oplegging van deze straf in strijd is met het in artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing.

7.3.1

De eisen voortvloeiend uit het EVRM

Aan de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) ontleent het hof de volgende uitgangspunten voor de beoordeling van de levenslange gevangenisstraf in mensenrechtelijk perspectief. Deze zijn ook wel bekend als de “Vinter-criteria”, namelijk gebaseerd op de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter tegen het Verenigd Koninkrijk van 9 juli 2013. Enkele van deze criteria zijn in latere uitspraken van het Straatsburgse hof nader ingevuld, geconcretiseerd of toegelicht. In de kern is het EHRM van oordeel dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder enig reëel perspectief op vrijlating onmenselijk is en daarmee in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Oplegging van een levenslange gevangenisstraf bij volwassen verdachten is als zodanig niet in strijd met het verdrag. Het enkele feit dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf het gehele leven van de veroordeelde kan voortduren, levert ook geen verdragsschending op. Er zijn immers op de overheid rustende positieve verplichtingen, zoals het waarborgen van de maatschappelijke veiligheid, die met zich kunnen brengen dat een tot levenslang veroordeelde nooit in vrijheid wordt gesteld.

Dit neemt echter niet weg dat er een reëel perspectief moet bestaan op beëindiging van de tenuitvoerlegging. Het EHRM stelt de eis dat de straf de jure en de facto “reducible” is. Om hieraan tegemoet te komen dient de nationale tenuitvoerleggingspraktijk te voldoen aan twee voorwaarden. Er moet ten eerste sprake zijn van vooruitzicht op invrijheidsstelling op enig moment (“prospect of release”). Ten tweede dient er een reële mogelijkheid voor herbeoordeling van de tenuitvoerlegging te zijn (“possibility of review”). De basis voor deze benadering is gelegen in het concept van menselijke waardigheid dat aan het EVRM ten grondslag ligt.

De levenslanggestrafte heeft vanaf de start van de tenuitvoerlegging het recht om te weten wat hij moet doen om in aanmerking te komen voor (voorwaardelijke) invrijheidstelling en aan welke voorwaarden dan moet zijn voldaan. Ook dient duidelijkheid te bestaan ten aanzien van de termijn waarna de eerste herbeoordeling zal plaatsvinden of het eerste moment waarop deze kan worden verzocht. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer de nationale wet geen mechanisme of mogelijkheid voor herbeoordeling biedt, de levenslange gevangenisstraf reeds op het moment van de oplegging ervan in strijd is met het verdrag.

In de loop van de tenuitvoerlegging kan de onderlinge verhouding tussen de gronden en de doelen van de straf (“legitimate penological grounds”) verschuiven. Het gaat hierbij onder meer om bestraffing, afschrikking, algemene maatschappelijke veiligheid en rehabilitatie. Deze onderlinge verhouding is voorwerp van de periodieke toets. Ter beoordeling dient te staan of zodanig significante vooruitgang is geboekt door de veroordeelde in de richting van zijn rehabilitatie dat voortgezette vrijheidsbeneming niet langer gerechtvaardigd is.

Het is het EHRM in dit verband gebleken dat er duidelijk ondersteuning bestaat in Europees en internationaal recht voor het beginsel dat elke veroordeelde de gelegenheid tot rehabilitatie moet worden geboden. Dat geldt ook voor de praktijk in de deelnemende staten die in grote meerderheid geheel geen levenslange gevangenisstraf opleggen of een toetsingsmechanisme na oplegging van deze straf kennen.

Ten aanzien van de nationale procedure voor herbeoordeling van de straf is het EHRM terughoudend. Het is aan de deelnemende staat om te bepalen hoe het deze, met inachtneming van de hiervoor bedoelde minimumnormen, inricht. Zowel een administratiefrechtelijke procedure als een procedure waarin de rechter de eindbeslissing neemt kan in overeenstemming zijn met het verdrag.

Ook ten aanzien van de termijnen laat het EHRM ruimte voor invulling van een nationale regeling. Wel stelt het vast dat er brede steun bestaat voor een toetsingsmechanisme waarbij niet later dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf een eerste herbeoordeling plaatsvindt, gevolgd door periodieke toetsen.

7.3.2

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft op 5 juli 2016 uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdragsconformiteit van oplegging van een levenslange gevangenisstraf de inzet van het cassatieberoep vormt. In het arrest komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de huidige Nederlandse praktijk in strijd is met het verdrag. De Hoge Raad heeft de eindbeslissing op het betreffende cassatieberoep aangehouden en de zaak verwezen naar een rolzitting die zal plaatsvinden nadat het hof in de onderhavige strafzaak van de verdachte arrest wijst.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 5 juli 2016 het beoordelingskader en de aan te leggen maatstaven uiteengezet. De Hoge Raad heeft de vier voorwaarden opgesomd waaraan de mogelijkheid tot herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de straf moet voldoen. Deze voorwaarden zijn afgeleid uit de jurisprudentie van het EHRM.

De eerste voorwaarde heeft betrekking op de vraag die bij de herbeoordeling aan de orde komen, namelijk of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Hiervoor is vereist dat reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf het voor de veroordeelde in voldoende mate duidelijk is welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten hij moet voldoen, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. De in dat verband gehanteerde criteria mogen niet zo stringent zijn dat vrijlating alleen is toegelaten bij een ernstige ziekte of bij het bereiken van een hoge leeftijd.

De Hoge Raad formuleert als tweede voorwaarde dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden.

De derde voorwaarde is dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen dient te zijn omgeven.

De vierde en laatste voorwaarde is dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van

de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt – kan

voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat hem in dat verband

mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.

7.3.3

Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk

Tot 1 maart 2017 bestond in ons land geen uitgewerkte regeling die voorziet in een automatische herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. De enige weg die voor de levenslanggestrafte openstond was die van een gratieverzoek. Het materiële kader voor de toetsing daarvan bestond slechts uit de maatstaven van artikel 2 van de Gratiewet.

Op 1 maart 2017 is het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Besluit) in werking getreden. Met dit besluit, dat het karakter heeft van een ministeriële regeling, beoogt de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te voorzien in een procedure die de Nederlandse praktijk in overeenstemming brengt met de eisen die het EVRM stelt. In de Staatscourant van 14 juni 2017 is een beperkte wijziging van het Besluit gepubliceerd. Deze wijziging treedt in werking op 1 juli 2017 en werkt terug tot 1 juni 2017. In het hiernavolgende gaat het hof uit van het Besluit zoals dit vanaf 1 juli 2017 zal luiden.

Voor een goed begrip van de procedure dient de tekst van het Besluit te worden gelezen niet alleen in samenhang met de gelijktijdig gepubliceerde toelichting maar ook met de brieven die de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het gaat om de brieven van 2 juni 2016, 2 september 2016, 25 oktober 2016 en 20 december 2016.

Met het Besluit wordt een adviescollege in het leven geroepen dat drie taken heeft:

a. Adviseren over re-integratieactiviteiten

b. Informeren van de minister over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten

c. Op verzoek van de minister adviseren over het aanbieden van re-integratieactiviteiten

Om aan een goed begrip bij te dragen heeft de staatssecretaris in de brief van 20 december 2016 de betekenis en inhoud van enkele centrale, door hem gehanteerde, begrippen verduidelijkt. Het gaat om de volgende.

a. Gedurende de gehele detentie krijgt de veroordeelde net als elke gedetineerde reguliere resocialisatie-activiteiten aangeboden (structuur, regelmaat, aanspreken op eigen verantwoordelijkheid). De activiteiten zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Deze zien niet op “daadwerkelijke concrete terugkeer in de samenleving”. Een uitgebreidere inhoudelijke beschrijving hiervan wordt gegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 2 september 2016. In het nieuwe beleid wordt onder resocialisatie-activiteiten verstaan de activiteiten gedurende de eerste 25 jaar van de detentie in het kader van een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Doel daarbij is onder meer het zoveel mogelijk beperken van mogelijke detentieschade.

b. Op enig moment worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden. Er wordt dan een groter beroep gedaan op zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Ook wordt er initiatief verwacht van de veroordeelde. Er worden in dat kader geleidelijk meer vrijheden geboden. Verlof kan op enig moment onderdeel daarvan zijn. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten worden gemonitord.

c. Rehabilitatie. Dit is het overkoepelende begrip waaronder zowel resocialisatie als re-integratie valt. Dit begrip staat centraal in de Europese rechtspraak. Aan rehabilitatie wordt aldus vanaf de start van de detentie gewerkt.

Het Besluit voorziet in de volgende procedure.

a. 24,5 jaar na start van de detentie wordt de veroordeelde overgebracht naar het Pieter Baan Centrum voor diagnostiek en risico-analyse. Ook wordt een slachtoffer- en/of nabestaandenonderzoek gedaan door Slachtofferhulp Nederland. Verder krijgt de Reclassering Nederland de opdracht om een RISc uit te voeren (genoemd in de brief van 20 december 2016).

b. 25 jaar na start van de detentie is het eerste toetsmoment. Ter beoordeling staat of re-integratieactiviteiten zullen worden aangeboden. Het adviescollege dat bij het Besluit is ingesteld, adviseert hierover, gehoord de veroordeelde en gehoord nabestaanden en slachtoffers en zo nodig op basis van deskundigenadvies. De minister beslist of re-integratieactiviteiten al dan niet worden gestart alsmede waarin deze bestaan.

c. Het adviescollege adviseert eveneens over de vraag wanneer het volgende toetsmoment dient te zijn. Uit de brief van 2 september 2016 blijkt dat de staatssecretaris op dit punt hecht aan maatwerk.

d. Het adviescollege hanteert als criteria: recidiverisico, delictgevaarlijkheid, gedrag en ontwikkeling gedurende detentie en impact op slachtoffers en nabestaanden “en in de sleutel daarvan de vergelding” (artikel 4, vierde lid, van het Besluit).

e. Een negatief advies wordt door de minister overgenomen. Van een positief advies kan gemotiveerd worden afgeweken. In de brief van 2 september 2016 scherpt de staatssecretaris dit aan met de formulering: “op goed gemotiveerde gronden”.

f. Uiterlijk 27 jaar na start van de detentie vindt herbeoordeling van de straf plaats. Hiertoe neemt de minister een “voorstel tot gratieverlening” in overweging. Dit is een procedure op de voet van artikel 19 Gratiewet waarbij de minister wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een onderzoek naar de mogelijkheden van gratiëring initieert. In deze procedure wordt advies ingewonnen van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de straf heeft opgelegd. Dit ontvangt op zijn beurt een advies van het OM. De toepasselijkheid van dit traject blijkt noch uit de tekst van het Besluit noch uit de toelichting erop. Maar de brieven van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 25 oktober 2016 en van 20 december 2016 maken dit wel duidelijk.

Terzijde zij opgemerkt dat het voorgaande impliceert dat het adviescollege geen adviserende rol heeft in de procedure gericht op invrijheidstelling. Wel leggen zijn adviezen voor re-integratieactiviteiten en zijn rapporten over de resultaten daarvan gewicht in de schaal.

7.3.4

Waardering van het Besluit

Het hof zal hierna aan de hand van de vier voorwaarden zoals geformuleerd door de Hoge Raad en in het licht van de gevoerde verweren beoordelen of oplegging van een levenslange gevangenisstraf zich verdraagt met de waarborgen van het EVRM.

1. Kenbare objectieve criteria?

Bij de beoordeling van de vraag of het ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf voor de veroordeelde in voldoende mate duidelijk is welke objectieve criteria

zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, is het volgende van belang.

Regelgeving en beleid

Artikel 4, vierde lid, van het Besluit luidt als volgt.

Bij zijn advisering hanteert het Adviescollege de volgende criteria:

a. het recidiverisico;

b. de delictgevaarlijkheid;

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;

d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.

Op grond van artikel 2 van de Gratiewet kan gratie worden verleend:

a. a) op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van

zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen

houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem

aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of

maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel

b) indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de

rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de

strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Het is de tweede grond van deze bepaling die bij de beantwoording van de gestelde vraag relevant is.

In zijn brieven heeft de staatssecretaris nog het volgende ter toelichting opgemerkt.

Het beoordelingskader voor de minister in de gratieprocedure bestaat volgens de staatssecretaris in de brief van 25 oktober 2016 uit de volgende factoren: 1) de voorwaarden zoals die gelden in de gratieprocedure, 2) de vier factoren die zijn opgenomen in het Besluit Adviescollege levenslanggestraften en 3) de ernst van het bewezenverklaarde feitencomplex en de persoon van de levenslanggestrafte.

In de brief van 20 december 2016 wordt de volgende opsomming gegeven van factoren die in de herbeoordeling een rol spelen: de “vergeldingscomponent”, de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex, delictgevaarlijkheid, recidiverisico, impact op slachtoffers en nabestaanden, de leeftijd van de levenslanggestrafte, zijn medische en psychiatrische toestand, en gedrag en ontwikkeling gedurende de detentie. Gevaar voor de samenleving wordt in de brief aangemerkt als “een zwaarwegend punt” en als “een doorslaggevend punt”.

De beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat, gezien de opzet van de Nederlandse procedure, bij de beoordeling een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de criteria die zijn geformuleerd voor respectievelijk de start van re-integratieactiviteiten en de invrijheidstelling van de veroordeelde. Dat laat onverlet dat deze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden omdat het welslagen van re-integratieactiviteiten een noodzakelijke voorwaarde vormt voor enige vorm van gratiëring.

De eisen waaraan moet zijn voldaan voordat positief wordt geadviseerd om over te gaan tot re-integratieactiviteiten zijn opgenomen in artikel 4, lid 4, van het Besluit. De criteria a, b en c vormen de directe uitdrukking van de mate van rehabilitatie van de veroordeelde.

Deze hebben een zeker niveau van algemeenheid maar naar het oordeel van het hof hoeft niet verlangd te worden dat deze gedetailleerder worden ingevuld. Dit is immers geen eis die uit het EVRM voortvloeit. Het EHRM heeft in de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak-Hutchinson van 17 januari 2017 overwogen dat het in verschillende zaken niet telkens dezelfde formulering heeft toegepast maar dat het erom gaat dat de criteria moeten voldoen aan de eis van “a degree of specificity or precision” (paragraaf 59). Onder verwijzing naar uitspraken van het EHRM waarin het nationale stelsel in overeenstemming met het verdrag werd geoordeeld overweegt het hof dat “they demonstrate that a high degree of precision is not required in order to satisfy the Convention” (paragraaf 60). Het Besluit biedt inzicht in de factoren die in de beoordeling een rol spelen. Bovendien is van belang dat de onderzoeken die aan het advies ten grondslag worden gelegd naar verwachting een uitgebreide onderbouwing zullen bevatten van respectievelijk recidiverisico, delictgevaarlijkheid en gedrag en ontwikkeling tijdens detentie. Deze zal voor een deel worden gegeven aan de hand van gangbare onderzoeksmethoden zoals de RISc, waarmee de criteria in aanzienlijke mate en op transparante wijze zijn geoperationaliseerd. In zoverre kan bezwaarlijk worden geoordeeld dat vooraf vastgestelde objectieve en kenbare criteria ontbreken.

Het vierde criterium waaraan het adviescollege reeds in de fase van re-integratie dient te toetsen is “de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding”. Dit leent zich voor gezamenlijke bespreking met één van de maatstaven die de minister blijkens de brieven van de staatssecretaris zal aanleggen in de gratieprocedure.

Het hof begrijpt dat de in de brieven van de staatssecretaris verwoorde criteria voor de toetsing in gratieprocedure, zoals de “vergeldingscomponent” en “de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex”, een uitdrukking vormen van dezelfde maatstaf.

Dit criterium vormt volgens de verdediging voor de veroordeelde een onzekerder variabele. Deze ligt bovendien minder in zijn invloedssfeer. De verdediging heeft erop gewezen dat hierdoor elke gratieprocedure kan eindigen in een voor de veroordeelde negatief besluit waarmee alsnog het risico op een verdragsschending ontstaat.

Het hof merkt op dat de Grote Kamer van het EHRM in de zaak-Hutchinson heeft overwogen dat de vereiste herbeoordeling van de straf “must take account of the progress that the prisoner has made towards rehabilitation, assessing whether such progress has been so significant that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds” (paragraaf 43). Met het oog op die rehabilitatie dient de veroordeelde van meet af aan geïnformeerd te zijn over de criteria waaraan hij dient te voldoen zodat hij daar gericht aan kan werken. Die legitieme gronden voor bestraffing hebben in de visie van het EHRM echter een ruimere reikwijdte dan de rehabilitatie in enge zin. Daaronder vallen blijkens diezelfde uitspraak onder meer “punishment, deterrence, public protection and rehabilitation”. Vergelding en de ernst van de gepleegde feiten kunnen onder deze eerste twee gronden worden geschaard. Het enkele gegeven dat criteria van deze aard mede een factor bij de beoordeling vormen levert derhalve geen strijd met het verdrag op. De omstandigheid dat het deels gaat om criteria waarmee een resultaat wordt beoordeeld dat de veroordeelde niet of minder kan beïnvloeden of bewerkstelligen, dwingt evenmin tot die conclusie. Wel dient de nadruk steeds meer op rehabilitatie te liggen naarmate de tenuitvoerlegging van de straf langer duurt.

Men zou de ogen sluiten voor het karakter van de levenslange gevangenisstraf als niet wordt onderkend dat deze straf, juist waar het gaat om bestraffing naar evenredigheid met ernst en omvang van de gepleegde feiten en om effectieve afschrikking van het veelvuldig plegen van excessief en dodelijk geweld, een eigen plaats in het sanctiearsenaal heeft.

Daarmee is niet gezegd dat in het individuele geval het vinden van de balans tussen de met voortgezette vrijheidsbeneming gemoeide belangen een eenvoudige exercitie is of niet vatbaar voor discussie zou zijn. Een nog bestaande maatschappelijke behoefte aan bestraffing laat zich moeilijk bepalen. Dat daarbij niet alleen de opvattingen van slachtoffers of nabestaanden van invloed kunnen en mogen zijn behoeft ook geen betoog. En de vraag wanneer het moment is bereikt waarop de tenuitvoerlegging voldoende effectief heeft bijgedragen aan algemene preventie van crimineel gedrag leent zich evenmin voor een makkelijk antwoord. Dat de staatssecretaris in dat verband wijst op de ernst van het bewezen verklaarde feitencomplex komt evenwel niet onjuist noch als onredelijk of onbillijk voor.

Bij deze stand van zaken bestaat geen grond voor het oordeel dat de beoordelingsmaatstaven die op grond van het nieuwe beleid in de gratieprocedure zullen worden gehanteerd een risico inhouden dat het hof bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de verdragseisen voldoet.

2. De termijn van 25 jaar

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden.

Blijkens de tekst van de leden 2 en 3 van artikel 4 van het Besluit en de toelichting daarop wordt uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie een voorstel tot gratieverlening in overweging genomen. Voorts is geregeld dat 25 jaar na aanvang van de vrijheidsbeneming het eerste advies over een re-integratietraject wordt uitgebracht. In lid 6, tot slot, is voorzien in de verplichting voor het adviescollege om te bepalen binnen welke termijn een vervolgadvies zal worden uitgebracht.

Met dit samenstel aan bepalingen is voldaan aan de verdragseis dat een eerste herbeoordeling niet later dan 25 jaar na de strafoplegging plaatsvindt. In de meeste gevallen zal de voorlopige hechtenis twee jaren of langer hebben geduurd. En in het geval waarin de duur hiervan korter is dan twee jaren voorziet artikel 4, derde lid, van het besluit in een termijn. De eerste beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dient immers plaats te vinden uiterlijk twee jaren nadat het adviescollege zijn eerste advies heeft uitgebracht.

Van de zijde van de verdediging is erop gewezen dat de termijnenregeling onaanvaardbare gevolgen kan hebben voor levenslanggestraften die zeer langdurig in voorlopige hechtenis hebben verbleven. Daarbij is de tekst van het Besluit zoals dit luidt tot 1 juli 2017 het uitgangspunt geweest. Dit hield in dat op een eerste gratieprocedure dient te worden gewacht totdat 25 jaar na de eerste strafoplegging zijn verstreken. Met de tekst van het gewijzigde Besluit wordt aan het door de verdediging opgeworpen bezwaar tegemoet gekomen; het moment van herbeoordeling is niet meer gekoppeld aan het moment van strafoplegging maar aan het moment van eerste advisering (en daarmee aan het moment van aanvang van de detentie).

Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat in de in het Besluit geregelde termijnen een belemmering is gelegen voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

3. Procedurele waarborgen

De derde voorwaarde is dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen is omgeven.

Zoals blijkt uit de eerder weergegeven Vinter-criteria hoeft het enkele feit dat de procedure voor herbeoordeling van de straf een administratief karakter heeft en zonder betrokkenheid van de rechter verloopt geen verdragsschending op te leveren. In de uitspraak-Hutchinson heeft de Grote Kamer hierover niet langer een misverstand laten bestaan. Daarmee is overigens niet gezegd dat een rol van de rechter in de procedure geen betekenis heeft bij beantwoording van de vraag of de procedure voldoet aan de verdragseisen. Zo blijkt in die zaak voor het EHRM van belang te zijn geweest dat de rechter een rol heeft in de toetsing van het besluit van de minister tot (weigering van de) invrijheidstelling in samenhang met het in de Britse wet verankerde voorschrift dat minister en rechter dienen te handelen en te beslissen in overeenstemming met de in het EVRM neergelegde waarborgen.

Uit onder meer de uitspraken van het EHRM in de zaken Harakchiev tegen Bulgarije van

8 juli 2014 en T.P. en A.P. tegen Hongarije van 4 oktober 2016 blijkt dat kenbaarheid van de toepasselijke criteria en de regels voor motivering van besluiten van belang zijn bij beantwoording van de vraag of de procedurele waarborgen toereikend zijn.

Wat betreft de procedurele waarborgen maakt het hof tegen deze achtergrond een onderscheid. Enerzijds gaat het om de formele aspecten van de procedure: de transparantie ervan, betrokken organen en instanties. Anderzijds gaat het om de kenbaarheid van het materiële toetsingskader en de voorschriften voor de motivering van beslissingen.

Met betrekking tot de formele aspecten stelt het hof het volgende vast.

Allereerst voorziet het Besluit in een mechanisme waarin op een moment dat is gelegen 25 jaar na aanvang van de detentie een eerste advies wordt uitgebracht over op terugkeer naar de samenleving gerichte activiteiten. Dit advies wordt gegeven door een onafhankelijke commissie. De minister beslist.

Vanaf dat moment vinden periodieke vervolgtoetsingen plaats waarvan het ritme is afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en op aard en inhoud van de re-integratieactiviteiten.

Voorts start de minister uiterlijk 2 jaar na het eerste adviesmoment ambtshalve een procedure gericht op herbeoordeling van de tenuitvoerlegging. Voordat de minister beslist wordt het advies ingewonnen van de rechter die de straf heeft opgelegd, die zich op zijn beurt laat adviseren door het openbaar ministerie. In dit adviestraject worden de adviezen en rapporten van het adviescollege betrokken. Uit Besluit en toelichting kon dit niet zonder meer worden afgeleid maar de brief van 20 december 2016 neemt op dit punt elke onduidelijkheid weg. Deze documenten hebben betrekking op de geschiktheid van de veroordeelde voor activiteiten gericht op re-integratie en op de resultaten van die activiteiten.

Het toepasselijke materiële toetsingskader voor de gratieprocedure wordt allereerst gevormd door artikel 2, onder b, Gratiewet. Binnen dit zeer ruim gedefinieerde kader kan de minister zijn besluit om al dan niet tot gratiëring over te gaan motiveren. Alle factoren die op grond van het EVRM in de afweging mogen worden betrokken kunnen hierin een plaats krijgen. Niettemin zal dit kader zijn begrenzing gaan vinden in de door het Besluit in het leven geroepen procedure. Aangenomen moet worden dat de door de veroordeelde tijdens de re-integratieactiviteiten bereikte resultaten geen vrijblijvend karakter hebben. Daarvoor bestaan de volgende aanknopingspunten.

In de brief van 2 september 2016 kenschetst de staatssecretaris de periodieke toets van de re-integratieactiviteiten als het “voortraject van de gratieprocedure”. Hiermee wordt ernaar gestreefd om “richting” te geven aan de beoordeling in het kader van een gratieprocedure. De staatssecretaris beoogt met de voorgestelde wijzigingen bij te dragen aan het bieden van perspectief op mogelijke vrijlating.

In de brief van 20 december 2016 wordt nog iets nader ingegaan op de factoren die in de herbeoordeling van de straf een rol spelen. Bij de bespreking van het eerste criterium is deze opsomming reeds weergegeven. In dit verband merkt de staatssecretaris op dat gevaar voor de samenleving “uiteraard een zwaarwegend punt” is. Elders in de brief noemt hij het “een doorslaggevend punt”. Hiermee wordt het accent in de beoordeling gelegd op de bereikte rehabilitatie.

Het Besluit biedt reële mogelijkheden dat op re-integratie gerichte activiteiten kunnen worden ondernomen. De staatssecretaris heeft de parallel getrokken met de positie van het Adviescollege Verloftoetsing dat adviseert over de verloven in het kader van de TBS. Naar aanleiding van de adviezen van dit college vindt nog slechts een marginale toetsing plaats.

Dit betekent dat bij een positief advies om over te gaan tot re-integratieactiviteiten de aanzienlijke kans bestaat dat de minister dit overneemt. In geval van afwijking van dit advies gaat de staatssecretaris blijkens de brief van 2 september 2016 uit van een zware motiveringseis.

Voor de motivering van het besluit van de minister om al dan niet te gratiëren bestaan geen voorschriften. Ongemotiveerd afwijken van een positief advies van het adviescollege is volgens het Besluit niet toegestaan maar dat betreft slechts het “voortraject” van de re-integratie.

Afwijzing van een gratieverzoek dient te worden gemotiveerd (artikel 18, lid 2 Gratiewet) maar dat voorschrift is niet van toepassing in de ambtshalve procedure die op de voet van het Besluit zal worden geïnitieerd.

Noch in de toelichting op het Besluit, noch in de brieven aan de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de wijze waarop en de mate waarin de minister zijn besluiten in het kader van de gratieprocedure dient te motiveren. Het EHRM lijkt daaraan niet al te hoge eisen te stellen, zij het dat de kenbaarheid van de motiveringsvoorschriften en een praktijk van motivering van individuele besluiten pluspunten vormen bij beantwoording van de vraag of een gratieregeling voldoet aan het verdrag. De motivering en de motiveringsplicht worden door het EHRM geplaatst in de sleutel van de kenbaarheid van de eisen waaraan de levenslanggestrafte moet voldoen in de procedure van herbeoordeling.

De staatssecretaris wijst er in zijn brief van 2 september 2016 op dat uit de systematiek van de Gratiewet volgt dat aan het advies van de rechter groot gewicht toekomt en dat dit advies in beginsel leidend is. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn voorts ook op de gratieprocedure van toepassing. Het ontbreken van een draagkrachtige motivering kan daarom leiden tot onrechtmatigheid, aldus de staatssecretaris.

Als vaststaand kan derhalve worden aangenomen dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat gratiebesluiten voortaan zullen worden gemotiveerd. Voorts neemt het hof aan dat het voortraject van re-integratie ook aanleiding zal zijn om een gratiebesluit van een motivering te voorzien, in het bijzonder indien wordt afgeweken van een positief rechterlijk advies.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er toereikende procedurele waarborgen zijn voor de totstandkoming van op re-integratie gerichte activiteiten. Ook acht het hof voldoende gegarandeerd dat de resultaten van deze activiteiten inhoudelijk van belang zullen zijn bij de beoordeling van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf door de minister in het kader van de gratieprocedure.

In dit verband komt voorts betekenis toe aan de adviserende rol van de rechter in de gratieprocedure waarin deze zich bij de opstelling van zijn advies onder meer baseert op de resultaten van het re-integratietraject en zich daarbij oriënteert op de eisen die uit het EVRM voortvloeien.

Tot slot slaat het hof acht op het voornemen van de staatssecretaris om in de loop van 2017 een wettelijke regeling aan de Tweede Kamer aan te bieden, zoals blijkt uit zijn brief van 20 december 2016. In dat kader heeft hij de huidige beleidswijziging getypeerd als de “start” van het proces van wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Hieraan kan de verwachting worden ontleend dat geen regeling zal worden ontworpen die minder waarborgen bevat dan de sinds 1 maart 2017 vigerende beleidsregels.

4. Voorbereiding op terugkeer in de samenleving

De laatste voorwaarde luidt dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van

de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt – kan

voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving doordat hem

mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.

Het hof merkt allereerst op dat in de beleidscontext van de staatssecretaris aan de begrippen rehabilitatie, resocialisatie en re-integratie niet geheel dezelfde betekenis toekomt als in de terminologie van het EHRM. De eisen die door het EHRM worden gesteld kunnen in het begrippenkader van de staatssecretaris zo worden begrepen dat met het oog op voorbereiding van terugkeer in de samenleving aan de veroordeelde mogelijkheden voor zowel resocialisatie als voor re-integratie moeten worden geboden.

Het hof overweegt dat het EHRM in zijn uitspraken met regelmaat heeft overwogen dat op de staat de verplichting rust om de levenslanggestrafte mogelijkheden tot rehabilitatie te bieden.

In de eerder genoemde uitspraak in de zaak van Harakchiev tegen Bulgarije heeft het Straatsburgse hof tot uitdrukking gebracht dat de autoriteiten daarin een ruime marge van appreciatie hebben. Maar het is geen “matter of indifference”. Er dienen voorwaarden te worden geschapen waaronder de veroordeelde kan streven naar verbetering van zichzelf met het oog op aanpassing van de straf op enig moment.

Het verdrag legt de autoriteiten geen absolute verplichting op om programma’s of activiteiten voor rehabilitatie of re-integratie aan te bieden. Het vereist dat aan gedetineerden een kans wordt geboden om, hoe ver in de tijd ook, ooit de vrijheid te herkrijgen. Om die kans reëel en tastbaar te doen zijn, moet een effectieve gelegenheid tot rehabilitatie worden gegeven die niet illusoir is.

In de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak van Murray tegen Nederland van 26 april 2016 is geoordeeld dat de op de autoriteiten rustende verplichting niet zo moet worden geïnterpreteerd dat een “excessive burden” op de staat wordt gelegd.

Voorts neemt het hof in overweging dat aan de veroordeelde gedurende de gehele detentie reguliere resocialisatie-activiteiten worden aangeboden die zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Het doel hiervan is om te komen tot een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Niet is gesteld of gebleken dat voor de verdachte een dergelijk detentieplan niet is opgesteld.

Na de meergenoemde periode van 25 jaar detentie en na een positief advies daartoe, worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden waarbij een groter beroep wordt gedaan op eigen initiatief, zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Vrijheden worden in dat kader geleidelijk uitgebreid. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten ervan worden gemonitord met het oog op overweging van gratiëring van de straf op enig moment.

Het hof betrekt hierbij dat een levenslange gevangenisstraf op grond van artikel 10, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) evenals overige vrijheidsstraffen in een gevangenis ten uitvoer wordt gelegd. Dit geschiedt in beginsel reeds na oplegging van de straf in eerste aanleg, indien daarvan sprake is. Behoudens bijzondere omstandigheden bestaat het gevangenisregiem op grond van artikel 19, eerste lid, Pbw uit tenuitvoerlegging in algehele dan wel beperkte gemeenschap. Dit brengt gezien het bepaalde in de artikelen 20 en 21 Pbw met zich dat minst genomen aan de gedetineerde de gelegenheid wordt geboden om gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte een reële verwachting kan hebben dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een perspectief op rehabilitatie biedt dat in overeenstemming is met de daaraan op grond van het EVRM te stellen eisen.

7.3.5

Conclusie en slotopmerkingen

Al hetgeen in het voorgaande is overwogen brengt het hof tot de conclusie dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd kan komen met de eisen die daaraan op grond van artikel 3 EVRM moeten worden gesteld.

Tot slot verdient het volgende nog opmerking. Het hof heeft hiervoor een juridische beoordeling gegeven van een sinds zeer korte tijd bestaande regeling. De conclusie luidt dat deze regeling aan de daaraan te stellen eisen die voortvloeien uit verdragsrecht, voldoet. Pas na geruime tijd zal echter blijken hoe de regeling wordt toegepast. In zoverre heeft de gegeven materiële beoordeling een beperkte betekenis omdat juist uit de praktische toepassing zal dienen te blijken of de beslispraktijk zich verdraagt met de verdragseisen. Ook zal de toekomst leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn. Er is immers voor de nabije toekomst een voorstel voor een wettelijke regeling in het vooruitzicht gesteld. Daarnaast blijkt uit het feit dat het op 1 maart 2017 in werking getreden Besluit op 1 juli 2017 al zijn eerste wijziging ondergaat, reeds dat de bestuurlijke inzichten in beweging zijn.

De beoordeling van zowel de materiële toetsingscriteria als de procedurele regels vormt daarom een momentopname. Deze biedt evenwel voldoende grondslag voor de slotsom dat voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.

Korte samenvatting hoofdstuk 7.3

- Uit de rechtspraak van het EHRM en de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2016 volgt dat de bestaande Nederlandse praktijk van oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd was met het EVRM.

- Na genoemde uitspraak van de Hoge Raad is op 1 maart 2017 het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Besluit) in werking getreden. Met dit besluit, dat het karakter heeft van een ministeriële regeling, beoogt de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te voorzien in een procedure die de Nederlandse praktijk in overeenstemming brengt met de eisen die het EVRM stelt. In de Staatscourant van 14 juni 2017 is inmiddels een beperkte wijziging van het Besluit gepubliceerd. Deze wijziging treedt in werking op 1 juli 2017 en werkt terug tot 1 juni 2017.

- Het hof heeft onderzocht of met dit besluit de Nederlandse praktijk niet langer in strijd is met het EVRM. Het hof stelt vast dat aan de vier door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden in voldoende mate wordt voldaan.

1) Ten aanzien van de voorwaarde van kenbare objectieve criteria bij een herbeoordeling van de straf, overweegt het hof dat er geen grond is voor het oordeel dat de beoordelingsmaatstaven die op grond van het nieuwe beleid in de gratieprocedure zullen worden gehanteerd een risico inhouden dat het hof bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de verdragseisen voldoet.

2) Ten aanzien van de termijn van 25 jaar die als uitgangspunt voor de herbeoordeling wordt gehanteerd, ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat in de in het Besluit geregelde termijnen een belemmering is gelegen voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

3) Ten aanzien van de voorwaarde dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen moet zijn omgeven, komt het hof tot de slotsom dat er toereikende procedurele waarborgen zijn voor de totstandkoming van op re-integratie gerichte activiteiten. Ook acht het hof voldoende gegarandeerd dat de resultaten van deze activiteiten inhoudelijk van belang zullen zijn bij de beoordeling van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf door de minister in het kader van de gratieprocedure.

4) Ten aanzien van de voorbereiding van een terugkeer in de samenleving, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte een reële verwachting kan hebben dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een perspectief op rehabilitatie biedt dat in overeenstemming is met de daaraan op grond van het EVRM te stellen eisen.

- De slotsom is dat, hoewel de beoordeling door het hof een momentopname is van een procedure en een praktijk waarvan nog zal moeten blijken hoe deze wordt toegepast, voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.

7.4

Eindconclusie strafoplegging

Hiervoor heeft het hof uiteengezet dat en op welke gronden het de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aangewezen acht. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat, en op welke gronden het aanneemt dat die strafoplegging niet in strijd komt met het in artikel 3 EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing. De in het Wetboek van Strafrecht opgenomen samenloopregeling staat evenmin in de weg aan die strafoplegging. Al het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof aan [Siegfried S.] een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.

7.5

De schending van de redelijke termijn

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de redelijke termijn waarbinnen de berechting dient plaats te vinden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De aanleiding om deze vraag ambtshalve aan de orde te stellen is daarin gelegen dat de behandeling van de zaak van [Siegfried S.] zowel in eerste als in tweede aanleg uitzonderlijk lang heeft geduurd.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

De strafzaak tegen [Siegfried S.] – het zij herhaald – maakt deel uit van een samenstel van strafzaken onder de noemer Passage. In dat kader stonden aanvankelijk twaalf, en thans nog tien, verdachten terecht. Het gaat in alle gevallen bovendien om levensdelicten van een bijzondere categorie: moorden gepleegd in het criminele milieu. In het kader van de bewijsvoering heeft het Openbaar Ministerie de verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige gepresenteerd. Daarnaast gaat het om een uitzonderlijk groot aantal onderzoeksbevindingen van uiteenlopend karakter die alle voorwerp van het onderzoek ter terechtzitting zijn geweest. Dergelijk onderzoek levert naar zijn aard tal van complicaties op die zich in het kader van Passage in aanzienlijke mate hebben gemanifesteerd.

In eerste aanleg zijn tal van onderzoekshandelingen verricht die mede ten dienste stonden van de uitoefening van de verdedigingsrechten van [Siegfried S.] . In veel gevallen betrof het onderzoek dat namens hemzelf was verzocht of onderzoek op verzoek van medeverdachten dat namens hem werd ondersteund. Desondanks hebben incidenten rondom de kroongetuige [Peter La S.] tot vertragingen in de voortgang geleid.

In tweede instantie werkten de introductie van de kroongetuige [Fred R.] en, in beperkte mate, de inbreng van verklaringen van de zussen en de ex-partner van [Willem H.] vertragend. De verklaringen van deze getuigen stonden in een aanmerkelijk ver verwijderd verband van de zaak van [Siegfried S.] .

Dit alles brengt met zich dat de gangbare maatstaven voor de bepaling van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting onvoldoende houvast bieden.

De behandeling in eerste aanleg is geëindigd op 29 januari 2013. Het hof wijst heden, 29 juni 2017, arrest.

[Siegfried S.] is op 19 februari 2008 aangehouden. De detentie duurt sindsdien onafgebroken voort.

De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg derhalve bijna 5 jaren geduurd.

De tweede aanleg heeft bijna 4,5 jaar geduurd. De genoemde lange periodes van vrijheidsbeneming dragen eraan bij dat ten aanzien van beide fasen van berechting strenger dient te worden geoordeeld over de geoorloofdheid van de lange duur van het proces dan in het geval [Siegfried S.] op vrije voeten zou zijn geweest.

De hiervoor genoemde factoren hebben tot gevolg dat de vuistregel dat per feitelijke instantie de behandeling in beginsel de duur van 16 maanden niet mag overschrijden niet hanteerbaar is. Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn is overschreden. Deze vaststelling dient evenwel te worden gerelativeerd tegen de achtergrond van wat het hof hiervoor heeft overwogen.

Aan [Siegfried S.] zal een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op deze omstandigheid en in het licht van genoemde relativering volstaat het hof met de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden.

8 Beledigde partij

[beledigde partij 1] hebben een bedrag van € 680,67 gevorderd aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. Hun vordering ziet op het overlijden van hun zus [slachtoffer 4] , één van de slachtoffers in de zaak Cobra (B1). Het betreft op grond van de in 1993 geldende regeling een vordering als beledigde partij tot een maximum van het equivalent van fl. 1.500.

De vordering is door de rechtbank toegewezen en is gehandhaafd in hoger beroep.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de beledigde partij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de beledigde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden. De vordering kan dan ook tot het gevorderde bedrag worden toegewezen. Ook kan de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen, zulks vanaf het moment dat deze ter terechtzitting in eerste aanleg is gevorderd, te weten 8 december 2009. Voorts dient [Siegfried S.] te worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Art. 36f Sr is in onder meer het arrondissement Amsterdam in werking getreden op 1 april 1995 (Besluit van 30 maart 1995, Stb. 1995, 160). Art. 36f Sr is ingevolge art. IX, eerste lid, van de wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding. Nu de doodslag op [slachtoffer 4] dateert van mei 1993, kan de schadevergoedingsmaatregel dus niet worden opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

Wijst toe de vordering van de beledigde partij [beledigde partij 1] toe tot een bedrag van € 680,87 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 december 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan M. en H. [slachtoffer 4] voornoemd.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de beledigde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R. Veldhuisen, R.P.P. Hoekstra en R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mrs. M. Rasterhoff en A. Binken, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2017.

1 Dit begrip is ontleend aan het normale spraakgebruik en niet aan het Wetboek van Strafvordering (Sv). Waar deze benaming in de tekst wordt gebezigd is steeds bedoeld de getuige met wie de officier van justitie op de voet van artikel 226g Sv een afspraak heeft gemaakt.

2 Memorie van toelichting, pagina 11.

3 Kamerstukken II, 1995–1996, 24 072, nr. 51.

4 Nota naar aanleiding van het verslag, pagina 3.

5 brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, pagina 9.

6 Een proces-verbaal (persoonsdossier) [Siegfried S.] van 26 september 2008, p.1 [documentnummer 009019].

7 Nota van Toelichting, Algemeen, bij Besluit getuigenbescherming, onder actualisering van de benaming van organisatie-onderdelen.

8 MvT, blz. 10.

9 Documentnummer 012840.

10 Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (2006A004g), paragraaf 5 onder 2

11 MvT, pag 12 e.v.; Brief aan de TK van 6 april 2001, pag. 3; MvA EK, pag. 3 e.v.

12 Brief van de minister van justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 over wetsvoorstel 26 294, pagina 3.

13 bijlage bij het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 28 augustus 2014, pagina 11.

14 Requisitoir OvJ, p 115 (012247).

15 PV [officier van justitie 2] van 10 oktober 2011, 012169, pagina 2.

16 Proces-verbaal terechtzitting hof d.d. 5 september 2014, p.10.

17 Proces-verbaal van verhoor van de getuigen [getuige 33] en [getuige 34] bij de rechter-commissaris van 22 mei 2014 [documentnummer 012472, dig. p. 4]; proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 17 september 2014 [documentnummer 012479].

18 proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 februari 2014, houdende de verklaring van de getuige [Opa-getuige-4] (p.18).

19 Vonnis van de rechtbank inzake [Siegfried S.] , pagina 62-63.

20 Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907.

21 Een geschrift, te weten een rapport van 4 mei 1993 van G. van Ingen, verbonden aan het laboratorium voor gerechtelijke pathologie van het Ministerie van Justitie [documentnummer 002741].

22 Een proces-verbaal van 2 april 1993 (documentnummer 000599); een geschrift, te weten een rapport van het gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie van 3 november 1993 [documentnummer 000746].

23 Een geschrift, te weten een “Journaal Ouderkerkerplas 2 april 1993” [documentnummer 007348]; een proces-verbaal van 1 april 199 [documentnummer 000587]; een proces-verbaal van 8 april 1993 [documentnummer 000596].

24 Een proces-verbaal van 28 april 1993 [documentnummer 000604]; een geschrift, te weten een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk van 28 april 1993 van rapporteur T. Dijkman [documentnummer 000594].

25 Een geschrift, te weten een niet-ondertekend (concept) proces-verbaal van aangifte van 1 april 1993 [documentnummer 000585].

26 Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 1993 [documentnummer 000588]; een proces-verbaal van verhoor van 31 maart 1993 [documentnummer 000653, p. 4 en 5].

27 Een geschrift, te weten een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk van 28 april 1993 van rapporteur T. Dijkman [documentnummer 000594].

28 Een proces-verbaal van bevindingen van 20 april 1993 [documentnummer 008314]; een geschrift, zijnde een rapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk van 16 juni 1993, nr. 93159-H039, opgemaakt door arts en patholoog C.J.J. Hens, [documentnummer 008325].

29 Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van relaas [documentnummer 008007]; een schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van dr. C. de Meyere betreffende de gerechtelijke lijkschouwing van [slachtoffer 4] d.d. 14 mei 1993 [documentnummer 008414, dig. p. 8]; een schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van prof. dr. Chr. Hänsch betreffende de gerechtelijke lijkschouwing van [slachtoffer 3] d.d. 18 mei 1993 [documentnummer 008417, dig. p. 7].

30 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 35] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van verhoor van [E.A. V.] van 10 mei 1994 [documentnummer 001357].

31 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 35] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Freek S.] van 30 januari 2009 bij de rechter-commissaris (documentnummer 010653).

32 De verklaring van de verdachte [Freek S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 in de hem betreffende strafzaak (p. 4 en 6).

33 De verklaring van de verdachte [N.P. de B.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2015 in de hem betreffende strafzaak.

34 Een proces-verbaal van verhoor van [N.P. de B.] sr., opgemaakt op 30 mei 2008 [documentnummer 008799].

35 De verklaring van de verdachte [Pinny S.] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 maart 2010 in de haar betreffende strafzaak.

36 Een proces-verbaal van verhoor van [C.G. R.] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 977]; een proces-verbaal van 21 juni 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 414].

37 Een proces-verbaal van verhoor van [Moppie R.] van 28 juli 1993 [documentnummer 000660, dig. p. 2].

38 Een proces-verbaal van verhoor van [C.A.R. V.] van 15 juli 1993 (documentnummer 002033); een proces-verbaal van verhoor van [C.A.R. V.] van 20 juli 1993 [documentnummer 000664].

39 De verklaring van de verdachte [Moppie R.] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 september 2009 in de hem betreffende strafzaak.

40 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Opa-getuige-1] bij de rechter-commissaris van 4 augustus 1993 [documentnummer 008455]; een proces-verbaal van de getuige [A.J. S.] van 10 juli 2008 [documentnummer 008783].

41 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van de getuige [G.W. S.] van 2 mei 1994, opgemaakt door de Belgische autoriteiten [documentnummer 007976].

42 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter La S.] bij de rechter-commissaris, van 23 maart 2007 [documentnummer 000434]; de verklaring van de getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 mei 2011 [documentnummer 012168].

43 De verklaring van de verdachte [Siegfried S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2016 in de hem betreffende strafzaak.

44 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Cobra-getuige-3] van 19 september 2007 [documentnummer 009288, dig. p. 342 e.v.].

45 Een proces-verbaal van de CIE van 13 oktober 2009 (documentnummer 011283, p. 5-6).

46 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Opa-getuige-1] bij de rechter-commissaris van 4 augustus 1993 [documentnummer 008455].

47 Een geschrift, zijnde een Belgisch proces-verbaal van verhoor van de getuige [G.W. S.] van 2 mei 1994 [documentnummer 007976]; geschriften, zijnde Belgische processen-verbaal van verhoor van de getuige [A. V.] van 13 mei 1993 en 7 september 1993 [documentnummer 007949].

48 Geschriften, zijnde Belgische processen-verbaal van verhoor van de getuigen [Cobra-getuige-6] en [Cobra-getuige-7] van 9 mei 1993 [documentnummer 007933, dig. p. 7].

49 Processen-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-3] van 24 en 25 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 1220 en 1229].

50 Processen-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 10] van 11 april 1996 en 20 mei 1996 [documentnummer 007412].

51 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [G. L.S.] van 11 september 2006 (documentnummer 000407).

52 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 10 mei 2010 (documentnummer 012167).

53 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter La S.] bij de rechter-commissaris van 23 maart 2007 [documentnummer 000435]; een proces-verbaal van verhoor de getuige [Peter La S.] van 18 september 2006 [documentnummer 000407]; een verklaring van de getuige [Peter La S.] zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2009.

54 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 10 mei 2010 [documentnummer 012166].

55 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Peter La S.] bij de rechter-commissaris van 23 maart 2007 [documentnummer 000434]; de verklaring van de getuige [Peter La S.] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014 (p. 26).

56 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 12 mei 2011 [documentnummer 012168]; een ter terechtzitting van 11 oktober 2011 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] [p. 12 e.v].

57 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 35] van 26 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 4, p. 02 829]; een proces-verbaal van 8 april 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 3, p. 02 362]; een proces-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-3] van 24 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 2 1221]; een proces-verbaal van verhoor van de getuige [E.A. V.] van 10 mei 1994 [documentnummer 001357]; een proces-verbaal van bevindingen van 14 april 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 307-308]; een proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2007 [documentnummer 009288, dig. p. 316-319]; een ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2016 afgelegde verklaring van [Jesse R.] als getuige, p. 12.

58 Een proces-verbaal van 30 maart 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 417]; een ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2016 afgelegde verklaring van [Jesse R.] als getuige, p.12.

59 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 16]; een proces-verbaal van 25 juli 1993 [documentnummer 009288, dig. p. 455 e.v., in het bijzonder oproepen genummerd 010, 012, 93, 94, 232, 235, 243, 245].

60 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [V.B.] van 18 januari 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 361].

61 Een proces-verbaal van verhoor van [Cobra-betrokkene-3] van 24 mei 1994 [Utrechtse dossier Cobra ordner 5, p. 2 1220].

62 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 27 (huislijn [Pinny S.] ) en 25 (huislijn ouders [Pinny S.] )].

63 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 5, 19].

64 Een proces-verbaal van 28 maart 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 432].

65 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] van 27 april 1994 [documentnummer 008214].

66 Een proces-verbaal van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 41].

67 Een proces-verbaal van 26 januari 1994 [documentnummer 009288, dig. p. 458]; een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het gerechtelijk laboratorium van 19 augustus 1993, opgemaakt door ir. J. Henseler documentnummer 009288, dig. p. 462 e.v.]; een proces-verbaal van 10 februari 1994 [Utrechtse dossier Cobra, ordner 3, p. 02 448]; proces-verbaal van 9 januari 2009, documentnummer 009288, dig. p. 17.

68 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 23].

69 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 24].

70 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 35-36].

71 Schriftelijke bescheiden, zijnde overzichtslijsten met verkeersgegevens van de *1810 en de *9952 [documentnummer 009288, dig. p. 256, 258, 259, 260, 262, 263, 264].

72 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2009 [documentnummer 009288, dig. p. 38].

73 Schriftelijke bescheiden, zijnde overzichtslijsten met verkeersgegevens van diverse telefoon- en semafoonnummers [documentnummer 009288]: dig. p. 278 (printlijst *1810 van 8 mei 1993), p. 279 (printlijst *1034 van 8 mei 1993), p. 281 (printlijst *2004 van 8 mei 1993), p. 282 (printlijst *1810 van 9 mei 1993), p. 283 (printlijst *1034 van 9 mei 1993), p. 285 (printlijst *2004 van 9 mei 1993).

74 Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [Cobra-getuige-3] van 19 september 2007 [documentnummer 009288, dig. p. 342 e.v.]; een proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3, 4 en 6 maart 2014 houdende de verklaringen van [Cobra-getuige-1] , [Cobra-getuige-2] , [Cobra-getuige-4] en [Cobra-getuige-5] [documentnummer 012348].

75 Proces-verbaal van verhoor van [Peter La S.] bij de rechter-commissaris van 23 maart 2007 [documentnummer 000434].

76 Zie HR:2006:AY7757 en HR:2005:AS5556 (i.h.b. CAG onder 13) en HR:2008:BC6273.