Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
200.207.739/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2016:158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klagers beklagen zich erover dat de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig en nalatig te werk is gegaan. De klacht bestaat uit verschillende onderdelen.

De kamer heeft de klacht van klagers ongegrond verklaard.

Het hof acht twee onderdelen van de klacht, te weten de geïncasseerde gelden niet binnen een redelijke termijn aan klagers doorbetalen en niet binnen de door klagers gestelde termijn van veertien dagen een inhoudelijke reactie geven op de brief van klagers, gegrond. Het hof acht oplegging van de maatregel van berisping passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.207.739/01 GDW

nummer eerste aanleg : 924.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 juni 2017

inzake

1. [naam] ,

2. [naam] ,

beiden wonende te [plaats] ,

appellanten,

tegen

mr. [naam] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. [naam] te [plaats] .

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna: klagers) hebben op 18 januari 2017 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 december 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:158). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klagers tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 maart 2017 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2017. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klagers hebben het hof op voorhand een pleitnota met bijlage doen toekomen. Zij zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Medio juli 2014 hebben klagers hun vordering op [naam] (hierna: [bedrijf A] ) ter incasso uit handen gegeven aan [naam] , het kantoor waar de gerechtsdeurwaarder werkzaam is (hierna: [kantoor gerechtsdeurwaarder] ).

3.2.2.

Na klagers eerst in een minnelijk traject te hebben bijgestaan, heeft [kantoor gerechtsdeurwaarder] op verzoek van klagers bij exploot van 8 januari 2015 [bedrijf A] gedagvaard te verschijnen voor de kantonrechter in de rechtbank [plaats] .

3.2.3.

Bij brief van 1 februari 2015 hebben klagers aan [kantoor gerechtsdeurwaarder] onder meer bericht:

“Nu de wederpartij uitstel heeft gevraagd en gekregen, is het wellicht nuttig ook onzerzijds enige puntjes op de i te zetten. In de dagvaarding (..). Deze brief is echter niet als “productie” in de dagvaarding opgenomen. (..) Wij vinden dit uitermate slordig (..). Wij nemen aan dat dit rechtgezet wordt. Alle relevante documenten hebben wij samen met het opdrachtformulier d.d. 10-7-2014 aan u verzonden. Kunt u ons garanderen dat het doorelkaar husselen van die documenten geen negatieve invloed zal hebben op de uitkomst van onze zaak? (..)

Als wij op 17 februari de zitting zelf willen bijwonen, is dat dan als partij of kan dat alleen als publiek?

(..)

PS. We sturen de “vergeten” brief u hierbij nogmaals toe.”

3.2.4.

Op 20 april 2015 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Klagers werden toen bijgestaan door [naam] , juridisch medewerker bij [kantoor gerechtsdeurwaarder] (hierna: [juridisch medewerker] ). Voorafgaand aan deze comparitie heeft [juridisch medewerker] namens klagers een akte overlegging producties in het geding gebracht (inclusief voormelde “vergeten” brief).

3.2.5.

Bij vonnis van 14 juli 2015 heeft de kantonrechter de vordering van klagers geheel toegewezen.

3.2.6.

Op 2 september 2015 heeft [kantoor gerechtsdeurwaarder] de vordering van klagers geïncasseerd, waarna de afrekening is verstuurd (gedateerd 4 september 2015 en nog een gecorrigeerde afrekening d.d. 7 september 2015).

3.2.7.

Klagers hebben bij brief van 13 september 2015 aan de directie van [kantoor gerechtsdeurwaarder] verschillende bezwaren geuit over de handelwijze van (de medewerkers van) [kantoor gerechtsdeurwaarder] en medegedeeld dat zij voldoende aanleiding zagen om daarover een klacht te deponeren bij de kamer.

3.2.8.

Bij e-mailbericht van 15 september 2015 heeft [naam] , operationeel relatiebeheerder van [kantoor gerechtsdeurwaarder] (hierna: [operationeel relatiebeheerder] ), aan klagers de ontvangst van hun brief van 13 september 2015 bevestigd en medegedeeld dat daarop binnen 14 dagen inhoudelijk zou worden gereageerd.

3.2.9.

Klagers hebben vervolgens bij e-mailbericht van 4 oktober 2015 aan [operationeel relatiebeheerder] bericht:

“Wederom moeten wij constateren dat [kantoor gerechtsdeurwaarder] haar afspraken niet nakomt. We zijn nu 3 weken verder en u neemt zelfs niet de moeite om ons te melden dat u meer tijd nodig heeft om onze klacht te beantwoorden. Ook stoort het ons enorm dat u het ons toekomende bedrag, wat inmiddels ruim een maand op uw rekening staat, nog steeds niet hebt overgeboekt. Het feit dat wij het niet eens zijn met dit bedrag, hoeft u er niet van te weerhouden ons het onomstreden deel te doen toekomen.

Wij verwachten van u dat u per omgaand het bedrag overboekt en de klacht adequaat behandelt.”

3.2.10.

Bij e-mailbericht van 26 oktober 2015 heeft [juridisch medewerker] gereageerd op het in de brief van 13 september 2015 vermelde bezwaar van klagers met betrekking tot de hoogte van de in rekening gebrachte kosten en aan klagers medegedeeld dat een correctienota zou worden opgemaakt.

3.2.11.

Op 6 november 2015 heeft [kantoor gerechtsdeurwaarder] de gelden aan klagers overgemaakt, overeenkomstig de inhoud van de nota, zoals die voor de tweede maal was gecorrigeerd.

4 Standpunt van klagers

Klagers beklagen zich erover dat de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig en nalatig te werk is gegaan door:

a. een rommeltje te maken van de door klagers aangeleverde dagvaarding, nu er een fout in stond en er een productie ontbrak;

b. geen antwoord te geven op de door klagers in hun brief van 1 februari 2015 vermelde bezwaar met betrekking tot de (inhoud van de) dagvaarding;

c. geen goede inzage te verschaffen in het dossier van klagers via het online klantenportal van [kantoor gerechtsdeurwaarder] . Er waren in die portal allerlei onbegrijpelijke mededelingen te zien;

d. geen afschrift te versturen aan klagers van alle relevante correspondentie in hun zaak tegen [bedrijf A] , terwijl zij dit wel telefonisch met [kantoor gerechtsdeurwaarder] waren overeengekomen;

e. klagers niet te informeren over een door [bedrijf A] in de procedure ingebrachte productie. Deze productie was van cruciaal belang voor de bewijsvoering. Klagers hebben deze productie bij toeval één dag voor de comparitie aangetroffen op het online klantenportal;

f. klagers niet direct een afschrift van het vonnis van 14 juli 2015 te verstrekken;

g. de op 2 september 2015 geïncasseerde gelden niet binnen een redelijke termijn aan klagers door te betalen;

h. niet binnen de door klagers gestelde termijn van veertien dagen een inhoudelijke reactie te geven op de brief van klagers van 13 september 2015;

i. zonder specificatie een bedrag van € 610,11 te declareren voor juridische ondersteuning en nog eens € 300,- voor compensatie salaris gemachtigde, terwijl de juridische ondersteuning ver onder de maat was.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Financiële vergoeding

6.1.

Klagers hebben verzocht om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen tot betaling van een symbolische vergoeding van € 100,-. Nu in deze tuchtprocedure voor een dergelijke veroordeling geen grondslag bestaat, zullen klagers – anders dan de kamer heeft geoordeeld – in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Klachtonderdelen a., c., d., e. en i.

6.2.

De kamer heeft ten aanzien van deze klachtonderdelen – kort samengevat – het volgende overwogen. De klachtonderdelen zien op de nakoming van een overeenkomst van opdracht die tussen partijen heeft bestaan. Klagers verschillen met de gerechtsdeurwaarder van mening over de vraag of de werkzaamheden wel op de juiste wijze zijn uitgevoerd en of al dan niet overmatig is gefactureerd voor juridische ondersteuning. Het ligt niet op de weg van de kamer om een dergelijk civielrechtelijk geschil te beoordelen. Met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst als de onderhavige rust op de gerechtsdeurwaarder geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting, die hij met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving naar eer en geweten dient uit te voeren. Niet is gebleken dat van dit laatste geen sprake is geweest. De gerechtsdeurwaarder - aldus nog steeds de kamer - heeft uiteengezet dat, gelet op het aantal uren dat aan het dossier van klagers is besteed, niet overmatig is gefactureerd voor de juridische ondersteuning. Op basis van de opgestelde stukken is uiteindelijk een toewijzend vonnis gekomen. Weliswaar zijn in eerste instantie de incassokosten onjuist berekend, maar na ontdekking zijn deze gecorrigeerd. Deze onjuiste berekening is volgens de kamer niet zo ernstig dat dit niet op deze wijze kon worden opgelost.

6.3.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer zoals onder 6.2. weergegeven en de gronden waarop dat berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn, zoals de kamer ook heeft beslist.

Klachtonderdeel f.

6.4.

Vast staat dat het vonnis van 14 juli 2015 een week na ontvangst aan klagers is verstuurd. Het hof is met de kamer van oordeel dat dit geen onredelijk lange termijn is, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel b.

6.5.

De gerechtsdeurwaarder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat er in de periode tussen 1 februari 2015 en de datum van de comparitie van partijen (20 april 2015) vijf keer telefonisch contact is geweest met klagers. In die contacten is onder meer gesproken over de geplande zitting, de ontbrekende brief bij dagvaarding, en dat die brief door middel van een akte alsnog in het geding zou worden gebracht (hetgeen ook is geschied).

6.6.

Klagers hebben in hun pleitnota in hoger beroep erkend dat er in de loop van de procedure bij de kantonrechter telefonisch contact heeft plaatsgevonden met [kantoor gerechtsdeurwaarder] .

6.7.

Naar het oordeel van het hof is klachtonderdeel b. ongegrond. Weliswaar is niet in de vorm van een brief of e-mailbericht (direct) een antwoord gegeven op de inhoud van de brief van 1 februari 2015 van klagers, maar gedurende de procedure bij de kantonrechter is er telefonisch contact geweest met klagers en daarnaast is ook daadwerkelijk iets gedaan met het bezwaar van klagers over de (inhoud van) de dagvaarding.

Klachtonderdelen g. en h.

6.8.

Vast staat dat [kantoor gerechtsdeurwaarder] op de brief van klagers van 13 september 2015 pas op 26 oktober 2015 een (beperkte) reactie heeft gegeven, terwijl was toegezegd dat er binnen veertien dagen een inhoudelijke reactie zou volgen en klagers zelfs nog op 4 oktober 2015 aan [kantoor gerechtsdeurwaarder] een herinnering hadden gestuurd. Het hof acht dit onzorgvuldig. De gerechtsdeurwaarder – als de in dit dossier verantwoordelijk te houden gerechtsdeurwaarder – valt daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

6.9.

Verder overweegt het hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een gerechtsdeurwaarder ervoor zorg dient te dragen dat het juiste bedrag tijdig aan een rechthebbende wordt uitgekeerd. Vast staat dat de gelden die klagers toekwamen zijn geïncasseerd op 2 september 2015 en pas na meer dan twee maanden aan klagers zijn uitgekeerd, op 6 november 2015. Het hof acht dit niet tijdig en tuchtrechtelijk laakbaar.

6.10.

Het vorenstaande brengt met zich dat de klachtonderdelen g. en h., anders dan de kamer heeft geoordeeld, gegrond zijn.

Maatregel

6.11.

Naar het oordeel van het hof nopen de gegronde klachtonderdelen tot het opleggen van een maatregel. Het hof acht oplegging van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.

Bewijsaanbod

6.12.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder aangeboden bewijs te leveren van zijn stellingen, in het bijzonder door het horen van [juridisch medewerker] . Er zijn echter geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden, zodat het hof aan dit bewijsaanbod voorbij gaat.

6.13.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.14.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof voor alle duidelijkheid de beslissing van de kamer zal vernietigen en opnieuw zal beslissen.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun verzoek als geformuleerd in 6.1.;

- verklaart de klachtonderdelen a. tot en met f. en i. ongegrond;

- verklaart de klachtonderdelen g. en h. gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017 door de rolraadsheer.