Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2499

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
200.204.193/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2016:86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen drie gerechtsdeurwaarders. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij 1) onvoldoende inspanningen hebben verricht om het vonnis ten uitvoer te leggen, 2) hem nimmer hebben geïnformeerd over de stand van zaken in zijn dossier en 3) niet hebben voldaan aan zijn verzoek om beslag te leggen op een auto.

De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard.

Het hof verklaart klager deels niet ontvankelijk in verband met de driejaarstermijn voor het indienen van klachten en verklaart klachtonderdelen 1 en 3 ongegrond. Het hof verklaart klachtonderdeel 2 gegrond en legt aan elk van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op. Het betaamt een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet om gedurende een periode van enkele jaren na te laten zijn cliënt te informeren over de stand van zaken in diens dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.204.193/01 GDW

nummer eerste aanleg : 562.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 juni 2017

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

1) [naam] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats]

2) [naam] ,

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

3) [naam] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerden,

gemachtigde: [naam] .

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 24 november 2016 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:86) De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerden (hierna: de gerechtsdeurwaarders) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarders hebben op 30 december 2016 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Op 3 april 2017 is van klager een pleitnota ontvangen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2017. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Klager heeft gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarderskantoor Y] , destijds gevestigd te [plaats] (verder: het gerechtsdeurwaarderskantoor), in september 2006 opdracht gegeven om over te gaan tot tenuitvoerlegging van een vonnis van 31 augustus 2006. Bij dit vonnis is [X] (verder: [X] ) veroordeeld tot het betalen van een geldsom aan klager.

3.2.2.

Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft de ontvangst van de opdracht bevestigd bij brief van 7 september 2006. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“(…) Wij zullen de nodige maatregelen nemen en u van het verloop van de zaak regelmatig op de hoogte houden. (…)”

3.2.3.

Op 14 september 2006 is voornoemd vonnis aan [X] betekend.

3.2.4.

Omdat betaling achterwege is gebleven, is bij exploot van 27 maart 2007 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente [gemeente A] . Bij brief van 25 mei 2007 heeft de gemeente [gemeente A] verklaard dat reeds beslag was gelegd op de uitkering van [X] en meegedeeld dat het gerechtsdeurwaarderskantoor zich moest wenden tot de eerste beslaglegger. Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft de vordering ter verdeling ingediend bij de eerste beslaglegger: [gerechtsdeurwaarderskantoor Z] .

3.2.5.

Vijf jaar later, op 18 juli 2012, heeft [gerechtsdeurwaarderskantoor Z] het gerechtsdeurwaarderskantoor meegedeeld dat de uitkering van [X] was beëindigd.

3.2.6.

Bij exploot van 6 december 2012 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente [gemeente B] . Bij verklaring van 7 december 2012 heeft de gemeente [gemeente B] bericht dat de uitkering van [X] reeds per 1 november 2012 was beëindigd.

3.2.7.

Bij brief van 13 december 2012 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor een aankondiging van beslag op roerende zaken naar het toenmalige woonadres van [X] te [gemeente C] verzonden. De gemeente [gemeente C] heeft het kantoor op 18 december 2012 laten weten dat [X] wederom was verhuisd.

3.2.8.

Bij brieven van 25 februari 2013 en 4 maart 2013 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor opnieuw aankondigingen van beslag op roerende zaken aan [X] gezonden.

3.2.9.

Bij exploot van 10 april 2013 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente [gemeente D] . Bij verklaring van 16 april 2013 heeft de gemeente [gemeente D] bericht dat er reeds drie andere gerechtsdeurwaarders beslag op de uitkering van [X] hadden gelegd. Hierop heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor zich tot de eerste beslaglegger gewend.

3.2.10.

Bij brief van 11 maart 2014 heeft de eerste beslaglegger meegedeeld dat zij tot afwikkeling van het dossier overging, omdat de uitkering van [X] was beëindigd.

3.2.11.

Bij brieven van 1 augustus 2014, 9 en 23 januari 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor wederom aankondigingen van beslag aan [X] gezonden.

3.2.12.

Op 3 februari 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor bij een andere beslaglegger geïnformeerd of het zinvol was om beslag te leggen op de uitkering van [X] . Dat was niet het geval.

3.2.13.

Bij brief van 9 april 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor een laatste poging ondernomen om [X] tot betaling te bewegen.

3.2.14.

Op 24 april 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor de incassowerkzaamheden in opdracht van klager beëindigd en bij brief van 19 mei 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor een gespecificeerde declaratie aan klager verzonden ten bedrage van € 169,82.

3.2.15.

Bij brief van 18 juni 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor klager verzocht het nog openstaande bedrag te voldoen.

3.2.16.

Klager heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor bij e-mail van 22 juni 2015 om een specificatie verzocht en het kantoor aansprakelijk gesteld.

3.2.17.

Bij brief van 29 juni 2015 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor naar aanleiding van de e-mail van klager van 22 juni 2015 een (beknopt) overzicht van de verrichte werkzaamheden aan klager doen toekomen.

3.2.18.

Op 1 juli 2015 heeft klager, refererend aan de e-mail van 22 juni 2015, verzocht om betaling door het gerechtsdeurwaarderskantoor van een bedrag van € 2.152,86.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend hebben gehandeld. Zijn klacht bestaat in de kern uit de navolgende onderdelen.

1. De gerechtsdeurwaarders hebben vanaf de aanvaarding van de opdracht in september 2006 onvoldoende inspanningen verricht om het vonnis ten uitvoer te leggen.

2. De gerechtsdeurwaarders hebben klager gedurende bijna negen jaren nimmer geïnformeerd over het verloop van de zaak en de stand van zaken in het dossier, terwijl in hun schriftelijke opdrachtaanvaarding staat vermeld dat klager regelmatig op de hoogte zou worden gehouden. Klager heeft slechts via een ander gerechtsdeurwaarderskantoor, [gerechtsdeurwaarderskantoor Z] , vernomen dat de inning van de vordering een tijdlang aan hen was overgedragen.

3. De gerechtsdeurwaarders hebben niet voldaan aan het in 2015 gedane verzoek van klager om beslag te leggen op de auto van [X] maar dit afgeraden in verband met de te maken kosten. Uit het verloop van de zaak hierna heeft klager geconcludeerd dat de gerechtsdeurwaarders vooral uit waren op voldoening van hun eigen kosten. Na intrekking van zijn opdracht heeft klager een brief ontvangen met het verzoek een nog openstaand bedrag te betalen. Op 22 juni 2015 heeft klager om een volledige specificatie gevraagd, aan welk verzoek de gerechtsdeurwaarders niet hebben voldaan. Klager heeft pas in de procedure bij de kamer voor het eerst een specificatie gezien, aangezien die aan het verweer van de gerechtsdeurwaarders was gehecht.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Nieuwe klachten

6.1.

Klager heeft in zijn beroepschrift nieuwe klachtonderdelen aangevoerd, die niet in het klaagschrift aan de orde zijn gesteld, waaronder de klacht dat de gerechtsdeurwaarders correspondentie hebben geantidateerd.

6.2.

In hoger beroep worden alleen klachten in beschouwing genomen die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Voor zover het beroepschrift van klager klachten bevat die voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht, kan het hof daarvan geen kennis nemen. Klager zal in deze nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Klachttermijn

6.3.

Het hof verenigt zich met wat de kamer in haar beslissing onder de nummers 4.2. tot en met 4.4. heeft geoordeeld over de klachttermijn. Klager heeft de gerechtsdeurwaarders in september 2006 opdracht gegeven tot executie van het vonnis en had zijn klacht veel eerder kunnen indienen. Het hof ziet geen reden om af te wijken van de vervaltermijn uit de vaste jurisprudentie, die drie jaar bedraagt. De klacht is ingediend op 3 juli 2015, zodat de klacht slechts kan worden beoordeeld voor de periode vanaf 3 juli 2012. Het hof zal klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht, voor zover die klacht ziet op de periode vóór 3 juli 2012. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gebracht, die tot een ander oordeel moeten leiden.

Algemeen

6.4.

De gerechtsdeurwaarders hebben bij de kamer aangevoerd dat zij destijds verantwoordelijk waren voor de wijze waarop de zaak is behandeld. Het hof zal, evenals de kamer, daarvan uitgaan bij de beoordeling van de klacht.

Klacht

6.5.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt het hof als volgt. Uit de door de gerechtsdeurwaarders bij het verweer in eerste aanleg overgelegde producties blijkt dat zij (ook) in de periode waarin klager in zijn klacht kan worden ontvangen, te weten vanaf 3 juli 2012, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 6.3. overwogen, verscheidene pogingen hebben ondernomen om [X] tot betaling te bewegen. In verband met verhuizingen van [X] is tevens meermalen beslag gelegd onder de uitkerende instanties van [X] . Er is in de zaak van klager weinig afgedragen aan de gerechtsdeurwaarders, omdat er ook door andere gerechtsdeurwaarders beslag was gelegd en de opbrengst van de derdenbeslagen dus moest worden verdeeld. Dat [X] niet tot volledige betaling van de vordering van klager inclusief de gemaakte executiekosten is overgegaan, valt de gerechtsdeurwaarders niet aan te rekenen. Bij de uitvoering van een opdracht als de onderhavige rust op de gerechtsdeurwaarders een inspanningsverplichting om de executie te doen slagen, en geen resultaatsverplichting. Nu is gebleken dat de gerechtsdeurwaarders zich voldoende hebben ingespannen om het vonnis ten uitvoer te leggen, is dit onderdeel van de klacht ongegrond.

6.6.

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel oordeelt het hof als volgt. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat er te weinig met klager is gecommuniceerd over de voortgang van de zaak, hoewel dit bij de opdrachtbevestiging van 7 september 2006 uitdrukkelijk is toegezegd. Volgens de gerechtsdeurwaarders zou klager wel op de hoogte zijn gesteld, indien hij zelf om informatie zou hebben verzocht, maar heeft klager dat niet gedaan.

Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarders ten onrechte hebben nagelaten klager op de hoogte te stellen van de stand van zaken in zijn dossier. Dat klager ook niet zelf om informatie heeft gevraagd en dat hij gebruik had kunnen maken van een online dossier, als hij dat gewild had, zoals door de gerechtsdeurwaarders is aangevoerd, doet hieraan niet af. Dit klachtonderdeel is, anders dan de kamer heeft geoordeeld, gegrond.

6.7.

Voor het derde klachtonderdeel geldt het volgende. De gerechtsdeurwaarders hebben afgeraden om beslag te leggen op de auto van [X] , aangezien de verwachte opbrengst daarvan volgens de gerechtsdeurwaarders niet genoeg zou zijn om de veilingkosten te voldoen. Het feit dat klager het leggen van beslag op de auto vooral als een pressiemiddel zag, maakt niet dat de gerechtsdeurwaarders tot beslaglegging hadden dienen over te gaan. Het is een gerechtsdeurwaarder niet toegestaan om ongeoorloofde druk uit te oefenen en evenmin mag hij onnodige kosten maken. Die norm geldt niet alleen ten aanzien van de schuldenaar, maar ook ten aanzien van de opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarders hebben in dit geval een juiste afweging gemaakt. Het is het hof niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarders vooral uit waren op voldoening van hun eigen kosten, zoals klager heeft gesteld. Dit onderdeel van de klacht treft geen doel.

Klager heeft verder gesteld dat aan hem op zijn verzoek geen specificatie is verstrekt. De gerechtsdeurwaarders hebben in eerste aanleg echter een kopie van de specificatie in het geding gebracht. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

Maatregel en conclusie

6.8.

Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 2 van de klacht gegrond is. Het hof is van oordeel dat het een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt om gedurende een periode van enkele jaren na te laten zijn cliënt te informeren over de stand van zaken in diens dossier. Het hof ziet reden om aan de gerechtsdeurwaarders elk de maatregel van berisping op te leggen met betrekking tot dit gegrond bevonden klachtonderdeel.

6.9.

Nu het hof (deels) tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

6.10.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.11.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in de in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klachten voor wat betreft de periode voorafgaand aan 3 juli 2012;

- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;

- legt aan elk van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;

- verklaart klachtonderdelen 1 en 3 ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017 door de rolraadsheer.