Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:2495

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
23-000643-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Liquidatieproces Passage

1. Bewijs: verklaring kroongetuige kroongetuige; discrepantie verklaring ene en andere kroongetuige

2. Straftoemeting kroongetuige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000643-13

datum uitspraak: 29 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013 in de strafzaak onder de parketnummers 13/529106-06 (zaak A) + 13/529057-07 (zaak B) + 13/529042-07 (zaak C) tegen

[Fred R.]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Inhoudsopgave

1. Inleiding 3

1.1 Het onderzoek van de zaak 3

1.2 Opbouw arrest 3

1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard 4

1.4 Het vonnis waarvan beroep 4

1.5 Algemene inleiding 5

3. Het bewijs 7

3.1 Ten aanzien van de feiten A1, A2 en A3 (zaaksdossier “Perugia”) 7

3.2. Ten aanzien van de feiten A4 (zaaksdossier “Perugia”) en feit B (zaaksdossier “Nicht”) 7

3.3 Ten aanzien van feit C1 (zaakdossier “Oma”) 10

3.4 Ten aanzien van feit C2 (zaaksdossier “criminele organisatie”) 13

4. Bewezenverklaring 13

5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 15

6. Strafbaarheid van de verdachte 15

7. Oplegging van straf 15

7.1 De motivering van de op te leggen straf 15

7.2 De vordering tot strafvermindering 17

7.3. De voorlopige hechtenis 18

8. Benadeelde partijen 18

8.1 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] 18

8.1.1 De vordering 18

8.1.2 De schadevergoedingsmaatregel 19

8.2 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] 20

8.2.1 De vordering 20

8.2.2 De schadevergoedingsmaatregel 20

8.3 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] 20

8.3.1 De vordering 20

8.3.2 De schadevergoedingsmaatregel 21

8.4 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] 21

8.4.1 De vordering 21

8.4.2 De schadevergoedingsmaatregel 23

9. Beslag 23

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften 24

11. BESLISSING 24

1 Inleiding

1.1

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op de data zoals vermeld op het als bijlage I aan dit arrest gehechte overzicht, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

1.2

Opbouw arrest

In dit arrest zijn de overwegingen en beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. Het hof wijst heden ook arrest in de zaken van negen medeverdachten, die gelijktijdig in hoger beroep terecht hebben gestaan. De gelijktijdige behandeling van deze strafzaken, in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof is bekend geworden onder de noemer van het Liquidatieproces Passage.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de als verdachten en getuigen figurerende personen zoveel mogelijk met hun naam in plaats van met hun status van verdachte/getuige aanduiden.

Met het oog op het dienen van het belang van de lezer bij het kunnen kennisnemen van context is als bijlage bij dit arrest een korte samenvatting gevoegd van al hetgeen in de zaken van die medeverdachten aan de orde is. Het hof kent aan die bijlage in juridische zin geen betekenis toe.

In het hoofdstuk 3. is steeds de essentie van de tot bewezenverklaring of vrijspraak strekkende redenering en beslissing opgenomen. Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het (papieren en digitale) dossier. Voor zover wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft het telkens processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Indien een proces-verbaal van politie voor fotokopie conform is getekend dan staat dit proces-verbaal op gelijke voet met een origineel proces-verbaal en is de aanduiding ervan identiek. Voor zover het bewijsmiddel een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is het telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Een opgave van de gebezigde bewijsmiddelen is opgenomen in een bij dit arrest gevoegde bijlage.

1.3

De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard

Voor de tenlastelegging wordt verwezen naar de bijlage.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten:

A1: het medeplegen van de moord op Thomas van der Bijl op 20 april 2006 in Amsterdam dan wel de uitlokking in vereniging daarvan in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006;

A2: het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Amsterdam en/of Zwanenburg;

A3: het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Amsterdam en/of Zwanenburg;

A4: de poging tot uitlokking in vereniging van [betrokkene 1] tot het plegen van moord op Thomas van der Bijl, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Amsterdam en/of Zwanenburg en/of Abcoude en/of Leidschendam;

B: de poging tot uitlokking in vereniging van [betrokkene 1] tot het plegen van moord op [slachtoffer 8] , in de periode van 1 december 2005 tot en met 7 juli 2006 in Aerdenhout en/of Amsterdam en/of Leidschendam;

C1: de poging tot uitlokking, al dan niet in vereniging, van [betrokkene 4] tot het plegen van moord op [slachtoffer 7] , in de periode van 1 september 2004 tot en met 1 mei 2005, in Scheveningen en/of Amsterdam en/of Landsmeer;

C2: deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2008.

De resultaten van de onderzoeken naar de feiten onder A, B en C zijn ondergebracht in verschillende zaaksdossiers. De feiten die hiervoor zijn genoemd onder A in het zaaksdossier “Perugia”, onder B in zaaksdossier “Nicht” en onder C1 in zaaksdossier “Oma”.

1.4

Het vonnis waarvan beroep

Het hof heeft vanzelfsprekend het wettelijke concept van het voortbouwend appel onder ogen gezien, in het bijzonder de mogelijkheid van (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Echter, reeds gelet op het aantal zaken dat onder de noemer Liquidatieproces Passage gelijktijdig door het hof is behandeld, de overlap tussen onderdelen van die zaken, en gelet op het feit dat in het onderzoek van de zaak in hoger beroep aan de hand van een almaar uitdijend dossier een nader uitgebreid feitenonderzoek is verricht, zal het hof het vonnis waarvan beroep reeds op praktische gronden vernietigen en opnieuw recht doen. Bovendien is de procespositie van de verdachte ingrijpend veranderd doordat in september 2014 een afspraak (hierna ook te noemen: de deal) tussen hem en de Staat tot stand kwam waardoor hij, kort gezegd, de rol van kroongetuige1 kreeg.

1.5

Algemene inleiding

Moord en doodslag zijn van alle tijden. Wordt de samenleving tegenwoordig regelmatig in beroering gebracht door moorden, vaak op klaarlichte dag gepleegd volgens het stramien van excessief vuurwapengeweld, wegvluchtende lieden en een achtergelaten brandende vluchtauto, dit patroon heeft zich ook in het verleden voltrokken. Voor zowel heden als verleden is in dit verband bovendien kenmerkend dat deze moorden zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt niet alleen uit de wijze waarop deze moorden worden gepleegd, maar ook uit de verbinding die naar dat milieu kan worden gelegd. Over de band van de personen van de slachtoffers en/of de kring van personen die door politie en justitie voor die moorden verantwoordelijk wordt gehouden. Voor deze buitencategorie van ernstige misdrijven – in de volksmond: liquidaties – is kenmerkend dat de opsporing en strafvervolging sterk worden bemoeilijkt door het zeer geringe aantal personen dat in staat en bereid blijkt om hun wetenschap over het een en ander onvoorwaardelijk prijs te geven.

En als de officier van justitie er al in slaagt om op grond van onderzoeksresultaten een verdachte aan te wijzen en te vervolgen, dan is het zelden vertoond dat die verdachte bereid is om opening van zaken te geven. In de regel wordt door hem volstaan ofwel met een beroep op het zwijgrecht, ofwel met een meer of minder onderbouwde ontkenning van iedere betrokkenheid. En ook dat aspect is van alle tijden.

En zo getuigt ook het zeer omvangrijke samenstel van, deels, relatief gedateerde strafzaken daarvan. Het is in al deze zaken waarin het hof heden arrest wijst.

In dat Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar 7 moorden en de berechting van (aanvankelijk) 12 verdachten. Tijdens de loop van het proces zijn twee van hen overleden; [Raymond V.] aan een natuurlijke dood en [Ali A.] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag. De verdachte [Sjaak B.] heeft een op hem gepleegde moordaanslag ternauwernood overleefd.

Voorts is een aantal van de in de loop van het onderzoek door de politie en het hof gehoorde getuigen met vuurwapengeweld geconfronteerd. Een enkeling heeft dat geweld overleefd, de meerderheid van hen heeft daarbij het leven gelaten.

De inhoudelijke behandeling van de zaken in eerste aanleg heeft bijna 4 jaren gevergd, de eerste verkennende zitting in hoger beroep vond plaats in de maand september van 2013.

In dat samenstel van strafzaken – de onderhavige strafzaak maakt daarvan deel uit – ligt de betrokkenheid van de verdachten bij een aantal moorden ter berechting voor. En van elk van die moorden (poging en voorbereiding daartoe daaronder mede begrepen) kan zonder overdrijving worden gesteld dat de opsporing en vervolging uiterst moeizaam zijn verlopen. De verdachten hebben zich op hun zwijgrecht beroepen en/of hebben hun door het Openbaar Ministerie veronderstelde betrokkenheid bij moorden ontkend. In zoverre past die gang van zaken in het zojuist beschreven algemene beeld. Eerst nadat één van hen van het predicaat kroongetuige kon worden voorzien – de verdachte [Peter la S.] – is het onderzoek naar een aantal van die moorden in een stroomversnelling geraakt. Door hem is veelvuldig en uitvoerig verklaard, niet alleen over zijn eigen aandeel bij één van de moorden maar ook over wat hij gedurende een aanzienlijke periode zou hebben waargenomen en ondervonden met betrekking tot anderen, in het bijzonder de verdachten die in het Liquidatieproces Passage terecht staan.

De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het opstaan van een tweede kroongetuige – de verdachte [Fred R.] – die aan het verloop van de behandeling van de zaken een eigen dynamiek heeft toegevoegd. Ook voor deze tweede kroongetuige geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij een moord heeft verklaard als over betrokkenheid van anderen. De aanzienlijke duur van de behandeling van de zaken in hoger beroep wordt in overwegende mate verklaard door de bonte stoet van getuigen die, in het kader van verificatie c.q. falsificatie van de door [Fred R.] als tweede kroongetuige bij de politie afgelegde verklaringen, aan het hof is voorbijgetrokken.

Een ander aan de gedingfase van het hoger beroep verbonden aspect wordt gevormd door de aanhouding en strafvervolging van een andere verdachte, [Willem H.] , ter zake van misdrijven die ook en simultaan in hoger beroep aan het hof ter berechting voorliggen. Dit gegeven van parallelle berechting in twee instanties – [Willem H.] in eerste aanleg en Passage-verdachten in hoger beroep – is in de strafvorderlijke werkelijkheid weliswaar niet uniek, maar dit heeft de behandeling in hoger beroep op momenten wel enigszins gecompliceerd.

Het debat dat in de onderhavige zaken is gevoerd is toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting:

  • -

    de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen;

  • -

    de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen;

  • -

    de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod;

  • -

    de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken;

  • -

    de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen;

  • -

    de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan;

  • -

    tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en

  • -

    de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf.

3 Het bewijs

3.1

Ten aanzien van de feiten A1, A2 en A3 (zaaksdossier “Perugia”)

[Fred R.] heeft als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over deze feiten het volgende verklaard:2

Ik beken hetgeen – zoals u aan mij voorhoudt – op de inleidende dagvaarding ook na wijziging van de tenlastelegging aan mij in zaak A onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 is tenlastegelegd. Dat komt, kort gezegd, op het volgende neer.

Het klopt dat ik mij eind 2005 en in de eerste helft van 2006 in Nederland heb beziggehouden met de liquidatie van Thomas van der Bijl, die op 20 april 2006 in Amsterdam plaatsvond. Ik heb samen met anderen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de aan de liquidatie voorafgaande periode uitgelokt om Van der Bijl te liquideren, door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] een beloning in het vooruitzicht te stellen, middelen ter beschikking te stellen en inlichtingen te verstrekken. Zij hebben de liquidatie uitgevoerd door Van der Bijl in zijn café in Amsterdam dood te schieten. Ter voorbereiding op deze liquidatie heb ik personenauto’s (in elk geval een Audi) en vuurwapens (in elk geval een pistool van het merk Ruger, type P95, kaliber 9x19, met munitie) voorhanden gehad en ook aan hen verschaft. Ik heb hen ook de nodige informatie gegeven die betrekking had op het beoogde slachtoffer Van der Bijl.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de vraag of de feitelijke handelingen onder A1 dienen te worden gekwalificeerd als medeplegen dan wel als uitlokking gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof stelt vast dat [Fred R.] ter zake van de feiten A1, A2 en A3 als bekennende verdachte kan worden aangemerkt, zodat ter zake kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit arrest gehechte bijlage.

Het hof acht op grond van de uit de bewijsmiddelen blijkende gang van zaken bewezen dat [Fred R.] , met anderen, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] opzettelijk heeft uitgelokt om Van der Bijl te vermoorden. Gelet daarop zal het onder A1 subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard en zal [Fred R.] van het onder A1 primair ten laste gelegde medeplegen van de moord op Van der Bijl worden vrijgesproken.

3.2.

Ten aanzien van de feiten A4 (zaaksdossier “Perugia”) en feit B (zaaksdossier “Nicht”)

[Fred R.] wordt verweten dat hij heeft geprobeerd [betrokkene 1] opzettelijk uit te lokken om Thomas van der Bijl (A4) en [slachtoffer 8] (B) te vermoorden. [Fred R.] heeft zijn betrokkenheid bij deze feiten (die door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep bewezen zijn verklaard) ontkend. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [Fred R.] van deze feiten wordt vrijgesproken.

De feiten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Uit het ten laste van [Fred R.] gewezen strafvonnis blijkt dat de belastende verklaringen van [betrokkene 1] wat betreft de feiten A4 en B het zwaartepunt van het bewijs vormen. [Fred R.] heeft zich in eerste aanleg ten aanzien van deze feiten op zijn zwijgrecht beroepen. Nadat [Fred R.] tijdens het geding in hoger beroep kroongetuige is geworden heeft hij ook over deze feiten

– ontkennend – verklaard. [Fred R.] heeft deze ontkenningen nog kracht bijgezet met een toelichting, erop neerkomend dat bekennen in het spoor van de bewezenverklaringen voor hem veel eenvoudiger zou zijn geweest. Immers, deze door de rechtbank bewezen geachte feiten stonden aan het sluiten van de deal niet in de weg. Bovendien geven de ontkennende verklaringen van [Fred R.] aan de verdachten tegen wie het Openbaar Ministerie zijn verklaringen inbrengt een stevig handvat voor diskwalificatie van zijn persoon als kroongetuige. Maar omdat hij als kroongetuige verplicht is tot spreken overeenkomstig de waarheid kan hij niet anders dan het afleggen van de hiervoor weergegeven verklaringen, aldus [Fred R.] .

Tegenover deze ontkenningen staan de voor [Fred R.] belastende verklaringen van [betrokkene 1] .

Volgens [betrokkene 1] heeft [Fred R.] hem in de periode van de aanloop naar de moord op Van der Bijl zowel langs café De Hallen (de plek waar Van der Bijl zou worden vermoord) als een woning in Aerdenhout (van [slachtoffer 8] ) gereden. [Fred R.] heeft, toen zij die woning passeerden, aan [betrokkene 1] duidelijk gemaakt dat – net als de caféhouder (Van der Bijl) – ook die man ( [slachtoffer 8] ) moest worden vermoord, maar dat deze al een tijd niet meer thuis was geweest en onvindbaar was. Als [betrokkene 1] het plegen van een moord zou aandurven, dan zou [Fred R.] vertrouwen in hem stellen en zou er nog veel meer werk voor hem zijn, aldus [betrokkene 1] .

[Fred R.] heeft, zoals gezegd, ontkend dat hij [betrokkene 1] heeft willen bewegen tot het plegen van moorden. Wel erkent [Fred R.] dat hij [betrokkene 1] heeft betrokken bij de voorbereiding van de moord op Van der Bijl, maar niet ook bij het plegen van die moord.

Naar zijn zeggen is [Fred R.] eens langs het hem bekende adres van [slachtoffer 8] in Aerdenhout gereden, in het gezelschap van [betrokkene 1] . Het doel van de autorit naar Aerdenhout was het lokaliseren en weghalen van een auto (Citroën C5) die volgens mededeling van [Jesse R.] aan [Fred R.] was gebruikt bij de moord op Houtman en die zou zijn geparkeerd nabij de woning van [slachtoffer 8] . Volgens [Fred R.] was die auto in Aerdenhout nabij die woning neergezet met het oog op de voorgenomen moord op [slachtoffer 8] . [Peter la S.] had eerder in die auto gezeten en daardoor kon de aanwezigheid van sporen van hem in die auto worden vermoed. Daarom kwam bij nader inzien deze auto niet in aanmerking om nog eens te worden gebruikt in het kader van de (toen) voorgenomen moord op Van der Bijl. [Fred R.] heeft verklaard dat hij toen het huis van [slachtoffer 8] wel aan [betrokkene 1] had aangewezen, maar dat hij bij die gelegenheid niet meer heeft gezegd dan dat ook deze man kon doodvallen. Volgens [Fred R.] heeft hij daarmee bedoeld aan te geven dat ook deze man een probleem had.

Tegenover de verklaring van [betrokkene 1] dat [Fred R.] hem heeft gevraagd om [slachtoffer 8] en Van der Bijl te vermoorden staat aldus de ontkenning van [Fred R.] dat daarvan sprake is geweest. Het hof stelt voorop, dat de enkele aanwezigheid van discrepanties tussen de verklaringen van [betrokkene 1] en [Fred R.] niet meebrengt dat daarmee genoegzaam is komen vast te staan dat het [Fred R.] is, die heeft gelogen althans onwaarheid heeft gesproken. Door [betrokkene 1] zijn in de loop van de tijd veel verklaringen afgelegd. Het is een feit dat [betrokkene 1] in zijn verklaringen op onderdelen een detaillering weet aan te brengen die soms overtuigt en op andere onderdelen juist twijfel oproept. Zo zijn er feitelijkheden die de authenticiteit van zijn verklaringen, waarmee hij ook zichzelf belast, versterken, terwijl hij ook gewag maakt van gebeurtenissen die zich eenvoudigweg niet hebben voorgedaan. Wanneer al deze verklaringen waarin wordt beschreven wat [Fred R.] heeft ondernomen om [betrokkene 1] te bewegen tot het plegen van twee moorden op consistentie en begrijpelijkheid worden beoordeeld, slaat de balans in het nadeel van laatstgenoemde door. Niet kan worden gezegd dat buiten redelijke twijfel staat dat [Fred R.] heeft geprobeerd om [betrokkene 1] ertoe te bewegen [slachtoffer 8] en Van der Bijl te vermoorden. In het bijzonder de door [betrokkene 1] ter zitting van het hof als getuige afgelegde verklaring draagt aan dat oordeel bij, zowel waar het de inhoud van die verklaring betreft als waar het gaat om de indruk die het hof van deze getuige heeft gekregen. Het hof heeft bij dit oordeel bovendien het verslag van een heimelijk afgeluisterd en opgenomen gesprek betrokken. Volgens dit verslag heeft [Fred R.] op 29 oktober 2008 in gesprek met zijn (toenmalige) vertrouweling [betrokkene 5] zijn verbazing geuit over de belastende verklaring van [betrokkene 1] : “die jongen heb nooit geen opdracht gehad. En dat vind ik al zo raar, waarom ga je je eigen dan belasten. Om zijn eigen belangrijker te maken, dat is eh dat is er gebeurd. Dat is, dat is, daarom ben ik ook niet voorgekomen. Want ik werd, mijn zaak is aangehouden, eigenlijk alleen maar voor die zaak van [slachtoffer 8] ”.

En waar [Fred R.] zich enigszins vertwijfeld afvraagt of [betrokkene 1] zichzelf belangrijker wil maken, valt op dat door meer getuigen ondubbelzinnig is verklaard over hun van [betrokkene 1] in de loop van de (lange) tijd verkregen indrukken. Er wordt gesproken over diens gewoonte tot stoer doen en tot stelselmatig liegen en bedriegen.

Lezing van het dossier roept van de verhouding tussen [Fred R.] en [betrokkene 1] de volgende beelden op. [Fred R.] als dominante “criminele baas” in wiens naaste omgeving [betrokkene 1] zich als enigszins labiele en aan [Fred R.] onderdanige “criminele knecht” een tijd heeft opgehouden. [betrokkene 1] die erg zijn best heeft willen doen om bij [Fred R.] in een goed blaadje te komen. In de woorden van zijn toenmalige vriendin: “ [Fred R.] was God. [Fred R.] kwam, dus het huis moest echt, als het al schoon was, dan moest het nog driemaal schoner zeg maar, alles om [Fred R.] , om maar indruk te maken op [Fred R.] , of goedkeuring van [Fred R.] . Hij was altijd onderdanig naar [Fred R.] .”

[betrokkene 1] als iemand met een erg rijke fantasiewereld die daarvan stelselmatig en door de vele jaren heen tegenover zijn naasten blijk heeft gegeven.

Met betrekking tot de volgens [betrokkene 1] aan hem door [Fred R.] opgedragen moord op Van der Bijl overweegt het hof nog het volgende. Niet kan worden uitgesloten dat het vertrouwen dat aan hem door [Fred R.] is “gegund” – hem betrekken bij de voorbereiding van de moord op van der Bijl – [betrokkene 1] heeft gebracht tot het eigenmachtig verrichten van verderstrekkende gedragingen. Het hof kan evenmin de mogelijkheid uitsluiten dat de communicatie van [Fred R.] richting [betrokkene 1] naar vorm en inhoud voor [betrokkene 1] zodanig suggestief is geweest, dat bij [betrokkene 1] de indruk is gewekt dat [Fred R.] wilde dat hij activiteiten zou gaan ondernemen die verder strekten dan het, “slechts” met het oog op voorbereiding van een moord, observeren, verplaatsen van een auto en opslaan van wapens. Tot het doen van andere vaststellingen dan het onderkennen van deze mogelijkheden is het hof evenwel niet staat, gelet op al het voorgaande.

Wanneer bij het voorgaande wordt betrokken dat de verklaringen van de getuige [Peter la S.] en de telecomgegevens, die door de rechtbank ter ondersteuning van de verklaringen van [Fred R.] zijn gebruikt, niet wezenlijk discrimineren tussen de versie van [betrokkene 1] en die van [Fred R.] , kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat [Fred R.] de onder A4 en B tenlastegelegde feiten heeft begaan. Hij zal daarom daarvan worden vrijgesproken.

3.3

Ten aanzien van feit C1 (zaakdossier “Oma”)

[Fred R.] wordt verweten dat hij samen met of door tussenkomst van [Peter la S.] heeft geprobeerd

[betrokkene 4] uit te lokken om [slachtoffer 7] te vermoorden. [Fred R.] heeft dit feit ontkend. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [Fred R.] van dit feit wordt vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

[Peter la S.] heeft verklaard dat deze zaak speelde toen [Fred R.] in Scheveningen in detentie verbleef en [Peter la S.] bij [getuige 3] verbleef in Amstelveen. [Peter la S.] wist toen nog niet wie [Fred R.] was.3 Op verzoek van [getuige 4] heeft [Peter la S.] [Fred R.] in het Huis van Bewaring enkele malen bezocht om hem een boodschap van [getuige 5] over te brengen.4 [Peter la S.] kreeg van [Fred R.] op enig moment een briefje met daarop de plaatsnaam Nederhorst den Berg en de naam van een man, [slachtoffer 7] . Ook gaf [Fred R.] aan [Peter la S.] het telefoonnummer van een Albanees, die voor [Fred R.] die [slachtoffer 7] moest liquideren. [Fred R.] zou daarvoor €50.000 betalen, op krediet.5[Peter la S.] heeft verklaard dat hij een paar dagen later die Albanees, die zich voorstelde als [betrokkene 4] , bij fastfoodrestaurant McDonald’s in Durgerdam heeft ontmoet. Daar heeft hij [betrokkene 4] de boodschap van [Fred R.] doorgegeven en hem verteld dat hij voor de liquidatie van [slachtoffer 7] 50.000 euro zou krijgen.6 Later ontmoette [Peter la S.] deze [betrokkene 4] weer, in het parkje tussen de Van Leijenberghlaan en het Novotel in Amsterdam.7 [betrokkene 4] vroeg [Peter la S.] toen om een Uzi en een handwapen, 50.000 euro en een auto ten behoeve van de liquidatie.8 Nadat [Peter la S.] deze wensen aan [Fred R.] had doorgegeven, vertelde [Fred R.] aan [Peter la S.] dat hij nog diezelfde dag een afspraak voor [Peter la S.] had gemaakt in Scheveningen om bij iemand een Uzi op te halen.9 [Peter la S.] zou in een parkeergarage in Scheveningen een Uzi van iemand ontvangen, die hij vervolgens aan [betrokkene 4] kon doorgeven. [Peter la S.] heeft in de parkeergarage op die persoon staan wachten, maar die is niet komen opdagen.10[Peter la S.] had begrepen dat [slachtoffer 7] dood moest, omdat hij voor [getuige 5] en [Fred R.] belastende verklaringen had afgelegd.11

De inhoud van de verklaring van [Peter la S.] vindt in de eerste plaats bevestiging in de verklaringen van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] heeft op 3 februari 2005 bij de politie verklaard dat hij enkele weken daarvoor door [Fred R.] was gebeld, die op dat moment in de gevangenis zat. [Fred R.] vertelde [betrokkene 4] dat hij het telefoonnummer van [betrokkene 4] aan een kennis had gegeven, die hem zou gaan bellen. [betrokkene 4] heeft verklaard dat die kennis hem die dag, op 3 februari 2005, belde en zichzelf als [Peter la S.] voorstelde. Op verzoek van [Peter la S.] hebben zij elkaar bij een vestiging van fastfoodrestaurant McDonald’s in Amsterdam-Noord ontmoet. Daar vertelde [Peter la S.] dat [Fred R.] problemen had met iemand die een verklaring over [Fred R.] zou hebben afgelegd. Deze persoon heette [slachtoffer 7] , of iets wat daarop lijkt. Het kwam er volgens [betrokkene 4] op neer dat hij die [slachtoffer 7] zou moeten doodschieten, in opdracht van [Fred R.] .12

Bevestiging voor deze ontmoeting tussen [Peter la S.] en [betrokkene 4] kan worden gevonden in beelden die zijn vastgelegd met een beveiligingscamera van de McDonald’s aan de IJdoornlaan in Amsterdam-Noord van 3 februari 2005. Deze beelden zijn door de politie bekeken en daarvan is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Gezien is dat twee mannen deze vestiging van dat restaurant binnenkomen. Verbalisant herkent een van de mannen als de haar ambtshalve bekende [betrokkene 4] . Ter terechtzitting van de rechtbank heeft [Peter la S.] als getuige diezelfde beelden bekeken en hij heeft zichzelf op de beelden herkend. Ondersteuning voor de verklaring van [Peter la S.] kan voorts worden gevonden in de verklaring van de getuige [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij eerder al redenen heeft genoemd waarom hij denkt dat [Fred R.] hem dood wil. Een reden is dat hij tegen [getuige 5] , [Jesse R.] en [Fred R.] over de wapenvondst (het hof begrijpt: het onderzoek naar een wapenvondst in Vinkeveen, zaaksdossier ‘Bilbao’) een verklaring heeft afgelegd. Hij weet teveel over deze mensen.13

Tenslotte vindt de verklaring van [Peter la S.] ook deels bevestiging in de verklaring van [Fred R.] . [Fred R.] heeft immers verklaard dat [Peter la S.] inderdaad in de gevangenis in Scheveningen bij hem op bezoek is geweest, dat hij [Peter la S.] heeft verwezen naar [betrokkene 4] en dat bij een bezoek van [Peter la S.] de naam van [slachtoffer 7] en diens voor [Fred R.] belastende verklaringen aan de orde zijn geweest.14

Gelet op het voorgaande is voldoende wettig bewijs voorhanden voor bewezenverklaring van het onder C1 aan [Fred R.] tenlastegelegde. De rechtbank is ook tot die bewezenverklaring gekomen.

Het hof zal hierna onderzoeken of die bewijsmiddelen in het licht van het standpunt van de verdachte een bewezenverklaring kunnen dragen.

Van belang is dat [Fred R.] , waar hij zich in eerste aanleg met betrekking tot de overige aan hem tenlastegelegde feiten op zijn zwijgrecht had beroepen, omtrent dit feit bij de rechtbank wél heeft verklaard. Die verklaring houdt in dat hij ontkent dat hij heeft getracht om door tussenkomst van [Peter la S.] [slachtoffer 7] te laten vermoorden. Het is juist dat [Peter la S.] bij hem in de gevangenis op bezoek is geweest en dat hij toen [Peter la S.] naar [betrokkene 4] heeft doorverwezen. Niet met het oog op een te plegen moord, wel omdat [Peter la S.] aan [Fred R.] om vuurwapens had gevraagd. Omdat [Fred R.] ervan uitging dat die wapens door [betrokkene 4] konden worden geleverd heeft hij [Peter la S.] naar die [betrokkene 4] doorverwezen, niet meer en niet minder. Tot zover de verdachte.

Bij de inhoud van deze verklaring is [Fred R.] , ook in hoger beroep en nadat hij kroongetuige is geworden, gebleven. Op grond van de door hem met de officier van justitie gemaakte en op schrift gestelde afspraak diende hij ook over dit zaaksdossier naar waarheid te verklaren. De verdediging van [Fred R.] heeft gesteld dat er voor [Fred R.] , gelet op die afspraak en de in het verlengde daarvan op het spel staande belangen, redelijkerwijs geen belang denkbaar is om over dit zaaksdossier onwaarheden te verklaren.

Ook [Peter la S.] is als kroongetuige bij zijn verklaring gebleven en ook hij heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep uiteengezet dat er voor hem redelijkerwijs geen belang denkbaar is om over dit zaaksdossier onwaarheden te verklaren.

Vastgesteld moet dus worden dat door beide verdachten, tevens kroongetuigen, verschillend wordt verklaard omtrent een voor de bewijsvoering bij dit feit wezenlijk punt, te weten de boodschap die [Fred R.] aan [Peter la S.] heeft meegegeven bij het bezoek in de PI. Het hof waagt zich niet aan een beantwoording van de vraag wie van beiden nu (meer) belang heeft bij het spreken van onwaarheid op dit punt, nu het die belangen – anders dan wellicht de betrokkenen zelf – niet kan vaststellen, inschatten of waarderen.

Vastgesteld kan ook worden dat, waar het om de inhoud van de door [Fred R.] aan [Peter la S.] gegeven boodschap gaat, het in beginsel het woord van [Fred R.] tegen dat van [Peter la S.] is. Dat [Fred R.] heeft gezegd dat [slachtoffer 7] moest worden omgebracht, heeft alleen [Peter la S.] verklaard. [betrokkene 4] kan alleen verklaren wat [Peter la S.] hierover tegen hém heeft gezegd. Het hof overweegt dat [Peter la S.] heeft verklaard dat hij, naar aanleiding van het verzoek van [Fred R.] , contact heeft opgenomen met medewerkers van de CIE om zo de liquidatie “kapot te maken”. In een proces-verbaal is over de inhoud van dit contact het volgende gerelateerd:

“Op 12 januari 2005 meldde [Peter la S.] in een gesprek met de CIE Amsterdam dat hij een afspraak moest regelen voor ene [betrokkene 4] . Een Albanees tussen de 30 en 40 jaar oud, die volgens getuige een hitman zou zijn en waarbij het zou gaan over de levering van vuurwapens.” 15

Het hof stelt vast dat kennelijk toen door [Peter la S.] niet over een liquidatie is gesproken en dat deze weergave van het tijdens dat contact besprokene zich verhoudt met hetgeen [Fred R.] heeft verklaard. Het hof overweegt verder, dat ook het feit dat [betrokkene 4] eigener beweging naar de politie is gegaan met zijn informatie, en de betrokkenheid van familieleden van [Jesse R.] bij de totstandkoming van het bezoek van [Peter la S.] aan [Fred R.] vraagtekens oproepen.

Het hof overweegt tenslotte het volgende. Net als ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] , waarover eerder al een en ander is overwogen, heeft [Fred R.] in een heimelijk afgeluisterd en opgenomen gesprek met zijn (toenmalige) vertrouweling [betrokkene 5] reeds in een vroeg stadium zijn onbegrip geuit over de inhoud van de belastende verklaring van [Peter la S.] . Dit volgt uit het daarvan opgemaakte verslag van 24 september 2008. [Fred R.] heeft toen onder meer gezegd: “en dan met die [betrokkene 4] , die Albanees (..) die jongens ken ik gewoon. Dat zijn vrienden van me. Die heb ik aan de telefoon daar. Dus waarom? Dan zou ik hun toch laten komen? Dan ga ik toch niet?”16

De verdachte heeft ontkend dat hij de rol heeft gespeeld zoals door [Peter la S.] is verklaard. Hij heeft de inhoud van de door [Peter la S.] afgelegde verklaringen betwist. De verklaringen van [betrokkene 4] en de overige onderzoeksbevindingen vormen weliswaar een bevestiging van de verklaringen van [Peter la S.] maar bieden geen onafhankelijke bevestiging ten aanzien van de herkomst van de moordopdracht. Daarbij is uitsluitend [Peter la S.] de bron geweest. Nu de verklaring van [Peter la S.] wat dit betreft op zichzelf staat, kan, in het licht van het standpunt van de verdachte dat enige substantiëring heeft gekregen door de inhoud van het OVC-gesprek van 24 september 2008, een bewezenverklaring niet volgen. De verdachte zal daarom van het onder C1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3.4

Ten aanzien van feit C2 (zaaksdossier “criminele organisatie”)

[Fred R.] heeft als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over deze feiten het volgende verklaard:17

Ik beken voorts hetgeen aan mij in zaak C onder feit 2 is tenlastegelegd. Dat komt, kort gezegd, op het volgende neer. Ik heb eind 2005, begin 2006 deel uitgemaakt van een criminele organisatie die in elk geval bestond uit [Jesse R.] , [Ali A.] , [Dino S.] en – in mindere mate – [Peter la S.] . Deze organisatie had tot oogmerk het plegen van misdrijven, in het bijzonder het plegen, uitlokken en voorbereiden van (pogingen tot) moord en het overtreden van de Wet wapens en munitie. Ten aanzien van dit feit merk ik op dat ik gedurende een deel van de tenlastegelegde pleegperiode gedetineerd was.

Het hof stelt vast dat [Fred R.] ter zake van dit feit, zoals het hierna bewezen zal worden verklaard, als bekennende verdachte kan worden aangemerkt, zodat ter zake kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit arrest gehechte bijlage.

4 Bewezenverklaring

Ten aanzien van zaak A1 (zaaksdossier “Perugia”)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 20 april 2006 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] van het leven hebben beroofd, immers heeft die [betrokkene 2] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels in het lichaam van die Van der Bijl geschoten, waardoor die Van der Bijl zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden,

welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door voornoemde [betrokkene 2] en [betrokkene 3] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen, en door het verschaffen van middelen zoals vuurwapens en vluchtauto’s en telefoons en inlichtingen, zoals adresgegevens/verblijfplaatsen van die Van der Bijl;

Ten aanzien van zaak A2 (zaaksdossier “Perugia”)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf moord, opzettelijk een personenauto, te weten een Audi A4 (kleur grijs) en een vuurwapen, te weten een pistool (merk Ruger, type P95, kaliber 9x19) en munitie, kennelijk bestemd tot het al dan niet in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van zaak A3 (zaaksdossier “Perugia”)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, (merk Ruger, type P95, kaliber 9x19, kleur zwart/zilver), en munitie van categorie III, (te weten een aantal patronen, kaliber 9x19) voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van zaak C2 (zaaksdossier “criminele organisatie”)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 december 2005 tot 4 augustus 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en [Jesse R.] en [Peter la S.] en [Ali A.] en [Dino S.] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht).

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgegeven in de bijlage die bij dit arrest is gevoegd en daarvan deel uitmaakt.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het hiervoor bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A1 subsidiair (Perugia)

medeplegen van opzettelijke uitlokking van moord door beloften en het verschaffen van inlichtingen.

ten aanzien van zaak A2 (Perugia)

medeplegen van voorbereiding tot moord.

ten aanzien van zaak A3 (Perugia)

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

ten aanzien van zaak C2 (criminele organisatie)

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7 Oplegging van straf

7.1

De motivering van de op te leggen straf

[Fred R.] is strafbaar betrokken geweest bij een moordaanslag, waarbij Van der Bijl is overleden. Hij heeft die moord voorbereid en anderen uitgelokt om die moord te plegen. En voorts heeft hij deelgenomen aan een criminele organisatie, die het plegen van moorden tot oogmerk had.

Het is evident dat de moord op Van der Bijl een liquidatie betrof: een in georganiseerd verband en op bestelling gepleegde moord, tegen betaling.

Een moord is een buitengewoon ernstig misdrijf waardoor de samenleving ernstig wordt geschokt, zo wordt door de strafrechter steevast en op goede gronden bij straftoemeting tot uitgangspunt genomen. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst een eigen diepte.

Door zijn handelen heeft [Fred R.] blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van een ander. De ernst van de feiten is ook in hoger beroep geïllustreerd door nabestaanden van slachtoffers. Uit door hen afgelegde verklaringen blijkt van groot leed, dat ook na verloop van tijd nog diep wordt gevoeld. Volgens de verklaring van een nabestaande dragen publicaties in de media naar aanleiding van het langslepende Passageproces aan het onverminderd voortduren van dat leed bij.

Dat deze misdrijven zich hebben voltrokken in de onderwereld relativeert de ernst van de feiten geenszins. Integendeel zelfs. Getuigt het in koelen bloede en tegen betaling uit de weg ruimen van een medemens al op zichzelf van een beklemmende kilte en gewetenloosheid, ook de samenleving wordt ervan doordrongen dat met kennelijk gemak in een ogenschijnlijk parallelle wereld zakenpartners, concurrenten en vijanden letterlijk worden geëlimineerd.

De lezer van het volumineuze dossier kan een glimp opvangen van de mores van de onderwereld: het laten doodschieten van een schuldeiser is voor zijn schuldenaar al snel goedkoper dan het hem betalen van wat hem toekomt. En wanneer iemand uit angst voor eigen lijf en leden bij de politie het hart lucht over wat zich in die onderwereld voltrekt doet hem dat met stip stijgen op de lijst van voorgenomen moorden. Het zekere moet immers voor het onzekere worden genomen. En ook het jargon valt op: de moord als “klus”, het laten vermoorden van iemand is hetzelfde als ‘afscheid nemen”.

Op zoek naar de maatschappelijke reactie op dit soort misdrijven kan ook al snel worden gehoord dat de onderwereld met zijn zelfreinigend vermogen de samenleving als geheel een dienst bewijst, ofwel: opgeruimd staat netjes. Die reactie suggereert bij de spreker een houding van onverholen cynisch, onverschillig schouderophalen, maar eigenlijk getuigt deze van een gevoel van ultieme machteloosheid. En daarmee is ook de brug geslagen naar het nader te bespreken strafdoel van generale preventie: met bestraffing in deze zaak wordt ook beoogd eraan bij te dragen dat anderen van het plegen van dit soort misdrijven worden weerhouden.

Waar het gaat om de persoon van [Fred R.] is het volgende van belang.

[Fred R.] zocht zijn bestaan, evenals een aantal van zijn medeverdachten, in de criminaliteit. [Fred R.] heeft daar zelf over verklaard en het op zijn naam gestelde uittreksel uit het Justitieel documentatieregister van 29 maart 2017 vormt daarvan een bevestiging. Daarin valt te lezen dat hij eerder met de strafrechter in aanraking is geweest. In 2002 en 2006 is hij door de strafrechter veroordeeld tot gevangenisstraffen, voor onder meer overtreding van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. Die veroordeling in 2006 betreft feiten die door hem in 2003 zijn begaan. Met dit strafrechtelijk verleden houdt het hof in zijn nadeel rekening.

Aan de andere kant van de weegschaal ligt het gegeven dat [Fred R.] zelf de stap naar justitie heeft gezet en veel informatie heeft verstrekt over een groot aantal in het verleden gepleegde moorden en over degenen die hij op grond van wat hij in het criminele milieu heeft waargenomen en ondervonden daarmee in verband brengt. En daarbij heeft hij ook over eigen strafbare gedragingen verklaard, zij het niet bovenmatig ruimhartig. Al met al heeft hij bovendien laten zien dat hij heeft gebroken met dat zwaar criminele milieu.

Het hof heeft onder ogen gezien dat met enig gevoel van cynisme kan worden opgemerkt dat zijn motieven voor het zetten van die stap wellicht meer zijn gelegen in het opportunistisch najagen van zijn eigenbelang en niet of minder in een doorleefde keer ten goede. Immers, [Fred R.] heeft gedurende de veeljarige loop van het Passageproces zijn kansen aangezien, gewogen en uiteindelijk ook benut. Mede door het stokken van betalingen uit criminele hoek als tegenprestatie voor zijn zwijgen bij politie en justitie, is hij uiteindelijk overstag gegaan en heeft hij zijn kans gegrepen, door met de officier van justitie een verklaringsafspraak te maken. Het hof heeft in dat verband de steeds terugkerende gedachte niet weten te onderdrukken dat met deze gang van zaken en de daarmee gemoeide tijd wel de belangen van [Fred R.] en de zijnen gediend zijn geweest, doch niet de belangen van de opsporing en vervolging. Wat daarvan ook zij, feit is en blijft dat zijn bijdrage aan de opsporing, vervolging en berechting van hemzelf en van anderen als het gevolg van die stap uiteindelijk in zijn voordeel spreekt.

De officier van justitie heeft in de schriftelijke verklaringsafspraak met [Fred R.] neergelegd dat en waarom de strafeis op 30 jaren zal worden gesteld, en voorts onder welke voorwaarden die eis bij gelegenheid van het requisitoir wordt teruggebracht tot de helft daarvan.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting op grond van een beperkte bewezenverklaring een lagere basisstrafeis geformuleerd. Het hof acht die eis, anders dan de raadsman, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in beginsel passend. Daarbij heeft het hof betrokken de rol die hij gedurende geruime tijd bij de voorbereiding van de bewezen geachte moord heeft vervuld, en deelneming aan een criminele organisatie, die het plegen van moorden als doelstelling heeft gekend.

In het kader van de straftoemeting neemt het hof aan dat wat betreft de feiten A2 en A3 sprake is van eendaadse samenloop.

7.2

De vordering tot strafvermindering

In het spoor van de eerder bedoelde afspraak heeft de advocaat-generaal beredeneerd strafvermindering gevorderd. Daarbij is uiteengezet dat, en op welke gronden, door het hof moet worden aangenomen dat door de ingevolge die verklaringsafspraak door [Fred R.] afgelegde getuigenverklaringen een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven. Die onderbouwde uiteenzetting van de advocaat-generaal is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van de kroongetuigenregeling, in beginsel de leidraad voor de rechter. Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, gelet op wat daaraan ten grondslag is gelegd, in redelijkheid tot deze eis heeft kunnen komen. Dit geldt zowel waar het gaat om de vaststelling dat die bijdrage is of kan worden geleverd, als de gevorderde mate van strafvermindering.

7.3.

De voorlopige hechtenis

Nu, rekening houdend met de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, de duur van de tot op heden ondergane voorlopige hechtenis de duur van de op te leggen gevangenisstraf overschrijdt, zal het hof het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen.

8 Benadeelde partijen

8.1

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

8.1.1

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een bedrag van € 10.000 gevorderd (shockschade). De vordering is door de rechtbank toegewezen en is gehandhaafd in hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering.

Door [Fred R.] is de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof overweegt dat voldoende vast staat dat de benadeelde partij door de gewelddadige dood van haar vader zeer geraakt is en dat zij daar ook thans nog de emotionele gevolgen van ondervindt. Het hof acht evenzeer aannemelijk dat de verwerking van een en ander bemoeilijkt wordt door de lange duur van dit proces en de aldus steeds opnieuw opkomende media-aandacht voor de moord op haar vader. Dat schokkende foto’s daarvan in de media steeds weer verschijnen, moet inderdaad moeilijk te verwerken zijn voor de directe nabestaanden.

Het hof staat echter – ook ambtshalve – voor de vraag of de gevorderde schade in casu toewijsbaar is.

In beginsel kunnen nabestaanden onder het huidige wettelijke stelsel geen aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade als gevolg van hun verlies. De Hoge Raad heeft hierop twee uitzonderingen gemaakt:

1.
Het geval waarin de aansprakelijke persoon met zijn handelen het oogmerk had om immaterieel nadeel toe te brengen aan die derde (art. 6:106 lid 1 sub a BW); en
2. Het geval waarin sprake is van schade die bestaat uit geestelijk letsel van een derde als gevolg van het waarnemen van een ongeval dat een ander is overkomen of het waarnemen van de gevolgen daarvan (shockschade).

In casu is de onder 2 bedoelde shockschade gevorderd.

De Hoge Raad heeft in het Kindertaxi-arrest overwogen dat shockschade op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW (aantasting in de persoon) in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hiervoor dient te zijn voldaan aan de volgende criteria:

1.
Letsel of overlijden door de overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm;
2. Een ander dan de gewonde of overleden persoon ondervindt een hevige emotionele schok door waarneming van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan (directe confrontatie-eis);
3. De shock moet leiden tot geestelijk letsel;
4. Dit geestelijke letsel is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Deze criteria beperken de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van shockschade. Daarbij past terughoudendheid past, gelet op het uitgangspunt dat immateriële schade van nabestaanden in beginsel niet toewijsbaar is.

De vraag is of in casu is voldaan aan de eis van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van – in dit geval – de moord. Vastgesteld kan worden dat mevrouw [benadeelde partij 1] kort na de moord naar de plaats van het delict is gegaan, dat zij daar is geconfronteerd met de politieafzetting en dat haar daar ter plekke door een familielid is verteld dat haar vader was doodgeschoten. Zij heeft het lichaam van haar vader, gelet op de afzetting, niet kunnen waarnemen. Gelet op de gevallen waarin in de jurisprudentie tot op heden een ‘directe confrontatie’ is aangenomen – en die zich in het algemeen kenmerkten door waarneming van lichaam en verwondingen van de overledene – is het aannemen van een directe confrontatie in het onderhavige geval niet vanzelfsprekend. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zou een verruimde uitleg van het begrip “directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit” vergen. Dit temeer waar ook de vele jaren na het feit nog bestaande media-aandacht kennelijk een rol speelt bij de veroorzaking en instandhouding van de schade. Het hof acht de voor toewijzing vereiste verruiming van die uitleg niet de taak van de strafrechter in het kader van een beslissing op een slechts summier onderbouwde en niet of nauwelijks betwiste vordering; een dergelijk vergaande beslissing vergt in ieder geval een uitgebreid juridisch debat hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Om deze reden zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zal worden bepaald dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter zal kunnen aanbrengen.

8.1.2

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens [Fred R.] is bepleit hem niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Gelet op hetgeen met betrekking tot de vordering is overwogen, staat niet vast dat de verdachte jegens de benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade. Daarom zal de maatregel van artikel 36f Sr niet worden opgelegd.

8.2

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

8.2.1

De vordering


De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een bedrag van € 1.576,32 gevorderd ter zake van materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en is in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering.

Door [Fred R.] is de vordering van de benadeelde partij niet betwist.


Het hof overweegt dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A1 subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

8.2.2

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens [Fred R.] is bepleit hem niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het hof overweegt dat in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte zal worden opgelegd. Dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, gelet op de omstandigheden van [Fred R.] , op praktische problemen zal stuiten, is naar het oordeel van het hof geen reden om van oplegging van de maatregel af te zien.

8.3

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

8.3.1

De vordering


De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een bedrag van € 9.143,59 gevorderd (materiële schade), te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.013,59.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, namelijk tot een bedrag van € 4.013,59.

[Fred R.] heeft gesteld dat de vordering tot het bedrag van € 4.013,59 kan worden toegewezen; voor het overige wordt de vordering betwist.

Het hof overweegt dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A1 subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden. De door de benadeelde partij gevorderde kosten vallen naar hun aard binnen de reikwijdte van de kosten van de lijkbezorging, zodat deze - mits in redelijkheid gemaakt - voor toewijzing in aanmerking komen. Het hof stelt vast dat de kosten vermeld onder ‘retributie graf’ blijkens de datering en het grafnummer niet zonder meer in verband kunnen worden gebracht met het overlijden van Thomas van der Bijl, zodat deze niet toegewezen kunnen worden. De kosten ‘afkoop onderhoud’ zien op een afkoop van onderhoudskosten tot en met het jaar 2097. Het hof kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet vaststellen of het hier volledig om in redelijkheid gemaakte kosten gaat. Gelet op de standpunten van de advocaat-generaal en [Fred R.] op dit punt zal deze kostenpost daarom worden gematigd tot de helft van het bedrag, afgerond

€ 3.900,-. De totaal geleden schade zal daarom worden gewaardeerd op een bedrag van € 5.028,59 (zegge: vijfduizend achtentwintig euro en negenenvijftig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2009 (de dag dat de vordering werd ingediend).

Voorts dient [Fred R.] te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.2

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens [Fred R.] is bepleit hem niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het hof overweegt dat in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte zal worden opgelegd. Dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, gelet op de omstandigheden van [Fred R.] , op praktische problemen zal stuiten, is naar het oordeel van het hof geen reden om van oplegging van de maatregel af te zien.

8.4

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

8.4.1

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25.000 aan immateriële schade (shockschade) gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering ziet op de gevolgen van het overlijden van haar echtgenoot, Thomas van der Bijl, slachtoffer in de zaak Perugia (feit A1).

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering.

Namens [Fred R.] is bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat er niet is voldaan aan de eisen van shockschade.

Het hof overweegt dat voldoende vast staat dat de benadeelde partij door de gewelddadige dood van haar man zeer geraakt is en dat zij daarvan ook thans nog de emotionele gevolgen ondervindt. Het hof acht evenzeer aannemelijk dat de verwerking van een en ander bemoeilijkt wordt door de lange duur van dit proces en de aldus steeds opnieuw opkomende media-aandacht voor de moord. Dat schokkende foto’s daarvan in de media steeds weer verschijnen, moet inderdaad moeilijk te verwerken zijn voor de directe nabestaanden.

Het hof staat echter – zowel gelet op het verweer als ook ambtshalve – voor de vraag of de gevorderde schade in casu toewijsbaar is.

In beginsel kunnen nabestaanden onder het huidige wettelijke stelsel geen aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade als gevolg van hun verlies. De Hoge Raad heeft hierop twee uitzonderingen gemaakt:

1. Het geval waarin de aansprakelijke persoon met zijn handelen het oogmerk had om immaterieel nadeel toe te brengen aan die derde (art. 6:106 lid 1 sub a BW); en
2. Het geval waarin sprake is van schade die bestaat uit geestelijk letsel van een derde als gevolg van het waarnemen van een ongeval dat een ander is overkomen of het waarnemen van de gevolgen daarvan (shockschade).

In casu is de onder 2 bedoelde shockschade gevorderd.

De Hoge Raad heeft in het Kindertaxi-arrest overwogen dat shockschade op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW (aantasting in de persoon) in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hiervoor dient te zijn voldaan aan de volgende criteria:

1. Letsel of overlijden door de overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm;
2. Een ander dan de gewonde of overleden persoon ondervindt een hevige emotionele schok door waarneming van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan (directe confrontatie-eis);
3. De shock moet leiden tot geestelijk letsel;
4. Dit geestelijke letsel is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Deze criteria beperken de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van shockschade. Daarbij past terughoudendheid past, gelet op het uitgangspunt dat immateriële schade van nabestaanden in beginsel niet toewijsbaar is.

De vraag is of in casu is voldaan aan de eis van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van – in dit geval – de moord. Gesteld is dat de benadeelde partij kort na de moord door een familielid is gebeld en naar de plek van de moord is gegaan. Daar is zij opgevangen door de politie; zij heeft haar man toen en daar niet kunnen zien. Enkele dagen later heeft zij geholpen met het aankleden van haar dode echtgenoot en werd zij met de verwondingen geconfronteerd. Gelet op de gevallen waarin in de jurisprudentie tot op heden een ‘directe confrontatie’ is aangenomen – en die zich in het algemeen kenmerkten door onverhoedse waarneming van lichaam en verwondingen van de overledene direct na het feit – is het aannemen van een directe confrontatie in het onderhavige geval niet vanzelfsprekend. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zou een verruimde uitleg van het begrip “directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit” vergen. Dit temeer waar ook de vele jaren na het feit nog bestaande media-aandacht kennelijk een rol speelt bij de schade. Het hof acht een dergelijke verruiming van die uitleg niet de taak van de strafrechter in het kader van een beslissing op een slechts summier onderbouwde en niet of nauwelijks betwiste vordering; een dergelijk vergaande beslissing vergt in ieder geval een uitgebreid juridisch debat hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Daar komt bij dat de door de benadeelde partij ingebrachte stukken onvoldoende onderbouwing opleveren voor het aannemen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat het gevolg is van de directe confrontatie met de gevolgen van de moord. Om deze redenen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zal worden bepaald dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter zal kunnen aanbrengen.

8.4.2

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens [Fred R.] is bepleit hem niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Gelet op hetgeen met betrekking tot de vordering is overwogen, staat niet vast dat de verdachte jegens de benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade. Daarom zal de maatregel van artikel 36f Sr niet worden opgelegd.

9 Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze zullen worden onttrokken aan het verkeer. Hij heeft gesteld dat de voorwerpen onder de nummers 38 tot en met 47 zijn aangetroffen op de plaats delict waar Houtman is doodgeschoten. Dat is onjuist. Deze voorwerpen, munitiedelen, zijn aangetroffen bij café De Hallen waar Van der Bijl is doodgeschoten. Het gaat hier derhalve om voorwerpen met behulp waarvan het onder A1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Daarom zal het hof de onttrekking aan het verkeer bevelen.

De pistool en de patroonhouder, vermeld onder de nummers 58 en 59, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen, te weten in de woning van zijn vriendin mw. [getuige 6] . Zij behoren, blijkens haar verklaring van 3 augustus 2006, aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 44a, 46, 47, 55, 57, 63, 140 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder A1 primair, onder A4, onder B en onder C1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder A1 subsidiair, A2, A3, en C2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, genummerd 38 tot en met 47, 58 en 59 op de beslaglijst.

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij deze uitsluitend bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot het bedrag van € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent) waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met de andere mededaders van het strafbare feit.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 2] , € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van de beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt dat, indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot het bedrag van € 5.028,59 (zegge: vijfduizend achtentwintig euro en negenenvijftig cent), waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met de andere mededaders van het strafbare feit. te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] , € 5.028,59 (zegge: vijfduizend achtentwintig euro en negenenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2009, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 50 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van de beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt dat, indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R. Veldhuisen, R.P.P. Hoekstra en R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mrs. M. Rasterhoff en A. Binken, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2017.

1 Dit begrip is ontleend aan het normale spraakgebruik en niet aan het Wetboek van Strafvordering (Sv). Waar deze benaming in de tekst wordt gebezigd is steeds bedoeld de getuige met wie de officier van justitie op de voet van artikel 226g Sv een afspraak heeft gemaakt.

2 Proces-verbaal terechtzitting van 8 juli 2016, pagina 16 en 17.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438, p. 2.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 3.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438. p. 2.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 4.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438. p. 2.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 5.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, , doc.nr. 000438. p. 2. en proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 5.

10 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 6.

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [Peter la S.] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438, p. 3.

12 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. melding [betrokkene 4] op 3 februari 2005, opgemaakt d.d. 10 februari 2005, doc.nr. 03724.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris d.d. 17 april 2009, doc.nr. 010853, p. 3.

14 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 10.

15 Proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2007 [000330] dig. pag. 4.

16 Proces-verbaal uitwerking OVC van 6 oktober 2008 [009606], dig. pag. 3.

17 Proces-verbaal terechtzitting van het hof van 8 juli 2016, pagina 17.